Vlissinger Michiel


auteur: Pieter Louwerse


bron: Pieter Louwerse, Vlissinger Michiel. H.A.M. Roelants, Schiedam z.j. [1880]  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. IV]
 
‘Kloek en onverschrokken krijgsman,
 
vlootvoogd, wijs in woord en daad,
 
Wakker en rechtschapen burger,
 
trouwe dienaar van den Staat,
 
Ingetogen, vroom van wandel,
 
moedig Christen bovenal,
 
Was De Ruyter, wiens gelijke
 
de aarde moeilijk noemen zal.’
 
 
 
Mr. J. van Lennep.
[p. V]

Voorbericht.

‘Meneer, meneer, 'k heb het standbeeld van De Ruyter gezien!’ met deze woorden begroette mij, eenigen tijd geleden, een knaap, die zijn oom en tante, die te Vlissingen woonden, bezocht had.

‘Zoo, jongen!’ zeî ik, ‘en wat dacht je wel toen je dat beeld zag?’

‘Wel, meneer, ik dacht: meneer moest eens een boekje schrijven van De Ruyter. Hij heeft het wel gedaan van Marten Harpertsz. Tromp en van Piet Hein! En Michiel De Ruyter was toch grooter zeeheld!’

Ofschoon de knaap op mijne vraag een ander antwoord gaf dan ik verwacht had, kon ik toch aan zijne oogen zien, dat hier volstrekt geene vleiërij of zoo iets in het spel was, en dat hij inderdaad wenschte, dat ik een verhaal over De Ruyter schrijven zou.

Michiel Adriaensz. De Ruyter is voor elken jongen de eerste van alle vlootvoogden, de grootste van alle zeehelden. Nelson is in zijn oog niets bij hem.

En als die jongens groot geworden zijn, is dan De Ruyter dezelfde gebleven, als die hij was in hunne jeugd? We willen hopen van ja, opdat mijn titel voor dit boek geene onwaarheid spreke, waar het heet geschreven te zijn: ‘voor oud en jong Nederland.’

Met dit verhaal in de wereld te zenden voldoe ik dus aan den wensch van den knaap, die er mij om vroeg, en zoo ik

[p. VI]

vertrouw, aan den wensch van honderden, die er niet om vroegen, maar het toch wel wilden.

Het is met Michiel Adriaensz. De Ruyter gegaan als met Piet Hein; men weet bijzonder weinig van zijne kinderjaren, daar niemand vermoeden kon, dat uit den ondeugenden zoon van een armen bierbrouwersknecht eenmaal zulk een groot man zou worden. Ondeugend moet hij echter geweest zijn en erg ondeugend ook, dat schijnt eene uitgemaakte zaak te zijn; want alle verhalen, die er van hem in omloop zijn, spreken er over. Wij zullen hem dus ook maar als deugniet laten optreden, doch waarschuwen onze lezers vooraf, dat zij hierin niet te veel geschiedkundige waarheid zoeken. Zijn dienst als busschieter te Bergen op Zoom en zijne bedelreis door Frankrijk, nadat hij door Spanjaarden gevangen genomen was geworden, schijnen wel waar te zijn, zoowel als zijne roekelooze toren-klimmerij. De makkers met welke ik hem laat omgaan, zijn, zooals ge wel al dadelijk ontdekken zult, ook geschiedkundige personen.

Van harte hoop ik geschreven te hebben, zooals mijn jonge vriend dat zoo gaarne wilde; ik heb er althans mijn best toe gedaan.

Vinde het veel lezers en lezeressen, zoowel onder de jonkheid als onder de volwassenen, en zij het een middel om de liefde voor onze schoone Nederlandsche geschiedenis op te wekken en eene uitlegging van de woorden op het praalgraf van onzen held: ‘Hij blinkt in onbezoedelde eere!’

 

's-Gravenhage.

P. Louwerse.