|
|
|
| |
| | | |
Inleiding1
Al vanaf mijn vroegste jeugd heeft het beeld van de Babylonische spraakverwarring
voor mij een zekere betekenis. Deels hardhandig werd ik met mijn neus gedrukt op
de verschillen tussen de taal van thuis, de taal van het schoolplein en die van
sommige vriendinnetjes en vriendjes. In de huiselijke geborgenheid leerde ik
Limburgs, aangezien mijn ouders uit het naburige Helden afkomstig waren. Zo
sprak ik al gauw de magische woorden ‘sokker’ en
‘ich auch’. Met dit Limburgs kon ik me bij een aantal
families ook elders in het dorp redden, bij immigranten, net als wij. Zo gauw ik
echter naar de bewaarschool moest, bleek dat de meerderheid van mijn Meijelse
klasgenootjes een andere taal sprak, het Meijels. Zij moesten aan hun trekken
zien te komen met behulp van ‘suukker’ en ‘ik
ok’. De zuster van de bewaarschool tenslotte probeerde onze aspiraties
in verhevener richting om te buigen dan ‘suiker’ en
‘ik ook’. Gelukkig was ik met behulp van een aantal
buurkinderen met geheel of gedeeltelijk ‘Hollandse’ ouders
al aan deze derde taal gewend geraakt.
Mijn vader was schoolmeester en hij, maar ook mijn moeder, stonden er op dat wij
als kinderen al deze talen -laat ik ze gemakshalve Limburgs, Meijels en
Nederlands noemen - nauwkeurig uit elkaar hielden; het was dus ‘'nne
sjoeene sjoon’, ‘'nne sjonne sjoen’ en
‘een mooie schoen’.
Overigens hadden deze vroege exercities niet alleen nadelen: met het Limburgs kon
je je naar het oosten toe tot een stuk in Duitsland en naar het zuiden toe tot
en met Maastricht behelpen (tenminste als de Zuidlimburgers zich verwaardigden
je als landsman te erkennen); met het Meijels in het oosten van Brabant, al
moest je je dan wel wat aanpassen.
Niet alleen tweede-generatie immigranten zoals mijn broers en zussen en ik werden
zich al vroeg bewust van de aparte positie die het Meijels innam binnen Limburg
-want tot die provincie behoort het sinds mensenheugenis in alle opzichten- en
van de kleinere, maar toch wel wezenlijke verschillen met Brabantse dialekten,
ook de autochtone Meijelsen wisten dat ze taalkundig op een eiland woonden.
In verscheidene publikaties heeft Herman Crompvoets
kunnen aantonen dat het Meijels dialect waarschijnlijk oorspronkelijk tot de
Oostbrabantse dialecten gerekend moest worden, maar dat er zodanig sterke
Limburgse invloeden in zijn aan te wijzen, dat het in de gestolde vorm waarin
het sinds de laatste eeuwwisseling bekend is, als een typische mengvorm met een
geheel eigen karakter kan worden gekenschetst2. Ik zal me hier bezighouden
met de vraag welke historische achtergronden mogelijk van belang kunnen zijn
voor de verklaring van de eigenaardige positie van het Meijelse dialekt. Waartoe
hoorde Meijel sinds zijn ontstaan staatkundig en
kerkrechtelijk? Waarop was het ekonomisch en kultureel georienteerd? Waar kwam
zijn bevolking vandaan?
| | | |
KAART 1 De verkeers-geografische ligging van Meijel van de dertiende
tot de vroege negentiende eeuw
| |
| | | |
1. Een geografische plaatsbepaling.
Meijel is met meer dan 35 m. boven NAP het hoogste punt van de Peel en ligt op
een smalle, ongeveer 6 km. lange, min of meer zuid-noord
georiënteerde zandrug in het midden van wat eens een uitgestrekt
hoogveengebied was (zie Kaart 1). Tot voor honderd jaar vormde het als het ware
een lange natuurlijke brug tussen Midden-Limburg en Oost-Brabant; een brug door
een groot moeras dat zich zonder vergelijkbare doorgangen wel haast twintig
kilometer naar het zuiden (tot Weert) en meer dan dertig kilometer naar het
noorden uitstrekte. Overigens is het -en zeker in landbouwkundig opzicht is dit
een belangrijke correctie, door Willems aangebracht- goed te bedenken dat op
deze zandrug weer aanzienlijke hoogteverschillen voorkwamen en dat het in feite
eerder om een verzameling heuveltjes op een zandrug ging3.
Aan de betekenis van deze zandrug -gemakshalve zal ik hem hierna steeds de
‘Meijelse zandrug’ noemen, zonder rekening te houden met
administratieve grenzen- als enige zowel 's zomers als 'swinters begaanbare
verkeersverbinding door de Peel tussen Limburg en Brabant werd wel enigszins
afbreuk gedaan door de slechte aansluitingen in noord en zuid (zie Kaart 2). In
het noorden, achter het gehucht Heitrak, sluit de rug
niet direkt aan bij de zandgronden van Liessel. Daar
moest de reiziger ongeveer 3 km. door lagergelegen gronden gaan tot hij bij het
vermoedelijk in 1507 gebouwde ‘Blokhuis’ onder Liessel
kwam4.
Eenzelfde obstakel ontmoette hij in het zuiden van de huidige gemeente Meijel.
Tussen het zuidelijke uiteinde van de ‘Meijelse zandrug’ in
de buurtschap De Donk en de zandgronden van Roggel die bij de buurtschap het
Nieke begonnen, liggen -te beginnen bij de ‘(Roggelse)
Dijk’ in het noorden- zeker 5 km. lang laaggelegen gronden. Laten we
echter vasthouden aan het aardrijkskundige beeld van de ‘Meijelse
zandrug’ als een, zij het niet al te best verankerde, maar toch
belangrijke brug door de Peel, waaroverheen men, van noord naar zuid reizend, na
de Neerkantse gehuchten aan zijn linkerhand de
Sint-Willibrordusput, de tol, de Hof en de molen passeerde om via ‘de
Straat’ -het bewoonde gedeelte met de veelal dwars op de weg staande
boerderijen en herbergen en de kerk- de Donk te bereiken5.
Rechtstreekse verbindingen met andere plaatsen dan Roggel in het zuiden en
Liessel in het noorden waren ofwel in het natte jaargetijde slecht begaanbaar,
zoals de wegen naar belangrijke plaatsen als Helden (en
verder naar Venlo) en Nederweert (en verder naar Weert), of bestonden
eenvoudigweg niet, zoals die naar Asten tot 1861, toen
de provinciale macadamweg van Kessel via Meijel en
Asten naar Heeze werd aangelegd6.
| | | |
KAART 2 De ‘Meijelse zandrug’ tot ca. 1800
Legenda: 1 = Heitrak (Neerkant, gemeente Deurne) 2 = St.
Willibrordusput (gemeente Meijel) 3 = dorpskern Meijel
+ = Middeleeuwse parochiekerk
| |
| | | |
2. Bewoningsgeschiedenis
Deze geografische plaatsbepaling is essentieel voor de interpretatie van de
historische ontwikkeling van Meijel. Meijel is een
relatief jonge gemeenschap. Zeker, er zijn enkele losse vondsten bekend uit de
prehistorie en de Romeinse tijd en het ligt in de rede te veronderstellen dat
deze zandrug al lang dienst heeft gedaan als verkeersverbinding7. Van permanente bewoning,
laat staan van de vorming van een gemeenschap, zijn echter geen sporen te vinden
vóór de veertiende eeuw. Ten opzichte van de meeste andere
dorpen in Oost-Brabant en Midden-Limburg (voor zover vóór
de negentiende eeuw ontstaan) is Meijel hiermee een van de hekkesluiters
geweest.
De bewoningsgeschiedenis van het aangrenzende Brabantse gebied kan men zien als
een langzame zuidwaartse uitbreiding van het al in de achtste eeuw bestaande
Bakel, vanwaaruit wellicht in de elfde eeuw Deurne zich verder ontwikkelde en in de veertiende eeuw
vandaaruit op zijn beurt Liessel8. De bewoningsgeschiedenis
aan de Limburgse kant ging in tegenovergestelde richting: vanaf de in de
Romeinse tijd al sterk ontwikkelde Maasoevers -met name vanuit westelijk en
noordwestelijk van Roermond gelegen plaatsen als Horn, Buggenum en Neer- werden in noordoostelijke richting de dorpen Heythuysen en Roggel
gesticht9. In welke tijd moeten we nu het ontstaan
van een gemeenschap juist daar tussenin, op de ‘Meijelse
zandrug’, dateren; met enige overdrijving, wanneer ontstond de
Meijelse missing link?
De oudste sporen van bewoning gaan terug naar 1326 wanneer de naam Meijel voor
het eerst in de bronnen voorkomt en naar de daarop volgende eeuw, toen
vermoedelijk de eerste fundering van maaskeien voor een bakstenen kerk werd
gelegd10. Deze veertiende-eeuwse ontwikkelingen zouden het resultaat kunnen
zijn geweest van een geleidelijk proces van bevolkingsaanwas dat vanaf de
dertiende eeuw zijn oorsprong vond of in ieder geval werd gestimuleerd. Toen
kwam namelijk het handelsverkeer op gang tussen twee, beide rond 1200 gestichte
steden, het Gelderse Roermond en het Brabantse Den
Bosch. Zo geven beide steden elkaar op 25 maart 1277 vrijdom van
invoerrechten. J. Linssen stelt dat we hier in de eerste plaats moeten denken
aan de weg door de Peel over Meijel11. In feite zou het hier gaan om een deel van een langere
landweg: die van het Gelder steunende Keulen naar het noorden. Deze weg zou een
eeuw ouder zijn dan de weg van Keulen over Roermond naar Antwerpen, waaraan Weert zijn opkomst te
danken heeft. Linssen vermoedt dat de bewuste weg van Roermond via het veer bij
Ool naar Horn heeft gelopen en vandaar ofwel via
Haelen, ofwel via Heythuysen naar Roggel,
vervolgens naar Meijel en zo verder via Deurne, Bakel en Gemert naar Den Bosch. Harde bewijzen voor deze stelling dateren
eerst uit de eerste helft van de zeventiende eeuw. Op 26 februari 1637
verklaarden de schepenen van Asten dat Meijel
‘eene cleyne gemeynte is geheel tussen het moeras ofte Peel gelegen,
alwaer is doergaende eene heerbaen van den Bossche op Venlo, Ruremundt ende
Ceulen | | | | naer 't landt van Geullyck’ en Tranchot duidt de
weg van Meijel over de Moosdijk naar Liessel aan als de ‘Grosse
Strasse von Herzogenbusch nach Ruremonde’12. Een gedeelte daarvan onder Neerkant heet nog steeds de ‘Keulse Baan’13. Met name in
het najaar gingen karren met vooral Rijnwijn van Keulen via Roermond over de
Meijelse zandrug naar het noorden. Ook werd in die richting laken vervoerd en
karren met zout en vis namen de omgekeerde route. De reden waarom deze en andere
landwegen functioneerden als alternatief voor de scheepvaart over rivieren als
Maas en Rijn moet naast natuurlijke hindernissen als hoogwater, ijsgang e.d.
toch in de eerste plaats gezocht worden in de grote overlast die de talloze
tollen op deze rivieren aan de handel bezorgden.
Aangezien de snelheid van dit soort vervoer op ongeveer 5 km. per uur gesteld kan
worden, is het niet geheel onlogisch te veronderstellen dat menig voerman een
uur of vier nadat hij de Maas was overgestoken in Meijel een rustpauze nam en
hetzelfde zou kunnen gelden voor de voerman die, uit tegengestelde richting,
vier uur eerder Bakel achter zich had gelaten. Veel later nog, in 1720, wordt in
Meijel de herberg ‘De Keulse Kar’ genoemd, gezien de
gemeenterekeningen van het eind van die eeuw de belangrijkste Meijelse herberg.
Het was een prominent gebouw, dat ook daarom door landmeters in de achttiende
eeuw gebruikt werd als richtpunt14. Ook foto's van het laatste gebouw met deze funktie dat in 1944
afbrandde laten een voor Meijelse begrippen forse boerderij zien15. Wellicht een laatste
argument voor het belang van deze doorgaande handelsroute voor Meijel zou men
kunnen zien in de keuze van St. Nicolaas als patroonheilige van de Meijelse
kerk, immers de patroon van de handel en de scheepvaart. We komen deze heilige
immers op meerdere plaatsen langs of in verband met deze handelsroute tegen: als
patroon van het klooster Keizersbosch (vormde de weg van Roermond via de tol bij
Hanssum en vervolgens over Keizersbosch en Roggel
ook nog een alternatief voor de Keulse en Bossche karren?16) en Heythuysen en als een van de
heiligen die in de kerken van o.a. Roggel, Liessel en Deurne werden vereerd17.
Nu rijst de vraag, vanwaar de eerste bewoners van Meijel afkomstig waren: werd de
‘Meijelse zandrug’ vanuit het zuiden of vanuit het noorden
gekoloniseerd? Recent onderzoek van Willems heeft aannemelijk gemaakt dat we
waarschijnlijk te maken hebben met | | | | een kolonisatie vanuit het
noorden, dus vanuit het juist eerder ontstane Brabantse Liessel en vanuit
verderop gelegen plaatsen als Asten en Deurne. De oudste toponiemen zijn juist
uit het noorden van Meijel bekend en de oudst bekende inwoners van Meijel uit de
tweede helft van de veertiende eeuw kwamen kennelijk uit het Brabantse18.
Mocht mijn veronderstelling juist zijn dat het dorp Meijel zijn ontstaan te
danken heeft aan zuidwaartse kolonisatie langs de handelsroute van Keulen over
Roermond naar Den Bosch die in de dertiende eeuw opkwam, dan betekent dit nog
niet dat we het in de eerste plaats als een bloeiende handelsnederzetting zouden
moeten zien19. Afgezien van enkele herbergen en een handvol
ambachtslieden was Meijel, net als alle andere dorpen in de wijde omtrek
eeuwenlang vooral een boerendorp, of liever: een boerendorpje, want zo groot was
het areaal kultuurgrond niet. Wanneer we deze oppervlakte, voor de ontginningen
vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw grofweg schatten op 500 ha voor de
totale ‘Meijelse zandrug’, dan is het duidelijk dat er toen
voor niet meer dan 120 boerderijen met ieder gemiddeld 4 ha plaats was20. Het dorp Meijel telde dan ook weinig
inwoners: verspreide opgaven tijdens het ancien regime suggereren slechts enkele
honderden inwoners en pas op het eind van de achttiende eeuw komt men boven de
500 om in het midden van de negentiende eeuw de duizend en rond 1900 haast de
1.700 te bereiken21. Ook
uit het feit dat Meijel, in tegenstelling tot omringende plaatsen, in de
vijftiende eeuw door de Luikse bisschop als een ‘halve kerk’
gold en dus slechts tot het opbrengen van een relatief geringe kerkelijke
belastingen in staat werd geacht, wijst op een gemeenschap van slechts zeer
bescheiden omvang en mogelijkheden22. De inwoners van dit kleine dorp waren ekonomisch vooral op het
marktcentrum Roermond gericht. Pas in deze eeuw werden Venlo en nog later Eindhoven belangrijker.
| |
3. Bestuurlijke geschiedenis
Na deze geografische en ekonomisch-historische plaatsbepaling van Meijel als een plaats, ontstaan aan een belangrijke
doorgaande weg tussen het Limburgse en het Brabantse, dienen we - in het kader
van onze vraagstelling naar het bijzondere karakter van het Meijelse dialekt- de
vraag te stellen naar de richting waarin het dorp georiënteerd was:
richtten de bewoners zich vooral naar het zuiden, naar het Limburgse, of naar
het noorden, naar het Brabantse?
Laten we allereerst de bestuurlijke geschiedenis onder de loupe nemen.
| | | |
KAART 3 Kerkelijke indeling vóór 1559
Legenda: de dikke punt ten noordoosten van meijel is het
‘drielandenpunt’ D.W. = Dekenaat Weert (Bisdom
Roermond) D.K. = Dekenaat Kessel (Bisdom Roermond)
| | | |
Merkwaardigerwijs vormt de zandrug waarop Meijel ligt, in geen enkel opzicht een
administratieve eenheid. Dit eiland in de Peel wordt namelijk van oudsher
middendoor gedeeld door een duidelijke grens, zowel kerkelijk- als
burgerlijk-administratief, een grens die bovendien tot op de dag van vandaag
bestaat. Het noordelijk deel van de zandrug (de huidige parochie Neerkant in de gemeente Deurne)
behoort heden ten dage tot de provincie Brabant en het zuidelijke gedeelte (de
huidige gemeente en parochie Meijel) tot de provincie Limburg (zie Kaart 2).
Deze latere grens door de Peel tussen Noord-Brabant en Limburg vinden we voor het
eerst al in de negende eeuw als afscheiding binnen het Luikse aartsdiakenaat
Kempenland tussen het landdekenaat Woensel in het westen en Maaseik en Kuik in
het oosten (zie Kaart 3). Het ‘drielandenpunt’ werd gevormd
door het oude grenspunt tussen de gemeentes Deurne (bij het landdekenaat
Woensel), Meijel (bij het landdekenaat Maaseik) en Helden (bij het landdekenaat Kuik). Deze grenzen werden vanaf 1559 in
andere vorm bestendigd als die tussen resp. het bisdom Den Bosch en het bisdom
Roermond en binnen dat laatste tussen de dekenaten Weert en Kessel23. In
de praktijk kerkten echter nagenoeg alle bewoners van de zandrug in Meijel. Voor
de inwoners van het noordelijk gedeelte was de afstand naar de parochiekerk van
Deurne immers nagenoeg onoverkomelijk: volgens een opgave uit 1876 betekende dit
voor de 110 inwoners van de Heitrak 11 en voor de 330
van Neerkant zelfs 15 km. lopen. Maar ook de gang naar de sinds ca. 1350 al
bestaande en onder de parochie Deurne vallende kapel van Liessel nam voor de
meeste bewoners van de zandrug ten noorden van de Sint Willibrordusput veel meer
tijd dan die naar Meijel24. Slechts de ca. honderd inwoners van het
noordelijkste puntje, de Heitrak vervulden hun kerkelijke plichten in Liessel,
zeker toen de kerkelijke mogelijkheden daar in 1714 en nog eens aan het begin
van de vorige eeuw werden uitgebreid en toen het in 1851 als zelfstandige
parochie van Deurne werd afgescheiden. Ook bezochten de kinderen van de Heitrak
de Liesselse school. Het is overigens van belang in dit verband op te merken dat
het dialekt van de Heitrak tot in deze eeuw dan ook
‘Liessels’ was en niet, zoals op de rest van de Neerkant,
Meijels25. De inwoners
van de Moosdijk -dus de overige inwoners van wat later de Neerkant werdhadden in
ieder geval vanaf 27 maart 1627 verlof om in Meijel naar de kerk te gaan en hun
kinderen bezochten de Meijelse school26. Dit duurde zo tot de oprichting van een eigen school op de Neerkant
in 1887 (overigens waren de kinderen voor de catechismusles toen nog steeds op
Meijel aangewezen) en van een eigen parochie in 1890. Tot voor honderd jaar
gingen dus nagenoeg alle bewoners van de zandrug, ongeacht de kerkelijke en
politieke grenzen, naar een en dezelfde kerk, die van de Heilige Nicolaas in
Meijel en volgden de kinderen catechismusles bij de Meijelse geestelijkheid. Ook
de Meijelse kermis wist alle bewoners van de Neerkant aan zich te binden27.
| | | |
KAART 4 Staatkundige indeling in de achttiende eeuw
| | | |
De ‘Meijelse zandrug’ stond dus vanouds in kerkelijk opzicht
exclusief onder zuidelijke, Limburgse, invloed. Daar kwamen de geestelijken, de
visitaties en de directieven vandaan. Zodoende kon de pastoor van Liessel in
1885 de bewoners van de Neerkant in 1885 als volgt karakteriseren:
‘huurboertjes en hutmannen [...] meestal van Limburgschen aard waarop
in genen deele kan vertrouwd worden’!28 We mogen vrezen dat het met de Meijelse broeders en zusters
aan de andere kant van de grens nog slechter gesteld was.
Maar niet alleen de orthodoxie, ook de heterodoxe invloeden kwamen uit het
zuiden29. De reformatie die in het Land van Weert enkele decennia behoorlijk
succesvol was, onder meer bevorderd door verschillende Weerter pastoors, drong
in de jaren 1560/70 ook in Meijel door, geholpen door
de toenmalige heer Godhard van Mylendonck30. Toen de kaarten eenmaal geschud waren en de
Zuidelijke Nederlanden, waaronder het bisdom Roermond met Meijel, in het
contrareformatorische kamp, Staats Brabant daarentegen onder protestantse
invloed kwamen, stimuleerden fanatieke protestantiseringspogingen in het
Deurnese en met name in Liessel in de jaren na de Vrede
van Munster nog eens extra de kerkgang naar Meijel31.
Wat gold voor de kerkelijke grenzen, gaat evenzeer op voor de politieke grenzen:
Meijel lag met zijn rug naar Brabant (zie Kaart 4). De indeling in landdekenaten
zou samenvallen met die van de frankische gouwen, waarbij Meijel dus in het
noordwesten van de Opper-Maasgouw gesitueerd moet worden32. Het drielandenpunt bleef een
duizend jaar zijn geldigheid behouden, zij het in veel verschillende vormen.
Schetsen we de situatie in de veertiende eeuw, dus vanaf de tijd dat we zeker
weten dat de Meijelse gemeenschap bestond.
Westelijk van dit drielandenpunt (dus ook in Deurne) hadden de Brabantse hertogen
hun macht geconsolideerd. Noordoostelijk (dus ook in Helden) deden de Gelderse
graven en later hertogen hetzelfde door de vorming van het Overkwartier van
Roermond. Zuidoostelijk, waar Meijel ontstond, was het territoriaal gezag
aanzienlijk verbrokkelder: Thornse, Hornse, Gelderse, Luikse gebieden en
daarnaast nog vrije heerlijkheden lagen als het ware schilderachtig door elkaar.
Een van die vrije heerlijkheden was Meijel. Vermoedelijk vanaf de tweede helft
van de veertiende eeuw behoorde het toe aan de heren van Goor, een kasteel in de
nabijheid van het dorp Neer, hemelsbreed 13 km. ten
zuidoosten van Meijel33. Kennelijk
waren deze heren er in geslaagd het nieuw gekoloniseerde gebied aan hun gezag te
onderwerpen. Geschiedde de kolonisatie dus waarschijnlijk vanuit het noorden, de
uitbreiding van het wereldlijk gezag geschiedde vanuit het zuiden, wellicht
conform de al eeuwen bestaande deling van de geestelijke macht binnen het bisdom
Luik.
De heren van Goor en hun opvolgers (van de zestiende tot de achttiende eeuw de
graven en gravinnen van Millendonck en ten slotte nog enkele decennia de prinsen
van Croy-Solre) kwamen uiteraard zelden of nooit in Meijel, maar oefenden er wel
door middel van hun schout en hun ontvanger-rentmeester de souvereine macht uit:
zij hieven belastingen, | | | | verplichtten de inwoners op hun banmolen te
malen, hadden als enigen het jachtrecht, stelden als hoogste gezagsdrager de
schout (meestal iemand van buiten het dorp) en (uit de geërfden) de
schepenen aan, lieten recht spreken waarvan men alleen bij diezelfde heer in
beroep kon gaan en benoemden ook de geestelijkheid34. Dit duurde zo voort tot aan de
verovering door de Fransen, toen in 1794 de laatste heer van Meijel naar
Duitsland moest vluchten.
Langzamerhand moesten de heren van Meijel echter anderen boven zich erkennen. Bij
de Bourgondische unificatie met de verovering van Gelre speelde het ons zo
vertrouwde drielandenpunt weer een rol: bij de grote tweedeling in 1548 tussen
enerzijds de Bourgondische Kreits en de Westfaalse Kreits vielen Brabant zowel
als Opper-Gelder binnen de eerste en het graafschap Horn, het Land van Weert,
maar ook de heerlijkheid Meijel binnen de tweede35. Korte tijd later begon een nieuwe
expansie-periode van Gelder, nu vanuit Brussel waar de
nieuwe landsheer zetelde met de confiscatie van het Land van Weert, zodat Meijel
aan twee kanten door Gelders gebied werd ingeklemd. Volgens de recente studie
van Berkvens kwam de vrije heerlijkheid vanaf het begin van de zeventiende eeuw
incidenteel, en vanaf het laatste kwart steeds meer onder de invloed van Spaans
Gelre36. Bij het uiteenvallen van het Opperkwartier in 1715 voegden de
heren van Meijel zich de facto onder het Oostenrijkse Opperkwartier met als
hoofdstad Roermond37. Het drielandenpunt fungeerde nu als
verdelingspunt tussen Brabant, Pruisisch Opper-Gelder (waarin o.a. het Meijelse
buurdorp Helden) en Oostenrijks Opper-Gelder met daarin dus Meijel. Het dorp
deelde daarmee in alle opzichten het wel en wee van de Zuidelijke Nederlanden
gedurende de komende één en een kwart eeuw: het bewind van
Maria Theresia en Josef II, de Brabantse Revolutie, de periode van het
Departement van de Nedermaas (en daarbinnen van het Arrondissement Roermond),
van de verenigde provincie Limburg -inclusief de Belgische Opstand tot 183938.
Vanaf het begin van de negentiende eeuw hield het
‘drielandenpunt’ in het uiterste noorden van Meijel stukje
bij beetje op uit staatsgrenzen te bestaan en vanaf 1840 bleef slechts de
huidige grens tussen de provincies Noord-Brabant en Limburg, respectievelijk
tussen het bisdom Den Bosch en het Bisdom Roermond over alsmede binnen Limburg
de gemeentegrens tussen Meijel en Helden39. Het mag duidelijk zijn: de wereldlijke
oriëntatie van Meijel is steeds geheel en al op het zuiden geweest.
De heren woonden daar, de schouten kwamen daar vandaan en het hoogste gezag kwam
uiteindelijk, meestal via Roermond en later via Maastricht uit Brussel, Parijs of kort zelfs uit Frankfurt. Den Haag
kwam pas, maar steeds via Maastricht, anderhalve eeuw geleden definitief in het
vizier.
| |
4. De Meijelsen
Wat betekenden deze bestuurlijke indelingen voor de staatkundige loyaliteiten van
de Meijelsen? Aanvankelijk, met name in de tijd dat het dorp nog een eigen
heerlijkheid vormde en het slechts zeer geleidelijk enig staatkundig verband met
enkele naburige dorpen | | | | ten zuiden en ten oosten kreeg, krijgen we
uit de bronnen de indruk dat de kontakten met de buitenwereld slechts bestaan
uit grenskonflikten, met name inzake het illegaal turf steken, plaggen weghalen,
schapen weiden etc. door inwoners van Nederweert, Heythuysen, Roggel en Helden.
Dit soort invallen van bewoners van buurdorpen is tot 1822 bekend40. Ten aanzien van grotere staatkundige verbanden lijken de
inwoners slechts de passieve slachtoffers van doortrekkende legerbendes, zoals
van de Geldersen die tussen 1510 en 1528, o.a. onder leiding van Maarten van
Rossum via Meijel Brabant binnenvielen en waartegen in
Liessel het Blokhuis werd gebouwd41.
Pas vanaf het einde van de achttiende eeuw, wanneer nationale staten zich meer
direkt met hun onderdanen gaan bemoeien, komt hierin soms enige verandering. Dan
kunnen we iets meer over de staatkundige voor- en afkeuren van de Meijelsen te
weten komen, al is het ook dan moeilijk om de rol van de plaatselijke leiders,
vooral die van de pastoor, te onderscheiden van die van de gewone bevolking42. Al ontbreken voorlopig systematische studies over de
sympathieën van de Meijelsen, het is waarschijnlijk dat ze eerder in
zuidelijke dan in noordelijke richting gingen. Op die ene enthousiaste orangist
in 1839 na zijn in ieder geval geen blijken van noordelijke
sympathieën te bespeuren.
Wel dient in dit verband nog een nieuw verschijnsel gesignaleerd te worden dat
vanaf het einde van de vorige eeuw opkomt: een uitgebreid verenigingsleven dat,
voor zover niet louter plaatselijk, steeds in Limburgs verband beoefend werd.
Denken we alleen al aan de initiatieven van de -overigens in Weert geboren en
getogen- Meijelse burgemeester en grootgrondbezitter Jan Truijen. Deze
‘boerenkoning’ richte vanuit Meijel in 1893 de
Zuid-Nederlandse Zuivelbond, in 1896 de Limburgsche Land- en Tuinbouwbond en in
1898 de Centrale Boerenleenbank op, organisaties met uiteraard vroege
plaatselijke afdelingen in Meijel43. Later ontstond een imkervereniging met leden uit verschillende
Limburgse dorpen en met Meijel als zetel. De opkomende sportverenigingen, zoals
de uit 1921 daterende voetbalclub, speelden in de Limburgse competitie, de
schutterijen namen deel aan en een van hen won zelfs een keer ‘den
Oudlimburger’ en om deze rij voorbeelden te besluiten: de Meijelsen
gingen op retraite bij de Jezuïten in het Venlose
‘Manresa’.
Is het dus moeilijk om voor honderd jaar vergaande uitspraken te doen over de
mentaliteit en de houding van de Meijelsen ten opzichte van de buitenwereld,
misschien kunnen we het probleem benaderen door voor de laatste eeuwen de
herkomst van de Meijelsen na te gaan: was Meijel in demografisch opzicht een
gesloten gemeenschap? Kwamen zijn inwoners ook buiten het dorp of bestond hun
kontakt met de buitenwereld uit het nagapen van Keulse karren en een incidentele
vechtpartij met inwoners van naburige dorpen?
In ekonomisch opzicht bestond er wel degelijk een levendig kontakt met de
buitenwereld. Voor de achttiende en negentiende eeuw zijn verschillende vormen
van trekarbeid bekend, | | | | aansluitend aan die welke gebruikelijk waren
in het Land van Weert, zoals het bleken in de omgeving van Haarlem en de zgn. ‘teutenhandel’ Iets later ook
bij de kanalengraverij en het aan snee brengen van Helenaveen vonden veel
Meijelsen geregeld werk buitendorps. Op het eind van de vorige eeuw en aan het
begin van deze eeuw kwam daar nog het werk in Duitsland bij en nog weer later de
pendel naar de Limburgse mijnen. Zo dichtgeplakt met kranten als soms wel eens
wordt voorgesteld was het dorp dus beslist niet44. De ten
dienste van het genealogisch onderzoek door Peeters uit Helden gemaakte zgn.
‘gezinsklappers’ van Helden, Meijel
en andere naburige plaatsen laten trouwens ook een uitgebreide permanente stroom
van verhuizingen tussen de verschillende dorpen zien45. In verband met de in Meijel gesproken taal
is het interessant een bepaald aspect van deze migraties -de immigratie in
Meijel- nader te beschouwen. Dat we in Meijel inderdaad een zekere mate van
immigratie mogen verwachten, hangt ook samen met de voortdurende ontginningen
die er plaats vonden, van gemiddeld 2 ha. per jaar tussen 1690 en 1844 via 7,2
ha. tussen 1844 en 1910 tot 17,5 ha. tussen 1910 en 196046.
Over de geografische herkomst van de Meijelsen kunnen we pas vanaf de achttiende
eeuw op een iets systematischer wijze uitspraken proberen te doen. Vanaf 1707
zijn de parochiële huwelijksregisters bewaard, waarin bij de
huwelijkskandidaten de herkomstplaats buiten Meijel is aangegeven. Voor de hele
achttiende eeuw blijkt 7,5% van de bruiden en bruidegoms uit het Limburgse en
4,6% uit het Brabantse afkomstig te zijn (zie Bijlage 1). Deze lage percentages,
met name voor Brabant, worden bevestigd door de volkstelling van 1796. In de
negentiende eeuw gaan deze percentages stijgen en wel steeds harder naar het
einde toe, zodat bij de volkstelling van 1909 nog maar 2/3 van de Meijelse
bevolking autochtoon blijkt te zijn en niet minder dan een kwart is elders in
Limburg geboren. De zuidelijke nabuurgemeenten Roggel, Heythuysen en Nederweert
winnen daarbij met vlag en wimpel en Helden blijft duidelijk wat achter. Deze
tendens van ‘verlimburgsing’ van Meijel, zoals af te leiden
uit de volkstellingen, wordt bevestigd door de herkomststatistiek van bruiden en
bruidegoms. Deze forse immigratie heeft waarschijnlijk vooral samengehangen met
de ontginning van de overvloedig aanwezige woeste gronden.
| |
5. Dialectologie en geschiedenis: een voorlopige konklusie
Keren wij terug naar het uitgangspunt van dit betoog: de ‘Meijelse
zandrug’ als een soort januskop in de Peel: een Limburgse plaats waar
een dialect gesproken wordt met sterk Noord-Brabantse kenmerken,
verkeersgeografisch zowel op Noord-Brabant in het noorden als op Limburg in het
zuiden gericht, maar van oudsher bestuurlijk, kerkelijk, ekonomisch en cultureel
ontegenzeggelijk bijna uitsluitend op het zuiden gefixeerd, en tenslotte, vanaf
de negentiende eeuw ook in toenemende mate open voor Limburgse immigratie.
De ‘Meijelse zandrug’ lijkt een mooi voorbeeld te vormen voor
de dynamische opvattingen aangaande de aard van dialecten. Evenals de
‘algemeen beschaafde’ landstalen is het dialect konstant aan
verandering onderhevig. Voor de Limburgse dialecten kan dit fraai worden
aangetoond aan de hand van de uitbreiding van de Keulse invloeden47. De invloed
van de taal van Keulen kan men zich voorstellen als een stelsel van
concentrische cirkels ten westen en noorden van deze stad, waarbinnen naar de
buitenkant toe de Keulse of ‘Duitse’ | | | | invloeden
steeds zwakker worden. Deze expansiebeweging kwam waarschijnlijk in de
veertiende eeuw tot staan, waarbij in concreto in de streek die we hier
bespreken het gebruik van ‘ich’ en
‘auch’ (door dialectologen de Uerdinger lijn’
genaamd) wel tot Roggel en Helden kan doordringen, maar
net niet tot Meijel48, daarentegen de ‘sjon
sjoen’ (een aspect van wat door dialectologen de ‘Panningen
zijlijn’ wordt genoemd) weer wel tot de ‘Meijelse
zandrug’, maar niet tot Liessel en verder Brabant in. Het is overigens
de vraag of deze noordwestelijke uitbreiding van de ‘Panninger
zijlijn’ over de Meijelse zandrug gedateerd moet worden ten tijde van
de oorspronkelijke Keulse expansie -dus ten tijde van de vroegste geschiedenis
van Meijel als dorpsgemeenschap- of dat deze als een soort secundaire
verlimburgsing dient te worden opgevat. In dit laatste geval kan gedacht worden
aan ofwel de konstante kerkelijk- en burgerlijk-bestuurlijke invloed vanuit het
zuiden, ofwel aan recentere ontwikkelingen, zoals de sterke Limburgse immigratie
vanaf de negentiende eeuw en -iets later- de incorporatie van Meijel in het
Limburgse verenigingswezen49.
Een duidelijk tweede -en dit keer wel goed te dateren- voorbeeld van
verlimburgsing biedt de ‘vermeijelsing’ van de Neerkantse
buurtschap Heitrak die nog in onze eeuw plaats vond onder invloed van een
veranderende school- en parochiekeuze.
De Meijelse zandrug biedt dus in drie opzichten interessante mogelijkheden om
historische en dialectologische ontwikkelingen met elkaar te verbinden:
verkeersgeografische, institutionele en demografische.
| |
| | | |
Bijlage 1 Immigratie in Meijel, 1707-1909 | | Huwelijken 1707-1799:
| bruiden of bruidegoms |
uit Meijel |
691 |
86,3% |
| idem |
overig Limburg |
60 |
7,5% |
| idem |
Brabant |
37 |
4,6% |
| idem |
onbekend |
13 |
1,6% |
| Totaal |
|
801 |
100% |
| | Geboorteplaatsen volgens volkstellingen 1796, 1850, 1880, 1910
| |
1796 |
1850 |
1880 |
|
1910 |
|
| Helden |
8 |
16 |
93 |
107 |
101 |
110 |
| Roggel/Heythuysen/N'weert |
7 |
25 |
58 |
59 |
156 |
182 |
| rest Limburg |
14 |
22 |
71 |
75 |
138 |
145 |
| subtotaal Limburg |
29 |
63 |
222 |
241 |
395 |
437 |
| Noord-Brabant |
8 |
50 |
110 |
115 |
104 |
111 |
| | In percentages
| Limburg |
ca. 7 |
8,6 |
18,2 |
24,6 |
| Brabant |
ca. 2 |
6,8 |
8,7 |
6,2 |
| |
Bronnen:
| RAL, Huwelijksregisters Parocie St. Nicolaas Meijel 1707-1799; |
| RAL, Frans Archief 1041 (volkstelling 1796) |
| GA Meijel, Bevolkingsregisters 1850-1880, 1880-1910, 1910-1936 |
NB De ontwikkeling van de herkomst van de huwelijkskandidaten in de
negentiende en vroege twintigste eeuw, die hier niet nader is uitgewerkt,
verloopt parallel aan die van de gegevens, verkregen uit de momentopnamen
uit de volkstellingen.
| |
| | | |
[Literatuur]
| Berkvens, A.M.J.A., Plakkatenlijst Overkwartier
1665-1794. Deel I Spaans Gelre. Instellingen, Territorium, Wetgeving
(1580-) 1665-1702, Nijmegen 1990. |
| Beuningen, P. Th. van, Wilhelmus Lindanus als inquisiteur
en bisschop, Assen 1966. |
| Van de Boel, W.M. e.a., De staatkundige kaart van Limburg
en aangrenzende gebieden in de jaren 1543/1548,
Assen/Maastricht 1990. |
| Bruekers, A., ‘Teuten, schepers en blekers, of: Nederweerter
reislust op het einde der 18e eeuw’, A. Bruekers (red.), Nederweerts verleden. Het dorp en zijn heerschappijen,
Nederweert 1985, 45-73. |
| Bruekers, A., ‘Merkwaardige middeleeuwse metaalvondsten en
munten uit Meijel’, Informatiebulletin van de
Stichting Streekarcheologie Peel, Maas Kempen, nulnummer,
september 1990, 5-6. |
| Crompvoets, H., ‘Het Meijels, een overwegend Brabants
dialect. Een micro-dialect-geografisch onderzoek’, Liber Amicorum Weijnen, Assen 1980, 36-45. |
| Crompvoets, H., ‘De beide Limburgen als dialectologisch
slagveld’, in: J. Goossens (ed.), ‘Woeringen en de
oriëntering van het Maasland’, Bijdragen van de Vereniging voor Limburgse Dialect- en
Naamkunde 33, Hasselt 1988, 89-111. |
| Crompvoets, H., ‘Meijel: dialectologisch een scharnier en
tevens een zwart gat’, Mededelingen van de
Vereniging voor Limburgse Dialect- en Naamkunde 61, Hasselt
1991. |
| Crompvoets, H. / Schijndel, J. van, Mééls woordeboe:k, Meijel 1991 |
| Crompvoets, H. / Weekers, L., ‘Prehistorie in
Meijel’, Medelo 2, 1983, 4-14. |
| Engels, G.A., Kroniek van Liessel. Samengesteld ter
herdenking van het 125-jarig bestaan van de Parochie
St.-Willibrordus te Liessel en het 75-jarig bestaan van de
kerk, [Liessel], 1976. |
Engels, G., Honderd jaar Neerkant (1890-1990),
Neerkant 1989. Ganshof, F.L. / Berings, G., ‘De
staatsinstellingen in de Karolingische tijd’, Algemene Geschiedenis der Nederlanden 1, 1981, 243-263. |
| Gielen, G. / Lucassen, L.J., Meijel in oude
ansichten, Zaltbommel 1971 (eerste druk) en 1990 (tweede druk). |
| Goossens, J., ‘Die Gliederung des
Südniederfränkischen’, Rheinische Vierteljahrsblätter 1965, 79-94. |
| Goossens, J., ‘De evolutie van het taalgebruik in de beide
Limburgen’, Eenheid en scheiding van de beide
Limburgen, Maastricht 1989, 213-235. |
| Habets, J., Limburgsche Wijsdommen. Dorpscostumen en
gewoonten, bevattende voornamelijk bank-, laat- en bosrechten,
's-Gravenhage 1891. |
| Janssen de Limpens, K.J.T., Rechtsbronnen van het gelders
Overkwartier van Roermond, Utrecht 1965. |
| Linssen, J., ‘De stichting van de stad Roermond en haar
eerste opkomst’, Publications de la
Société historique et archeologique dans le
Limbourg, 112, 1976, 7-133. |
| Lucassen, J, Naar de Kusten van de Noordzee. Trekarbeid
in europees perspektief 1600-1900, Gouda 1984. |
| Lucassen, J. / Lucassen, L.J., ‘Marskramers uit Meijel en
omgeving: de Teuten, 1730-1830’, Medelo 2,
1983, 50-59. |
| Lucassen, L.J., Kent u ze nog...de Meijelsen,
Zaltbommel 1974. |
| Lucassen, L.J., ‘Dorpsgezichten. Inleiding. Enkele facetten
uit Meijels verleden’; ‘Werken. Hoe en waarvan
Meijel eertijds leefde’, Medelo 1, 1982,
4-59. |
| Lucassen, L.J. / Willems, H.A.E., Meijel in een bundel
teksten, Meijel 1986. |
| Munsters, A.J., ‘Verkenning van de middeleeuwse kerk in
Limburg’, E.C.M.A. Batta c.a. (red.), Limburg's
verleden. geschiedenis van Nederlands Limburg tot 1815, II, |
| | | |
| Maastricht 1967, 417-530. |
| Nettesheim, F., Geschichte der Schulen im Herzogtum
Geldern und den benachbarten Landestheilen. Ein Beitrag zur
Geschichte des Unterrichtswesens Deutschlands und der
Niederlande, Geldern 1881. |
| Nève, P.L., Het Rijkskamergerecht en de
Nederlanden, Assen 1972. |
| Notten, De Chinezen van Nederland. Opstellen over
Limburgse dialekten en een biografie, Valkenburg 1974. |
| Ouwerling, H.N., Geschiedenis der dorpen en heerlijkheden
Deurne, Liessel en Vlierden, Helmond 1933. |
| Peeters, J.H., Gezins-Klapper van
‘Meyel’, 1608-1860, Helden 1979. |
| Poell, G.M., Beschrijving van het Hertogdom Limburg,
Weert 1851 (herdruk Maasbree 1981). |
| Pouls, J., ‘Op zoek naar de Middeleeuwse toren van Meijel.
Een verslag van de opgraving in 1986’, Medelo 4, 1986, 81-88. |
| Pouls, J., ‘Verenigingsnieuws uit het Meijels Krantje, Medelo 5, 1989 |
| Schaik, R. van, Belasting, bevolking en bezit in Gelre en
Zutphen (1350-1550), Hilversum 1987. |
| Stoepker, H., Medieval parish churches in Northeastern
North Brabant and Limburg, in BROB 27, 1977, 217-236. |
| Venner, J.G.C., ‘De beeldenstorm in Weert en
Wessem’, Publications de la
Société historique et archeologique dans le
Limbourg, 118, 1982, 249-283. |
| Willems, H., ‘Heren-Rechten-Grondgebied van
Meijel’, Medelo 2, 1983, 15-37. |
| Willems, H., ‘“Hoort wat verboden en geboden
is!” Ceuren ende breucken deser Vrijheerlijckheijt Meijell van
het jaer anno 1587 met enige notities als inleiding’, Medelo 4, 1986, 57-88. |
| Willems, H., lezing Meijel 23 november 1991, te verschijnen in Mededelingen van de Vereniging voor Limburgse Dialect- en
naamkunde (Hasselt, België) 1992. |
|
1Uitgewerkte tekst van een lezing,
gehouden op het XVIIe congres van de (Nederlands-Belgische) Vereniging voor Limburgse dialect- en naamkunde, gehouden op 23
november 1991 in Meijel onder de titel ‘Op de grens van het
Limburgs, Brabants en Nederrijns’. Ik dank op deze plaats wijlen
mijn vader, Leo J. Lucassen, die mij de liefde tot de geschiedenis -en niet
in het minst tot die van mijn geboorteplaats- bijbracht en die een
belangrijk aandeel had in het verzamelen van de statistische gegevens voor
deze studie; verder dank ik Henk Willems en Herman Crompvoets die deze tekst
kritisch doornamen.
2Crompvoets
1980, maar meest recent in Crompvoets 1991 en Crompvoets/Van Schijndel 1991,
12-20, waarin minder het Brabantse karakter en vooral het mengvormig
karakter van het Meijels wordt benadrukt.
6Gielen/Lucassen 1971, Inleiding.
7Crompvoets/Weekers 1983; buiten de Romeinse helm en munten die
aan het begin van deze eeuw ten oosten van de ‘Meijelse
zandrug’ werden gevonden, zijn er uit Meijel en Neerkant weinig
goed gedocumenteerde vondsten uit de Romeinse tijd of uit de vroege
Middeleeuwen bekend, zie ook Bruckers 1990.
8Ouwerling 1933; Engels 1976.
9Voor de eerste vermelding van Bakel,
Vlierden en Deurne in 721 zie Engels 1976, 3 (naar Ouwerling 1933,29) Voor
de datering van de Limburgse kerken in de twaalfde eeuw verwijst Pouls 1986
naar Munsters 1967, 417 vv.
10Willems 1983, 19; Pouls 1986; Willems
1992.
11Het volgende naar
Linssen 1976.
13Engels 1989, 3. Overigens is het interessant dat de
Heitrak voor het eerst in 1430 wordt genoemd als ‘de groeten
Heytraeck’, d.w.z. als de grote baan door de Heide, kennelijk als
een onderdeel van de hier behandelde grote weg van Den Bosch naar Roermond
en Keulen, zie Engels 1989, 5 naar Ouwerling 1933, 678).
15Gielen/Lucassen 1971, 5 en 25; uit het correctie-exemplaar van
L.J. Lucassen maak ik op dat tot aan de verwoesting in 1944 de familie
Schoren uit Neer in de Keulse Kar woonde, daarvóór de
dochter van Van der Vondervoort, gehuwd met Sjang Sijben uit Roggel en
daarvóór weer Van der Vondervoort zelf. Minstens vanaf
1590 werd de Keulse Kar door landmeters als meetpunt gebruikt, vgl. Willems
1992. Voor de maar liefst vier andere (grote) oude Meijelse herbergen,
overigens alle geconcentreerd tussen de kerk en de oude pastorie aan het
begin van de Kalisstraat, zie Idem en Lucassen 1982: ‘De
Zwaan’, ten noorden van de kerk, die al in de achttiende eeuw
genoemd wordt, o.a. op de kaart van Smabers in 1785 als ‘auberge
le cigne’, later Hotel Meulemans, nu Oranje Hotel; daartegenover
de in 1752 gebouwde herberg van de schout van Meijel, Bartel van der Steen,
tot 1865 ook gemeentehuis en vanaf 1917 uitgebaat door M. Joosten; ten
noorden van het vorige pand, Hotel Th. Joordens, later P. Ketels; (zeer
verwarrend) eveneens ‘De Zwaan’, twee huizen ten zuiden
van De Keulse Kar, sinds 1914 Hotel Pluijm.
17Vgl. ook Munsters 1967, 462, 477.
19Ik veronderstel dat het doorgaande
lange-afstands-verkeer definitief uit Meijel verdwenen is vanaf de jaren '40
van de vorige eeuw toen de rivierscheepvaart en vooral de spoorwegen veel
betere alternatieven gingen bieden voor het vrachtverkeer. Statistisch dient
overigens het begin van een onderzoek naar dit wegverkeer over Meijel nog
gemaakt te worden. Daarbij zouden in ieder geval bronnen als het archief van
de Rekenkamer in het R.A. Brussel in de beschouwing betrokken moeten worden
(Bijv. no. 24156: Compte par F.A. Biquets, commis a la recette des droits
d'entrée et de sortie levés au bureau de Meijel, 1
maart - 1 juli 1688).
20Willems 1986, 57 en Willems 1992, passim; vgl. ook Poeli
1851, 289. Het demografisch-historisch onderzoek van Meijel en omgeving
staat nog in de kinderschoenen. Voor een gelijksoortig dorp voor de
veertiende tot de zestiende eeuw -Sevenum- zie cen mooi begin in Van Schaik
1987, 227-231, 281, 292.
21Lucassen 1982,4 (inwoneraantallem
Meijel) en Engels 1976, 41, 44, 212 (inwoneraantallen Neerkant).
23Voor het volgende, zie Munsters 1967, m.n. 444 vv.
24Voor het volgende zie Engels
1976, 3 vv. en Engels 1989; Liessel kende in 1331 ook al een eigen
schuttersgilde.
25Engels 1989; Met de kerkgang van de
bewoners van de Heitrak naar Neerkant sinds 1890 en met het schoolbezoek aan
dezelfde plaats sinds 1887 verdween het Liessels karakter van de Heitrakdijk
in ca. drie generaties -tussen 1900 en 1970- geheel en werd ook de taal van
deze buurtschap ‘verneerkantst’, m.a.w.
‘vermeijelst’, zie Engels 1976, 41.
26Ouwerling 1933,
690-691; Voor de verschillende onderdelen van wat later het dorp Neerkant
(deze naam komt voor het eerst in 1731 voor) werd genoemd, zie Engels 1989,
10 vv. Voor het Brabantse schoolbezoek in Meijel, zie ook Poell 1851,
289.
27Dit leid ik af uit een mededeling uit 1842, dat zelfs de
inwoners van de Heitrak ‘willen niets te doen hebben met de kermis
te Liessel, maar houden kermis met Meijel’, zie Engels 1976,
208-209.
29Van Beuningen 1966, 357 vv.; Venner
1982.
30Venner 1982;
Willems 1983, 20-21; Dezelfde Godard van Myllendonck voerde ook in een van
zijn andere heerlijkheden, Hoerstgen bij Rheinberg, de reformatie in, zie
Nettesheim 1881, 260
32Munsters 1967, 451; Ganshof / Berings 1981, 249-251, m.n. 251.
Nog niet gelezen: H. Stoepker: 1977.
34Willems 1983; Habets 1891, 235-244.
35Van de
Boel ea. 1990, m.n. 13 (naar Janssen de Limpens 1965, xxxv en
Nève 1972, 440-441)
36Berkvens 1990, 115-116 (‘dat Meijel
plm. 1670 zozeer aan onafhankelijkheid heeft ingeboet, dat men van
incorporatie in Spaans Gelre zou mogen spreken’), 125,
464-466
38In dit verband kan niet uitgebreider op de staatkundige
geschiedenis sinds 1715 worden ingegaan. Voor geïnteresseerden
zij verwezen naar algemene werken over de geschiedenis van Limburg.
39Deze grens onderging overigens in 1876 nog een ingrijpende
wijziging.
40Willems 1986; Lucassen / Willems 1986, 36 vv; Willems 1992. Met
Brabantse plaatsen waren er beduidend minder konflikten. Deze lagen dichter
bij de Peel en beschikten ook zelf over voldoende turfvelden en woeste
gronden.
42In dit bestek kan helaas niet worden ingegaan op de
konflikten van de Meijelsen met hun pastoor Frische en van deze weer met de
Oostenrijkse en later Franse autoriteiten, op de houding van de bevolking
tijdens Brabantse Opstand en Boerenkrijg, de Franse bezetting en het einde
daarvan in 1814, de Belgische Opstand van 1830 en het einde daarvan in 1839
en ten slotte de beweging van 1848. Voor 1839 vgl. Engels 1976,
186-194.
43Voor Meijelse
verenigingen zie Gielen/Lucassen 1971, 19; Lucassen 1974 en Pouls 1989;
Meijel had in 1890 al een eigen boerenbond met 190 leden, zie Willems
1992.
44Vgl.
Lucassen / Lucassen 1983, Lucassen 1984 en Bruckers 1985.
47Algemeen over de evolutie van Limburgse dialecten: Goossens
1965 en 1989; Notten 1974, m.n. 43-45; Crompvoets 1988.
48Overigens
zou men aan het feit dat de ‘Keulse expansie’ in de vorm
van de ‘Uerdinger lijn’ grofweg in dezelde tijd tot
staan kwam als Meijel waarschijnlijk vanuit het noorden gekoloniseerd werd,
verschillende scenario's kunnen ontlenen: ofwel Meijel bestond al als
dorpsgemeenschap, maar de Keulse expansie was te zwak om zo ver door te
dringen, evenals dit ten noorden van Helden het geval was (de natuurlijke
geïsoleerde ligging van Meijel zou daarbij dan een belangrijke
rol hebben kunnen spelen), ofwel Meijel werd pas daadwerkelijk gekoloniseerd
vanuit het noorden toen de Keulse expansie in Roggel al lang en breed tot
staan was gekomen. Bij gebrek aan bronnen zal het wel nooit mogelijk zijn
hierover een uitspraak te doen.
49Verschillende schrijvers
(o.a. Notten 1974, 41: ‘deze grens schijnt de afgelopen vijftig
jaar naar het noorden te zijn verschoven en Meyel bereikt te
hebben’) denken inderdaad aan een recent verschijnsel; anderen,
zoals H. Crompvoets menen dat dit op een foutieve waarneming van
dialectologen uit het begin van deze eeuw berust en pleiten dus impliciet
voor een vroegere datering. De oudste gegevens van
vóór de Tweede Wereldoorlog hebben altijd sj- en nooit
sch- of sk-. Het moet toen al een behoorlijke tijd zo geweest zijn
(vriendelijke mededeling H. Crompvoets).
|
|