|
|
|
| |
| | | |
De slag om Dennendal
Een terugblik op de jaren vijftig
vanuit de jaren zeventig
Ido Weijers
Kunnen we voor de jaren vijftig van een stille revolutie spreken? Kunnen we in die ‘stille’ jaren vijftig al voorbodes zien van de luidruchtige fase vanaf midden jaren zestig tot halverwege de jaren zeventig?1 Op zoek naar een antwoord op deze vraag kies ik een invalshoek vanuit die laatste fase, vanuit een ‘revolutionaire’ episode uit de eerste helft van de jaren zeventig: de affaire Dennendal. Dennendal stond in meerdere opzichten model voor wat er in die ‘jaren van de omwenteling’ voor velen op het spel stond. Ik wil deze kwestie bekijken vanuit de vraag in hoeverre het gevecht dat zich daar tussen 1971 en 1974 voordeed op het terrein van de geestelijke gezondheidszorg wellicht al in de jaren vijftig werd voorbereid.
Aan de hand van een analyse van deze kwestie wil ik een punt verduidelijken dat ik mis in de meeste terugblikken op de ontwikkeling van de Nederlandse cultuur na de oorlog. Zowel in de reflectie op de eerste twee decennia na de bevrijding als in de beschouwingen over de daarop volgende rumoerige periode mis ik over het algemeen een element dat ik als karakteristiek beschouw voor de eerste periode en dat in mijn ogen tevens een beslissend aspect is van de relatie tussen beide periodes. Het gaat mij hier om een kenmerkend Nederlands perspectief, een tolerant pedagogisch perspectief op maatschappelijke vraagstukken. En het is in mijn ogen juist dit perspectief dat ons land in belangrijke mate ‘rijp maakt’ voor de jaren zestig.
‘Rijp maken’ bedoel ik hier niet in de zin waarin Jamison en Eyerman menen dat partisan intellectuals als Hannah Arendt, Herbert Marcuse en Erich Fromm in de jaren vijftig in de Verenigde Staten het culturele zaad voor de jaren zestig zouden hebben gezaaid.2 Jamison en Eyerman stellen dat de bewegingen van de jaren zestig voortbouwen op het gedachtengoed dat door deze eenlingen in het vorige decennium was aangedragen in The Human Condition (1958), Eros and Civilization (1955) en The Sane Society (1955). In de Nederlandse context gaat het echter allerminst om het werk van kritische eenlingen in de marge van de maatschappij. Het gaat juist om een collectieve gedachtenontwikkeling die al in de jaren veertig op
| | | | gang komt en die in de jaren vijftig in brede kring wordt aanvaard en verder en markanter uitgewerkt. Dat tolerant pedagogisch perspectif kan in eerste instantie worden beschouwd als de culturele erfenis van de Doorbraak. Op het niveau van de politiek is het succes van de Doorbraak zoals bekend gering. Op het niveau van de cultuur, dat wil zeggen op maatschappelijke terreinen als opvoeding, geestelijke gezondheidszorg, maatschappelijk werk en strafrecht, is haar invloed echter groot.
Na de oorlog ontwikkelt zich in ons land een brede intellectuele elite, die richting en inhoud gaat geven aan wat kan worden aangeduid als een nieuwe politiek van het persoonlijke. Overtuigd van de noodzaak van vernieuwing en modernisering van het maatschappelijk leven richt zij zich op de hulp die de Nederlandse bevolking daarbij in haar ogen nodig heeft voor de modernisering van haar persoonlijk leven. Modernisering vereist in de opinie van deze elite zorgvuldige begeleiding. Gemeenschapszin en persoonlijke verantwoordelijkheid zijn daarbij haar sleuteltermen. Ik zal deze kenmerkende, tolerant pedagogische denktrant hier iets verder uitwerken voor de sfeer van het strafrecht.
| |
Tolerantie in verbondenheid
In de sfeer van justitiële bemoeienissen met crimineel gedrag betekent deze pedagogische denktrant dat het accent al gauw komt te liggen op pogingen tot begrip van dat gedrag. Het uitgangspunt is dat er goed naar de delinquent geluisterd moet worden. De criminele daad moet, zoals de criminoloog Ger Kempe het in 1950 formuleert als een ‘in se zinvolle uiting’ worden geaccepteerd om vanuit die fundamenteel aanvaardende houding tot werkelijk contact met de delinquent te kunnen komen.3 Die aanvaardende houding past in het streven straf en maatregel in te zetten om maatschappelijke herintegratie van de delinquent te bereiken. De daarover in de jaren na de oorlog in ons land bestaande consensus resulteert begin jaren vijftig in de uitdrukkelijke vermelding van de doelstelling van maatschappelijke integratie in de nieuwe Beginselenwet Gevangeniswezen.
In de ons omringende landen wordt na de oorlog de gedachte van de Défense Sociale populair, waarbij een sterke nadruk wordt gelegd op resocialisatie van de delinquent in het kader van effectieve misdaadbestrijding.4 In ons land kwam daarentegen veel minder het accent te liggen op de noties van maatschappelijke effectiviteit en beveiliging. Strafrechtpleging werd niet zozeer als techniek van misdaadbestrijding beschouwd, maar als een principiële confrontatie tussen de samenleving en haar delinquenten. Noties als schuld, verantwoordelijkheid en vergelding, die voor de Défense Sociale irrelevant waren, werden hier juist centraal gesteld en opnieuw ingevuld. Ging het bij de Défense Sociale primair om ‘beveiligingsijver’, in ons land wordt het naoorlogs enthousiasme voor herintegratie van de maatschappelijk ontspoorde in toenemende mate gedragen door ‘verzorgingsijver’. De zogenoemde ‘Utrechtse School’ rond Willem Pompe, Ger Kempe en Pie- | | | | ter Baan maakt zich tot belangrijkste pleitbezorger van deze aanpak.5 Als het strafrecht zich primair richt op de notie van gevaar en maatschappelijke beveiliging dan betekent dat dat er onaanvaardbaar onderscheid wordt gemaak tussen burgers, stelt Pompe. In plaats van wantrouwen dient juist vertrouwen de basis te vormen waarop ons strafrecht hoort te functioneren. Straffen en maatregelen dienen zo te worden ingericht dat daarmee de veroordeelde in staat wordt gesteld het vertrouwen van de gemeenschap dat hij met zijn misdaad heeft gekwetst terug te winnen. Van zijn kant moet de delinquent de gemeenschap kunnen tonen dat hij het weer goed wil maken. Hij moet
(steeds weer) in de gelegenheid worden gesteld om te laten zien dat hij dat vertrouwen ook waard is.6
Het accent op het vertrouwen dat men de delinquent volgens deze gedachtedient te geven berust dus op de veronderstelling dat deze zich van zijn kant emotioneel maar vooral ook moreel gebonden acht aan de gemeenschap. De ‘verzorgingsijver’ die het Nederlandse strafrecht in het derde kwart van deze eeuw typeert, veronderstelt deze samenhang tussen persoonlijke verantwoordelijkheid in een zich gebonden weten aan de gemeenschap. De tolerantie waar Pompe en anderen voor pleiten heeft niets te maken met vrijblijvendheid. Tolerantie gaat in dit perspectief onverbrekelijk samen met (een beroep op) gemeenschapsbesef. Datzelfde geldt voor ‘zijn’ en ‘behoren’: enerzijds veronderstelt men een dergelijke gemeenschapszin bij elk individu, ook degene die zich daar met zijn misse daad tijdelijk aan onttrekt; anderzijds stelt men zich ten doel om straf en maatregelen in te zetten om een dergelijke gemeenschapszin te helpen herstellen. Deze tolerante, invoelende houding impliceert in die zin een culturele kritiek op individualisme, althans op een moderniteit die het individu opvat en benadert als een op zichzelf existerende eenheid. Men wil het (afwijkende en criminele) handelen van het individu juist steeds proberen te begrijpen als uitdrukking van de (beschadigde) sociaalpsychische existentie van de persoon. Men realiseert zich voortdurend, zoals Baan, de inspirator van de Nederlandse tbs-praktijk na de oorlog stelt, ‘hoe achter een façade van brutaliteit, sluwheid, onbetrouwbaarheid, hardheid, gevoelloosheid, schijnheiligheid, etc. veelal, zo niet altijd, een uitermate angstige, kwetsbare, gevoelige tot overgevoelige, meestentijds hoge morele idealen koesterende, gebutste, platgedrukte, fijngeknepen, ernstig mishandelde persoonlijkheid schuilgaat.’7
Onder invloed van deze benadering staat het Nederlandse strafrecht tot ver in de jaren zeventig in het teken van een typerende ‘accomodatie’-aanpak, waarbij niet het efficiënt opsluiten voorop staat, maar juist het waar mogelijk vermijden van opsluiting en daarmee van sociale uitsluiting.8 In tegenstelling tot de omringende landen vertoont de verhouding van het aantal gevangenen tot het totale aantal inwoners hier sinds 1950 dan ook een opvallende daling, die haar laagste punt bereikt
| | | | in 1975. Vanaf dat jaar treedt een langzame stijging op met eind jaren tachtig een duidelijke versnelling (en inmiddels bevindt ons land zich in de voorste linies wat betreft capaciteit en gebruik van gevangeniscellen). In elk comparatief onderzoek naar Europese strafrechtsystemen wordt erop gewezen dat Nederland sinds begin jaren vijftig een nadrukkelijk pedagogische oriëntatie te zien geeft en daarop aan-sluitend in vergelijking met andere landen een opvallend tolerant klimaat kent (en dat rond 1975 sprake is van een omgekeerde beweging).9
Dat element blijft onderbelicht in de Nederlandse studies van de eerste decennia na de oorlog. En in de recente studies van de jaren zestig komt het evenmin voldoende naar voren, als het überhaupt al wordt opgemerkt. Zo poneert Hans Righart in De eindeloze jaren zestig de these van een dubbele generatiecrisis als conceptueel kader voor de woelige jaren zestig. Die these biedt weinig ruimte voor de gedachte dat daar dwars doorheen sprake zou kunnen zijn van een misschien wel minstens zo typerende continuïteit, van een typisch Nederlandse tolerante houding, ook tijdens de hoogtijdagen van het activisme van nozems en provo's. Righart meent, zonder dat overigens echt uit te werken, dat de oudere, vooroorlogse generatie door de snelle materiële veranderingen, de modernisering en de ontzuiling als geheel in crisis raakt. Hij stelt dat het eigene van de Nederlandse jaren zestig daarin zou bestaan ‘dat zij plaatsvonden in een land dat zich tot die tijd had kunnen onderscheiden door zijn verzuilde maatschappelijke structuur en een krachtig conservatisme in de sociaal-culturele sfeer.’10
In zijn boek wordt dan ook nauwelijks aandacht besteed aan het kenmerkende tolerante klimaat, waarin de opstand van de jeugd in ons land relatief soepel werd opgevangen. Toch was het precies het hierboven aangeduide tolerant pedagogisch-juridische klimaat vanwaaruit de genuanceerde benaderingen van provo door vooraanstaande juristen als Langemeijer en Enschedé kunnen worden verklaard.11 Het was eveneens dit klimaat dat het mogelijk maakte dat een mafkees als Robert Jasper Grootveld als ‘antirookmagiër’ halverwege de jaren zestig elke zaterdagavond rustig zijn gang kon gaan met een ritueel rond het Amsterdamse Lieverdje dat steevast eindigde in een ‘brandoffer’. En datzelfde klimaat maakte het mogelijk dat vijf jaar later enkele meters verderop begripvol met de bezetters van het Maagdenhuis werd onderhandeld.
Waar Righart slechts oog heeft voor generatieconflicten en crises, zou ik eerder de aandacht willen vestigen op de wijze waarop in de jaren zestig vaak verrassend snel begrip werd opgebracht voor wilde ideeën en vurig enthousiasme. Waar in De eindeloze jaren zestig het beeld wordt beheerst door de gedachte van een onoverbrugbare kloof tussen de vooroorlogse generatie en de jongeren, dringt zich bij enige vergelijking juist de constatering op dat jong en oud in ons land opvallend gemakkelijk met elkaar bleven communiceren. Dat is precies de invalshoek die James
| | | | Kennedy kiest in Nieuw Babylon in aanbouw. Kennedy stelt dat het juist in ons land wel mee viel met die kloof: ‘Artistieke vrijheid, openheid, economische zekerheid, autonomie van de jeugd, vrije seksuele ethiek, individuele zelfontplooiing, wantrouwen tegen externe regels en beperkingen, zorgen over de kwaliteit van het leven - al deze punten die door de tegencultuur werden benadrukt, waren variaties op waarden die al weerklank hadden gevonden binnen de dominante cultuur. De veronderstelde bodemloze ideologische kloof bleek, in elk geval in Nederland, vaak niet meer dan een greppel. De meeste verschillen tussen de middenklasse en de tegencultuur, tussen jong en oud, waren geen verschillen in soort, maar in mate - hoe ver, hoe snel, hoe diep, hoe breed.’12
Nederland dankt zijn tolerante en progressieve klimaat volgens Kennedy aan een heterogen groep behoedzame gezagsdragers die zich zoveel zorgen maakte over het in de hand houden van ontwikkelingen, dat zij gedrag mogelijk maakte dat in andere landen niet zou worden geduld. De culturele revolutie van de jaren zestig is volgens hem niet alleen mogelijk gemaakt door gematigde en ouderwetse elites, maar door hen ‘gestuurd en zelfs aangemoedigd’.13 Het punt waarin Nederland verschilde van andere landen betreft de afkeer bij de Nederlandse autoriteiten van conflicten en geweld. Er zou onder de Nederlandse elites een consensus heersen dat het beter is de onvermijdelijke stroom moderne ontwikkelingen te kanaliseren dan die te stuiten. Kennedy beschouwt de naoorlogse elites dan ook eigenlijk als de zaaiers van de grote veranderingen van de jaren zestig.
Ik ben het eens met de gedachte dat in ons land in de jaren zestig in veel opzichten werd geoogst wat in de voorafgaande jaren was gezaaid, maar ik ben het niet eens met de gedachte dat dat overwegend aanpassingsgedrag was. Zoals bij Righart in mijn ogen het generatiebegrip te massief wordt ingezet, terwijl overal in zijn verhaal feitelijke maar niet als zodanig geconceptualiseerde relativeringen optreden, wordt bij Kennedy naar mijn smaak het elitebegrip te massief gebruikt. De dubbelzinnigheid van de naoorlogse cultuur in Nederland wordt daarmee onvoldoende onderkend. Nederland kende niet alleen ouderwetse en achteraf gezien aanpassingsbereide regenten, maar ook zelfstandig en modern denkende en gezaghebbende intellectuelen. De cruciale rol van deze intellectuelen in de veranderingen die ons land in de naoorlogse decennia onderging wordt over het algemeen nog onvoldoende onderkend.14 In Terug naar het behouden huis heb ik in dit verband de stelling verdedigd dat de ‘Doorbraak-elite’ op een aantal belangrijke terreinen in de Nederlandse cultuur na de oorlog een hoofdrol is gaan spelen. Het is met name déze elite van moderne grandseigneurs als Buytendijk, Rümke, Pompe en Langeveld die het kenmerkende pedagogische perspectief van de jaren vijftig tot de jaren zeventig articuleert. Deze intellectuelen ontwikkelen zich daarmee tot onze nationale ‘volksopvoeders’ die door tallozen, ook in de wereld van politiek en bestuur, als geestelijk leidsman worden gewaardeerd.15 En het zijn in de eerste plaats hún
| | | | leerlingen die dit perspectief uitwerken op diverse terreinen van het persoonlijke, van Fortmann tot Baan en van Hoefnagels tot Trimbos.
Vanuit deze stellingname wil ik nu de kwestie Dennendal onder de loep nemen. Ik wil laten zien hoe in dit typische hoogtepunt en vervolgens dieptepunt van de Nederlandse flower-power, in deze apotheose van de tegencultuur, iets zichtbaar wordt van het tolerante pedagogisch perspectief zoals dat in de voorafgaande jaren is ontwikkeld. In hoeverre zijn de bloemen van deze beweging (ongewenst) resultaat van wat ouderen zaaiden?
| |
Zachtzinnigheid16
Dennendal was en is een inrichting voor zwakzinnigen, mensen die tegenwoordig overigens over het algemeen worden aangeduid als verstandelijk gehandicapt. Dennendal is inmiddels verzelfstandigd maar in de jaren zestig en zeventig vormde het een (nieuw) onderdeel van de Willem Arntsz Hoeve in Den Dolder. Hier raakte het personeel onder aanvoering van de directeur, psycholoog Carel Muller, in het begin van de jaren zeventig in een steeds verder escalerend conflict met het bestuur van de overkoepelende stichting. Muller creëerde op Dennendal een typerende kaboutercultuur van uiterst losse omgangsvormen, zeer lang haar, relaxed maar bevlogen werken en af en toe blowen. Dennendal stond voor een ideaal, voor anti-burgerhjkheid en voor anti-hiërarchie. Geheel volgens het patroon van de ‘heroïsche’ confrontaties van die tijd verlangden Muller en de zijnen directe zeggenschap over het reilen en zeilen van de inrichting. En zij verlangden dat hun ideeën over de verdere opzet van de inrichting, de zogenoemde ‘verdunning’, gerealiseerd zouden worden. Verdunning betekende strikt genomen dat mensen van buiten de inrichting samen met bewoners in eigen huizen op het terrein van de inrichting naast elkaar zouden wonen. Maar het Dennendalse ideaal van verdunning was tegelijkertijd veel ruimer.
Als we de verdunningsgedachte in het juiste perspectief willen zien, dat wil zeggen in het perspectief dat indertijd zowel binnen de geestelijke gezondheidszorg als ver daarbuiten zoveel enthousiasme en gloedvolle solidariteit opriep, dan moeten we ten minste twee dimensies onderscheiden. Ten eerste de ‘therapeutische’ kant, de dimensie die direct te maken had met de plaatsbepaling van Dennendal binnen de Nederlandse zwakzinnigenzorg en binnen de geestelijke gezondheidszorg van dat moment in het algemeen. Ten tweede de kant van wat ik maar zal aanduiden met de term ‘wonen’, de dimensie die te maken had met opvattingen over het verblijf in een inrichting, opvattingen over de betekenis van de ruimte waarin mensen met (maar ook zonder) handicap verblijven en over leefbaarheid. Deze hadden uiteraard stuk voor stuk aangrijpingspunten in de opvattingen over de behandeling en verzorging van zwakzinnigen en andere hulpbehoevenden. Maar te- | | | |

Dennendal-directeur Carel Muller tijdens een tv-uitzending van de IKON, begin jaren zeventig. Foto: AVAC-Fotoarchief.
gelijkertijd gingen ze veel verder en haakten ze aan bij een bredere culturele onvrede en articuleerden ze tegenbeelden met een veel verstrekkender culturele impact.
Wat de plaatsbepaling van Dennendal binnen de zwakzinnigenzorg betreft was het besliste uitgangspunt van Muller en zijn staf het principe, dat zwakzinnigen weliswaar onze hulp nodig hebben, maar dat hun anders zijn overigens eerder een positief dan een negatief gegeven is. De zwakzinnige is zichzelf, hij verbergt zijn gevoelens niet maar uit zich direct.17 In die zin vormt hij niet alleen een object van zorg maar is hij ook een voorbeeld. Zwakzinnigen dienden volgens deze opvatting dan ook zoveel mogelijk als zelfstandige individuen te worden benaderd, als mensen die weliswaar hulp en begeleiding behoeven maar die tegelijkertijd eigen mogelijkheden hebben. Die persoonlijke mogelijkheden en belangstelling moesten positief worden gewaardeerd en gestimuleerd. Daartoe werd een serie initiatieven genomen. Het gebruik van medicijnen, dat als afhankelijk makend en de persoonlijkheid onderdrukkend werd opgevat, werd verminderd. De zuiver technische verpleging, die de bewoners tot nummers, tot gebruikers van een bed degradeerde, werd zoveel mogelijk teruggedraaid ten gunste van een persoonlijke benadering. De bewoners kregen meer vrijheid om zich te bewegen waar ze wilden en de
| | | | groepsleiding richtte zich waar mogelijk naar hun wensen wat betreft individuele en groepsactiviteiten. Ze kregen niet alleen meer vrijheid maar ook meer verantwoordelijkheid, voor hun eigen kamer, voor sommige activiteiten binnen de wooneenheid of daarbuiten, in de tuin of de werkplaats. Het uitgangspunt was dat de verzorging zoveel mogelijk het karakter kreeg van gewoon wonen, in een soort ‘gezinsverband’ met vrijheid en (mede)verantwoordelijkheid waar dat maar mogelijk was.18
Dennendal stond voor eennieuwe benadering van de zwakzinnige, waarin diens beperkingen en hulpbehoevendheid werden erkend, maar waarin evenzeer werd gehecht aan diens sterke punt: zijn authenticiteit. De betekenis van de (gebrekkige) zuiver verstandelijke vermogens werd sterk gerelativeerd. De zwakzinnige was in de eerste plaats afhankelijk van waardering en bevestiging. Daarom diende de begeleiding en de hele dagelijkse omgeving vóór alles te zorgen voor voldoende waardering van het gedrag en de eigen initiatieven van de bewoners. Zo beschouwd bestond de therapeutische aanpak van Dennendal in feite uit ‘non-therapie’: men weerde de speciale therapeuten, de specialisten met hun testen, speciale programma's en medicijnen. Alle aparte professionals moesten wijken voor de algemene humaniserings- en ontplooiingsaanpak, of wat men zelf omschreef als ‘zachtzinnigheid’.
‘De activiteiten hadden nadrukkelijk geen therapeutisch karakter’, schreef één van de Dennendal-medewerkers in een terugblik, ‘en ze werden uitgevoerd door de groepsleiding in plaats van door therapeuten. Het doel van bijvoorbeeld muziekbeoefening van pupillen kon beperkt blijven tot gewone gezelligheid en recreatie’.19 Het ging er niet om dat de bewoners van Dennendal bepaalde prestaties zouden leveren, specifieke vaardigheden zouden verwerven of voor alles ‘rustig’ werden gehouden. De zwakzinnige moest worden geholpen ‘zichzelf’ te zijn, dat was de kern van de therapie van Dennendal. Dat doel betrof in feite niet alleen de zwakzinnigen, maar ook hun verzorgers, de zachtzinnigen. ‘Jezelf worden, ofwel zelf-actualisering, al je mogelijkheden gebruiken: dat is de opgave die ieder mens zich dient te stellen’.20
Op dit punt paste Dennendal geheel binnen de tegenbeweging binnen de geestelijke gezondheidszorg van dat moment. ‘Ooit een normaal mens ontmoet?’ was de vraag die tegelijkertijd als kritische leuze vele manifestaties van deze sector begeleidde.21 Laat mensen met afwijkend gedrag in de eerste plaats zichzelf zijn, waardeer hun eigenaardigheden en probeer er niet koste wat kost ‘normale’ mensen van te maken, dat was wat tallozen rond 1970 in beweging bracht voor een andere cultuur, een andere benadering van ‘gestoord’, vreemd en afwijkend gedrag. En die andere benadering vereiste op zijn beurt een andere houding van de verzorgers en een andere, minder op normaliteit gerichte omgeving van ‘gestoorde’ mensen, en uiteindelijk een andere, ontspannen cultuur, waarin niet langer prestaties, ‘burger- | | | | lijke’ normen en efficiency de toon zouden aangeven, maar authenticiteit, zachtzinnigheid en een ‘relaxte atmosfeer’. ‘Wie is van hout?’, vroeg Foudraine en die vraag, die primair betrekking had op de medische behandeling van schizofrenie waarbij en passant de hele psychiatrische aanpak van probleemgedrag ter discussie werd gesteld, kreeg in de beweging een nog veel omvattender culturele lading. Wie is van hout gold als kritiek op onze moderne medische en technologische cultuur.22
Verdunning betekende dan ook veel meer dan een bepaalde vorm van integratie. Over het algemeen werd (en wordt) met integratie gedoeld op ‘normalisatie’, dat wil zeggen op een zo groot mogelijke invoeging van zwakzinnigen in de ‘gewone’ maatschappij.23 Dat was echter niet de inzet van de verdunningsnotie. De Dennendallers waren van mening dat de maatschappij ongeschikt was om de vereiste ‘zachtzinnigheid’ jegens de zwakzinnige op te brengen. Ze veronderstelden dat de zwakzinnigen, als ze aangewezen zouden zijn op de gewone maatschappelijke relaties zoals de ‘buiten-integratie’ veronderstelde, zouden worden weggedrukt en aan hun lot overgelaten. Verdunning stond in die zin voor ‘binnen-integratie’. Dat betekende echter niet alleen en ook niet zozeer dat anderen ‘erbij kwamen’. Waar het in feite om draaide was dat via de verdunning de groep zachtzinnigen die de zwakzinnigen omgaf werd uitgebreid. Het ging er niet om dat er ‘gewone’ mensen tussen hen kwamen wonen; eerder dat er bepaalde ‘ongewone’ mensen bij kwamen, bij wie de zwakzinnigen zich op hun gemak en gewaardeerd zouden kunnen voelen en omgekeerd. Zo werd het door één van de stafleden in een terugblik omschreven: ‘Je werd juist door de pupillen geaccepteerd zoals je was: langharig, homofiel, een beetje mensenschuw of werkschuw, nerveus, krom of kalend. Niet op de dingen die de
samenleving van je vond, of op de dingen die je van jezelf zwak vond, werd je aangesproken, je kreeg je oorspronkelijkheid terug voor de oorspronkelijkheid die je gaf’.24 Verdunning betekende gemakkelijk bij elkaar binnen kunnen lopen, een heel bijzonder buurmanschap. Het was een noemer voor een zachtzinnige cultuur, een kritiek op de maatschappelijke omgangsvormen buiten de inrichting en een visioen van een sociaal alternatief.
Hiermee komen we meteen bij de andere dimensie van de verdunningsgedachte, betreffende de inrichting van de woonomgeving. Verdunning impliceerde uitgesproken opvattingen over een optimale omgeving voor de zwakzinnige. Muller en de zijnen waren ervan overtuigd dat het gebruikelijke verblijf in groepen van zestig tot tachtig personen in enorme zalen en in uniforme kleding (net als hun verplegers) niet een stimulerende maar puur negatieve, ziekmakende benadering van de zwakzinnigen vormde. Door die aanpak werden de bewoners in hun ogen gereduceerd tot nummers, zonder eigen plek, zonder iets van henzelf, zonder iets dat hun aanwezigheid en hun identiteit bevestigde. De uniforme kleding werd afgeschaft.
| | | | Cliënten en hulpverleners moesten juist hun eigen kleren aanhouden, ze moesten hun leven en verblijf binnen de muren van de instelling zoveel mogelijk naar eigen inzicht en smaak inrichten. De grote paviljoens werden gesplitst in kleinere eenheden, de witte ziekenhuismuren werden vrolijk geschilderd, de ruimtes minder uniform en gezelliger ingericht met persoonlijke dingen, tekeningen en foto's. De cliënten werden ondergebracht in kleine groepen met een gezinskarakter, met een eigen huiskamer, een keukentje en een was- en toiletruimte. Iedereen kreeg zoveel mogelijk een eigen slaapkamer die werd gevuld en versierd met eigen dingen.
In de verdunnmgsgedachte werd die aanpak geprojecteerd op de hele opzet van de inrichting, van eigen kamertjes en kleine gezinsachtige verblijven tot de toegankelijkheid van het terrein en de organisatie van de voorzieningen. In plaats van grote zalen en complexen werden kleine wooneenheden gepropageerd en in plaats van centrale voorzieningen werden lokaal en per wooneenheid gespreide voorzieningen bepleit. Zwakzinnigen moesten binnen de inrichting zoveel mogelijk als normale mensen kunnen leven en zo min mogelijk gehospitaliseerd worden. Daarvoor achtte men het van belang dat de staf voor iedereen gemakkelijk bereikbaar tussen wooneenheden werd gehuisvest, en dat in de wooneenheden zelf eten gemaakt kon worden en dat men niet afhankelijk werd gemaakt van een grote centrale keuken ergens op het terrein. Dennendal moest van een functionele bewaarplaats veranderen in een ‘goede buurt’, zoals dat in het vocabulaire van de verdunning werd genoemd, een buurt waar men zich op zijn plek wist en waar men, zoals hierboven al gezegd, makkelijk bij elkaar binnen kon lopen.25 De Dennendallers gruwden van de gedachte van modern ingerichte en puur efficiënte kantoren voor de staf en voor de verschillende activiteiten, en van grote, comfortabele kantines en eetzalen. Ze vreesden drempels en anonimiteit voor de zwakzinnigen en zagen die bij uitstek opdoemen bij pogingen vanuit het stichtingsbestuur om de inrichting efficiënt te moderniseren.
Deze vrees vormde de achtergrond voor de spanningen binnen de stichting. De directe aanleiding tot de reeks slepende conflicten tussen Muller c.s. en het stichtingsbestuur was de kwestie van de noodzakelijke nieuwbouw. Het bestuur schakelde de grote aannemer Bonifex in, die met een ambitieus plan kwam. Centraal op het terrein zou een enorme betonnen kolos verrijzen, waarin de activiteitendienst, de Z-opleidmg en de administratie zouden worden gehuisvest. De Dennendallers zagen dit als het binnenhalen van de harde buitenwereld en als een fundamentele aanval op hun ideeën. Van hun kant voerden zij al sinds 1969 geestdriftige besprekingen met de Amsterdamse architect Van Klingeren. Deze architect was bekend geworden met zijn ontwerp van het gemeenschapshuis De Meerpaal in Dronten. Van Klingeren richtte zich op toegankelijkheid en communicatie. In zijn visie moesten gebouwen niet helemaal af en daarmee gesloten zijn, maar in zekere zin ‘imperfect’. Ze moesten niet primair in technisch opzicht functioneel zijn, maar juist in sociaal opzicht door aanleiding te geven tot ontmoeting en tot informeel
| | | | gedrag. De gebruikers van zijn gebouwen moesten zich er thuis en op hun gemak voelen. Dergelijke ideeën sloten nauw aan bij wat onder de Dennendallers leefde. Vanaf najaar 1969 werd in een commissie van de verschillende afdelingen van de Willem Arntsz Hoeve geprobeerd deze ideeën te concretiseren.
Van Klingeren had een krachtige bijdrage in de discussies. De term ‘verdunning’ is waarschijnlijk door hem gelanceerd.26 Hij was een principieel voorstander van de-concentratie van de stedelijke gebieden, waarbij de integratie van mensen met afwijkend gedrag moeiteloos zou verlopen. Maar aangezien een dergelijk project niet op de weg lag van de Willem Arntsz Hoeve stelde hij voor om ‘de stad naar de inrichting’ te brengen. Muller en zijn staf hebben deze gedachte niet meer losgelaten. In de discussie over de nieuwbouw werd door de vertegenwoordigers van de andere afdelingen, geriatrie en psychiatrie, voortdurend gehamerd op het onderscheid tussen ziek en gezond. Muller van zijn kant benadrukte daarentegen dat tussen beide categorieën slechts een dunne streep liep. Verdunning zou de relatie tussen beide categorieën juist bewegelijk kunnen houden, ten gunste van de zwakzinnige. Dat was zijn uitgangspunt. Behandelen we de zwakzinnige als zieke dan gaat die zich daarnaar gedragen, hij gaat apathisch en typisch asyleringsgedrag vertonen en lijkt tot weinig in staat. Behandelen we hem als iemand met beperkingen en mogelijkheden dan blijkt hij ook tot veel meer in staat. ‘Verdund’ wonen zou in die optiek een ‘beschermde prikkel’ in de goede richting kunnen zijn.
We kunnen de twee kwesties die met de verdunning aan de orde waren als volgt samenvatten: ‘ziek en bewaren’ versus ‘anders en helpen zich te ontplooien’; en ‘efficiënt huisvesten’ (van zieken) of ‘prettig wonen’ (van kwetsbare mensen). Vanuit deze twee invalshoeken wil ik nu terugkijken op de voorafgaande jaren. Ik zal laten zien hoe het alternatief van Dennendal zich enerzijds afzet tegen ontwikkelingen die op beide punten in de jaren vijftig op gang zijn gekomen, anderzijds juist teruggrijpt op gedachten die in diezelfde periode zijn ontwikkeld.
| |
Niet ziek maar anders
De benadering van zwakzinnigheid als ziekte dateert van het einde van de vorige eeuw. Traditioneel maakte de zwakzinnigenzorg deel uit van de caritas. Zwakzinnigen konden zich moeilijk zelfstandig redden. Ze hoorden dus tot de hulpbehoevenden die zo lang mogelijk thuis of door familie werden opgevangen en als dat niet meer ging kwamen ze meestal terecht in armentehuizen of in kloosters. De zorg voor zwakzinnigen werd niet als een zelfstandige tak van hulpverlening beschouwd, maar als een vanzelfsprekend facet van de caritas. Degenen die werden opgenomen in inrichtingen voor krankzinnigen werden daar beschouwd als onverbeterlijke gevallen. Pas tegen het einde van de negentiende eeuw ontstond een duidelijker medische bemoeienis met de opvang van de zwakzinnige. Onder aandrang van de Inspectie voor het Staatstoezicht op het krankzinnigenwezen ont- | | | | stonden toen stap voor stap aparte inrichtingen. Ook werd de druk op de charitatieve instellingen om zich toe te leggen op speciale zorg uitsluitend voor deze groep hulpbehoevenden steeds groter.27
De opkomst van de aparte kliniek voor zwakzinnigen, de ‘aangewezen inrichting’, en van de aparte, ‘aangewezen afdeling’ binnen de psychiatrische inrichtingen aan het begin van deze eeuw ging gepaard met de opkomst van een klinisch model. Afhankelijk, gebrekkig verstandelijk functioneren werd beschouwd als iets in het individu, dat kon worden gediagnosticeerd door klinisch getrainde professionals.28 De populariteit van dit model berustte allereerst op een biologische benadering, waarbij zwakzinnigheid als een organische beschadiging of afwijking werd gezien: zwakzinnigheid was een ziekte of stoornis; de arts was de aangewezen deskundige; en de kliniek de aangewezen plaats voor de behandeling of verpleging van de lijders aan deze ziekte. De opkomst van de eugenetica gaf een extra negatieve noemer aan deze benadering. Zwakzinnigheid werd een symptoom van erfelijke degeneratie. Die visie droeg er toe bij dat de noodzaak van isolering in de eerste decennia van deze eeuw niet alleen medisch werd gemotiveerd maar ook met het oog op het ‘gevaar’ van het vrij in de maatschappij vertoeven van deze ‘zieken’.29
Echt dominant werden de medisch-klinische benadering en het streven naar asylering dat daar logisch uit voortvloeide in ons land echter pas na de oorlog. De klinische aanpak, die zich inmiddels had gezuiverd van het eugenetisch motief van bescherming tegen maatschappelijk gevaar, kreeg in de jaren vijftig en zestig de wind mee. Zeker na 1960 schoten de speciale inrichtingen als paddestoelen uit de grond en nam het aantal bedden spectaculair toe. In ons land kwam ‘de grote opsluiting’ van de zwakzinnigen pas echt op gang na 1945.30 Daar waren twee doorslaggevende oorzaken voor: de nieuwe materiële mogelijkheden en het sterk toegenomen vertrouwen in de medische benadering. Wat het eerste betreft: rond 1960 vond er een kentering plaats in het overheidsbeleid op het terrein van de gezondheidszorg en de liberalisering die daarop volgde maakte het veel eenvoudiger om inrichtingen te bouwen.31 Vervolgens maakten de invoering van de Algemene Bijstandswet in 1965 en van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten drie jaar later het verblijf in een inrichting voor veel grotere groepen mogelijk vanwege de vergoedingen die toen binnen ieders bereik kwamen.32
| | | |
Deze maatregelen zijn zeker van belang om de voorspoedige groei van de inrichting te verklaren, maar in feite zette die groei al in voordat de meeste van de zojuist genoemde maatregelen waren genomen. Dat heeft alles te maken met de tweede factor, het toegenomen prestige van de medische kennis op het terrein van de zwakzinnigenzorg. En hier zitten we midden in de jaren vijftig. De medisch-klini-sche benadering is in die periode volstrekt dominant geworden en dat heeft in de eerste plaats te maken met het toegenomen vertrouwen in medische kennis. Met name op preventief gebied waren inmiddels geweldige vorderingen gemaakt en algemeen werden nieuwe veelbelovende stappen op medisch gebied verwacht. De aanpak van het Down syndroom (‘mongolisme’) en van het succesvol toepassen van diëten en vitaminenkuren hadden het gezag van de geneesheer enorm doen stijgen en het geloof in behandeling en verpleging geweldig gestimuleerd. Een moderne aanpak van zwakzinnigheid was de medische aanpak, dat was de gedachte na de oorlog en die gedachte zette de vraag naar en de groei van de zwakzinnigeninrichting na de oorlog in gang. Modern betekende hier dat je je kind nu met een gerust hart naar een inrichting kon sturen, omdat het daar niet zomaar eenvoudig werd ‘bewaard’, wat traditioneel slechts een oplossing in de sfeer van armoede en uiterste noodzaak was. Het geloof in de professionele, medische aanpak binnen de muren van de kliniek betekende juist dat nu ook de beter gesitueerden hun kind met goed fatsoen naar een inrichting konden sturen, omdat het daar een goede behandeling dan wel optimale verpleging en verzorging zou krijgen, beter dan vele ouders hun gehandicapt kind zouden kunnen bieden.33
In die moderne klinische aanpak stonden diagnose en prognose centraal. Bij een ‘slechte prognose’ werd de patiënt alleen verzorgd of verpleegd; bij minder ‘slechte’ prognose volgde behandeling. Medicatie en hygiëne stonden in deze aanpak voorop en ook verder gold de witte jassen-cultuur van het ziekenhuis, met de psychiater aan de top van de kenmspiramide, dan de psycholoog en de orthopedagoog als zijn ‘assistenten’ en onderaan in de hiërarchie tenslotte de verpleegkundige, de fysiotherapeut, de logopedist, de activiteiten-begeleider en de onderwijzer.34 Het geloof in deze aanpak leidde in de jaren vijftig tot een aanzienlijke uitbreiding van de beddencapaciteit, door versnelde bouw van nieuwe inrichtingen en modernisering van bestaande inrichtingen, waarbij de nadruk lag op hygiëne en efficiency.35
Het merkwaardige van de naoorlogse ontwikkeling van deze sector is nu dat datzelfde model en deze hele medische aanpak binnen twee decennia alweer in krisis verkeerde, dat de onaantastbaar lijkende autoriteit van de medicus-psychiater op dit gebied van vele kanten ter discussie werd gesteld en dat geestdrifig werd ge- | | | | zocht naar alternatieven voor de grote inrichting. De ondergang van het medisch-klinische model is dan ook het eerste belangrijke punt in de relatie tussen de jaren vijftig en de jaren zeventig. Hoe moeten we de snelle ondergang van het klinische model verklaren? Ik denk dat het hier gaat om een combinatie van factoren, waarvan de eerste mij de belangrijkste lijkt. Dat is de omslag in het medische denken zelf.
Rond 1970 wordt de relevantie van het klinisch model voor de zwakzinnigenzorg door de medici zelf betwijfeld. Men kreeg aandacht voor de invloed van de omgeving op ziekte en stoornissen. De opkomst van de sociale geneeskunde viel precies in deze periode. Sommige medici kwamen tot de conclusie dat de massale inrichting de bewoners hospitaliseerde en zelfs ziek maakte.36 Maar doorslaggevend lijkt het feit dat steeds meer medici zich gingen realiseren dat hun kennis eigenlijk van geringe betekenis was voor de feitelijke zorg op dit terrein. De medicus werd geacht diagnoses te stellen, maar de psychologen hadden zich met hun uitgebreide testapparatuur intussen het leeuwendeel van dit gebied toegeëigend. Hij werd geacht een oordeel te geven in geval van psychiatrische problematiek, maar dat bleek maar bij een minderheid aan de orde. Voor specifieke behandelingen, bezigheden en vormingsactiviteiten raakten de psychologen en orthopedagogen langzamerhand beter toegerust en voor de bewaking van de hygiëne waren de verpleegkundigen en inmiddels zelfs vele groepsleiders in de loop van de jaren vijftig en zestig voldoende geschoold. Diagnostisch hield de psychiater weliswaar nog lange tijd de touwtjes in
handen, maar therapeutisch was de medicus-psychiater op het gebied van de zwakzinnigenzorg in feite marginaal geworden. Op het terrein van prenatale zorg en van de behandeling van pasgeborenen bleef de medicus de aangewezen autoriteit, maar op het terrein van verzorging en behandeling bleek hij eigenlijk weinig te bieden te hebben.
Op dat punt kwamen zijn ‘assistenten’ in beeld, de orthopedagoog en de psycholoog. Beiden beschikten inmiddels over een ruime traditie van bemoeienissen met de zwakzinnigenzorg. De opvoedkundigen hadden jarenlang ervaring opgedaan met het speciale onderwijs. Daar had van meet af aan een heel andere benadering gedomineerd. Individuele aandacht, zoeken naar persoonlijke ontwikkelingsen stimuleringsmogelijkheden en leren in plaats van behandelen hadden daar altijd de toon gezet. De psychologen waren sinds de introductie van de Binet Simon-test aan het begin van de eeuw vertrouwd met het gebruik van een scala van intelligen-tie-testen. Net als voor de pedagogen was voor hen de hamvraag niet of ze met een zieke dan wel met een gezonde te maken hadden. De psychologen hielden zich bezig met de meting van verstandelijke vermogens. Ze ontwikkelden de notie van‘verstandelijke leeftijd’, die niet noodzakelijk correspondeerde met de biologische
| | | | leeftijd. Daarmee gingen ze uit van een glijdende schaal, van zeer laag naar zeer hoog, waarbij de overgang van normaal naar abnormaal diffuser werd en een benadering in termen van ziek en gezond in feite irrelevant.
Voor beide groepen nieuwe deskundigen gold bovendien dat ook hier, althans onder een deel van hen, steeds meer oog ontstond voor de betekenis van de leefwereld. Meer of minder vertrouwd met de beginselen van de fenomenologische blik realiseerden zij zich de negatieve gevolgen van het verblijf ‘op zaal’, een nummer zonder eigen plek, zonder enig houvast voor het verwerven van een persoonlijke identiteit. Een individualiserende aanpak bleek een gunstig effect te hebben. Deze deskundigen brachten dus van tijd tot tijd alternatieve accenten naar voren binnen het medisch regime. Van groot belang voor de legitimering van dergelijke gedachten was dat tegelijkertijd uit nieuw onderzoek overeenkomstige bevindingen naar voren kwamen. Zo toonde Zigler in 1963 in een klassiek geworden experiment aan, dat er niet zozeer sprake was van verschillen tussen verstandelijk gehandicapten en nietgehandicapten, maar tussen degenen die wel en die niet in een instituut woonden.37
Terwijl in de jaren veertig en vijftig het klinisch model onaantastbaar leek en het geloof in de inrichting als ziekenhuis voor geestelijk gehandicapten alleen maar sterker werd, ontstond in de loop van het daaropvolgende decennium een intellectueel vacuüm. De intellectuele autoriteit van de psychiater op dit terrein werd door sommigen van deze beroepsgroep ook zelf ter discussie gesteld. In dat geleidelijk onstane intellectuele vacuüm kwamen hier en daar nieuwe deskundigen naar voren, de voormalige assistenten, gedragswetenschappers. Maar hun aanpak was nog allerminst duidelijk en wat ze precies moesten doen en hoever hun intellectuele gezag zou gaan gelden, was evenmin duidelijk. In het geval dat zij de nieuwe leidinggevenden werden, moesten zij hun intellectuele gezag en legitimiteit nog helemaal bevechten. Als de psychiaters hier en daar al begonnen te twijfelen aan hun autoriteit op dit gebied en als ze al meer op de achtergrond traden, dan was dat zeker niet op alle gebieden.
Dennendal moet in die context worden gezien. Terwijl de institutionele groei van deze sector niet meer te stuiten was ontstond tegelijkertijd twijfel aan het intellectuele gezag van degenen die verondersteld werden hier bij uitstek en vanzelfsprekend deskundig te zijn en op basis van hun deskundigheid leiding te geven. Die twijfel deed dus tegelijkertijd een hiërarchisch vacuüm ontstaan. En dat hiërarchisch vacuüm creëerde op zijn beurt een concentratie van alternatieve energie, waarbij niet alleen alternatieve deskundigheid en autoriteit werd geclaimd maar in sommige gevallen elke vorm van specifieke kennis, deskundigheid en autoriteit werd verworpen. Alleen ‘echte ervaringskennis’ telde en wie hadden in dat opzicht meer recht van spreken dan de laagsten in de hiërarchie, de groepsleiding en de anderen die dagelijks met de zwakzinnigen omgingen? Alle verantwoordelijkheid aan de basis, dat was het meest radicale antwoord op de intellectuele krisis op dit gebied en op het hiërarchisch vacuüm dat daar het gevolg van was. Dat was wat er in Dennendal gebeurde.
De staf van de Willem Arntsz Hoeve was zich wel degelijk bewust dat een nieuwe
| | | | grondslag van de zwakzinnigenzorg binnen haar hekken wenselijk was. Welbewust werd door de geneesheer-directeur, de psychiater Poslavsky, in 1969 dan ook een psycholoog aangesteld als nieuwe directeur, Carel Muller, sinds enige jaren verbonden aan de instelling. Muller had bemoedigende resultaten geboekt door zijn op de persoon en diens individuele ontwikkelingsmogelijkheden toegespitste benadering. Hij werd benoemd tot ‘psychologisch directeur’, naast de ‘verpleegkundig directeur’ W. André, een verpleegkundige van de oude stempel, die feitelijk helemaal niet was belast met de verpleegkundige aangelegenheden, aangezien die in de aanpak van Muller voortvarend werden geëlimineerd, maar met organisatorische en materiële zaken. Muller was binnen de Willem Arntsz Hoeve de eerste directeur met een gedragswetenschappelijke in plaats van een medische achtergrond. Hij voerde sinds zijn aanstelling en met volledige instemming van Poslavsky een meer op ontplooiing gericht beleid in plaats van zich te richten op het eenvoudig verplegen en verzorgen van de geestelijk gehandicapten. Muller werd in feite in staat gesteld het ziekenhuis-model af te breken binnen een instelling die verder nog geheel in het teken stond van moderne, grootschalige ziekenverpleging. De grote afdelingen psychiatrie en geriatrie waren nog lang niet toe aan relativering van het medisch-klinische denken; binnen de Willem Arntsz Hoeve vervulde Dennendal dus een voorhoede-functie.
Door velen werden de aanpak van Carel Muller en de conflicten waar hij en zijn medewerkers in de loop der tijd in terecht kwamen ervaren als variaties op een algemeen probleem in de psychiatrie: het autoritaire bolwerk van de medisch-psy-chiatrische macht. De botsing van kindertherapeut Sjef Teuns met het bestuur van het Medisch-Opvoedkundig Bureau in Leiden, het conflict in de Pompekliniek waarbij de alternatieve aanpak van directeur Maas ter discussie stond, de oprichting van Release en van het Patiëntenfront, het uitbrengen van de Gekkenkrant: Dennendal werd geclaimd als onderdeel van deze bestorming van het professioneel-bestuurlijke bolwerk binnen de geestelijke gezondheidszorg.38
Dennendal paste inderdaad in grote lijnen binnen deze beweging. Dennendal kon echter in de eerste plaats uitgroeien tot een model voor de tegenbeweging op het hele terrein van de geestelijke gezondheidszorg vanwege de unieke situatie die zich op dat moment voordeed op het terrein van de zwakzinnigenzorg. Tegen de achtergrond van het professionele en hiërarchische vacuüm op het punt van de zorg kregen alternatieven hier meer kansen dan elders, waar de psychiaters weliswaar werden gekritiseerd, maar niet terzijde konden worden geschoven. Juist in de zwakzinnigenzorg kon de hegemonie van het medisch-klinische model, die hier nog maar enkele decennia eerder met name ten koste van de nauwelijks medisch georiënteerde charitatieve opvang was bereikt, worden doorbroken. Juist op dit terrein werd de ‘vooruitgang’ van de jaren vijftig teniet gedaan door een tegenbeweging, die zelfs erkenning vond binnen de medische wereld zelf. Dennendal opereerde in die context.
Qua stijl werd Dennendal al snel een bolwerk van hippies en kabouterleven. Langharige, stikkies rokende, maatschappij-kritische jongens en meisjes vervingen binnen enkele jaren de oudere verpleegkundigen. Van de ene kant sinds 1971 ‘ont- | | | | dekt’ en aangevallen door de Telegraaf, van de andere kant sinds die tijd als reactie daarop ook door links Nederland ontdekt en verdedigd door bladen als De Nieuwe Linie, Vrij Nederland en de Haagse Post, radicaliseerde Dennendal in de daar-opvolgende jaren.39 Steeds radicaler en rigider gingen de Dennendallers hechten aan de ‘macht van de basis’.40 Zo werd Dennendal naast een proeftuin van vernieuwing op het terrein van de geestelijke gezondheidszorg ook een bolwerk van de anti-autoritaire beweging. Die radicalisering leidde tot haar ondergang in de zomer van 1974, toen de inrichting werd ontruimd en de vernieuwers werden ontslagen en afgevoerd. Toch genoot Mullers aanpak tot het eind toe in brede kring krediet. Moeten we dat krediet en het geduld waarmee zijn experimenten en eisen tegemoet werden getreden nu verklaren uit de meegaande houding van de oudere generatie? Was de drijfveer achter de langdurig tolerante (althans overwegend tolerante) houding van bestuurders, interim-bestuurders en uiteindelijk politici primair het vermijden van conflicten? Was conflict-vermijding hier überhaupt doorslaggevend?
Ik denk het niet. Zeker, er was sprake van begrip en geduld van de kant van het kabinet Den Uyl en er was sprake van opvallend veel begrip en tolerantie van de kant van de commissie Langemeijer (genoemd naar haar voorzitter, mr. G.E. Langemeijer, oud-procureur-generaal van de Hoge Raad, naar wie al eerder werd verwezen vanwege zijn milde oordeel over provo). Vooral de inzet van de Nijmeegse hoogleraar Brenninkmeijer, die tenslotte als laatste beheerder de zaak nog heeft proberen te redden, was treffend.41 Maar er was meer. Er leefde bij velen ook van meet af aan het gevoel dat de psycholoog Muller ondanks of misschien zelfs wel dankzij zijn onconventionele, losse aanpak de spijker op de kop sloeg. Muller appelleerde met zijn aanpak namelijk tenminste aan twee typisch Nederlandse zorgtradities. Ten eerste aan de oudere traditie van de charitatieve zorg; ten tweede aan de moderne traditie van pedagogische zorg betreffende afwijkend en probleemgedrag. Wat de eerste betreft ‘herstelden’ de hippies van Dennendal ironisch genoeg in zekere zin de oudere, non-medische benadering van zwakzinnigen zoals die, overigens onder heel andere, vaak uiterst armoedige omstandigheden, gebruikelijk was in de charitatieve traditie. Geen concentratie op intellectuele gebreken, geen nadruk op medicatie, geen testen, maar opname in een gemeenschap op grond van een zekere mate van hulpbehoevendheid. Al paste de stijl van Dennendal op geen enkele manier in die lijn en al stond deze stijl vele oudere
verzorgers en ouders tegen, de fundamentele gedachte, de notie van de zachtzinnigheid als basis van de zorg articuleerde wat vele betrokkenen als waardevol ervoeren. Hun kinderen waren niet ziek, maar vereisten veel en speciale aandacht.
Wat de aansluiting bij de moderne pedagogische traditie betreft gaat het om een
| | | | verassende overeenkomst op het punt van de verhouding tot de modernisering van de Nederlandse samenleving. Een harde confrontatie met Muller en de zijnen werd niet alleen zo lang mogelijk uit de weg gegaan vanuit de logica van het tolerante pedagogische perspectief van de intellectuele elite. Ook de vernieuwingen die Muller zelf voorstond pasten op hun beurt weer in dit perspectief. Muller ‘brak’ met de ouderen wat betreft uiterlijk optreden, wat betreft hedonistische stijl en radicalisme, maar hij continueerde tegelijkertijd een fundamentele, romantische habitus, dat wil zeggen een ambivalente houding tegenover de modernisering van Nederland.42
| |
Verandering tot behoud
Dit brengt mij op een punt waaraan zowel in de bestudering van de jaren veertigvijftig als in de reflectie op de jaren zestig nog weinig aandacht is besteed. Dat is de kritische distantie of althans ambivalente houding ten opzichte van het karakter van de vernieuwing en de modernisering die ons land na de oorlog onderging. De cultuur-kritische erfenis van de Doorbraak, van het personalisme, van Banning, Kohnstamm, Langeveld, Van der Leeuw, Pompe en talloze anderen heeft niet alleen betrekking op de verzuiling en de daarmee gepaard gaande culturele verstarring. De kritiek op de hokjesgeest impliceert een verlangen naar een nieuwe commune mesure, naar een nieuw authentiek, verinnerlijkt gemeenschapsleven. Men verafschuwt de dominantie van de commercie en de hang naar materiëel gewin; men wil een eerlijker verdeling van middelen en kansen maar geen gelijkheid omdat mensen nu eenmaal van ongelijke kwaliteit zijn; men streeft naar optimale ontplooiing van ieders persoonlijke mogelijkheden maar stelt alles in het werk om verzakelijking en individualisering tegen te gaan; men vreest massificatie en men heeft een afkeer van snel en van bovenaf doorgezette technologische vernieuwingen en vreest dat daarmee humane, persoonlijke verhoudingen verloren gaan. Het door mij als tolerant pedagogisch aangeduide perspectief articuleert deze, zo men wil als ‘postmaterialistisch’ aan te duiden cultuurkritiek.43
Kort en eenvoudig gesteld: de zorg om de massamens die de seigneurale elite bezighield werd de afkeer van het klootjesvolk bij de post-seigneurale jongeren. Kennedy wijst inderdaad op deze erfenis, als vormend element in de meegaande opstelling van de ouderen ten opzichte van de radicale jongeren. Maar mijn punt is hier vooral dat deze erfenis zelf een cruciale bijdrage levert aan de verbinding tussen de jaren veertig-vijftig en de jaren zestig, aan de relatief soepele relatie tussen de oudere, vóór of in de oorlog volwassen geworden generatie, en de jongeren die na de oorlog opgroeiden. In dit verband zou het bijvoorbeeld interessant zijn om de achtergronden van provo's als Roel van Duyn, Luud Schimmelpennink, Irene van de Weetering, Koosje Koster, Duco van Weerlee, Bernhard de Vries, Peter Bronk- | | | | horst, Hans Tuynman en al die anderen te vergelijken. Ik acht het aannemelijk dat zeer veel van deze jonge, ludieke en provocerende middenklasse-intellectuelen van begin jaren zestig wel in stijl maar juist niet of nauwelijks in wereldbeschouwelijk opzicht gebroken hebben met hun ouderlijk milieu. Het zou mij weinig verbazen als velen onder hen net als Roel van Duyn uit een milieu kwamen met intellectuele ambities, waar de hierboven aangeduide ‘post-’ of antimaterialistische cultuurkritiek nadrukkelijk aanwezig was en waar in elk geval duidelijke affiniteit bestond met het door mij als tolerant-in-verbondenheid aangeduide pedagogisch perspectief.
Dat was zeker het geval met de hoofdrolspeler in het ludieke drama Dennendal. Carel Muller, geboren in 1937, was afkomstig uit een typisch Doorbraakmilieu. Zijn vader kwam uit een arbeidersgezin, werkte zich op via de ambtenarij, kwam na de oorlog als ‘doorgebroken’ christen bij Kerk en Wereld in Driebergen en was tenslotte zo'n tien jaar lang PvdA-burgemeester van Lekkerkerk. Zijn moeder vult dat beeld aan, dochter van een Rotterdamse dominee van de Gereformeerde Bond, met een sterke interesse in religieuze en mystieke zaken en een volgens haar zoon uitgesproken hang naar vrijheid.44 Vanuit deze achtergrond ging Muller in 1957 vanzelfsprekend psychologie studeren in Utrecht, bij Buytendijk, Van Lennep, Langeveld, Rümke en Linschoten, kortom bij de Utrechtse fenomenologen, de intellectuele voorhoede van de Doorbraak.45 De kernideeën van deze kring vielen bij hem in goede aarde. Hij heeft ze als het ware opgezogen, met name de gedachten betreffende de persoonlijke beleving van de ruimte, de aandacht voor de existentiële betekenis van de ruimte waar men dagelijks verblijft, de dingen waar men tussen woont en werkt, of waar men gedwongen tussen verblijft. De gedachte dat ons respect voor de persoon die aan onze zorg is toevertrouwd vraagt om rekening te houden met de betekenis van de dingen voor die persoon, dat is een erfenis van de Utrechtse fenomenologie. Voor deze kring vormde de persoonlijke ervaring van de ruimte een fundamenteel aspect van zijn visie op de ‘gesitueerdheid’ van de mens. De gesitueerdheid, ook de ruimtelijke gesitueerdheid van de mens was één van de noemers van zijn ingebed zijn in de gemeenschap.
Op een zeer elementair, praktisch niveau treft men dit gedachtengoed meteen
| | | | aan in de aanpak van Muller die besefte dat het verblijf op zaal de bewoners tot initiatiefloze nummers degradeerde. Vanuit die achtergrond begon hij een serie initiatieven te ontwikkelen om de bewoners in staat te stellen hun verblijf op Dennendal zo persoonlijk mogelijk in te vullen. De inrichting van Dennendal had voor hem een duidelijk existentiële lading. Dennendal vormde voor hem een echte leefgemeenschap. Maar de verwantschap tussen de aanpak van Muller en het gedachtengoed van de Utrechtse School is nog fundamenteler. En die komt aan het licht als we nogmaals naar het ideaal van de verdunning kijken. Dat ideaal impliceerde namelijk niet alleen een sterk geloof in veranderbaarheid, van de werkers en van geestverwanten die allemaal in staat zouden zijn de zakelijke, materialistische en prestatiegerichte houding die de wereld buiten de inrichting kenmerkte van zich af te schudden en in te ruilen voor zachtzinnigheid. Verdunning betekende ook een minstens zo sterk verlangen naar behoud.
Ook in dat opzicht was Dennendal exemplarisch voor de beweging op het terrein van de geestelijke gezondheidszorg. In de hausse van experimenten, ludieke acties, bezettingen, zwartboeken en plannen voor democratisering en verbetering van de zorg lag het accent in deze sector overwegend op ‘verandering ... tot behoud’. De tegenbeweging op het terrein van de geestelijke gezondheidszorg, zelfs de radicale variant van de zogenaamde ‘antipsychiatrie’, was niet-modernistisch; in elk geval waren haar alternatieven zonder uitzondering anti-technologisch. Zij geloofde niet in grootschaligheid, zij hechtte niet aan systeembeheersing, zij verzette zich tegen de wens de wereld van de geestelijke gezondheidszorg in te richten volgens plan en berekening. Die op behoud gerichte visie heeft Dennendal van begin tot eind getypeerd. Dennendal was in de eerste plaats gericht op verbetering van wat men aantrof, zonder die verbeteringen primair te beoordelen in termen van maatschappelijke functionaliteit en efficiency. Men zocht geen meesterschap over de dingen; men had een scherp oog voor wat de dingen betekenden voor de betrokkenen. In dat fundamenteel levensbeschouwelijk opzicht betoonde Carel Muller zich een typische leerling van de Utrechtse School.
Dit aspect van de vormgeving en inrichting van Dennendal speelde ook een grote rol in de maatschappelijke respons voor de aanpak van Muller en de zijnen. Velen in de stad Utrecht, waar bouwgigant Bredero inmiddels toestemming kreeg om de oude stationswijk met zijn statige panden te slopen om daar zijn betonkolos over het spoor op te trekken waarvan de tentakels tot ver in de oude stad zouden reiken, voelden alleen al vanuit die invalshoek sympathie en geestverwantschap met de kleinschaligheidsfilosofie van Dennendal en met de aldaar gekoesterde waardering voor de existentiële betekenis van de plek. Vanwege het verzet van Dennendal tegen de grootschalige nieuwbouwplannen van het bestuur werd de inrichting door vele geestverwanten daarbuiten beschouwd als aanknopingspunt voor de beweging tegen de kille functionalisering van wonen en werken. Tégen Hoog Catharijne, (dus) vóór Dennendal, mede uit die beleving ontstonden actieve Utrechtse steungroepen. Wat vele medestanders verbond was het gevoel dat Dennendal, die bijzondere plek, in elk geval behouden moest blijven en de kans moest krijgen werkelijk die alternatieve ‘goede buurt’ te creëren, waar velen naar verlangden.
Mullers Dennendal was onmiskenbaar een stijlbreuk. In de losse omgangsvor- | | | | men van de Dennendallers, in hun hedonisme en radicalisme manifesteerde zich een scherpe breuk met het puritanisme van degenen die hen gevormd hadden. Die breuk in stijl werd echter door de oudere intellectuelen verregaand getolereerd - en daar speelde Muller als enfant terrible van de Doorbraak intuïtief op in - vanuit het pedagogisch perspectief waar ze deze bevlogen jongeren zelf in hadden opgevoed. Tegelijkertijd herkenden vele oudere intellectuelen in de Dennendalse aanpak van hun kant ook een radicale eigentijdse expressie van hun eigen cultuurkritiek, zoals ze die al in de jaren veertig en vijftig naar voren hadden gebracht. Net als voor Van Duyns provotarische beweging vormden voor Mullers Dennendal de technologische en culturele moderniseringsprocessen van de voorgaande decennia een belangrijk negatief referentiepunt. In de omwentelingsdrift van Dennendal klonk steeds iets door van dat ambivalente, romantische vernieuwingsstreven dat vele intellectuelen in de eerste decennia na de bevrijding bezighield: principiëel vernieuwingsgezind maar ook bezorgd voor een al te snel en te ver doorgevoerde maatschappelijke rationalisering, open voor experimenten, maar ook verrassend anti-modernistisch.
|
1De meest overtuigende studie waarin althans op lokaal niveau aannemelijk wordt gemaakt dat in ons land in de jaren vijftig de kiemen van de bewegingen van de jaren zestig liggen is de bundel over Den Bosch onder redactie van Tjitske Akkerman en Siep Stuurman, De zondige Rivièra van bet katholicisme. Een lokale studie over feminisme en ontzuiling 1950-1975 (Amsterdam 1985).
2A. Tamison en R. Everman. Seeds of the Sixties (Berkeley 1994).
3G. Kempe, Schuldig zijn (Utrecht 1950).
4A.J. Machiels, ‘Défense Sociale’, Tijdschrift voor Criminologie (1979) 67-82.
5Zie mijn boek Terug naar het behouden huis. Romanschrijvers en wetenschappers in de jaren vijftig (Amsterdam 1991).
6W.P.J. Pompe, Vijf opstellen van Willem Pompe (Zwolle 1974).
7P.A.H. Baan, ‘Forensische psychiatrie’, Maandblad Geestelijke Volksgezondheid 14 (1959) 218. Zie ook mijn artikel:
‘De misdadiger. Over strafrecht, psychologie en behandeling’ in: J. Jansz en P. van Drunen ed., Met zachte hand: opkomst en verbreiding van het psychologisch perspectief (Utrecht 1996).
8E. Blankenburg en F. Bruinsma, Dutch Legal Culture (Deventer 1994) 52.
9Zie D. Dowries, Contrasts in tolerance (Oxford 1988); V. Ruggiero, M. Ryan en J. Sim ed., Western European penal systems (London 1995); C. Harding e.a. ed., Criminal justice in Europe (Oxford 1995).
10H. Righart, De eindeloze jaren zestig. Geschiedenis van een generatieconflict (Amsterdam 1995) 31.
11Ibidem, 229-235. Vergelijk de brochure De kroning en de woning die Peter Hoefnagels vijftien later publiceerde naar aanleiding van de strijd tussen de ME en de stenengooiers op 30 april 1980 tijdens de inhuldiging van de nieuwe koningin.
12J.C. Kennedy, Nieuw Babylon in aanbouw. Nederland in de jaren zestig (Amsterdam 1995) 145-146.
14Zie voor hun rol binnen de katholieke zuil met name E. Simons en L. Winkeler, Het verraad der clercken. Intellectuelen en hun rol in de ontwikkelingen van het Nederlandse katholicisme na 1945 (Baarn 1987).
15Zie I. Weijers, ‘Filosofie en Wederopbouw’, Krisis 10 (1990) 64-71.
16De volgende twee paragrafen zijn bewerkingen van artikelen die Evelien Tonkens en ik samen hebben geschreven voor het Maandblad Geestelijke Volksgezondheid (‘De actualiteit van Dennendal’ 49 (1994) 1111-1118) en voor Comenius (‘Een sterk plekbesef. Dennendal revisited’ 16 (1996) (afl. 1)). De inhoud van deze paragrafen steunt tevens op een uitgebreid gesprek dat wij met Carel Muller hebben gevoerd op 1 juni 1995.
17Vergelijk A.J. Heerma van Voss, ‘De voorbeeldige zwakzinnige. Over de alternatieve zwakzinnigenzorg van Carel Muller, Otto Haspers en Kay Okma’ in: De haas en de jager. Psychische stukken (Amsterdam 1993) 54-73.
18‘De groepen leken op gezellige en anti-autoritaire gezinnen’, schreef staflid Barto Smit in W. Meyering e.a., Nieuw Dennendal. Een goede buurt gesloopt (Baarn 1975) 42.
21Zie bijvoorbeeld R. Esselink e.a., Psychiatrische tegenbeweging in Nederland (Amstrerdam 1983)
22J. Foudraine, Wie is van hout... Een gang door de psychiatrie (Bilthoven 1971).
23Van Gennep maakt een onderscheid tussen fysieke, functionele en sociale integratie. Pas in het laatste geval, waarbij gehandicapten regelmatig contact hebben met niet-gehandicapten, zou van integratie in de volle betekenis gesproken kunnen worden. Zie A. van Gennep, ‘Visies op verstandelijke handicap en op de zorg voor mensen met een verstandelijke handicap’ in: G.H. van Gemert en R.B. Minderaa ed., Zorg voor verstandelijk gehandicapten (Assen 1993) 3-21.
24Citaat uit Heerma van Voss, De voorbeeldige zwakzinniger, 63.
25Zie het nieuwsschrift van de werkgroep bouwen-wonen van (Nieuw) Dennendal, Een goede buurt. Filosofie van de verdunning op Dennendal (Den Dolder 1974). Vergelijk over dit aspect van de verdunningsgedachte I. Mans, ‘De verdunningswijk van de Hafakker: een nieuwe geschiedenis’, Maandblad Geestelijke volksgezondheid 43 (1988) 515-527.
26J.J. Dankers en A.A.M. van der Linden, Om het geluk van de zwakzinnige. De geschiedenis van Dennendal 1969-1994 (Den Dolder 1994) 31.
27Zie A. Klijn, Tussen caritas en psychiatrie. Lotgevallen van zwakzinnigen in Limburg 1879-1952 (Hilversum 1995) en T. Jak, Huizen van barmhartigheid (Amersfoort 1993).
28A. van Gennep, Visies op verstandelijke handicap, 8.
29Klijn wijst op een aantal zeer negatieve en duidelijk eugenetisch geïnspireerde ideeën ten aanzien van zwakzinnigen aan het begin van deze eeuw in ons land; zie Tussen caritas en psychiatrie, 10-12. Naar verhouding viel het echter met de feitelijke invloed van het eugenetisch denken in ons land erg mee. Zie J. Noordman, Om de kwaliteit van het nageslacht. Eugenetica in Nederland 1900-1950 (Nijmegen 1989) 260. Zo was in de Verenigde Staten werkelijk sprake van een morele paniek over de ‘gevaarlijke debiel’. Vergelijk J.W. Trent, Inventing the feeble mind. A history of mental retardation in the United States (Berkeley 1994) hoofdstuk 5 en S.A. Gelb,
‘The beast in man: degenerationism and mental retardation, 1900-1920’, Mental Retardation 33 (1995) 1-9.
30Zie P.A.T. Dickmann, Maria Roepaan 1951-1986 (Ottersum 19S6); A.F. Manning, Groesbeekse Tehuizen 1929-1989 (Zeist 1989); B. Bouwens en J. Hoek, Enkel den mensch ... Assisië, negentig jaren zorgen voor zorg (Biezenmortel 1994) en F.G. Kluit, Herlevend verleden. Het verhaal van honderd jaar zorg van verstandelijk gehandicapte mensen op 's Heerenloo-Lozenoord 1891-1991 (Ermelo 1991).
31P. Juffermans, Staat en gezondbeidszorg in Nederland (Nijmegen 1982).
32B. van Zijderveld, ‘De zorg voor verstandelijk gehandicapten in historisch perspectief’ in: G.H. van Gemert en R.B. Minderaa ed., Zorg voor verstandelijk gehandicapten (Assen 1993) 31-47.
33Een beroemd voorbeeld werd het verhaal dat de schrijfster Pearl S. Buck in 1950 publiceerde over haar verstandelijk gehandicapte dochter: The child who never grew. Vergelijk J.W. Trent, Inventing the feeble mind,
hoofdstuk 7.
34Zie voor een treffende sfeerbeschrijving A. van Gennep, ‘Ontwikkelingen in de zorg voor mensen met een geestelijke handicap’, Nederlands Tijdschrift voor Zwakzinnigenzorg 15 (1989) 56-64.
35Vóór de Tweede Wereldoorlog waren er nog geen 2.000 bedden, aan het eind van de jaren zestig ruim 17.000. Zie G.J. Zwanikken, ‘Geschiedenis van de zwakzinnigenzorg binnen de psychiatrie’, Nederlands Tijdschrift voor Zwakzinnigenzorg 19 (1993) 34-44.
36Zo merkt de geneesheer-directeur van Maria Roepaan in een interview in 1974 op: ‘Natuurlijk, de kinderen werden op het gebied van eten, drinken, zindelijkheid, huisvesting en aankleding op een zodanige wijze behandeld, dat je dat zonder meer verantwoord kon noemen. Maar daar bleef het dan wel bij. Men ging met de kinderen om op een manier waar een normaal kind zwakzinnig van geworden zou zijn’. Geciteerd in P.A.T. Dickmann, Maria Roepaan 1951-1986, 35. Vergelijk voor een nog veel kritischer terugblik op de Amerikaanse situatie in de jaren vijftig en zestig: W. Wolfensberger, ‘Reflections on a lifetime in human services and mental retardation’. Mental Retardation 29 (1991) (afl. 1) 1-15.
37Zie E. Zigler en R.M. Hodapp, Understanding mental retardation (Cambridge 1993).
38Zie Esselink e.a., Psychiatrische tegenbeweging in Nederland, hoofdstuk 2.
39Zie J. Vroemen, ‘Dennendal en het geschrijf’ in: Meijering e.a., Nieuw Dennendal, een goede buurt gesloopt, 11-32.
40Zie A.J. Heerma van Voss, ‘De baas is de basis. Over democratie en leiderschap in Dennendal en de Pompekliniek’, Maandblad Geestelijke Volksgezondheid 29 (1974) 574-587.
41Zie het verhaal dat G. Brenninkmeijer hier als diesrede voor de KU te Nijmegen over hield, Analyse van een conflict: het gelijk der ongelijken (Nijmegen 1974). Vergelijk U. Rosenthal, ‘Het Dennendalconflict 1973-1974: een prominenten-crisis’ in: Rampen, rellen en gijzelingen. Crisisbesluitvorming in Nederland (Amsterdam 1984) 313-384 en Dankers en Van der Linden, Om het geluk van de zwakzinnige, hoofdstuk 4.
42Zie voor een vergelijkbaar onderscheid tussen enerzijds tegenstellingen in levensstijl (puritanisme-hedonisme) en anderzijds verschillen en overeenkomsten in wereldbeschouwing (rationalisme-romanticisme) Ruud Abma. Jeugd en tegencultuur. Een theoretische verkenning (Nijmegen 1990) aldaar 83 en 116-118.
43Righart neemt de these die Inglehart twee decennia geleden in zijn boek The silent revolution lanceerde zonder omhaal over voor Nederland. Inglehart wilde met de term ‘stille revolutie’ aangeven dat zich na de oorlog in het westen een vrijwel onopgemerkte overgang van een ‘materialistisch’ waardenpatroon naar een ‘postmaterialistisch’ waardenpatroon zou hebben voorgedaan. Ronald Inglehart kan, met Daniel Bell, worden gerekend tot de groep sociale wetenschappers die het ontstaan van
de ‘protestgeneratie’ hebben verklaard uit ‘rising demands’. Daartegenover kan een stroming worden onderscheiden die het ontstaan van de alternatieve jeugdcultuur eerder verklaart vanuit de hypothese van ‘need defence’, als reactie op toegenomen maatschappelijke problemen. Deze stelling vindt men bijvoorbeeld zowel bij Jürgen Habermas als bij André Gorz. Zie K.W. Brand, Neue soziale Bewegungen. Entstehung, Funktion und Perspektive neuer Protestpotentiale. Eine Zwischenbilanz (Opladen 1982). In dit artikel begeef ik me niet in deze algemene discussie. Ik wil hier alleen aannemelijk maken dat in naoorlogs Nederland een zekere continuïteit kan worden gevonden als we de inzichten en zorgen van een aantal voormannen van de bewegingen van zestig en zeventig vergelijken met die van sommige representanten van de oudere generatie. In dat geval staan niet post-materialistische tegenover materialistische waarden, aangezien zowel deze jongeren als deze ouderen zich afzetten tegen een in hun ogen dreigende dominantie van een materialistisch waardenpatroon. In dit verband wijs ik nog op de Doorbraak-vertegenwoordiger Joop den Uyl als interessante verbindingsfiguur tussen beide generaties.
44Zie het interview van A.J. Heerma van Voss met Muller in De Haagse Post (16-2-1974).
45Zie ook T. Dehue, De regels van het vak. Nederlandse psychologen en hun methodologie 1900-1985 (Amsterdam 1990) hoofdstuk 3.
|
|