|
|
|
| |
| | | |
III
| | | |
S. Vestdijk
Fabels met kleurkrijt. - Ik heb al enkele malen getracht de dichtkunst van Vestdijk te karakteriseren als bij uitstek modern. Gangbare onderscheidingen als klassiek en romantisch zijn volmaakt ontoereikend om haar als historisch verschijnsel ook maar enigszins te situeren. Maar verder dan van welke romantiek ook verwijdert zij zich van iedere klassiciteit, terwijl men, in navolging van zijn eigen beschouwing over Rilke, nog eerder met het begrip barok, in een ruimen zin, zou kunnen opereren dan met een hoe vloeiend ook gehouden term romantiek. Toch is het tekenend voor de continuïteit der poëzie, dat zelfs een Vestdijk zich, wat zijn prosodischen vorm aangaat, nauwelijks van overgeleverde schema's verwijdert, hoe persoonlijk en modern hij zich daarvan dan ook bedient. Men zie zijn rijmschema's, zijn strofenbouw, zijn sonnet.
Tekenend is dit gemengde karakter echter niet alleen voor den ontwikkelingsgang van de poëzie als geheel, die, hoe roekelozer zij zich waagt aan de voorlopige uitersten van gevoel, beeldvorming, intellectualiteit en technisch raffinement, zich des te behoedzamer van steunpunten verzekert die door een eeuwenlange ervaring als beproefd hulpmiddel, om niet te zeggen als onverwrikbare basis hun diensten afdoend hebben bewezen - tekenend is deze menging, is in zekeren zin iedere menging, juist ook voor die moderniteit, waarvan Vestdijk een der meest begaafde dragers en pioniers is. Tekenend ten slotte niet minder ook voor hem zelf.
De verbindingsstrook, het niemandsland tussen klassieke ervaring in het prosodische en een alchimistisch gemengde moderniteit, tussen romantiek en barok, tussen gezondheid en pathologie, tussen inval en berekening, tussen extremistisch ontdekkende waaghalzerij en omzichtige behoudendheid - ziedaar, bij grove benadering, het gebied waar men Vestdijk moet zoeken.
Er is dikwijls gewezen op het heftig verbetene, het krampachtig afwerend karakter van zijn poëzie. Toch is ook in zijn ouder werk een vreeslozer en opener element enkele malen duidelijk aanwezig. Men herinnere zich zijn ‘Tuinen bij wind en weer’.
Thans echter, in deze ‘Fabels’, schijnt de doorbraak volkomen te worden. Het is slechts de vraag of zij duurzaam zal zijn, en bovendien of zij duurzaam zal móeten zijn om hem in staat te stellen tot het schrijven van zijn beste gedichten. Wat weet men
| | | |
ervan? Slechts de structuur van een lijk is stabiel en betrouwbaar en tegen overrompelende verrassingen gevrijwaard.
Intussen zijn de ‘Fabels met Kleurkrijt’ althans tijdelijk een vorm van dichten in volkomen vrijheid, onbedreigd, onbekneld. Cryptisch hier en daar, speels, wijs, opgaand in het spel van woorden en associaties, en ook in het associatieve zinrijk, onderscheiden zij zich door hun lichte charme opvallend van zijn vroegere werk. Voor hen die de term poëzie reserveren voor het orphische en musische element, dat zich bij voorkeur schijnt te realiseren in het sonore, het bevallige, het in engeren zin aesthetisch-bekorende, vormen deze verzen wellicht een toppunt in Vestdijk's poëzie. Voor de anderen een unicum, dat - zoal niet geheel gelijkwaardig aan zijn meest authentieke uitingen tot nu toe - zeker niet minder boeiend is door zijn afwijkend karakter, met de kans bovendien op een onvermoede ontwikkeling - hoewel ik persoonlijk meer aan een op zichzelf staand intermezzo geloof -, dan door zijn verrassend vrije inspiratie en uiterst-poëtische charme.
Lier en Lancet. - De betekenis van Vestdijk is voor alles gelegen in zijn vrijwel universeel kunstenaarschap. De verzen, novellen, romans, critieken en essays, die hij in den loop van ongeveer tien jaar heeft geschreven, behoren, welke waarde men ook aan ieder werk afzonderlijk toekennen mag, tot het beste dat de moderne nederlandse litteratuur heeft voortgebracht. Men mag bezwaar hebben zoveel men wil tegen de richtingen, waarin zijn psychologie zich beweegt, tegen de sfeer waarin zijn verbeelding bij voorkeur woekert, tegen den toon waarop hij zich uitspreekt over zaken waarbij het gros der nederlandse schrijvers en lezers eerbiedig en dierbaar te fluisteren pleegt - men zal niet kunnen ontkennen, dat hier een man aan het woord is, die al zijn gaven in dienst heeft gesteld van een voor onze vaderlandse verhoudingen ontstellend-begaafd en gedifferentieerd kunstenaarschap. Tegenover de eenzijdig essayistische begaafdheid van een Ter Braak, het overwegend prozaïsche talent van een Du Perron, het in hoofdzaak apollinisch dichterlijke van een Engelman, stelt Vestdijk het all-round te noemen talent van iemand, die zich op ongeveer alle gebieden met een even grote zekerheid, inventie en souplesse beweegt. Bovendien beheerst en bespeelt hij op elk dier terreinen een zo gevarieerde reeks van mogelijkheden dat men zich soms niet zonder ontsteltenis afvraagt, of zijn kunstenaarschap niet in gevaarlijke mate mede bepaald wordt door
| | | |
een virtuositeit, die zich met de meest uiteenlopende sferen en wezens tot in het zich onteigenende toe vereenzelvigen kan. Doch tegenover deze verregaande objectiviteit, die niets a priori uitsluit, staat het feit dat men den schrijver in iedere bladzijde van zijn werk herkennen kan. Bij het schrijven en bundelen van de essays waaruit Lier en Lancet is samengesteld werd de schrijver inmiddels door een duidelijke voorkeur geleid. Een voorkeur, die de ver uiteenlopende mogelijkheden ook van zijn critisch talent een drieledige beperking heeft opgelegd, maar die daardoor tevens aan dit boek een grotere homogeniteit verleent dan de stalenkaart van zijn essayistisch vermogen die het anders wellicht geworden zou zijn. Ik voor mij had dit werk zelfs een nog grotere eenheid toegewenst en zou er gaarne in hebben berust, indien de stukken over de nederlandse schrijvers voor een latere bundeling waren bewaard. Wat er dan overblijft zou te vermeerderen zijn geweest met het opstel over ‘Paul Valéry als Denker’, dat in het Tijdschrift voor Wijsbegeerte heeft gestaan en met een essay over Proust, dat Vestdijk m.i. al lang had dienen te schrijven. Proust, Rilke en Kafka hadden dan niet alleen in dit boek het pièce de résistance kunnen vormen, maar in dit drietal had hij dan tevens het triumviraat behandeld waarmee hij de meest persoonlijke affiniteiten vertoont, en waarvan hij wat de eerste twee betreft, tot nu toe ook de meest beslissende invloeden onderging. De invloed van Kafka is weliswaar tot nu toe alleen te bespeuren in de overigens weinig overtuigende novelle ‘De verdwenen horlogemaker’, maar het enkele feit, dat hij in zijn essays over hem niet slechts analytisch maar ook ‘welt-anschaulich’ te werk ging, bewijst dat hier een voorlopig nog vrijwel verborgen verwantschap zal moeten bestaan, die - als zij voor Vestdijk's latere werk niet vruchtbaar zal worden - deze onvruchtbaarheid vermoedelijk alleen te wijten zal hebben aan het feit dat Kafka een Jood was, hoezeer dit Jood-zijn dan ook door andere elementen doortrokken werd en gerelativeerd. De invloed van Joyce, vooral bespeurbaar in het slot van ‘Meneer Visser's Hellevaart’, is m.i. meer technisch dan essentieel.
De drieledige beperking, waarop ik zo juist heb gedoeld, ligt ten eerste in het hermetisch-esoterisch karakter van het merendeel der hier behandelde auteurs. De esoteriek is in dit geval bovendien vrijwel synoniem met moderniteit. Vestdijk neemt aan, dat de poëzie ongeveer een eeuw geleden een zelfstandig karakter gekregen heeft en dat wat wij poëzie zijn gaan noe- | | | | men, dus nog slechts een evolutie doorliep die ongeveer begon met Nerval. Wat daarvóor ligt is ‘prae-historie’. ‘Duister’ zijn de figuren die hij hier bespreekt, ‘duister’ en tevens modern, - maar bovendien koos hij uitsluitend schrijvers die, al was het maar met éen enkel gedicht, behoren tot den eersten rang. Hierdoor sneed hij niet enkel den pas af aan de vergrotingsmanie, die hem af en toe parten speelt, maar gaf hij zijn bundel behalve een zekere soortelijke homogeniteit ook de betrekkelijke eenheid van eenzelfde niveau.
De vergrotingsdrang waarover ik sprak komt bij Vestdijk niet voort uit een neiging tot heldenverering of megalomalie, maar is meer het gevolg van een ‘hineininterpretieren’ en tevens van wat mij het zwakste punt lijkt in zijn critiek - een dikwijls aanvechtbaren smaak. Deze twee fouten, als men het zo noemen mag, onderling overigens ten nauwste verwant, hebben als positieve keerzijde dat hij op zijn exploratietochten door het gedicht ettelijke malen eigenschappen, en vooral verborgen potentiële eigenschappen ontdekt, die hij, wanneer hij zich had laten leiden door de omzichtigheid van een aesthetisch waardebepalenden smaak - en is wat wij smaak noemen niet altijd enigszins klassicistisch getint? - zeker niet zou hebben bespeurd. Tegenover het hermetische vers echter is deze interpretatie-methode alleen maar een winst. Juist door haar gesloten karakter laat de esoterische poëzie een réeks van de meest uiteenlopende interpretaties toe, waarvan de een nog stoutmoediger en speculatiever mag zijn dan de andere, omdat het raadselachtige dezer gedichten er een waarborg voor blijft, dat zelfs de meest gewaagde exegese toch niet meer dan een benadering is.
De opvatting van de autonomie der moderne poëzie heeft tot gevolg, dat de hier toegepaste methode, om adaequaat te zijn, een intrinsiek-litterair karakter dient te bewaren. Hier dus geen dogmatisch of moralistisch getinte levenscritiek, geen ondergeschiktheid aan sociale of andere normen, maar een onbevangen interpretatie, die haar criteria niet aan een persoonlijk beleden normatief stelsel ontleent, maar aan het karakter van het behandelde werk. De fouten, die Vestdijk een schrijver verwijt zijn dus nooit afwijkingen van zijn eigen, overigens zeer ondogmatische overtuiging, maar berusten altijd op het inzicht, dat een besproken schrijver zijn eigen wezen verloochent of mogelijkheden, wier actualisering voor de volledige ontplooiing van dat wezen van dwingend belang moeten zijn, te kort doet of verzaakt. Nergens misschien vindt men van deze methode een
| | | |
sprekender bewijs dan in de meesterlijke bladzijden over de ‘Duineser Elegien’ van Rilke.
De door Vestdijk gevolgde critische methode loopt geheel parallel met den weg dien hij inslaat als scheppend artist, en vloeit voort uit wat ik zijn universeel kunstenaarschap heb genoemd. Zijn antidogmatische onbevangenheid stelt hem in staat, zowel creatief als critisch, zich geheel onbevooroordeeld te verdiepen in wezens van de meest uiteenlopende natuur, onverschillig of het een despotisch burgerman geldt, de buddhistische filosofie, een occultistisch charlatan of een stuk in ontbinding verkerende cultuur. Tussen zijn scheppend en critisch werk bestaat dan ook in wezen slechts dit verschil - een verschil, dat door het karakter der beide functies als vanzelf wordt bepaald - dat de criticus alles zo volledig mogelijk begrijpen wil, terwijl de kunstenaar zijn gegevens zo plastisch mogelijk verbeeldt; en hoewel dit verschil uiteraard niet slechts een verschil is van doel, maar ook van den weg waarlangs dit doel wordt bereikt, toch kan men ook van den criticus Vestdijk zeggen, dat hij al zijn gaven, een lenige filosofische scholing, een ongemeen speculatief vernuft, een eruditie en cultuur, die in ons land niet minder zeldzaam zijn dan zijn psychologische intelligentie en zijn liefde voor de kunst in dienst heeft gesteld van een zeer veel omvattend en bijna alles doordringend begrijpen van litteratuur.
|
|
|