'Nederlandsche sprookjes in de negentiende en twintigste eeuw. Verteld, verzameld, gedrukt'


auteur: Theo Meder


bron: Theo Meder, ‘Nederlandse sprookjes in de negentiende en twintigste eeuw. Verteld, verzameld, gedrukt.’ In: Berry Dongelmans, Netty van Rotterdam, Jeroen Salman en Janneke van der Veer, Tot volle waschdom. Bijdragen aan de geschiedenis van de kinder- en jeugdliteratuur. Biblion Uitgeverij, Den Haag 2000, p. 31-46, 283-284  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 30]



illustratie

Anansi de spin. Illustratie van Noni Lichtveld uit: Johan Ferrier, Het grote Anansiboek. 's-Hertogenbosch [enz.] [1986].


[p. 31]

Nederlandse sprookjes in de negentiende en twintigste eeuw
Verteld, verzameld, gedrukt

Theo Meder +

Wie door het Sprookjesbos van de Efteling loopt met Nederlandse kinderen van pakweg zeven à acht jaar oud, die heeft als het goed is weinig uit te leggen. De kernmomenten uit het sprookjesbestaan van Roodkapje, Sneeuwwitje, Doornroosje, de wolf en de zeven geitjes en Hans en Grietje die we daar uitgebeeld zien, dienen door Nederlandse kinderen van die leeftijd (en door alle ouderen) feilloos herkend te worden. Want sprookjes behoren - of we willen of niet - tot ons culturele erfgoed: jong en oud kent ze voor het leven. Op deze uitspraak valt natuurlijk wel wat af te dingen. Immers, hoeveel sprookjes kennen we eigenlijk? En kennen bijvoorbeeld de inwoners van Nederland met een (recente) allochtone voorgeschiedenis de sprookjes ook?

Om met de laatste vraag te beginnen: eind 1998 heeft een team van taalkundigen en volkskundigen een enquête gehouden in de Utrechtse multiculturele wijken Lombok en Transvaal. De enquête behelsde een taal- en cultuurpeiling en is gehouden als een aselecte steekproef onder 10% van de 3000 huishoudens in Lombok en Transvaal. [1] Die 300 huishoudens hebben we niet alleen gevraagd naar de talen die er thuis gesproken en gelezen worden, maar ook naar de kennis van bepaalde culturele fenomenen. En zo hebben we ook gevraagd naar de bekendheid met een aantal verhaalfiguren, namelijk Aicha-Kandisha (een Marokkaanse heksenfiguur), Anansi (de spin), Klein Duimpje, Nasreddin Hodja (een Turkse geestelijke met Uilenspiegel-achtige trekjes) en Hans en Grietje. Over de taalen cultuurpeiling is een aparte publicatie in voorbereiding, maar een van de uitkomsten is, dat onder autochtonen Hans en Grietje en Klein Duimpje overbekend zijn: respectievelijk 99 en 100% van de autochtonen kent ze. En onder de allochtonen valt het ook niet tegen: respectievelijk 74 en 72% kent deze sprookjesfiguren. De jonge allochtonen scoren nog beter. In de leeftijdscategorie van acht tot en met twintig jaar kent zelfs 95% van hen Klein Duimpje en Hans en Grietje. Hier laat de invloed van de school zich voelen, want van hun ouders hebben de kinderen deze sprookjes doorgaans niet gehoord, de ouders van Surinaamse herkomst uitgezonderd. Als culturele

[p. 32]

fenomenen zijn sprookjes als die van Hans en Grietje en Klein Duimpje qua bekendheid van dezelfde orde als Sinterklaas en kerst, zowel onder autochtonen als onder allochtonen.

Volksverhalen en sprookjes

Sprookjes worden in deze bijdrage met nadruk bezien vanuit een bepaalde discipline. Dat is in dit geval niet de letterkunde of de boekwetenschap, maar de volkskunde of etnologie. Het vak volkskunde houdt zich - globaal gesproken - bezig met de bestudering van de cultuur van het dagelijkse leven. Tot de canon van de volkskunde worden onder meer gerekend: feesten en rituelen, materiële cultuur, volksreligiositeit, volksverhalen en volksliedjes. Sprookjes maken uiteraard deel uit van het volksverhaalonderzoek, en vanuit deze invalshoek is deze bijdrage totstandgekomen. Andere soorten volksverhalen zijn onder meer de fabel, de sage, de legende, de mop, het raadsel, het broodje aap-verhaal, de familiegeschiedenis en de persoonlijke vertelling. Wat al deze genres met elkaar gemeen hebben, is dat zij op enig moment (ten minste ook) een mondelinge overlevering gekend hebben. En alhoewel de mondelinge overlevering een centraal criterium vormt binnen het volksverhaalonderzoek, heeft recent onderzoek aangetoond dat ook de mondelinge overlevering het vaak niet kan stellen zonder de schriftelijke overlevering. In heden en verleden blijken mondelinge en schriftelijke overlevering in een voortdurende wisselwerking met elkaar te staan, en voedt het ene circuit het andere. Mondelinge volksverhalen zijn bijvoorbeeld in volksboekjes, almanakken, kluchtboeken, sprookjesbundels en ‘hoge’ literatuur terechtgekomen, en op zijn beurt heeft dit schriftelijke materiaal weer mondelinge vertellingen voortgebracht. [2]

Als we het genre van het sprookje nader bezien, dan tekent zich een vertelling af die zich in veel gevallen afspeelt tussen ‘er was eens...’ en ‘ze leefden nog lang en gelukkig’. De openingsformule is heel toepasselijk, want een van de belangrijke kenmerken van een sprookje - in tegenstelling tot de sage - is dat de gebeurtenissen zich doorgaans afspelen in een onbestemd (vaak feodaal) verleden op een onbepaalde plaats. De openingsformule kondigt ook fictie aan, en nodigt het gehoor uit om zich bewust te laten meevoeren in een fantasiewereld. De hoofdrolspelers in de sprookjes zijn geen historische personages, maar fictieve personen die slechts bij uitzondering een gefixeerde naam meekrijgen (zoals Doornroosje,

[p. 33]

Sneeuwwitje, Klein Duimpje, Hans en Grietje, Roodkapje, Assepoester). Niet zelden behandelen sprookjes een conflict of een opdracht, waardoor een reeks van avonturen vol hindernissen moet worden beleefd, die de held of heldin tot een goed einde moet zien te brengen. De uitgangspositie van de held(in) is vaak niet florissant: de jongeling wordt te dom geacht, wordt miskend, achtergesteld of zelfs bedreigd. Uiteraard is hierdoor de triomf aan het slot des te groter. De formule waarmee het sprookje afsluit, is naar de geest al even typerend: ‘En ze leefden nog lang en gelukkig’. De afloop van een sprookje is in de regel optimistisch: de heldin trouwt met de prins, de held heeft de draak verslagen, de arme man kan de rest van zijn bestaan in weelde leven, of de onaanzienlijke maakt een grote sociale promotie. Kenmerkend voor veel sprookjes is voorts dat de helden tijdens hun avonturen geconfronteerd worden met bovennatuurlijke tegenstanders (tovenaars, reuzen, duivels, draken, heksen en dergelijke) en allerhande vormen van toverij. Doorgaans worden deze confrontaties als volkomen vanzelfsprekend afgeschilderd: in deze sprookjes kan het aardse naadloos overgaan in het bovennatuurlijke. Even gewoon is het dat de helden erin slagen om tovervoorwerpen te bemachtigen, of de hulp van dierhelpers te verkrijgen. Bij het verslaan van de tegenstanders zijn verregaande vormen van list en geweld geoorloofd. De held of heldin is meestal een adolescent die zich uiteindelijk een plaats in de wereld verovert. Een laatste kenmerk van het sprookje is de veelvuldig voorkomende ‘drieslag’: een herhaling in drieën die oploopt tot een climax (bijvoorbeeld drie beproevingen). [3]

De meeste kenmerken die zojuist zijn besproken, gelden eigenlijk vooral voor het zogenoemde wondersprookje, een van de meest favoriete sprookjessoorten. Maar binnen het genre van de sprookjes bestaan meer subgenres. [4] In de eerste plaats is daar het diersprookje, waartoe ook de fabel behoort. Daarnaast onderscheiden we grofweg nog het eigenlijke sprookje en het grappige sprookje, welke laatste in het Duits adequaat omschreven wordt als Schwankmärchen. Het eigenlijke sprookje valt weer uiteen in het wondersprookje, het legendesprookje, het novellesprookje en het domme duivel-sprookje. Zoals gezegd is van dit viertal het wondersprookje tot op heden nog het meest populair. Hier komen we de haast overbekende verhalen tegen: Zwaan kleef aan, Hans en Grietje, Klein Duimpje, De kikkerkoning, De gelaarsde kat, Aladdin, De prinses op de erwt, Ali Baba en de veertig rovers, Tafeltje dek je en dergelijke. Kenmerkend voor

[p. 34]

het legendesprookje is dat de held op zeker moment een ontmoeting heeft met een bijbels personage (Jezus, Petrus, een engel, de duivel), en dat de vertelling een stichtelijke strekking heeft. Het novellesprookje is vooral een spannend avonturenverhaal, en onderscheidt zich van het wondersprookje door het ontbreken van magische of bovennatuurlijke elementen. De thematiek van het domme duivelsprookje is de confrontatie van de held met een niet al te snuggere duivel of mensenetende reus, waarbij laatstgenoemde telkens ten prooi valt aan de listen van de held.

Sprookjes een kindergenre?

Met deze constateringen keren we terug naar de vraag of het thans bekende sprookjescorpus wel een realistische afspiegeling is van het historische sprookjesarsenaal. Een tweede vraag is of sprookjes wel een kindergenre vormen.

Om met het laatste te beginnen: sprookjes worden vandaag de dag bovenal aan kinderen verteld, en naar een sprookjespark gaat men bij voorkeur met kinderen. De speelfilms van Walt Disney die op sprookjes zijn gebaseerd - Sneeuwwitje, Doornroosje, Belle en het Beest, Aladdin, De Kleine Zeemeermin - richten zich primair op een kinderpubliek. De sprookjesboeken in de (boek)handel zijn voornamelijk kinderboeken [5], en audiocassettes, cd's, videobanden en cd-roms met sprookjes zijn ook al voor kinderen bedoeld.

Voor volwassenen verschijnt er niet zo heel veel. De recente serie ‘Sprookjes uit de Wereldliteratuur’ van uitgeverij Elmar en de nieuwe Duizend-en-één-nacht-editie van Uitgeverij Bulaaq bedienen een volwassen publiek. Ook de reeks ‘Sprookjes van de Lage Landen’ van Eelke de Jong en Hans Sleutelaar uit de jaren zeventig lijken meer voor volwassenen bedoeld te zijn. [6] Voor een volwassen Fries lezerspubliek zijn de zeven kloeke delen met ‘Fryske folksforhalen’ van verzamelaar Ype Poortinga uit de jaren zeventig en tachtig. [7] In het verleden zijn bundels met verzamelde volksverhalen wel legitimaties geweest voor de eigenheid van een bepaalde taal en cultuur, en de reeks van Poortinga is hier een late exponent van: de boeken tonen ruimschoots aan dat de Friezen over een eigen taal en vertelcultuur beschikken. [8] Deze reeks volksverhalen heeft met zijn typenregister en commentaar bovendien ook wetenschappelijke pretenties. Tot slot is daar nog de veertiendelige reeks ‘Onze Volksverhalen’, die in de jaren zeventig en tachtig onder redactie van Tjaard W.R. de Haan is uitgegeven bij uitgeverij Het Spectrum. [9] Ook deze reeks, globaal

[p. 35]

opgedeeld in provincies, heeft met zijn commentaar en bronvermeldingen wetenschappelijke pretenties. Daarmee houdt het voor volwassenen wel op. De markt voor sprookjesboeken voor kinderen is vele malen groter.

Feit is dat sprookjes in het verleden niet bij uitstek een kindergenre hebben gevormd. [10] Het mondelinge volksverhaal, en ook het sprookje, was eeuwenlang het boek van de arme man en vrouw. De plot van sommige Middelnederlandse (ridder)romans en toneelstukken voor een volwassen publiek blijkt op internationale sprookjesstof gebouwd. [11] Volksboekjes die wij thans tot de sprookjesstof rekenen, hebben eeuwenlang hun weg gevonden naar een goeddeels volwassen lezerspubliek. [12] Het leugensprookje over luilekkerland (of Cocagne) kennen we in de Nederlanden vanaf circa 1500 en behoorde destijds tot het volwassen feestrepertoire. Was het aanvankelijk de dagdroom van de gewone mens over een overvloed aan voedsel en drank, later wordt de vertelling ingezet in een moreel offensief tegen luiheid en potverteren. Gaandeweg ontdoet het sprookje van luilekkerland zich weer van deze didactiek en doet het aardse paradijs van ongelimiteerde snoeperij en kindervermaak zijn intrede. Langzaam maar zeker zakt de thematiek dan af tot de kinderkamer. Er treedt daarbij een proces van Verharmlosung op; niet alleen de didactische angel van de noodzaak van deugd en nijverheid verdwijnt uit het verhaal, maar ook de grovere verhaalelementen worden weggewerkt. [13]

Ook de gebroeders Grimm, de pioniers in het wetenschappelijke sprookjesonderzoek, hadden met hun verzamelde sprookjes niet uitsluitend een kinderpubliek op het oog, getuige de titel Kinder- und Hausmärchen. Uitgeverij Lemniscaat gaf ze eind jaren zeventig weer uit onder de titel Sprookjes voor kind en gezin. [14] Het betrof een uitstekende, letterlijke vertaling van alle oorspronkelijke Grimmsprookjes, maar bleek geen groot succes: de teksten werden door kinderen als te moeilijk ervaren. [15] In veel sprookjesboeken met mooie plaatjes en grote letters worden de Grimm-sprookjes in vereenvoudigde vorm naverteld en uitgegeven. De taal in deze uitgaven is wat simpeler, en bepaalde gruwelijke elementen zoals die bij de Grimms voorkomen, worden regelmatig weggewerkt. Zo wordt de wens tot kannibalisme van Sneeuwwitjes stiefmoeder vaak verzwegen: als bewijs voor de moord op Sneeuwwitje eist ze in de Grimm-versie haar longen en lever op. Uiteindelijk eet zij de lever en de longen op van een jong wild zwijn, dat in Sneeuwwitjes plaats is

[p. 36]

geslacht. Evenmin wordt tegenwoordig nog vaak vermeld dat er op de bruiloft van Sneeuwwitje voor haar stiefmoeder ijzeren pantoffels op het vuur staan. De stiefmoeder krijgt de roodgloeiende schoenen aangetrokken en danst tot ze er dood bij neervalt. Op de regel van de Verharmlosung en ‘verkinderlijking’ van sprookjes bestaan natuurlijk ook uitzonderingen. Om bij Sneeuwwitje te blijven: in de toneelversie die Jules Deelder in 1996 maakte voor het Rotterdamse Jeugdtheater Hofplein wordt het gruwelelement van het kannibalisme juist weer expliciet vertoond. En ook in het meermaals bekroonde kinderboek Zwart als inkt uit 1997 introduceert Wim Hofman weer verschillende gruwelijkheden. [16]

Een ander proces dat we zien optreden, is canonvorming. Uit het enorme reservoir aan sprookjes is slechts een selectie populair gebleven. Tot de ‘evergreens’ behoort onder andere een aantal zogenoemde ‘kindersprookjes’. Dat zijn sprookjes die niet alleen bestemd waren voor kinderen, maar waarin ook kinderen de hoofdrol spelen, zoals Roodkapje, Hans en Grietje, en Klein Duimpje. Maar ook van andere sprookjes ligt de populariteit min of meer vast. Een enquête onder Duitse jongeren uit 1995 levert de volgende toptien op van de thans bekendste sprookjes in Duitsland: [17]

 

1.Sneeuwwitje
2.Hans en Grietje
3.Assepoester
4.Roodkapje
5.Doornroosje
6.De kikkerkoning
7.Het dappere kleermakertje
8.Vrouw Holle
9.Rapunzel
10.De wolf en de zeven geitjes

 

De meest geliefde sprookjes kunnen in een topdrie uitgesplitst worden naar geslacht:

Meisjes Jongens
1. Assepoester 1. Hans en Grietje
2. Doornroosje 2. Het dappere kleermakertje
3. Sneeuwwitje 3. De gelaarsde kat

[p. 37]

Opvallend is dat de meisjes toch de neiging hebben om te kiezen voor sprookjes met een vrouwelijke hoofdrolspeler, die in betrekkelijke passiviteit wacht tot haar prins haar komt halen. De voorkeur van de jongens lijkt meer uit te gaan naar sprookjes met actieve helden. Op een Nederlandse internetsite [18] kan men stemmen op sprookjes en dat levert de volgende toptien op, gesorteerd op waardering en gesorteerd op aantal stemmen:

Waardering (Cijfer) Aantal stemmen
1. Doornroosje (7,81) 1. Assepoester (82)
2. Sneeuwwitje (7,72) 2. Doornroosje (77)
3. Het lelijke eendje (7,66) 3. Hans en Grietje (77)
4. Vrouw Holle (7,63) 4. Roodkapje (77)
5. Assepoester (7,59) 5. De gelaarsde kat (75)
6. De kleine zeemeermin (7,53) 6. Sneeuwwitje (74)
7. Klein Duimpje (7,42) 7. De kleine zeemeermin (72)
8. Hans en Grietje (7,36) 8. Klein Duimpje (72)
9. Roodkapje (7,25) 9. De prinses op de erwt (71)
10. Tafeltje dek je (7,15) 10. Het lelijke eendje (70)

De waarde van deze cijfers is natuurlijk betrekkelijk. Ten eerste is de lijst met sprookjes waaruit men kan kiezen niet buitengewoon groot. Ten tweede hebben nog niet zo heel veel mensen hun stem uitgebracht. En ten derde zullen de personen die op dergelijke internetsites inloggen waarschijnlijk geen representatieve doorsnee van de Nederlandse bevolking vormen.

Het onderzoeksbureau Inter/View heeft begin juni 1999 een 750-tal Nederlanders ondervraagd over hun sprookjesbeleving. [19]

 

Aantal sprookjesboeken in Nederlandse huishoudens

een 16,4%
meer dan een 45,4%
geen 38,3%

Favoriete sprookjes van Nederlanders

1. Sneeuwwitje 51,6%
2. Assepoester 38,7%
3. Roodkapje 34,1%
4. Doornroosje 27,8%
5. Hans en Grietje 22,4%

[p. 38]

Is het belangrijk dat sprookjes van generatie op generatie worden overgedragen?

heel erg belangrijk 23,2%
belangrijk 55,2%
onbelangrijk 14,3%
heel erg onbelangrijk 1,9%
niet belangrijk / niet onbelangrijk 3,5%
weet niet 1,9%

Uit deze tabellen blijkt derhalve dat een merendeel van de Nederlanders een of meerdere sprookjesboeken in huis heeft, en dat een ruime meerderheid van de Nederlanders hecht aan het doorgeven van dit culturele erfgoed van generatie op generatie.

Wat verder opvalt, is dat in al deze lijstjes regelmatig dezelfde titels opduiken. Deze sprookjes behoren duidelijk tot de canon, en de meeste ervan vinden we dan ook uitgebeeld in het Sprookjesbos van de Efteling. Maar wie vertelt nu nog het sprookje van die Langnek, die geruime tijd de blikvanger van de Efteling is geweest? In de internationale volksverhalencatalogus van Antti Aarne en Stith Thompson, The types of the folktale, staat dit sprookjestype geregistreerd als AT 513, The extraordinary companions. [20] In het sprookjeslexicon Van Aladdin tot Zwaan Kleef Aan wordt het sprookje behandeld in het lemma De zes wonderbaarlijke helpers. [21] In dit wondersprookje weet een eenvoudige held onmogelijke opdrachten van een koning te volbrengen dankzij helpers met wonderbaarlijke eigenschappen, zoals hard kunnen lopen, ver kunnen kijken, hard kunnen blazen, scherp kunnen schieten en bestand zijn tegen vuur. De held wint hiermee een fortuin en/of de hand van de prinses. Het sprookje geniet tegenwoordig nauwelijks nog bekendheid, en het is waarschijnlijk niet voor niets dat dit sprookje bij de Langnek in de Efteling op een bandje eindeloos wordt naverteld. Dit is niet het enige sprookje dat in vergetelheid dreigt te raken. In het genoemde sprookjeslexicon worden er wel meer behandeld: wie kent nog de sprookjes van De appelvangproef, De dans in de doornstruik, Dokter Weet-Al, Falada, Houten Peter, Koning Lijsterbaard, Lange winter, De magische vlucht, De meesterdief, De oude Hildebrand, Het schip van Sinternuit, De stenen gast en De zingende doodsbeentjes? In het hoofdstuk ‘Marten op zijn praatstoel’ in Afke's tiental van Nienke van Hichtum vertelt vader 's avonds aan zijn kinderen de spannend-grappige verhalen over de Friese rover Japik Ingberts. [22] Het is een traditio-

[p. 39]

neel tafereel, en in de twintigste eeuw zijn nog vele tientallen verhalen over Japik Ingberts uit de mondelinge overlevering opgetekend [23] - maar toen werden de meeste eigenlijk al niet meer actief verteld, alleen op verzoek van de verzamelaar. Talloze legendesprookjes, novellesprookjes, domme duivelsprookjes en grappige sprookjes zijn uit de mondelinge overlevering (nagenoeg) verdwenen. Veel grappige sprookjes waren helemaal niet voor kinderoren bedoeld, bijvoorbeeld vanwege hun obscene explicietheid. Wat in de bloeiende mondelinge en schriftelijke overlevering is overgebleven is een populaire selectie van vooral wondersprookjes, die hun bekendheid goeddeels ontlenen aan de (vele bewerkingen van de) sprookjesboeken van Charles Perrault, Jacob en Wilhelm Grimm en Hans Christian Andersen.

Vertellen vroeger en nu

In 1995 is er door het Meertens Instituut een volkskundevragenlijst verzonden aan zijn correspondenten in Nederland en Vlaanderen over verhalen en vertelcultuur. In deze enquête zijn enkele vragen opgenomen over het vertellen van verhalen aan kinderen, nu en vroeger. [24] Aangezien het in alle gevallen om open vragen ging, hebben de correspondenten hun antwoorden regelmatig van commentaar voorzien. Zo waren er correspondenten die stellig beweerden dat er tegenwoordig minder verhalen verteld worden aan kinderen: daarvoor hebben ouders het nu véél te druk. Andere correspondenten beweerden dit met evenveel stelligheid voor vroeger: verhaaltjes vertellen? Daar hadden ouders vroeger helemaal geen tijd voor! Die hadden het veel te druk met de kost te verdienen. Als we echter de statistieken laten spreken, dan blijkt dat het tegenwoordig wel degelijk gebruikelijker is om verhalen aan kinderen te vertellen. Op de vraag ‘Werden er aan u als kind vroeger verhalen verteld?’ antwoordde 30% ontkennend. [25] Voor de situatie vandaag de dag meldt slechts 9,5% van de correspondenten dat er geen verhalen aan kinderen worden verteld.

Het meest geëigende moment om tegenwoordig verhalen aan kinderen te vertellen blijkt te zijn 's avonds bij het naar bed gaan. Ruim driekwart van de correspondenten geeft dit als hét moment van de dag op. Verder meldt meer dan 80% van de correspondenten dat hetzelfde verhaal, hetzij soms, hetzij vaak, bij herhaling verteld wordt aan kinderen, vooral waar het de wat jongere kinderen betreft.

Een ander opvallend resultaat van de enquête is, dat er tegenwoordig vaker verhaaltjes uit boeken worden voorgelezen, terwijl er

[p. 40]

vroeger meer uit het hoofd werd verteld; het verhaal kwam toen veel vaker uit het geheugen van de verteller. Het betreft dan in veel gevallen sprookjes, sagen en waargebeurde geschiedenissen. Als er vroeger al uit boeken werd voorgelezen, dan waren dat onder andere Inde Soete Suikerbol van W.G. van de Hulst, Bulletje en Bonestaak van A.M. de Jong, de sprookjes van de gebroeders Grimm en van Hans Christian Andersen, de boeken van Jules Verne, Robinson Crusoe van Daniel Defoe, Piggelmee en het Tovervisje, Kazan de Wolfshond van J.O. Curwood en de boekjes over de kabouters Sim en Sam van J. Donkers. Het voorleesrepertoire van nu is duidelijk anders, zij het dat ook nu nog sprookjes van Grimm, Andersen en Perrault worden voorgelezen, alsmede de fabels van La Fontaine. Nu wordt er verder onder meer voorgelezen uit Nijntje van Dick Bruna, Pinkeltje van Dick Laan, Puk en Muk van Jos Haens, Madelief van Guus Kuijer en bovenal uit Pluk van de Petteflet, Otje en Jip en Janneke van Annie M.G. Schmidt. Maar ook de wereld van de strip (en die van de animatie) laten zich niet onbetuigd. Er wordt namelijk evengoed voorgelezen over Yogi Beer, Donald Duck, de Flintstones en Suske en Wiske. Zowel vroeger als nu is er ook uit de bijbel of de kinderbijbel voorgelezen.

Voor het feit dat er vroeger meer uit het geheugen werd verteld en thans meer voorgelezen wordt uit boeken, laat zich een aantal verklaringen bedenken. De meest voor de hand liggende verklaring is van economische aard: het mondelinge verhaal was vroeger het ‘boek van de arme man en vrouw’. Een mondelinge vertelling kost niets, en speciale kinderboeken waren vroeger niet voor iedereen betaalbaar. Met de toegenomen welvaart wordt het voor steeds meer mensen mogelijk om kinderboeken te kopen. Dan is er een meer maatschappelijk en educatief argument denkbaar. Gaandeweg neemt het belang van scholing toe en zien we onze samenleving allengs intenser alfabetiseren en verschriftelijken: boeken worden voor steeds meer mensen steeds belangrijker als dragers van informatie en amusement. Een volgende verklaring zou artistiek genoemd kunnen worden: lang niet iedereen is een geboren verteller. Zodra betaalbaar, kan een boek een gebrek aan creativiteit en vertelkunst compenseren. Immers, zoals (bijvoorbeeld) Annie M.G. Schmidt het op papier kan vertellen, zo verzin je het doorgaans als gewone verteller zelf niet. Tot slot zou er nog een ‘moreel’ argument gegeven kunnen worden: kinderboeken zijn veelal qua mentaliteit meer op het huidige tijdsgewricht toegesneden - ze gaan (om zo te zeggen) meer met hun tijd mee dan traditionele vertellingen als sprookjes en sagen. [26]

[p. 41]

Het ter plekke verzinnen van verhaaltjes door vertellers blijkt vroeger even vaak te zijn gebeurd als tegenwoordig: 11,5% van de vertellers deed of doet dat. Dit talent wordt soms van generatie op generatie doorgegeven. De correspondent die aan zijn kinderen zelfverzonnen verhaaltjes over het stoute jongetje Ukkie heeft verteld, heeft vroeger zelf als kind soortgelijke verhalen over Ukkie van zijn vader te horen gekregen. Andere zelfverzonnen verhalen werden verteld over de spin Simon, over Piet Konijn, over Bruintje Beer, over de kindertjes Lineke en Mineke of over een verdwaald jongetje. Voor het verleden wordt melding gemaakt van verzonnen verhalen over Jan Klaassen, Klein Duimpje, Tijl Uilenspiegel, en vertellingen over een IJzeren Olifant, over een kabouter of een krokodillenkind. Over de meeste figuren werden vervolgverhalen verzonnen, zodat er cycli ontstonden.

Zoals gezegd werd er vroeger vaker uit het geheugen verteld, en het betrof dan onder meer waargebeurde geschiedenissen en sagen. De ware verhalen behelsden belevenissen uit de jeugd van ‘ouders of grootouders vroeger’. Die verhalen gingen dan over de leef- en werkomstandigheden van vroeger, over beroepen als timmerman en boer, over barre winters, over de kermis in het dorp, of over de Eerste of Tweede Wereldoorlog. Een correspondente die de volkskundevragenlijst invulde, herinnert zich: ‘Mijn vader vertelde verhalen over kwajongensstreken. IJssie piepen, ijssie brouwen (het ijs kapot maken). Jongens die bijna verdronken of een boerderij in brand staken, over het meerijden achter op een sleperswagen.’

Ook sagen werden vroeger beduidend meer verteld dan tegenwoordig. Respondenten op de vragenlijst maken melding van verhalen over kabouters en aardmannetjes, weerwolven, helmdragers, [27] heksen, putmannetjes, [28] ‘korenmenke’ [29] en andere vormen van kinderschrik, spoken, tovenaars, het boze oog, ‘Krulstaart’ [30] en ‘Geelleey’ (de huilende wind in de schoorsteen). Iemand noemt verhalen ‘over evertaskes [31] en over adders die niet eerder doodgingen voor het ondergaan van de zon, enzovoort, maar ook over weerwikkers.’ [32] Weer anderen noemen sagen over sterke mannen, over gevechten van volkshelden, over de paardenhemel, over de zondagsjager, [33] over de snoek van het Schildmeer, [34] over zigeuners, en over de rondtrekkende scharenslijpers uit Kaatsheuvel. Historische sagen of pseudo-historische sagen worden genoemd zoals de verhalen over de Bokkerijders, [35] over Genoveva van Brabant, [36] over Huttenklaas [37] en over Ellert en Brammert. [38] Eén respondent

[p. 42]

meldt dat zulke sagen afkomstig konden zijn uit de Almanak. Een correspondente die van haar oma verhalen over de ‘Boes Jeude’ (de kinderschrik) hoorde, tekent aan: ‘Als ik als klein kind (meestal in [het] donker) ergens heen wilde en het beviel haar niet, zei ze: “Denk erom: boes jeude lopt er ook en dei ken die wel pakkum”.’ Dat er allengs minder sagen worden verteld, zal ten dele samenhangen met het verminderde geloof in de traditionele bovennatuurlijke wezens en verschijnselen. [39]

Het vertellen van sprookjes vroeger en nu is redelijk stabiel gebleven (36% sprookjes vroeger tegen 40% sprookjes nu), al zal vroeger vaker uit het geheugen en tegenwoordig vaker uit een boek zijn verteld. De canon van favoriete sprookjes lijkt ook nagenoeg ongewijzigd gebleven. Zowel vroeger als nu blijken Roodkapje, Hans en Grietje, De wolf en de zeven geitjes, Sneeuwwitje, De gelaarsde kat, Assepoester, Doornroosje, Klein Duimpje, Ali Baba en de veertig rovers en De rode dansschoentjes populair. Aan deze opsomming wordt voor vroeger nog toegevoegd: Tijl Uilenspiegel, De rattenvanger van Hamelen, Luilekkerland, en De Bremer stadsmuzikanten. Voor het heden wordt Klaas Vaak nog genoemd. Het blijkt verder dat sprookjes althans vroeger wat vaker door vrouwen werden verteld, terwijl mannen vaker sagen vertelden.

Het verzamelen van sprookjes

Ondanks dat het voorheen primair een mondeling genre is geweest, is het sprookje in de loop der geschiedenis in letterkundig werk verschenen, en in volksboekjes en op liedbladen. Ook al vóór de gebroeders Grimm zijn sprookjesverzamelingen in druk verschenen, waarvan de zeventiende-eeuwse Pentamerone van Giambattista Basile en de achttiende-eeuwse Sprookjes van Moeder de Gans van Charles Perrault wel de beroemdste zijn. Het wetenschappelijke sprookjesonderzoek is evenwel begonnen met Jacob en Wilhelms tweedelige Kinder- und Hausmärchen uit 1812 en 1815. Sprookjes werden door de Grimms beschouwd als producten van de collectieve volksziel, als overblijfselen van een eeuwenoude volkscultuur, waarin restanten van de heidens-Germaanse cultuur bewaard zijn gebleven. Tevens verschaften hun sprookjes het staatkundig versnipperde Duitsland een zeker besef van nationale eenheid.

Het is een - niet in de laatste plaats door de Grimms zelf gecreëerd-misverstand dat de gebroeders regelmatig door het land trokken om volksverhalen bij de eenvoudige lieden uit de mond op te tekenen.

[p. 43]

Het merendeel van hun verhalen kregen zij op papier, per brief, toegestuurd door personen uit het burgermilieu. De meeste van hun informanten hadden een goede opleiding genoten, en velen hadden een Frans-hugenootse achtergrond, wat aan de sprookjes nog te merken was. Als de Grimms al in contact kwamen met vertellers (zoals Dorothea Viehmann) dan werden deze vaker aan huis ontboden, dan dat zij ze zelf opzochten. Bovendien raadpleegden de Grimms de historische letterkunde, waaruit zij bruikbaar materiaal overnamen. [40] Van meerdere versies van een sprookje werd soms één nieuwe gecomponeerd. Voorts werden de verhalen door hen nog eens op een bijzondere manier literair bewerkt en gestileerd. [41]

Het verzamelen van volksverhalen in de Nederlanden geschiedt in eerste instantie ook door een Duitser, te weten Johann Wilhelm Wolf, die in 1843 zijn Niederländische Sagen publiceerde. Vervolgens wordt er vooral verzameld in die gewesten, waar de verlangens het sterkst waren naar de erkenning van een eigen taal, cultuur en identiteit, en waar men de hete adem van dominantere culturen in de nek voelde: Vlaanderen, Limburg en Friesland. De eerste die het verzamelen van volksverhalen niet regionaal maar nationaal aanpakte, was de neerlandicus G.J. Boekenoogen, die in 1892 en 1893 oproepen in kranten en tijdschriften plaatste om hem volksverhalen en kinderrijmen toe te zenden. In de navolgende jaren kreeg hij veel volksverhalen, waaronder ook sprookjes, vanuit heel Nederland toegezonden, die hij voor een deel in bewerkte vorm publiceerde in het tijdschrift Volkskunde. De grootste hoeveelheid volksverhalen, volksliedjes, kinderspelen, dialect en dergelijke kreeg hij toegezonden door Cornelis Bakker (1863-1933), arts te Broek in Waterland. Deze Bakker was in feite onze eerste echte veldwerker, want hij tekende daadwerkelijk sprookjes, sagen en grappige vertellingen op uit de mond van zijn patiënten, meestal boeren, knechten en vissers. Dergelijke veldwerkers zijn schaars in de geschiedenis van de Nederlandse volkskunde. De meest succesvolle naoorlogse volksverhaalverzamelaars zijn beiden Friezen. Dam Jaarsma heeft in de jaren zestig en zeventig, in opdracht van wat nu het Meertens Instituut is, niet minder dan 15.000 volksverhalen verzameld in de Friese Wouden. Ype Poortinga, verbonden aan de Fryske Akademy, verzamelde en publiceerde in de jaren zeventig en tachtig eveneens duizenden Friese volksverhalen. Daarmee zijn we nu wel op zevenmijlslaarzen door de Nederlandse verzamelpraktijk heengelopen. [42]

Van al die uit de volksoverlevering opgetekende volksverhalen,

[p. 44]



illustratie

Cornelis Bakker (1863-1933), arts te Broek in Waterland (N.-H.) in de periode 1890-1919, tevens verzamelaar van volksverhalen. De foto is afkomstig uit het familiearchief van Chr.L. Rümke te Amstelveen, en stamt uit ca. 1930.


waaronder talloze sprookjes, is nagenoeg niets doorgedrongen tot de kinderlectuur. Al dit materiaal is voor wetenschappelijke doeleinden gearchiveerd, en deels gepubliceerd in wetenschappelijke edities, volkskundige tijdschriften en verhalenbundels voor volwassenen. In het circuit van de verhalenbundels voor volwassenen is het ‘grote overschrijven’ overigens al lange tijd gebruikelijk. Wat Bakker bijvoorbeeld uit de volksmond heeft opgetekend, is vervolgens bewerkt gepubliceerd door Boekenoogen, en weer eens bewerkt uitgegeven door Sinninghe en daarna nog weer eens overgeschreven door De Jong en Sleutelaar. Door dit ‘grote overschrijven’ worden op schrift soms levende tradities gesuggereerd, die in de mondelinge overlevering allang een zachte dood zijn gestorven.

[p. 45]

Maar het sprookje is niet dood. Kinderen horen en lezen nog steeds sprookjes. Soms creëren auteurs nieuwe sprookjes. Maar het merendeel van de sprookjesuitgaven voor kinderen - hetzij in de traditionele papieren media, hetzij in de moderne audiovisuele media - grijpt telkens weer terug op een canon die zijn oorsprong vindt bij Charles Perrault, de gebroeders Grimm en Hans Christian Andersen - welke laatste overigens vooral kunstsprookjes creëerde. We moeten vaststellen dat het wetenschappelijke sprookjesonderzoek en de edities van kindersprookjes vrijwel volkomen gescheiden circuits vormen.

Conclusie

Het wetenschappelijke sprookjesonderzoek is eigenlijk vanaf het begin doortrokken geweest van de ‘vijf-voor-twaalf’-gedachte: als we niet snel gaan verzamelen, dan verdwijnen de sprookjes samen met de laatste vertellers het graf in. Zeker is het sprookjesrepertoire schraler geworden. [43] Aan een gedreven verzamelaar als Bakker hebben we het te danken dat we zeggen en schrijven één Nederlandse versie van het type AT 901, The taming of the shrew, overgeleverd hebben gekregen. [44] Volwassenen vertellen elkaar haast geen sprookjes meer - enkele grappige sprookjes, die bijna moppen zijn, uitgezonderd. De droomboodschap van het sprookje heeft voor volwassenen haar aantrekkingskracht goeddeels verloren, en het sprookje is zijn functie als voertuig voor het maken van een sociaal statement kwijt. Laat ik het zo zeggen: het is tegenwoordig in principe mogelijk dat een gewoon burgermeisje trouwt met een prins. Of zoals Herman Pleij heeft betoogd: het sprookje over luilekkerland verliest veel glans zodra Albert Heijn om de hoek zit. In de wereld van de volwassenen zijn in de mondelinge overlevering andere genres in de plaats gekomen voor het sprookje en de sage. Nu maakt de stadssage (het broodje aap-verhaal) de mens streetwise, en brengen moppen de moderne angsten, frustraties, (voor)oordelen en wensdromen onder woorden. Maar onder andere in de hoek van de New Age lijkt het sprookje onder volwassenen weer wat aan belangstelling te winnen - als (vermeende!) bron van oeroude, esoterische en/of Germaans-mythische kennis. En er zijn meer kringen waarin - in een andere context en met een andere functie - sprookjes weer opgang lijken te maken. [45]

We hebben vastgesteld dat een ingedikte canon van sprookjes er van jongs af aan met de paplepel werd en wordt ingegoten. De weten-

[p. 46]

schappelijke verzamel- en onderzoekspraktijk heeft hier nauwelijks invloed op uitgeoefend. Auteurs en uitgevers, vaders en moeders, juffen en meesters grijpen telkens weer terug op de canon die in de letterkundige wereld is gevestigd door Perrault, de Grimms en Andersen. Vroeger kregen kinderen die canon van sprookjes vaker uit het geheugen verteld, tegenwoordig vaker uit boeken voorgelezen. Een bepaalde groep sprookjes zit hierdoor in ons collectieve geheugen. Deze collectieve kennis maakt het mogelijk voor reclamemakers, cartoonisten en striptekenaars om telkens weer op de bekende thema's en motieven te variëren. En deze kennis maakt parodiëren aantrekkelijk, zoals onder anderen Roald Dahl voor kinderen deed met zijn Gruwelijke rijmen uit 1982, en Wim Meyles voor volwassenen met zijn boek De pitbull en de zeven geitjes uit 1991. [46] Iedereen kent vanaf een zekere leeftijd die canon aan sprookjes - ook de jonge allochtonen. En met de komst van de allochtonen dringen ook nieuwe sprookjes tot onze cultuur door, zoals de verhalen over de spin Anansi. In het multiculturele Lombok kent 23% van de allochtonen de spin Anansi, terwijl zelfs 31% van de autochtonen Anansi kent. Ook voor verhalen geldt - hetzij schriftelijk, hetzij mondeling overgeleverd - een zekere survival of the fittest, maar dat betekent niet dat verhalen voornamelijk bezig zijn met uitsterven: waar oude vormen verdwijnen, komen er ook weer nieuwe voor in de plaats.