|
|
|
| |
| | | |
Grouwelen onzer eeuwe
Jacob Campo Weyerman en de sodomietenvervolgingen van 1730*
Theo van der Meer
‘Dien grouwel, die wy thans beleeven, komt my voor als een zondvloed die ons Land een algemeene verwoesting aankondigt, ten zy wy des Heeren opgeheven hand ontwapenen door demoedige ziels-zuchten, en door een vloed van heete traanen. Die grouwel heeft de onbezonnen jeugd verlokt [...]. Die verleyders onzer rampspoedige jongelingen hebben de dartele uytdrukkingen van een loontrekkendende Kamerhoer in 't werk gestelt, zeggende, of liever lymende, “Kom, myn schoone Bathyllus, nader myn jonge Alexis, vly uw nevens my, myn tedere Ganimedes des dondergods, en laat ons dartelen op den oceaan aller vermaaken. [...] ik heb myn rustbed met een damaste sprey gedekt, myn slaapkamer is met de balsemde van het gelukkig Arabie doortrokken; daar zyn geschenken voor uw vervaardigt, goude en zilvere zakhorologies, in het zonmetaal gevatte paerlemoere snuyfdoozen, keurlyke Milaneesche degens, goudbeurzen bezwangert met wichtige dukaaten, ampten, waardigheden, benevens een oogst van wellustige vermaaken.”
Helaas! op die wyze is de heirbaan na de hel met roozen, en de slaapkamer des doods met edele gesteentens, bestrooit geworden by Sodoms vloekverwanten; op die wyze heeft Gomorra's gespuys de wolfsklemmen en de voetangels met bloemen verduystert, om de jeugd onverhoeds te onderscheppen; en op die wyze hebben die adelyke grouwelpleegers de oogen der jongelingen verbystert, door kostbaare geschenken, en door verlokkende beloften: zy hebben de kuysche vrouwen haare echtgenooten, de kinders hunne ouders, het land hun officiers, de maagden haare minnaars, en de heeren hunne dienstbooden onttrokken, door het betoverent lokaas dier glinsterende kleynoodien, verlokkende ampten, en bedriegelyke gemeenzaamheden. Doch zo dra had die vergulde slang den boezem van de Jeugd niet bekroopen, of den angel des doods kwam te voorschyn; het ongeneeslyk gif doorstraalde de ingewanden dier bedroogenen, en vergiftigde door een Caesar Borgia's fenyn de leevensgeesten dier rampzaligen.
Spiegel uw dan, onbesmette Bataafsche Jeugd, en vlugt dien vuur- en zwavelgrouwel, die doorgaans met dwaasheyt begint, in beroerte opgroeit, en met een onuytwisschelyke schande komt te eyndigen: Een grouwel die den zondaar vervult met een rustelooze vreeze, die hem straft met een eeuwigduurende schande, en die de vrede van zyn ziel verstoort door toomelooze driften, wier schorpioensteeken hem zullen byblyven, tot dat hy zyn adem op een inlandsch strafschavot, of onder een uytheemsche lucht, komt uyt te blaazen.’
Tot zover een schriftlezing uit de opdracht bij het tweede deel van de Godgeleerde, Zeedekundige en Historische Bedenkingen, die Jacob Campo Weyerman publiceerde in september 1730, naar aanleiding van de sodomietenvervolgingen die Nederland in dat jaar troffen. Het eerste deel was in juli van dat jaar verschenen1.
In het navolgende zal ik eerst de gebeurtenissen ophalen die aanleiding waren voor de publikatie van deze teksten. Mijn verhaal gaat over aspecten van de sodomietenver- | | | | volgingen, over aspecten van homoseksueel gedrag en over de betekenis die Weyermans teksten in deze hadden. Vooruitlopend op dat laatste wil ik nu al aangeven dat Weyermans Bedenkingen tot de meest curieuze geschriften behoren die in de achttiende eeuw over homoseksueel gedrag verschenen zijn en dat bepaald niet omdat het om literaire hoogstandjes gaat. Voor een niet onaanzienlijk deel bestaan ze zelfs uit bladvulling. Satire, toch niet de minste van Weyermans talenten, is in deze teksten vrijwel afwezig. Toch hoop ik te laten zien dat de benadering van Weyerman doordrenkt is van volksgeloof omtrent seksueel gedrag in het algemeen en homoseksueel gedrag in het bijzonder. Curieus zijn de Bedenkingen vooral doordat ze een wonderlijke mengelmoes bevatten van elite- en meer volkse opvattingen over sodomie en Weyerman bepaald niet erg consistent is in zijn benadering. De teksten geven enerzijds een traditionele voorstelling van feitelijk homoseksueel gedrag en anderzijds verraden ze ‘moderne’ trekken die bij andere schrijvers pas na 1750 opdoken.
| |
Sodomietenvervolgingen
Op 22 december 1729 veroordeelde het Utrechtse gerecht de koster van de Domtoren, Josua Wilts, tot drie weken water en brood2. De man had over lengte van jaren een reeks van aanvaringen met de rechtbank achter de rug, meest wegens belediging van buren en geweldpleging3 - hij placht zelfs op bezoekers van de toren te schieten als ze te hard op de trappen stampten4 - en laatstelijk had hij ‘mijne heeren van den geregte’ ook nog een grote mond gegeven toen die hem een waarschuwing gaven voor zijn lasterlijk gedrag5. Een dag voordat de gedwongen hongerperiode van Josua Wilts verstreek, diende zijn zuster een verzoek in om hem in een verbeterhuis op te sluiten omdat hij door zijn drankmisbruik tot schande van de hele stad zou zijn geworden en zijn kinderen verwaarloosde6. De rechtbank stemde de volgende dag, 12 januari 1730, al met dat verzoek in en daarop deed Wilts, mogelijk in een poging door dienstbaarheid aan de rechtbank aan de opsluiting te ontkomen, onthullingen die een dramatische wending aan de geschiedenis van homoseksualiteit in Nederland zouden geven. Hij vertelde hoe hij en zijn kinderen een jaar eerder door een luik in de toren in de zogeheten Egmontkapel twee mannen sodomie hadden zien bedrijven7. Vierentwintig uur later had de Utrechtse rechtbank een van de twee mannen aangehouden en nadat hij bekend had, volgden meer arrestaties. In februari van dat jaar liet de rechtbank in Utrecht de gewezen soldaat en herenknecht Zacharias Wilsma arresteren en zij had daarmee een kroongetuige te pakken8. Voornamelijk aan de hand van zijn bekentenissen stelde de rechtbank een lijst op waarop ruim honderdveertig namen voorkwamen van mannen uit het hele land die zich aan sodomie bezondigd hadden. Hoewel de meesten eenvoudige mannen waren - sjouwers, venters, winkeliers, soldaten en vooral lijfknechten - stonden op de lijst ook de namen van aanzienlijken: grote kooplieden uit Amsterdam, advocaten, notarissen en voorname dienaren van de Staten van Holland uit Den Haag, hoge officieren, een lid van de adel zoals baron Frederik Adriaan van Reede van Renswoude, die niet alleen president van de Utrechtse Ridderschap was, maar ook zijn provincie in de Staten Generaal vertegenwoordigde. Daarnaast waren er leden van het patriciaat zoals de schout en een schepen uit Delft, een burgemeester uit Leiden, een lid van de vroedschap in Haarlem, de drost van Buuren, die een broer was van de Amsterdamse schout9.
| | | |
Begin mei 1730 - in Utrecht waren toen al vijf mannen overeenkomstig de traditie in het geheim ter dood gebracht - lichtte de rechtbank van Utrecht gerechten in andere steden en krijgsraden in over van sodomie verdachte personen onder hun jurisdictie10. Spoedig daarop volgden arrestaties in tal van steden in de Republiek. Her en der sloegen mannen op de vlucht of pleegden zelfmoord. In de daarop volgende twee jaar werden ruim driehonderd mannen vervolgd. Zo'n tachtig van hen werden ter dood veroordeeld11. Degenen die gevlucht waren en tegen wie men concrete verdenkingen koesterde, werden ingedaagd en bij verstek voor eeuwig verbannen. Datzelfde overkwam, althans in de provincie Holland, degenen die zich uitsluitend door hun plotselinge absentie verdacht hadden gemaakt12. Het bijzondere aan de vervolgingen die op de onthullingen van Josua Wilts volgden, was dat ze zich in de Republiek nooit eerder op zo'n schaal hadden voorgedaan en vergeleken met zulke vervolgingen elders in Europa in die periode, tenminste qua straffen, tot de hevigste in hun soort behoorden13. Bijzonder was bovendien wat de sodomie-processen in 1730 aan het licht brachten, namelijk duidelijk subculturele verschijnselen zoals private en openbare ontmoetingsplaatsen - openbare toiletten, kroegen, bordelen, stadswallen, met name genoemde pleinen of straten, openbare gebouwen als het stadhuis in Amsterdam - daarnaast een specifiek soort lichaamstaal of gebaren die sodomieten zouden maken als ze contacten wilden leggen, een eigen dieventaaltje, vormen van verwijfdheid in kleding, spraak en motoriek en niet in de laatste plaats netwerken van mannen die, zij het met wisselende intensiteit, aan dit alles deel hadden14.
Afgewisseld met incidentele sodomie-processen deden zich later in de achttiende eeuw meer zulke golven van processen voor: in 1764 in Amsterdam, in 1776 in de provincie Holland, tussen 1791 en 1811 werden in Amsterdam bijna jaarlijks sodomie-processen gevoerd en alleen al tussen 1795 en 1798 bijna veertig15. In laatst genoemde jaren werden voor het eerst ook vrouwen wegens homoseksueel gedrag vervolgd16. Voordien zijn uitsluitend vrouwen die tot de fameuze ‘meisjes loos’ behoorden voor zulk gedrag berecht: vrouwen die zich in travestie hadden gehuld en andere vrouwen getrouwd hadden17. Tenslotte deed zich in 1797 ook nog een kleine golf van sodomie-processen voor in Dordrecht, Den Haag en Utrecht. Het bijzondere aan de laatste processen was dat voor het eerst sinds 1730 weer namen vielen van zeer vooraanstaande personen, voornamelijk uit de directe omgeving van de voormalig stadhouder Willem V. Vanuit historisch oogpunt het meest pikant was dat een arrestant in Dordrecht toen ook Adam Francois van der Duin van Maasdam noemde als een van de mannen die hem in de tuin van Huis ten Bosch ‘gebranleerd’ had. Daarnaast had hij ook Willem Anne Lestevenon betrokken in zijn bekentenissen18. Lestevenon was curator van de universiteit van Leiden en lid van de Nationale Vergadering. Op het moment van de arrestaties was hij afgevaardigde bij onderhandelingen in Parijs en hij zou volgens een biograaf wegens een zedenschandaal nooit meer in Nederland zijn teruggekeerd19.
Het jaar 1811 leek met de introductie van de Franse Code Pénal de decriminalisering van homoseksueel gedrag te brengen. Het was echter een ‘blessing in disguise’. De Code Pénal bevatte een artikel over schennis van de openbare eerbaarheid (art. 330) dat door het oprekken van het begrip openbaarheid met groot gemak tegen sodomieten werd ingezet. Nog in 1816 deed zich een golf van vervolgingen voor in Utrecht waarbij
| | | |
op een dag dertig mannen werden veroordeeld en daar zowel als in andere steden lag in de eerste decennia na 1811 de frequentie van zulke processen eerder hoger dan lager vergeleken met de sodomie-processen voor 1811. Met een maximum straf van 1 jaar en 200 frank boete, waren de straffen na 1811 natuurlijk wel aanzienlijk lichter dan de dood- en langdurige gevangenisstraffen die vòòr dat jaar werden opgelegd20.
Terug nu naar 1730. Ik heb enigszins gedetailleerd de gebeurtenissen in Utrecht opgehaald om één misverstand uit de weg te ruimen en wellicht de Weyermanvorsing met een nieuw probleem op te zadelen. Op 31 oktober 1729 had Weyerman het in De Vrolijke Tuchtheer over ‘het jaar waarin iedere jongen een vrouw nam’21. In het begeleidend commentaar van de uitgave van André Hanou staat dat dit vermoedelijk op de sodomietenvervolgingen van 1730 sloeg en op geruchten die voordien al de ronde deden en mogelijk de opsporing die toen al zou zijn ingezet22. Wijlen Leo Boon gebruikte in 1980 die zin daarom als titel voor een artikel over de sodomietenvervolgingen in 1730. Uit het voorgaande moge blijken dat de vervolgingen werkelijk als donderslag bij heldere hemel gekomen zijn en de desbetreffende zin niet op de sodomietenvervolgingen kan slaan. Zelfs als de Utrechtse magistraat op een gelegenheid zat te wachten om de omgeving van de Domtoren schoon te vegen, waar vechtpartijen en allerlei vormen van liederlijkheid aan de orde van de dag waren, en ook al heeft die magistraat weet gehad van het feit dat de Domtoren en omgeving dienden tot rendezvous van sodomieten, hij heeft zeker niet geweten waar hij aan begon toen hij de eerste arrestaties verrichtte23. Ook contemporaine waarnemers hadden het over de ‘gansch zonderlinge en toevallige wyze’ waarop ‘het kluwen dezer godloosheden’ aan het licht was gekomen en dat eerst in mei 1730, toen de vervolgingen elders in het land op gang kwamen, sodomie het gesprek van de dag is geworden24. In 1731 zei de procureur-generaal van het Hof van Holland in een requisitoir tegen voortvluchtigen dat het Hof met ‘verbaastheidt’ had kennis genomen van het feit dat zo velen zich aan sodomie bezondigd hadden25. Ook voor sodomieten zelf kwamen de vervolgingen onverwacht. Van enkele mannen die zich in 1730 uit de voeten wisten te maken, heb ik kunnen reconstrueren dat ze pas vanaf half mei voorbereidingen hebben getroffen om huis en goed te verlaten. Op zichzelf is het element van toeval en het plotseling losbarsten van de vervolgingen ook niet verwonderlijk. Het gerechtelijk apparaat had niet tot taak zelfstandig opsporing te initiëren en kon daartoe pas overgaan als er daadwerkelijk strafbare feiten gemeld waren. Bovendien hield een en ander nauw verband met percepties van homoseksueel gedrag en daarbinnen paste het, zeker bij verantwoordelijke autoriteiten als kerkelijke en wereldlijke overheid, om een bijna blinde vlek voor zulk gedrag te hebben.
| |
Het ‘crimen nefandum’
Eeuwenlang stond sodomie te boek als het ‘crimen nefandum’, het ‘peccatum mutum’ of gewoon ‘de stomme sonde’, de zonde die zo erg was dat de duivel er geen naam voor had, waarover onder christenen niet gesproken mocht worden en die onder hen ‘veel min’ bekend mocht zijn. Dat was een notie die uiteraard in heel Europa gold, maar waaraan in Nederland nog een extra dimensie werd toegevoegd: sodomie was tot kort voor 1730 ‘tot eere en lof van onzen landsaard’ hier niet of nauwelijks voor- | | | | gekomen26, meenden velen, inclusief Weyerman27, in dat jaar. Erover gepraat werd er voor dat jaar al helemaal nauwelijks. Concilies, kerkvaders, de Penitentialia, het canoniek recht hadden het min of meer uitvoerig over sodomie gehad28. Maar de Hervormde Kerk in Nederland heeft na de Reformatie tot en met het losbarsten van de vervolgingen van 1730 voornamelijk over dit onderwerp gezwegen. Op alle provinciale synodes tot 1730 was sodomie zegge en schrijve één keer genoemd29. Notulen van kerkeraden bevatten voor zover bekend geen enkele verwijzing naar homoseksueel gedrag30. Jacobus Hondius liet in zijn laat zeventiende-eeuwse Swart Register van Duysent Sonden (1679) sodomie ongenoemd. De bijbeltekst over de ondergang van Sodom en Gomorrah werd wel gebruikt in preken, maar tot op de dag van het uitbreken van de vervolgingen niet om voor homoseksueel gedrag te waarschuwen, althans niet in de zin dat het in dat opzicht relevant zou zijn voor eigen gemeente31. Op de vraag waartoe de tekst dan wel werd aangewend kom ik straks terug.
Terwijl in de zeventiende eeuwse Franse en Engelse libertijnse romans homoseksueel gedrag wel ter sprake kwam, zwegen ook zulke romans van vaderlandse bodem over het onderwerp32. Laat staan dat er hier zoiets was verschenen als de kleine, vroege Engelse briefroman Loveletters Between a Certain Late Nobleman and the Famous Mr. Wilson (1723)33. In Engeland verschenen in de zeventiende eeuw ook publikaties over roemruchte sodomie-processen zoals die tegen Lord Castlehaven (1631) en bisschop Atherton (1640)34. Christopher Marlowe bewerkte het verhaal over de schandelijke dood van de veertiende-eeuwse Edward II en zijn veronderstelde geliefde Piers Gaveston tot een eigentijds politiek zedendrama35. In Nederland bijna geen spoor van zulke verhalen. Alleen Die Cronycke van Hollandt Zeelandt ende Vrieslandt uit 1517 gaf een sensationele beschrijving van de executie wegens sodomie van Gooswijn de Wilde, president van de Raad van Holland in 1449 en het in de zeventiende eeuw vele malen herdrukte De Winteravonden of Nederlandse Vertellingen van J. Viverius beschreef zijn arcadische titel ten spijt bijna letterlijk in geuren en kleuren de vuurdood van een sodomiet in Middelburg die met een ‘koebeest’ had verkeerd36 (sodomie stond ook voor bestialiteit).
Predikanten en ook literatoren maakten één uitzondering: sodomie, de ‘onsprekelike sonde’, kwam ter sprake als een bij uitstek katholiek misdrijf. Rome was de ‘catamitorum mater’, moeder der schandjongens, schreef Josephus Scaliger in de zeventiende eeuw37. Gedurende die eeuw en trouwens ook later kwam hier in Nederland telkens ter sprake dat de zestiende-eeuwse Italiaanse bisschop Giovanni della Casa een lofzang op sodomie zou hebben geschreven. Het gedicht, kortheidshalve aangeduid met de dubbelzinnige titel ‘Il Forno’, de oven, ging overigens over heteroseksuele sodomie38. Zo keerde ook in de zeventiende en achttiende eeuw telkens het verhaal terug dat Paus Sixtus IV in de zestiende eeuw zijn kardinalen toestemming zou hebben gegeven om gedurende de heetste maanden van het jaar sodomie te bedrijven39. Beschrijvingen van andere pausen die zich aan sodomie en hoererij te buiten waren gegaan waren tezelfdertijd ‘gefundenes Fressen’, trouwens ook in publikaties die in 1730 verschenen. Ook Weyerman getuigde in dit opzicht van anti-papisme, maar zijn uitspraken waren mild vergeleken bij die van andere publicisten40. Zulke verhalen waren overigens niet typisch Nederlands. Italië en meer in het bijzonder Florence genoten in heel Westeuro- | | | | pa wat dit betreft een reputatie. En niet ten onrechte zoals straks uit mijn verhaal ook nog zal blijken. Geen wonder dat in 1730 een auteur kon schrijven dat homoseksueel gedrag pas in 1713 in Nederland tijdens de onderhandelingen ter beëindiging van de Spaanse Succcessie-oorlog in Utrecht door buitenlandse - lees katholieke - diplomaten was ingevoerd, ‘toen burgers van die stadt [...] benevens het fijne goud ook de vuijle sodomie in hare schoot ontvingen’41.
De enigen die voor 1730 het stilzwijgen over sodomie doorbraken waren juristen. In juridische commentaren en trouwens ook in verzameluitgaven van juridische adviezen werd de bestraffing van sodomie wel degelijk aan de orde gesteld en er werd soms naar concrete vonnissen verwezen. Want natuurlijk hebben zich ook hier te lande, zij het overwegend incidenteel, zulke processen voorgedaan sinds sodomie in de twaalfde eeuw een delict ‘mixti-fori’ was geworden, een delict dat door kerkelijke en wereldlijke overheid berecht kon worden. Eerst vanaf 1675 echter zijn in de Republiek met enige regelmaat sodomie-processen gevoerd en kwam het onderwerp soms zijdelings tijdens andersoortige processen aan de orde. Tot in de eerste helft van de zeventiende eeuw hadden zulke processen veelal geresulteerd in de openbare vuurdood, maar vanaf de tweede helft van die eeuw werden executies in het geheim voltrokken, meestal middels wurging. De lijken werden in zee gegooid ‘om sodanigh de memorie van die gruwelycke sonde uit ons midden wegh te doen’42, en opdat ‘verborgen souw blijven, dat sodaenige gruweldaden in ons land wierden gepleegd’43. Processtukken werden veelal vernietigd en wat rest zijn vaak slechts summiere vonnissen44.
| |
Van stomme naar roepende zonde
De vervolgingen die in 1730 begonnen betekenden in dit opzicht een breuk met de traditie van het ‘crimen nefandum’. Op 21 juli 1730 vaardigden de Staten van Holland een plakkaat uit waarin rechtbanken in deze provincie nadrukkelijk gelast werden executies in het vervolg in het openbaar te voltrekken45. Daar was een aantal rechtbanken trouwens al in juni mee begonnen. Uitvoerige processtukken zijn vanaf dat jaar bewaard gebleven. Tegelijkertijd kwam er een stroom van publikaties op gang, waarin, althans in de meer geleerde werken, uitvoerig over de oorzaken en de gevolgen van sodomie gesproken werd. Predikanten als Leonardus Beels, Albertus Royaards, Tako van den Honert en Henricus Carolus van Byler deden lijvige boeken het licht zien46. Dat van Beels, dat al eind juli 1730 verscheen, beleefde in twee maanden drie drukken en ook Weyerman refereerde eraan in het tweede deel van zijn Bedenkingen47. De beide afleveringen van de Europische Mercurius van 1730 bevatten omvangrijke bijdragen over de ‘Oirsprong en Voortgangh’ van sodomie en de redactie meldde in de tweede aflevering dat de eerste gretig aftrek had gevonden48. Ter gelegenheid van de executies verschenen tal van zogeheten vliegende blaadjes en prenten49; kopieën van vonnissen en indagingen werden tot in het buitenland verspreid totdat het Hof van Holland dat verbood50. Gedichten en kopieën werden in verzamelbundels zoals Schouwtoneel en Alle de Copyen van Indagingen uitgegeven51. Had men voordien gezwegen opdat mensen niet weten zouden dat ‘het geschieden kon,’ er was een tijd van zwijgen en een tijd van spreken, aldus de predikant Van Byler, en die laatste was nu aangebroken52. Voor 1730 had stilzwijgen en het onthouden van kennis mensen voor verval in
| | | |
homoseksueel gedrag moeten behoeden; vanaf dat jaar moest juist kennis van het onderwerp individuen van dergelijke praktijken weerhouden. Middels deze publikaties alsook preken en middels de openbare en sterk geritualiseerde strafvoltrekking kwam daarmee een proces van betekenisgeving aan homoseksueel gedrag op gang, dat althans in Nederland op een duidelijk cognitief niveau voordien bijna ontbroken had en het is in deze context dat de beide teksten van Jacob Campo Weyerman begrepen moeten worden.
| |
Betekenisgeving
Laat ik verduidelijken wat ik met een proces van betekenisgeving bedoel. In onze tijd en in onze samenleving zijn we eraan gewend de wereld te verdelen in man en vrouw, in homo en hetero. Antropologische studies leren echter dat homoseksueel gedrag en percepties van dat gedrag veel gevarieerder zijn dan onze westerse dichotomieën doen vermoeden en ook die laatste zijn in historisch opzicht arbitrair. Een duidelijk onderscheid tussen homo en hetero wordt in het Westen pas sinds zo'n honderd jaar gemaakt, sinds de zogenoemde medicalisering of de bemoeienis van medici, psychiaters, seksuologen met seksualiteit in de negentiende eeuw op gang kwam. In vele culturen - sommige die verdwenen zijn, maar bijvoorbeeld vandaag nog in delen van de Islam - gold of geldt eerder een actief/passief dichotomie, waarbij aan vrouwen en adolescenten een passieve rol wordt toegeschreven of waarin alleen mannen die zich in travestie hullen en zich laten penetreren hun oorspronkelijke mannelijke status verliezen. In veel van zulke culturen geldt ook eerder een onderscheid tussen man en niet-man - vrouwen, adolescenten, eventueel slaven - dan een onderscheid tussen man en vrouw53. Wat wij in het westen seksualiteit of homoseksualiteit noemen, wat we daar wel of niet toe rekenen, kan de uitkomst van een historisch proces van betekenisgeving worden genoemd, dat in Nederland wat homoseksualiteit betreft met de vervolgingen van 1730 een aanvang nam.
Ik verkondig natuurlijk niets nieuws als ik zeg dat we ook naar het verleden moeten kijken met een antropologische blik en, zoals Willem Frijhoff in 1985 op het congres van de Werkgroep Achttiende Eeuw over seksualiteit en geschiedenis opmerkte, op zoek moeten gaan naar ook in dit opzicht in het verleden geldende categorieën54. Dat betreft dan zowel gedrag als percepties of de betekenisgeving van en aan gedrag. In het kader daarvan wil ik nu teksten - ook die van Weyerman - die in 1730 verschenen alsook de openbare strafvoltrekking aan sodomieten nader aan de orde stellen. Daarbij zal ook blijken dat de blinde vlek die men voor 1730 voor sodomie had en de veronderstelling dat ze bij uitstek een katholiek misdrijf was, niet louter voortkwam uit propaganda-zucht en anti-papisme, maar wortelde in een sociale theorie en volkspsychologie, waarin de bijbeltekst over Sodom en Gomorrah een cruciale rol vervulde.
| |
Sodomie als hedonisme
Een ding moge duidelijk zijn. In 1730 maakte men geen onderscheid tussen homo- en heteroseksuelen zoals die vandaag als gefixeerde categorieën gelden. Iedereen werd geacht, gegeven de juiste of onjuiste omstandigheden, zich aan homoseksueel gedrag te kunnen bezondigen. Nog in 1777 schreef een anonymus dat het zaad van sodomie in ieder mens school55. Sodomie kwam voort uit overtreffende trappen van zondigheid,
| | | |
aldus hiervoor genoemde predikanten in hun geschriften. Het begon met kaart en dobbelspel, pracht van klederen, eet- en drinkgelagen, het najagen van wellust in de vorm van hoererij en - overtreffende trap van zondigheid - eindigde uiteindelijk in sodomie, zodat ‘dit kwaad als d'eene telg uit d'andere overal verspreid wordt.’ Zo vertelde ook de bijbel het: sodomie kwam voort uit ‘brooddronkentheit’, zatheid van brood en stille gerustheid, kortom uit overvloed en weeldezucht, zo meldden predikanten aan hun lezers en luisteraars. Deze verschijnselen hadden zich ook in Sodom en Gomorrah voorgedaan, omdat de weelde van de overvloed - gevolg van het feit dat deze steden in een bijzonder vruchtbare streek hadden gelegen - de inwoners naar het hoofd was gestegen en naar steeds ernstiger vormen van wellust had doen zoeken, die uiteindelijk in gelijkgeslachtelijke praktijken en niet in de laatste plaats in de vernietiging van deze steden hadden geresulteerd. Zo was het ook met Italië en meer in het bijzonder de katholieken vergaan. Zij waren door hun weeldezucht de eersten in de christenheid die zich door voorgaande wellustige praktijken in sodomie verlopen hadden. Sodom stond zonder meer voor Rome; Loth en de zijnen die uit Sodom waren weggeleid voordat de plaats vernietigd werd, waren de protestanten. Loths vrouw, die, omdat ze tegen het uitdrukkelijk gebod had omgekeken, in een zoutpilaar was veranderd, stond voor die protestanten wier hart nog aan het Babel van het katholicisme hing. God had de Republiek met overvloed gezegend omdat Nederland een Nieuw Israel en het Nederlandse volk Zijn nieuw uitverkoren volk waren. Aanvankelijk had dat volk die overvloed sober en matig genoten en het feit dat God de Republiek niet gelijk Sodom en Gomorrah had gestraft, was er het beste bewijs voor dat sodomie hier niet of nauwelijks was voorgekomen. Maar recentelijk waren hier te lande de roepende zonden hand over hand toegenomen en dat had ook hier sodomitische praktijken opgeleverd56.
Een dergelijke opvatting staat duidelijk haaks op moderne seksuele taxonomieën. Als we het dan hebben over in het verleden geldende categorieën kunnen we vaststellen dat het seksuele in de vroeg-moderne periode niet een op zichzelf staande categorie was, maar gekoppeld werd aan andere levenssferen als bijvoorbeeld eten, drinken en meer in het algemeen de ‘luxuria’, gedragingen die konden voortspruiten uit wellust. Ze vormde daarmee een dichotomische eenheid in die zin dat soberheid en matigheid op al deze gebieden tot een voorbeeldig leven leidden, terwijl verlies van affectbeheersing ontaardde in weeldezucht en hedonisme en tenslotte in homoseksuele praktijken. Sodomie als overtreffende trap van zondigheid was uiteindelijk de uiterste vorm van hedonisme. Daarmee was nog niet alles gezegd. De implicatie van voorgaande theorie was dat individuen door een voorgaand wellustig leven bevattelijk werden voor verleiding tot homoseksuele handelingen. Dat wil niet zeggen dat ze daarmee een eenmalig of incidenteel verschijnsel geacht werden te zijn in het leven van individuen, zoals door wijlen de Franse filosoof Michel Foucault en zijn navolgers wel gesuggereerd is. Tijdens processen die vanaf 1730 gevoerd werden, was de telkens terugkerende vraag aan verdachten die net bekend hadden, hoelang ze al aan sodomie vastzaten. Meer dan enig ander publicist was het juist Weyerman die de bijbehorende psychologie expliciteerde. Hoe afschuwelijk en walgelijk een zonde ook is, zo schreef hij in de eerste aflevering van zijn Bedenkingen, het valt makkelijk te begrijpen dat wanneer die ‘eenmaal is gesmaakt, den mensch doorgaans [zal] haaken naar deszelfs herhaaling.’ Eenmaal verval- | | | | len in een nieuwe zonde ‘kookt’ ze in ‘onze ziel op tot verzenging van alle onze zinnen [...] dat geene dat een enkele nieuwsgierigheyt was in den beginne, veraart nu in een begeerte en in een doldriftig verlangen na die gepleegde vermaaken.’ ‘Het is een vastgestelde waarheyt,’ aldus nog steeds Weyerman, ‘dat de booze genegendheden en lusten uyt iets dat natuurlijk is konnen voortkomen’57.
Ik zei zojuist dat de bijbeltekst over Sodom en Gomorrah van cruciale betekenis was voor de formulering van een sociale theorie. De hiervoor weergegeven opvattingen over de oorzaken van homoseksueel gedrag raakten aan veel meer dan alleen aan dat gedrag of aan degenen die zich daarin verlustigden. Elke vorm van anders-zijn of van deviantie kon hiermee verklaard worden. Justus van Effen beschreef Hugenoten en Westfalen in precies dezelfde termen, al ging hij niet zover ze van sodomie te beschuldigen. Vrijmetselaars werden daarentegen expliciet van sodomie verdacht omdat ze zich aan slemppartijen zouden overgeven58. Soberheid en matigheid hadden middels Gods zegen ook bijgedragen tot voorspoed en luister van het land, zoals teloorgang daarvan bijdroeg aan veronderstelde ondergang en vernietiging door middel van Gods straffende hand.
| |
Sodomie en libertinage
Sociale theorie kon op deze manier ook gebruikt worden voor sociale of politieke kritiek en Weyerman liet zich in dat opzicht allerminst onbetuigd. Behalve als een bij uitstek katholiek misdrijf, gold sodomie in heel Europa ook als aristocratische libertinage, als de ‘beau vice’59. Weyerman verhaalt hoe Romeinse edellieden ooit de executie van enkele schoenmakers wegens sodomie becommentarieerd hadden met de opmerking ‘dat zy behoorlyk gestraft wierden, dewyl dat bedryf den Adel en de Heeren van het eerste fatsoen paste, en geenszins de onedele gemeente, noch de laage ambachtsluyden’60. Weyerman liet er absoluut geen misverstand over bestaan wie hij hier te lande aan verleiding schuldig achtte. Niet voor niets koos hij als bijbeltekst bij de tweede aflevering van de Bedenkingen uit de Spreuken van Salomon ‘Den godlooze heerschende over een arm volk, is een brullende leeuw en beer, die gins en weer loopt.’ Aan zelfverheffing ontbrak het hem daarbij niet. Hij beweerde al in het eerste stuk gemerkt te hebben dat katholieken hem bedreigden, maar hij zou niet schromen hen en ‘de sodomietse reuzen, hoe hoog en hoe verheven dat die ook waaren, in ampten en in rykdommen, aan te tasten, en hunne vuur- en zwavelwaardige misdryven te ontblooten, tot een voorbeelt voor de tegenwoordige, en voor de nakomende Batavieren’61. In het citaat aan het begin van mijn verhaal, waren het overduidelijk rijken en machtigen die volgens hem door geld en schone beloftes jongelingen tot sodomie overhaalden, met alle rampspoed van dien. Telkens weer keren in Weyermans stukken opmerkingen over zulke ‘matadoor gomaristen’ terug. Overigens durfde hij het klaarblijkelijk niet aan zulke aanzienlijke heren met name te noemen, zoals ook de schrijver van de artikelen over sodomie in de Europische Mercurius van 1730 vroom opmerkte dat er weliswaar veel hooggeplaatsten waren die zich hier aan sodomie bezondigd hadden, maar dat hij om de families niet in verlegenheid te brengen geen namen zou geven62.
Weyermans opvattingen hierover waren tegelijkertijd niet gespeend van actualiteitswaarde. Het waren vooral hoge heren, zo bleek in 1730, die als klanten het
| | | |
prostitutie-circuit bevolkten of die via speciale besteders van knechten lijfknechten in dienst namen om hen seksueel te gerieven en degenen die zich lieten prostitueren wezen zulke mannen juist aan als hun verleiders. Al voor 1730 deden in Amsterdam geruchten de ronde over zulke praktijken van heren ‘in de raet’ en nadat in 1731 een aangehouden sodomiet in de Amsterdamse stadsboeien zelfmoord had gepleegd, schreef een anonymus aan het Hof van Holland dat de man vermoord zou zijn omdat hij teveel van zulke heren wist63. Nog in 1765 vertelde een sodomiet in Amsterdam dat hij met de vooraanstaande dokter Van de Pol, die zichzelf tijdig uit de voeten had weten te maken, eens gepraat had over het risico dat ze liepen. Van de Pol zou toen gezegd hebben dat het zo'n vaart niet liep: ‘daar zitten'er teveel onder de grooten die'er aan vast zyn en die verlyden de klijne’64.
| |
Sodomieten als vrouwenhaters
Hoewel Weyerman, zoals gezegd, de psychologie van verslaving aan zondig gedrag meer dan enig ander publicist expliciteerde, was hij echter weinig consistent in zijn opvattingen. Hij verwees in zijn teksten weliswaar naar het afschrikwekkend voorbeeld van Sodom en Gomorrah, maar daarin zijn weeldezucht en hedonisme als oorzaken van homoseksueel gedrag slechts vaag en ongearticuleerd aanwezig. Misschien dat de verklaring die predikanten boden meer past bij een culturele elite, bij de ‘grote traditie’ zoals mentaliteitshistorici dat wel noemen65. Weyerman zocht wel degelijk naar een verklaring, maar de zijne paste veel meer bij volkse opvattingen over sodomie zoals die ook in gedichten en vliegende blaadjes in 1730 verwoord werden. Oorzaak van homoseksueel gedrag was volgens hem de afwezigheid van vrouwen - bijvoorbeeld vanwege het celibaat, dat overigens ook door predikanten wel als oorzaak gezien werd - of een afkeer van vrouwen, al zei hij erbij dat laatste niet te kunnen begrijpen66. In de zojuist genoemde volkse publikaties stond de veronderstelde afkeer van sodomieten van vrouwen juist centraal. Zoals in sommige van die publikaties had ook Weyerman als ‘leitmotiv’ voor de eerste aflevering van de Bedenkingen de brief van Paulus aan de Romeinen gekozen, waarin de apostel spreekt van mannen die in wellust voor elkaar zijn ontbrand. Die tekst werd door de predikanten weliswaar aangehaald, maar vervulde in hun geschriften een veel minder prominente rol. Een verklaring voor zulke wellust bood Paulus nauwelijks, of het moest afgoderij zijn, waarmee natuurlijk nog altijd anti-katholieke sentimenten gevoed konden worden. Misschien had ‘het volk’ daar genoeg aan. De hele achttiende eeuw door - ook voor 1730 - bleken mensen binnen het hecht georganiseerde gemeenschapsleven van stadsbuurten al lang kennis te hebben van sodomieten in hun omgeving. Het volk zag dat het slecht was en het volk ging meestal zijns weegs67. De inconsistentie van Weyerman wordt wellicht begrijpelijk als we hem zien als wat Peter Burke een bemiddelaar tussen ‘grote’ en ‘kleine traditie’, tussen elite- en volkscultuur noemt. Zo'n bemiddelaar functioneert als het ware als een doorgeefluik waardoor opvattingen uit elite- en volkscultuur passeren en eventueel met elkaar vermengd raken68.
| | | |
| |
Baardeloze jongens
Ik wees er in mijn inleiding ook al op dat Weyerman voor zover het een beschrijving van feitelijk homoseksueel gedrag betrof een traditionele voorstelling van zaken gaf. Om dat te verduidelijken moet ik eerst nog terug naar de periode voor 1730. Tussen sodomieprocessen vóór en na 1675 zit een opvallend inhoudelijk verschil. Voor dat jaartal gaat het voornamelijk om sodomie tussen volwassen mannen en adolescenten of om sodomie in zeer strikt hiërarchische relaties en in alle gevallen overeenkomstig een even strikte passieve en actieve rolverdeling. Na 1675 betreft het overwegend volwassen mannen die actieve en passieve rollen uitwisselden, ook als ze uit verschillende klassen kwamen. Daarenboven kwamen tijdens processen eerst vanaf het laatste kwart van de zeventiende eeuw sporen van de subculturele verschijnselen ter sprake die tijdens de processen van 1730 volop aan het daglicht werden blootgesteld. Dit patroon nu deed zich ook elders in Noordwest-Europa voor, in Engelse en in Noordfranse steden69.
Het zou te ver voeren de vele argumenten en overwegingen aan te halen, die mijn collega's hier en elders en mijzelf ertoe gebracht hebben te veronderstellen dat het hierbij niet zozeer om een verandering in juridische praktijk ging, alswel om een verandering in homoseksueel gedrag: een overgang van overwegend homoseksuele contacten tussen volwassen mannen en adolescenten naar die tussen volwassen mannen zelf, resulterend in de opkomst van genoemde subculturele verschijnselen. Een vergelijking met homoseksueel gedrag in Zuid-Europa kan echter enig inzicht opleveren. Ik zei hiervoor al dat een stad als Florence niet ten onrechte een reputatie had op dit gebied in Europa. In de vijftiende eeuw kreeg deze stad, zoals ook andere Italiaanse stadstaten als Venetië en Lucca, een speciale sodomie-rechtbank. In de zeventig jaar dat die rechtbank in Florence bestond - van 1432 tot en met 1502 - kreeg ze te maken met veertienduizend van zulke zaken - meestal resulterend in het opleggen van boetes - en dat in een stad met veertigduizend inwoners! Opvallend is nu dat in 98% van deze gevallen het ook ging om homoseksuele contacten tussen volwassenen en adolescenten, opnieuw overeenkomstig een strikte rolverdeling. Deze zaken leren verder dat adolescenten omstreeks hun achttiende een passieve rol verwisselden voor een actieve en daarmee doorgingen tot omstreeks hun dertigste, de gemiddelde huwelijksleeftijd voor mannen in Florence in die periode. Tegelijkertijd - dat wil zeggen in de periode dat ze actieve sodomie bedreven - hadden ze vaak seksuele contacten met vrouwelijke prostituees. In dit geval mag gesteld worden dat homoseksueel gedrag met zijn overgang van een passieve naar een actieve rol dààr en toen deel uitmaakte van de mannelijke socialisatie70. Het is niet waarschijnlijk dat zoiets ook in Noordwest-Europa of in de Republiek het geval was. Juist het geringe aantal sodomie-processen dat voor 1675 werd gevoerd en het stilzwijgen van bijvoorbeeld de Hervormde Kerk in Nederland geeft aanleiding te veronderstellen dat sodomie hier zeker niet op een schaal voorkwam als in een stad als Florence. Aan de andere kant toont het soort zaken dat hier wel voor de rechtbank kwam een te opvallende gelijkenis met de zogenoemde ‘inter-generational’ contacten elders om die te negeren. Voor de Amerikaanse gezinshistoricus Randolph Trumbach was dat aanleiding voor de conclusie dat tot grofweg het laatste kwart van de zeventiende eeuw ook in Noordwest-Europa homoseksueel gedrag voornamelijk tussen vol- | | | | wassen mannen en adolescenten voorkwam. De zogenoemde ‘rake’, die zowel in de literatuur van die dagen opdook als in de werkelijkheid, kon aan zijn ene arm een maîtresse voeren en aan de andere zijn zogeheten ‘catamite’ of ‘ganymedes’. Omdat hij in alle gevallen degene was die penetreerde, hield hij zijn mannelijke status hoog. Vanaf het laatste kwart van de zeventiende eeuw zouden juist in Noordwest-Europa de ‘equal status’ contacten dominant zijn geworden, dat wil zeggen contacten tussen volwassen mannen die in toenemende mate geacht werden ‘verwijfd’ te zijn, terwijl verwijfdheid voordien het kenmerk van een rokkenjager, in Engeland van ‘the fop’ was. Trumbach weet die omslag - mede op basis van zijn studie The rise of the egalitarian marriage (1978) en van Lawrence Stone's concept van ‘affective individualism’- aan een groeiende gelijkheid der seksen die zich vanaf diezelfde periode zeker tussen huwelijkspartners zou hebben voorgedaan. Terwijl de vroegere homoseksuele contacten tussen volwassenen en adolescenten een afspiegeling waren van meer patriarchale verhoudingen tussen man en vrouw, waren de ‘moderne’ contacten tussen volwassen mannen een afspiegeling van nieuwe gelijkwaardiger contacten tussen de seksen, van een duidelijker differentiatie in specieke mannen- en vrouwenrollen en van appreciatie voor de vrouw als hoedster van huiselijkheid en opvoeding van kinderen71. Opvallend is dat Donald Haks in zijn boek over huwelijksmoraal in Nederland ook constateert dat alhier vanaf ± 1680 wederkerige liefde tussen man en vrouw voorwaarde werd geacht voor een huwelijk72.
Merkwaardig genoeg had Weyerman hoofdzakelijk het tradionele homoseksuele gedrag voor ogen. Bij herhaling heeft hij het over mannen die het op baardeloze jongens voorzien hadden. De werkelijkheid was dat, terwijl er tenminste bij prostitutie en soms ook in affectieve verhoudingen inderdaad nog vaak sprake was van een aanzienlijk leeftijdsverschil tussen partners, het meestentijds niet om baardeloze jongens ging maar om jonge mannen van in de twintig en dat de laatsten net zo goed met elkaar konden verkeren73. Weyerman maakt het geheel zelfs tot een bijna Gordiaanse knoop: zo geeft hij een vertaling van een stukje uit het zeventiende-eeuwse toneelstuk Sodom van de Engelse graaf van Rochester74. Rochester zou op een nacht met zijn geliefde Cloris door een jonge toortsdrager naar zijn huis zijn begeleid:
Ook zal geen oor 't verhaal van Venus Luym verdrieten,
Toen ieder om het graagst den toortsknaap wou genieten,
Die met zyn piklicht ons, op 't donkerst' van den nacht,
Naar onze woonplaats bragt;
En toen de beste kus het groot verschil moest deelen,
Of dat dien jongen uw, of ik dien knaap, moest strelen 75.
Rochesters beschrijving was typisch die van Trumbachs zeventiende-eeuwse adellijke ‘rake’; niet die van een achttiende-eeuws sodomiet.
| |
Sodomie en verwijfdheid
Waar Weyerman wat homoseksueel gedrag betreft dus een traditioneel beeld ophangt, is hij anderzijds zijn tijdgenoten vooruit. De processtukken vanaf 1730 geven verslag
| | | |
van een soms uitbundige verwijfdheid: mannen die zich bijzonder opschikten, zich bij gelegenheid in travestie hulden, op zijn ‘jan meisjes’ praatten, elkaar aanspraken met ‘nicht’ en elkaar vrouwelijke bijnamen gaven76. In officiële percepties - juridische en theologische - werd weliswaar met enige nadruk naar het onmannelijke van sodomieten verwezen, maar dan vooral op een symbolisch niveau waarbij de oorzaken van sodomie een rol speelden.
Tot diep in de achttiende eeuw gold, aldus Thomas Laqueur in zijn boek Making sex (in de zin van sekse), dat er eigenlijk maar een sekse was: de mannelijke. Eeuwenlang hadden medici en ook vroedvrouwen vrouwelijke geslachtsorganen getekend en beschreven als de binnenstebuiten gekeerde versie van mannelijke delen. Pas in de loop van de achttiende eeuw volgde op de grotere sekse-differentiatie de wetenschappelijke notie dat mannen en vrouwen biologisch zeer verschillend waren. Voordien hadden mannen superieure en vrouwen inferieure versies van een en hetzelfde lichaam77. Vandaar dat mannen van nature in staat moesten worden geacht tot affectbeheersing en tot matigheid, terwijl vrouwen onverzadigbaar werden tenzij ze zich naar de natuurlijke hiërarchie tussen mannen en vrouwen voegden. Door nu tot sodomie, tot het uiterst verlies van affecten, tot de uiterste vorm van hedonisme te vervallen, werden mannen als vrouwen, haalden ze zich aldus de predikant Van Byler een ‘verwijfde ziekte’ op de hals78. In die zin werden sodomieten ook op het schavot gepresenteerd, niet nadrukkelijk als vrouwen maar net als vrouwen als niet mannelijk. Sodomieten, indien ter dood veroordeeld, werden meestal aan een paal gewurgd. Een morfologie van verschillende schavotstraffen leert dat vrouwen als ze een kapitaal misdrijf hadden gepleegd ook op deze manier gewurgd werden. Maar vrouwen en sodomieten waren niet de enigen die zo'n straf moesten ondergaan. Bokkenrijders en meer in het algemeen mannen die een lafhartig misdrijf hadden gepleegd - bijvoorbeeld iemand in zijn slaap vermoorden - werden op dezelfde wijze geëxecuteerd79. In Rotterdam werd in 1677 een man aan de paal gewurgd die enkele jaren eerder tijdens de oorlog met o.a. Engeland de schepen in de Nederlandse havens in brand zou hebben willen steken. Zijn gezicht werd - net als in 1730 nog bij sommige sodomieten - met vuur geblakerd en, net als met sodomieten, werd zijn lichaam in zee gesmeten. Zijn vonnis vermeldde dat hij, als hij in zijn opzet was geslaagd, het land en honderdduizenden inwoners geruïneerd zou hebben en dat was precies ook hetgeen men vreesde dat sodomieten middels Gods straffende hand over het land zouden afroepen80. Sodomieten waren onmannelijk omdat ze lafhartig en landverraders waren, maar ondanks alle elementen van verwijfdheid die in 1730 in de processen opdoken, werd daar in genoemd jaar in publikaties en in de vonnissen nauwelijks expliciet aan gerefereerd. Verwijfdheid werd - ik zei het al - voor 1730 geacht het kenmerk van een rokkenjager te zijn, waarschijnlijk ook omdat zo iemand niet de noodzakelijke zelfbeheersing in acht nam. Zulke noties verdwenen met de vervolgingen van 1730 niet terstond. Nog in 1732 noemde Justus van Effen in zijn Hollandsche Spectator gepruikte rokkenjagers ‘die mannelyke vrouwtjens, die Hermaphrodieten ten minste naar de ziel zyn’81. ‘Hermafrodieten naar de ziel’ was precies de uitdrukking die in de negentiende eeuw van toepassing werd geacht op mannen die zich aan homoseksueel gedrag bezondigden.
| | | |
Waarin was dan Weyerman zijn tijd vooruit? Hier zijn portret van sodomieten: ‘eenieder weet dat zulk gespuys nooit een mannelyk opslag van oogen, noch een barsse spraak heeft, dat het zo lafhartig als een gekerkerde hoer, en zo flikflooyent is als een arm edelman, die den ryken boer na de mond sluyt om een middag- of avondmaal’82. Een dergelijke uiterlijke beschrijving van sodomieten ben ik in officiële noch in volksgeschriften van 1730 tegengekomen, wel in processen en publikaties van enkele decennia later.
Volgens Jan ten Engel, een dief die in 1750 werd aangehouden en die zich in vele steden van de Republiek geprostitueerd had, kon men ‘het de luijden aansien aan dat er geen baard op de koonen groeyt, dat de oogen hoeragtig zijn, de taal lijmende en de gang draijende’83. In 1768 ging Franciscus Lievens Kersteman in zijn Rechtsgeleerd Woordenboek in op de vraag wat Paulus in zijn brief aan de Romeinen (I: 27) bedoeld kon hebben met de opmerking dat mannen die met mannen schandelijkheid bedreven de vergelding voor hun kwaad in zichzelf ontvingen, een vers dat Weyerman overigens niet had opgenomen. ‘Wie weet of de Apostel niet heeft gezien op, en bedoelt die verwyfde houding, dat lodderig oog en die bleeke hoere kaaken, die men genoegzaam in alle deze onmenschelijke menschen gewaard word, die zelfs in zommige invloed op de spraak heeft.’ Kersteman had zelf eens verdenkingen opgevat, schreef hij, jegens iemand die aan zijn beschrijving beantwoordde, zonder dat hij iets ten laste van de betrokkene wist. De man was later inderdaad schuldig bevonden. ‘Is dan het oog de spiegel der ziele, en geeven de inwendige affecten uyterlyk blyken van haar inwendige geneigtheeden in het aangezigt te kennen, zo zyn zy, die zonder vooroordeel op de phisionomie letten, niet in het geheel te verwerpen’84. Kerstemans ‘onbevooroordeelde’ blik daargelaten, geeft zijn uitspraak een verschuiving aan in percepties van sodomieten, die al met Weyerman was ingezet. Het is van belang hierbij op te merken dat volgens de al eerder aangehaalde Randolph Trumbach het in de achttiende eeuw steeds belangrijker werd voor mannen om de schijn van verwijfdheid te vermijden, omdat ze in toenemende mate in verband werd gebracht met homoseksueel gedrag. Met Willem Frijhoff zouden we dan mogen concluderen dat de sodomietenvervolgingen van 1730 bijdroegen aan de uitkristallisering van mannelijke seksualiteit als mannelijke seksualiteit85.
| |
Slot
Er valt natuurlijk heel wat meer te zeggen over zowel sodomie als over Weyermans teksten. Ik zou bijvoorbeeld dieper in kunnen gaan op het feit dat sodomieten zelf in toenemende mate verzet aantekenden tegen de betekenissen die aan hun gedrag werden gehecht en eigen betekenissen ontwikkelden, waarin ze juist vrouwelijkheid tot constitutioneel element van hun persoonlijkheid verhieven en als, zij het aanvankelijk wankele, legitimatie presenteerden, totdat in 1862 de Duitser Karl Heinrich Ulrichs het bestaan van een derde sekse, de man met een vrouwenziel, uitriep. Wat Weyerman betreft had ik meer kunnen vertellen over bijvoorbeeld zijn bijna anachronistische pleidooi voor de vuurdood voor sodomieten, zijn vermoedelijk toch reële angsten - alsook die van anderen - voor sodomie en Gods straffende hand of het feit dat hij bijna op Gods
| | | |
troon ging zitten door sodomieten de hemel te ontzeggen, alsook over zijn scheldpartijen aan het adres van de daders van de ‘grouwelen onzer eeuwe’.
Ik heb - vooral ook binnen het kader van mijn onderzoek - gekozen voor een mentaliteits-historische benadering, waarin ik suggereerde dat Weyerman een soort bemiddelaar was tussen elite- en volkscultuur, en zijn opvattingen in relatie tot homoseksueel gedrag zoals dat in 1730 aan het licht kwam, trachtte te plaatsen, alsook zijn positie in een proces van betekenisgeving dat in dat jaar een aanvang nam. Duiding van zijn teksten over sodomie in het kader van zijn oeuvre moet ik aan anderen overlaten.
|
*Lezing, gehouden op de grondvergadering van 9 januari 1993.
1Een advertentie in de Amsterdamsche Courant kondigde op 22 juli 1730 Jacob Campo Weyermans Godgeleerde zeedekundige en historische bedenkingen over den text des Apostels Pauli aen de Romeynen, cap. 1 vers 27 aan (in het vervolg aangegeven als Bedenkingen I). Op 9 september van dat jaar meldde een advertentie in dezelfde courant het verschijnen van een werk onder dezelfde titel, zij het dit keer ‘over den tekst der Spreuken Salomons, Kap. 28. Vaers 15, 17’ (verder aangeduid als Bedenkingen II).
2Gemeente Archief Utrecht, Rechterlijk Archief 2236 Criminele Sententies 1727-1740, 323.
3Gemeente Archief Utrecht, Rechterlijk Archief 2159 Stukken betreffende eis tegen Josua Wilts 1715; RA 2236 Criminele Sententies 1713-1727, 142-143, veroordeling tot ƒ300,- boete op 7-2-1715; Idem, 1005 opsluiting op verzoek van zijn vrouw op 5-6-1722; RA 2244 Criminele Stukken 1729, 16-12-1729. Hierbij stukken betreffende bedreigingen jegens een karnemelkverkoper in 1728. RA 2236 Criminele Sententies 1727-1740, 283-284 citatie voor het gerecht op 14-8-1729 en verbod om zijn buren te beledigen op 16-8-1729.
4Gemeente Archief Utrecht, Rechterlijk Archief 2244 Criminele Stukken 1730 1, dossier Van Baaden, 14-1-1730.
5Gemeente Archief Utrecht, Rechterlijk Archief 2244 Criminele Stukken 1729 en RA 3257 Alderley Acten 1727-1731.
6Gemeente Archief Utrecht, Rechterlijk Archief 2244 Criminele Stukken 1730 1, Request van Margaretha Wilts 11-1-1730; opsluiting voor een jaar op 12-1-1730, RA 2236 Criminele Sententies 1727-1740, 329. De opsluiting werd nog eenmaal formeel met een jaar verlengd. Niettemin zou Josua Wilts tot aan zijn dood in 1746 in het verbeterhuis De Vurige Kolom blijven. Zie Gemeente Archief Utrecht DTB.
7Gemeente Archief Utrecht, Rechterlijk Archief 2244 Criminele Stukken 1730 1, dossier Gillis van Baaden.
8Er is geen dossier van Zacharias Wilsma bewaard gebleven. Hij trad echter als getuige op in processen in tal van andere steden. Hij is nooit definitief veroordeeld. Op 16 augustus 1730 is hij bij provisie, maar zonder vonnis, naar het Tuchthuis in Utrecht overgebracht, Gemeente Archief Utrecht, Rechterlijk Archief 2236 Criminele Sententies 1727-1740, 380. In 1755 verbleef hij daar nog steeds, blijkens een bepaling van de Utrechtse rechtbank dat onder zijn provisionele opsluiting levenslang verstaan moest worden. Idem, 1751-1758, 953.
9Gemeente Archief Utrecht, Rechterlijk Archief 2227 Correspondentie met verschillende rechtbanken over sodomie. Hierbij ook de namenlijst.
11L.J. Boon (‘Het jaar waarin ieder jongen een meisje nam. De sodomietenvervolgingen in Holland in 1730’. In Groniek, 12 (1980) 66, pp. 13-17) noemde een totaal van 289 vervolgden en zeventig doodvonnissen. Tellingen die Dirk Jaap Noordam en ik hebben verricht komen hoger uit. Helemaal precies is het aantal niet vast te stellen omdat bijvoorbeeld een register van arrestatie-bevelen in Utrecht voor 1730 ontbreekt en dossiers vaak niet compleet zijn.
12Dat was overeenkomstig het plakkaat dat de Staten van Holland op 21 juli 1730 uitvaardigden. Daarin stond expliciet vermeld dat degenen die zonder aanwijsbare reden tussen 1 mei en 31 juli 1730 huis en familie verlaten ingedaagd en eventueel verbannen moesten worden. In Utrecht werden echter in het geheel geen verstekprocedures gevoerd.
13Zie mijn hoofdstuk over vervolging wegens sodomie in mijn nog te publiceren dissertatie Sodoms Zaad in Nederland. Vervolging, sociale-organisatie en percepties van homoseksueel gedrag, 15e tot en met de 19e Eeuw.
14Vgl. T. van der Meer, ‘Zodoms zaat in de Republiek. Stedelijke homoseksuele subculturen in de achttiende eeuw’. In: G. Hekma en H. Roodenburg (red.), Soete Minne en Helsche Boosheit. Seksuele Voorstellingen in Nederland 1300-1800. Nijmegen, 1988, pp. 168-196.
15T. van der Meer, De Wesentlijke Sonde van Sodomie en Andere Vuyligheeden. Sodomietenvervolgingen in Amsterdam 1730-1811. Amsterdam, 1984, pp. 81-137.
16T. van der Meer, ‘Tribades on trial. Female same-sex offenders in late eighteenth century Amsterdam’. In: J. Fout (ed.), Forbidden History. The State, Society, and the Regulation of sexuality in Modern Europe. Essays from the Journal of the History of Sexuality. Chicago, London, 1992, pp. 189-210.
17Vgl. R. Dekker en L. van de Pol, Vrouwen in mannenkleren. De geschiedenis van een tegendraadse traditie. Europa 1500-1800, Amsterdam, 1989, pp. 78-96.
18Gemeente Archief Dordrecht, Oud Rechterlijk Archief 312 Criminele Papieren, dossier Matthieu Nolthé. Zie ook noot 13.
19Zie Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek dl. 9 (1933), kol. 600.
21Jacob Campo Weyerman, Den Vrolyke Tuchtheer (1729), comm. A.J. Hanou, Amsterdam, 1978, deel I, p. 154.
23Al in 1721 zijn Utrechtse autoriteiten door ene Albert Quint, die wegens sodomie ter dood werd veroordeeld, geïnformeerd over homoseksuele praktijken in de omgeving van de Dom en elders in hun stad. Gemeente Archief Utrecht 2236 Criminele Sententien 1713-1727, 930-933. Er zijn geen processtukken bewaard gebleven. Tezelfdertijd deponeerde een getuige verklaringen over Gillis van Baaden bij de rechtbank. Van Baaden was in 1730 de eerste arrestant. Zie Gemeente Archief Utrecht, Rechterlijk Archief 2244 Criminele Papieren 1730 1, dossier Van Baaden, 19-1-1730. De deposities zijn niet bewaard gebleven.
24Europische Mercurius (1730) I, pp. 265, 283.
25Algemeen Rijks Archief, Hof van Holland 5661 Criminele Sententien, fo 103 r.
26Europische Mercurius (1730) I, p. 265.
27Zie bijvoorbeeld Bedenkingen II, p. 4.
28Vgl. bijvoorbeeld D. Bailey, Homosexuality and the western Christian Tradition, London, 1955; J. Brundage, Law, Sex, and Christian Society in Medieval Europe, Chicago, London, 1987; P. Payer, Sex and the Penitentials: The Development of a Sexual Code, 550-1150, Toronto 1984.
29Alleen op de synode van Drente in 1602 waar gesproken werd van ‘vele sodomitische sonden ende andere vleschelike lusten’. M.J.A. de Vrijer, ‘De storm van het crimen nefandum in de jaren 1730-1732’. In: Nederlandsch archief voor kerkgeschiedenis 25/26 (1933), pp. 199-200.
30Deze waarneming berust deels op mededelingen van anderen. Zie ook H. Roodenburg, Onder censuur. De kerkelijke tucht in de Gereformeerde Gemeente van Amsterdam, 1578-1700, Hilversum, 1990, p. 279.
31De predikant Henricus Carolus van Byler, die in 1731 zijn berucht geworden Helsche boosheit of grouwelyke zonde van sodomie publiceerde, had aan de vooravond van de vervolgingen in een ander werk van zijn hand, dat een preek over Sodom bevatte, bijna met geen woord over de feitelijke zonde gesproken. H.C. van Byler, Heilige mengelstoffen uit de rolle van het Oude en Nieuwe Testament opgemaakt en doorgaans met verscheidene outheit en geschichtkundige aanmerkingen verrijkt, Groningen, 1730, pp. 247-480.
32D. Haks, ‘Libertinisme en Nederlands verhalend proza, 1650-1700’. In: G. Hekma en H. Roodenburg, a.w., pp. 85-108.
33Journal of Homosexuality 19 (1990) 2, pp. 11-45.
34Voor het in 1641 anoniem gepubliceerde The life and death of John Atherton Lord Bishop of Waterford and Lysmore, zie A. Bray, Homosexuality in Renaissance England, London, 1982, p. 14. In 1642 werd eveneens anoniem The arraignment and conviction of Mervin, Lord Audley Earl of Castlehaven gepubliceerd. De Europische Mercurius, 1730, 1e deel, pp. 282-283 bevat een vertaling over dezelfde zaak, naar zeggen van de auteur ontleend aan The history of the most remarkable trials in Great Britain and Ireland, in capital cases, 1716, vol. II. Zie voor de zaak tegen Castlehaven o.a. C. Bingham, ‘Seventeenth century attitudes toward deviant sex’. In: Journal of interdisciplinary history 1 (1971), pp. 447-468.
35B.R. Smith, Homosexual desire in Shakespeare's England. A cultural poetics, Chicago [etc.], pp. 209-223; G.W. Bredbeck, Sodomy and interpretation. Marlowe to Milton, Ithaca [etc], 1991, pp. 56-77. Beide boeken laten zien dat in Engeland sodomie uitvoerig in de literatuur aan de orde kwam. Zie ook de special issue ‘Homosexuality in Renaisaance and Enlightenment England: Literary Representations in Historical Context’, ed. C.J. Summers, van de Journal of Homosexuality 23 (1992), nos 1/2.
36Gooswijn de Wilde was vermoedelijk het slachtoffer van een politieke controverse met Bengaert Say, procureur-generaal van Holland en Zeeland. De Wilde die tot dan toe ontkend had, kreeg vlak voor zijn excutie de keus tussen bekennen en de dood door het zwaard of, indien hij bij zijn ontkenningen zou blijven, de vuurdood. Hij koos voor het eerste. Zie R.I.A. Nip, ‘Bengaert Say, een 15de eeuws ambtenaar’. In: Holland 15, pp. 65-77 en G. Kuijk, R. Valens Nip, ‘Saeye zonden’. In: Groniek 16 (1982) 78, p. 1721.
37Geciteerd bij Van Byler (1731) a.w., p. 78.
38Het gedicht ‘De Capitolo Sopra il Forno’ staat afgedrukt in de Europische Mercurius (1730) dl. I, p. 277. De Utrechtse theoloog Gisbertus Voetius zou om de papisten ‘te overtuigen’ een exemplaar van het boek waarin dit gedicht verschenen was in de ‘boekzaal’ in Utrecht hebben ondergebracht, maar volgens een andere zeventiende eeuws predikant, Johannes d'Outrein, hadden de Fransen het bij de inval in 1672 meegenomen ‘op dat de gereformeerde geen gelegenheid meer souwden hebben van aan het Pausdom dat schandelijk schrift te verwijten.’ Volgens latere auteurs was dit verhaal een mythe. De predikant Johannes Fruitier verbaasde zich er in het begin van de achttiende eeuw juist over dat de Fransen het boek niet hadden meegenomen. In een artikel over een ander werk van Della Casa in de Republyk der Geleerden van 1715 schreef de recensent dat hij het boek waarin het gedicht verschenen was zelf in handen had gehad. Het gedicht zou helemaal geen lofzang op de sodomie zijn en - tegendraads - ‘de tydt vereischt, Godt dank, tegenwoordig niet, dat men het Pausdom met onwaarheden dient zwart te maken.’ Voor verwijzingen vgl. noot 13.
39Idem, p. 73; Volgens de Europische Mercurius (1730), dl. I, p. 275 en dl. II, pp. 289-300, was dit verhaal een sprookje.
40Met vele anderen meende Weyerman dat het vooral monniken en nog meer in het bijzonder Jezuiten waren die zich in sodomie verliepen. Zie bijvoorbeeld Bedenkingen II, pp. 29-41. Hij wilde het onderwerp van de ‘mytersodomiten’ (bisschoppen) laten rusten omdat dat al uitvoerig in het recentelijk gepubliceerde Sodoms Zonde en Straffe (van Leonardus Beels - zie noot 46) aan de orde was gesteld. Idem, p. 82.
41Aangehaald bij H. Lewandowski en P.J. van Dranen, Beschavings- en zedengeschiedenis van Nederland, Amsterdam, 1933, p. 265.
42Vgl. noot 13. Voor het citaat, zie doodvonnis wegens sodomie in 1682 Gemeente Archief Rotterdam Oud Rechterlijk Archief 250 Crimineel Sententieboek, 200 r-v. In latere vonnissen werd in Rotterdam dezelfde formulering gebruikt.
43Resolutien Staten van Holland en Westvriesland (1730), p. 430.
45Groot Placaetboek, Sesde deel, 1746, p. 605.
46Leonardus Beels, Sodoms zonde en straffe of streng wraakrecht over vervloekte boosheit, Amsterdam, 1730; Hendricus Carolus van Byler, Helsche boosheit of grouwelyke zonde van sodomie, Groningen, 1731, Tako Hajo vanden Honert, De grouwelikheid en verfoeyelikheid der hoerery, wegens de nu doorgebrookene schandelijkheeden ter waarschouwing voorgestelt, Leiden, 1730; Albertus Royaards, Nodige en tydige waarschouwing aan Sodoms grouwelyke zonde en vreeselyke straffe, Nijmegen, 1731. Van het werk van Duitstalige auteurs over Sodom, dat overigens niet direct gerelateerd was aan de vervolgingen, verschenen tegelijkertijd vertalingen. Zie Coenraat Mel, Het gruwlyk Sodom gestraft, Amsterdam, 1731; J.F. Ostervald, Verhandeling tegen de onkuischheit, Amsterdam, 1730.
47Zie Amsterdamse Courant, 29 juli, 3 augustus en 31 oktober 1730. Zie ook noot 40.
48Europische Mercurius (1730) dl. II, p. 289.
49A.G. van der Steur, ‘Vliegende blaadjes uit 1730,’ in G. Hekma, D. Kraakman, M. van Lieshout, Goed verkeerd. Een geschiedenis van homoseksuele mannen en lesbische vrouwen in Nederland, Amsterdam, 1989, pp. 45-48. J. Schenk, ‘Homoseksualiteit in de Nederlandse beeldende kunst voor 1800,’ in Spiegel Historiael, 17 (1982) 11, pp. 576-583.
50Het Hof van Holland ontbood in 1730 na de eerste executies de Haagse boekdrukker Van Santen omdat hij in de Antwerpsche Courant geadverteerd had met een door hem gedrukte kopie van de citaties in Amsterdam. Het Hof nam het gedrukte in beslag en gebood hem dergelijke publikaties te staken en dreigde anders tegen hem op te treden ‘op een wyze die hem onaangenaam soude zyn.’ Van Santen wist zich van de prins geen kwaad en zei dat dergelijke drukwerken in alle provincies in omloop waren. Algemeen Rijks Archief, Hof van Holland 291 Resoluties, 5 juli 1730.
51Alle de copyen van indagingen als mede alle de gedichten op de tegenwoordige tyd toepasselyk, 1730, 2 dln; Schouw-toneel soo der geëxecuteerde als ingedaagde over de verfoeijlijcke misdaad van sodomie, Amsterdam, 1730, 2 dln.
52Van Byler (1731) a.w., Voorbericht, pp. 29-30.
53Zie bijvoorbeeld D. Greenberg, The construction of homosexuality, Chicago [etc.], 1988.
54W. Frijhoff, ‘Seksualiteit en erotiek in de achttiende eeuw: een slotbeschouwing’. In Documentatieblad Werkgroep Achttiende Eeuw 17 (1985) l, pp. 205-207. Vgl. A. Blok, ‘Epiloog. Naar een historisch-antropologisch onderzoek naar seksualiteit,’ in G. Hekma en H. Roodenburg a.w., pp. 255-261; D. Halperin, One hundred years of homosexuality and other essays on Greek love, New York [etc.], p. 9.
55Nadere bedenkingen over het straffen van zekere schandelyke misdaad, Amsterdam, 1777, p. 31.
57Bedenkingen I, pp. 2-8.
58M. Bouman, ‘Het verbod op de vrijmetselarij in 1735. Een herziene analyse van de motieven’. In: Skript 9 (1988), pp. 143-153.
59R. Trumbach, ‘Sodomy transformed: aristocratic libertinage, public reputation and the gender revolution of the 18th century’. In: Journal of homosexuality, 19 (1990) 2, pp. 105-124.
62Europische Mercurius (1730) dl. I, pp. 296-297.
63In 1715 had een chanteur in Amsterdam beweerd dat er in de ‘raet’ sodomieten zaten. Gemeente Archief Amsterdam 5061-372 Confessieboek, fo 116 r-119 r. Klaas Vermeulen pleegde in 1731 na een eerste verhoor, waarin hij alleen geïdentificeerd was als een inmiddels bij verstek verbannen sodomiet, zelfmoord. Gemeente Archief Amsterdam 5061-388 Confessieboek, fo 66 v-67 r. Twee jaar later deed een anonymus zijn beklag bij het Hof van Holland over de Amsterdamse rechtbank en beweerde dat Vermeulen was vermoord. Algemeen Rijks Archief, Hof van Holland 5432 Criminele Papieren.
64Gemeente Archief Amsterdam 5061-538 Secreet Confessieboek, p. 22. De klasse- of standenkwestie loopt als een rode draad door de vervolgingen heen. Enerzijds ontleenden sommigen daaraan een zekere legitimatie voor hun gedrag en een enkeling baseerde daarop zijn verzet tijdens een proces. Terwijl rechtbanken er veel aan gelegen lag tenminste de schijn van rechtsgelijkheid op te houden, ontsnapte vrijwel elk individu uit hogere klassen aan een directe confrontatie met de rechtbank. In die gevallen waarin wel een veroordeling werd uitgesproken was die gewoonlijk veel lichter dan die van mensen uit lagere klassen. Dat leidde dan weer tot gemor onder de bevolking. Vgl. noot 13.
65P. Burke, Popular culture in early modern Europe, repr. 1988, pp. 24-25.
68P. Burke a.w., pp. 65-77.
69Vgl. noot 13. Zie ook R. Trumbach, ‘Gender and the homosexual role in modern western culture: the 18th and 19th centuries compared’. In: A. van Kooten Niekerk, T. van der Meer (eds.), Homosexuality, which homosexuality?, Amsterdam [etc.], 1989, pp. 149-170.
70M. Rocke, Male homosexuality and its regulation in late medieval Florence, Vol. I & II, 1990. Ongepubl. dissertatie. Ik heb gebruik gemaakt van een door U.M.I. Dissertation Information Service (Ann Arbor) geproduceerd exemplaar. Een herschreven versie zal in 1993 bij Cambridge University Press verschijnen.
71Zie noten 59 en 69. Ook R. Trumbach, ‘Sodomitical subcultures, sodomitical roles, and the gender revolution of the 18th century: the recent historiography,’ in Eighteenth-Century life 9 (1985) 3, pp. 109-121 en ‘The birth of the Queen: Sodomy and the ermergence of gender equality in modern culture 1660-1750’. In: M. Duberman, M. Vicinus, G. Chauncey, Hidden from history. Reclaiming the gay and lesbian past, New York, 1989, pp. 129-140.
72D. Haks, Huwelijk en gezin in Holland in de 17de en 18de eeuw. Processtukken en moralisten over aspecten van het laat 17de- en 18de-eeuwse gezinsleven, 2e dr. Utrecht, 1985, p. 138.
74De volledige titel was Sodom or The Quintessence of debauchery en het werk is toegeschreven aan John Wilmot, Earl of Rochester. Zie A. Bray a.w., p. 119, noot 74. Hoewel het werk in de zeventiende eeuw tweemaal en in 1727 voor een derde keer zou zijn herdrukt, zijn voor zover bekend alleen handgeschreven kopieën bewaard gebleven, o.a. in de bibliotheek van Princeton. (Vriendelijke mededeling Randolph Trumbach). Bray verwijst naar een getypt exemplaar in de British Library. Opvallend is dat Weyerman zegt een deel van het stuk gelezen te hebben in Gedichten op onderscheyde voorwerpen, by den zeer eerwaardige graaf van Rochester, gedrukt te Antwerpen. Ik ben nog niet in staat geweest dat te achterhalen. In een voetnoot geeft hij bovendien een stukje uit de Engelse tekst. Bedenkingen II, pp. 77-78.
77T. Laquer, Making sex. Body and gender from the Greeks to Freud, Cambridge [etc], 1990.
80Zie Gemeente Archief Rotterdam, Oud Rechterlijk Archief 250 Crimineel Sententieboek, fo 118 v-121 r.
81Justus van Effen, De Hollandsche Spectator, tweede deel, no. 39, p. 71. Leo Boon (‘Dien godlosen hoop van menschen’. In: M. Duyves, G. Hekma, P. Koelemij, Onder mannen, onder vrouwen. Studies van homosociale emancipatie, Amsterdam, 1984, p. 65) schreef ten onrechte dat deze passage op sodomieten sloeg.
83Gemeente Archief Utrecht, Rechterlijk Archief 2244 Criminele Papieren 1750 1, kopie verhoor uit Delft van Jan ten Engel, 18-5-1750.
84F.L. Kersteman, Hollandsch rechtsgeleert woordenboek, Amsterdam, 1768, p. 528.
85R. Trumbach (1985) a.w.; W. Frijhof a.w., p. 200.
|
|