De betekenis van de Nederlandse familienamen


auteur: P.J. Meertens


bron: P.J. Meertens, De betekenis van de Nederlandse familienamen. A. Rutgers, Naarden 1941  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 4]

Inleiding

In tegenstelling met andere landen, vooral met Duitsland, dat tal van dikwijls zeer omvangrijke publicaties bezit over de familienamen en hun betekenis, vindt men voor ons land over dit toch zo belangrijke en boeiende onderwerp betrekkelijk maar weinig litteratuur. De Friese medicus en oudheidkundige Johan Winkler (1840-1916) heeft in 1885 een studie over De Nederlandsche geslachtsnamen in oorsprong, geschiedenis en beteekenis uitgegeven, die nog altijd niet alleen het standaardwerk, maar tegelijk het enige boek is, waarin men een algemeen samenvattend overzicht vindt over de Nederlandse familienamen. Winkler heeft dit werk in 1900 nog aangevuld met een bundel Studies in Nederlandsche namenkunde, de vrucht van voortgezet onderzoek in een studieveld, waarvoor deze geleerde als geen ander vóór en na hem zich verdienstelijk heeft gemaakt. Wat sindsdien op dit gebied is verschenen, beperkt zich tot tijdschriftartikelen en kleine publicaties, en gaat grotendeels op het werk van Winkler terug.

 

Veilig kan men dus konstateren dat de studie der familienamen hier te lande een verwaarloosd, liever gezegd een nauwelijks ontgonnen terrein is. Dit is daarom te meer te betreuren, omdat het hier een wetenschap geldt die in het groter verband van het anthropologisch onderzoek van niet te miskennen betekenis is. Zoals hierna uitvoeriger zal worden uiteengezet, verraden nl. tal van familienamen terstond hun plaats van herkomst. De in Zeeland inheemse namen zijn

[p. 5]

geheel anders dan die men in Groningen of in Limburg vindt, en een Noordhollandse familienaam valt in het Gelderse terstond op als niet-Gelders. Ik behoef niet te zeggen, van hoe grote en vèrreikende betekenis het zou zijn, indien we een volledig overzicht bezaten van de geografische verspreiding der Nederlandse familienamen. Het zou aan de hand van deze gegevens a.h.w. met één oogopslag duidelijk worden, hoe groot het Vlaamse, hoe groot het Friese element in ons volk is, welke bevolkingsgroepen de neiging bezitten om uit te zwermen, welke meer hokvast blijven. Zo verdient naast het dialect- en het volkskunde-, naast het archaeologisch en het toponymisch onderzoek ook dat der familienamen een plaats, als een onmisbare schakel in de keten der onderzoekingen betreffende verleden, aard en samenstelling van ons volk.

 

Alhoewel de familienaam pas in het begin van de 19e eeuw bij de invoering van de Burgelijke Stand een staatsrechterlijk karakter heeft gekregen, zijn de familienamen als zodanig enkele eeuwen ouder. In de geschiedenis der mensheid zijn ze betrekkelijk jong, dat is te zeggen nog geen duizend jaar oud. De oudheid en ook de vroege middeleeuwen kenden ze niet; eerst tegen het jaar 1000 vinden we er de eerste sporen van, en wel in Italië. Vandaar is het gebruik, dat de leden van eenzelfde geslacht zich met dezelfde naam noemden, in de Germaanse landen overgenomen, waarschijnlijk via Zwitserland. De adel gaf uiteraard het voorbeeld hierin. Gedreven door stambewustzijn namen de edelen allengs de gewoonte aan, zich naar hun gemeenschappelijke stamvader te noemen. Geleidelijk volgden de ministerialen, de burgers en tenslotte ook de horigen hun voorbeeld.

Er zijn echter stellig nog andere factoren behalve deze familietrots, die het ontstaan van de familienamen in de hand hebben gewerkt. In een kleine, besloten gemeenschap heeft deze naam geen reden van bestaan.

[p. 6]

In een gezin, in een vriendenkring weet iedereen wie Piet of Kees is. Zijn er meer Pieten en Kezen, b.v. in een dorp, dan volstaat het om te spreken van Piet de smid of Kees van de bakker, en iedereen weet onmiddellijk wie daarmee bedoeld wordt. Nog altijd zijn op het platteland en in niet te grote dorpen familienamen ongebruikelijk en zelfs in vele gevallen behalve bij de betrokkenen zelf onbekend. Eerst wanneer de gemeenschap groter wordt en tot een stad uitgroeit, zijn ze onontbeerlijk. De oudste sporen van familienamen in deze landen vindt men dan ook in de steden, en wel in die steden die in de middeleeuwen de grootste bevolking bezaten. In de 14e en 15e eeuw hadden de burgers van Gent en Brugge bijna allen geslachtsnamen, waaraan in die tijd in een veel kleinere en minder betekenende stad als Amsterdam nog geen behoefte bestond. Eerst in de 16e eeuw, wanneer Amsterdam als handelscentrum betekenis gaat krijgen, vinden we hier familienamen meer en meer in gebruik komen, al had de kleine burgerij in de 17e en zelfs in de 18e eeuw er nog geen nodig. Terwijl het zowel in Deventer als in Nijmegen in de 14e eeuw al ongewoon was, een persoon alleen met zijn voornaam te noemen, is dit in dezelfde tijd in een stad als Middelburg nog heel gebruikelijk. Worden in Deventer op het eind der eeuw vooral personen uit de dienstbare stand met hun doopnaam genoemd, in dezelfde tijd is in Zieriksee de aanduiding met de voornaam zonder meer nog de meest gebruikelijke. Hoewel het materiaal voor een onderlinge vergelijking niet in voldoende voorraad aanwezig is, om er vaststaande gevolgtrekkingen uit te kunnen maken, schijnt het toch dat de familienamen zich in Westeuropa van oost naar west hebben bewogen, en het laatst aan de Noordzeekust worden gevonden.

Tot diep in de vijftiende eeuw is er in de erfelijkheid van de familienamen nog niet de minste regelmaat te bespeuren. Herhaaldelijk noemen de zoons

[p. 7]

van eenzelfde vader zich met verschillende familienamen, of wel nemen enkelen de familienaam aan, die ook hun vader droeg, terwijl anderen volstaan met het patronimicum. Een sterk voorbeeld daarvan is dat van de vijf zoons van Goeswinus Cnode uit 's-Hertogenbosch (1408), die alle vijf verschillende achternamen voerden: Goeswinus Cnode, Johan Bye, Ghisbertus Bac, Theodoricus Posteel en Laurentius Volkaert.1). Van de drie zoons van een zekere Luyt uit Amsterdam (2e helft 15e eeuw) noemen de eerste en de tweede, die beiden huidenkoper werden, zich naar hun beroep: Willem Luytsz Huydecoper en Meyndert Luytsz Huydecoper; de derde noemt zich Jacob Luytsz zonder meer. Elk van deze drie broers krijgt een zoon; de namen van deze neven zijn respectievelijk Antonis Willemsz Bontekoe (zeepzieder ‘in de Bonte Koe’ op de Zeedijk, † 1594), Luyt Meyndertsz Huydecoper (korenkoper) en Lucas Jacob Luytszoonsz (houtkoper, 1540-1569). De drie zoons van de Amsterdamse korenkoper Jan Jansz (zoon van Jan Pledtser) noemen zich Willem Jansz Brouwer († 1566), Jan Jansz Pledtser († 1567) en Dirck Jansz Louw († 1561).

Ter aanvulling enkele voorbeelden uit Zieriksee. Willem Simonsz, ambachtsheer van Stavenisse en Cromstrijen (1498-1557), zoon van Simon Maarten Simonsz, heeft tien kinderen, die allen Cromstrien heten, behalve een der zoons, die Cornelis Stavenisse (1529-1575) heet en als zodanig de stamvader wordt van een aanzienlijk Zeeuws regentengeslacht. Een ander invloedrijk Zierikseeënaar, Jan Anthonisse (1520-1588), lakenkoper, had negen kinderen, waaronder drie zoons, die ieder de stamvader werden van een invloedrijke Zeeuwse familie. Zijn zoon Jan Anthonisse de Jonge (1546-1617), aanvankelijk Jonge Jan Jan Anthonisse genoemd, was de eerste drager van de familienaam de Jonge en grondvestte het geslacht, waaruit vele staatslieden zijn voortgekomen. Een jongere broer

[p. 8]

Mr. Hubrecht Jan Anthonisse (1565-1618) komt sinds het einde der eeuw voor als Hubrecht Janszoon geseit Steengracht en wordt de stamvader van het eveneens bekende regentengeslacht Steengracht.

Nog in de achttiende eeuw vinden we een geval vermeld van een Doopsgezind vermaner Willem Jansz Schoen uit Wormerveer, wiens drie zoons respectievelijk onder de namen Melis Willemsz Lakeman, Dirck Willemsz Breeuwer en Jan Willemsz Blauw werden gedoopt.

Soms noemt een zoon zich zowel naar zijn vader als naar zijn moeder; zo Simon Abbe Jan Pontenz (1467-1550?) uit Amsterdam, zoon van Jan Pont en N. Simonsdr Abbe. De oudste zoon van Simon noemt zich Jan Pont († 1542), de tweede zoon Ysbrant Simonsz Abbe († 1559), de derde Marten Simonsz Abbe, genaamd Schuyt. Hier zien we dus het geval dat de oudste zoon zich naar zijn vader, de tweede naar zijn moeder en de derde zich eveneens naar zijn moeder noemt, maar tegelijk een nieuwe familienaam aanneemt.

Dat kinderen zich naar de moeder noemen komt herhaaldelijk voor, vooral wanneer de familie van de moeder voornamer was dan die van de vader of - men kan ook zeggen: en dientengevolge - in tegenstelling tot de familie van de vader al een geslachtsnaam bezat. Zo trouwde een dochter van de zojuist genoemde jonge Jan Pont, Trijn Jansz Pont (geb. 1525) met Pieter Claesz. Een uit dit huwelijk geboren zoon noemt zich Jan Pietersz Pont († 1601). De Amsterdamse vroedvrouw Oetgenmoer (moer = vroedvrouw) (± 1420-1486), de stammoeder van het bekende regeringsgeslacht Oetgens had een dochter Oetgen Oetgens, die met Claes Jacobsz trouwde. De zoon uit dit huwelijk noemde zich Frans Claesz Oetgens (± 1490-± 1550). Van de kinderen van Mr. Gerrit Boel (± 1485-1562), secretaris van Amsterdam, noemen de eerste en de derde zoon zich naar hun moeder Persijn,

[p. 9]

de tweede, die eveneens secretaris van Amsterdam is geweest, noemt zich evenwel Boel. De naam van de Amsterdamse regentenfamilie Boelens heeft zich niet voortgezet door de oudste zoon van de stamvader, maar door diens dochter Lijsbeth. Alhoewel deze met een Amsterdams burgemeester, Cornelis Hendricksz Loen was getrouwd, namen haar kinderen toch de naam van hun moeder aan. In bepaalde families schijnt het zelfs een traditie te zijn dat de kinderen zich steeds weer naar de moeder noemen. Zo heten die van de Amsterdamse chirurgijn Pieter Thijsz (midden 16e eeuw) evenals hun moeder Schrijver. Een van deze kinderen, Thijs Pietersz Schrijver (geb. 1548) heeft een zoon Philip Thijsz, die zich naar zijn moeder Philip Thijsz de Bisschop noemt. Een andere zoon, Hendrick Pietersz Schrijver, heeft een zoon Jan Hendricksz, die zich naar zijn moeder Jan Hendricksz Soop noemt. Men vindt in Elias' Vroedschap van Amsterdam, waaraan deze voorbeelden ontleend zijn, tal van soortgelijke en dikwijls onverklaarbare gevallen vermeld. Ter aanvulling nog enkele voorbeelden uit Zieriksee. Hier noemde de oudste zoon uit het huwelijk van Cornelis Willemse de Keijser (1550-1623) en Neeltje Cornelis Huigense Mulock zich Willem de Keijser, een jongere zoon echter Cornelis Mulock. Beiden werden de stamvader van een regentenfamilie, die oorspronkelijk ook eenzelfde wapen voerden, tot in de achttiende eeuw de Mulocks een nieuw wapen aannamen. Uit het huwelijk van een ander Zierikseesch patriciër, Joris Pieterse (geb. ± 1555) met Maria van Rijswijk noemden alle elf kinderen zich naar de moeder, klaarblijkelijk omdat de vader nog geen familienaam had.

Ook komt het voor dat kinderen zich naar de grootmoeder noemen. Zo werden uit het huwelijk van de Amsterdamse schepen Pieter Bicker (zoon van Meeus Doos Dircksz en Aef, dochter van Jan Bout) en Ael Duynen (dochter van Albert de Veer en N. Duyn) vier

[p. 10]

dochters en drie zoons geboren. Alle vier de dochters heten Bicker, maar de zoons noemen zich respectievelijk Mr. Albert de Veer (geb. 1462) (dus naar zijn grootvader van moederszijde), Willem Duyn (± 1470-1522) (naar zijn moeder) en Jan Bout (1476-1516) (naar zijn grootmoeder van vaderszijde, eigenlijk naar zijn overgrootvader van vaderszijde). Ook hiervan vinden we een voorbeeld in Zieriksee, en wel uit het midden van de zeventiende eeuw. Uit het in 1647 gesloten huwelijk van Cornelis 't Gasthuys (zoon van Adriaan Jacobse 't Gasthuys en Jacomina Boeye) met Maria de Groote noemen de oudste twee kinderen zich 't Gasthuys, maar de jongste drie naar hun grootmoeder Boeye, onder welke naam trouwens ook een van de oudste dochters bij haar huwelijk optreedt. Ook hier heeft het aanzien van de familie Boeye stellig een rol gespeeld bij de naamgeving. In een Amsterdams regentengeslacht vinden we een IJsbrant Albrechtsz, zoon van Albert Cornelisz Brouwer († 1575), die zich zelfs naar een half-oom, IJsbrant Jansz Ben, eveneens IJsbrant Albrechtsz Ben noemde. Duidelijk blijkt uit deze voorbeelden, hoe weinig men in de zestiende eeuw nog in de familienaam het uiterlijke symbool voelde van een familie-eenheid, waarop men zich maar al te zeer liet voorstaan zodra het financiële aangelegenheden betrof.

In 1600 droeg nog maar 14% van de Amsterdamse bruidegoms een familienaam - van de Amsterdamse bruidegoms van Zuidnederlandse afkomst daarentegen 80%. Duidelijk blijkt uit deze cijfers, hoeveel vertrouwder de Vlamingen en Brabanders met het instituut van de geslachtsnaam waren dan de bewoners van de Noordelijke Nederlanden. Eerst in de loop van de zeventiende eeuw werd de gewoonte om vaste, erfelijke familienamen aan te nemen in Amsterdam en de andere steden van Holland en Zeeland algemeen gebruikelijk.

Een aardige illustratie daarvan vindt men in de klucht

[p. 11]

van Pieter Bernagie, De belachchelyke jonker (1684), waarin de auteur een Amsterdamse tegen haar uit Indië gerepatrieerde broer laat zeggen:

 
Jy zult zo veel in deeze Stad
 
Veranderdt vinden, datje verstomt zult staan kyken,
 
't Zal je 't zelfde Amsterdam,
 
noch het zelfde volk gelyken.
 
Ik heb nou al meê, als alle de luyden een Van,
 
Die geen bynaam heeft kan niet meê,
 
daar aan kend men de Man.
 
Zoo menige Poep, en Knoet,
 
die hier op strowisschen zyn komen gedreeven,
 
Hebben 'er zelf wytse Naamen,
 
en Wapens gegeeven.
 
Al liepje de gansche dag,
 
de halve Stad in het rond,
 
Ik wed, datje kwaalyk één van je Vrienden,
 
of van haar Kinderen vond.
 
In 't opzoeken zou jy je vinden byster verleegen,
 
Zy hebben al meê andre naamen gekreegen.

Hoe algemeen dit gebruik in de loop der zeventiende eeuw ook mag zijn geworden, toch vond men in de dagen van Aagje Deken en Betje Wolff onder de kleine burgerij er nog velen, die geen vaste familienaam bezaten. In Sara Burgerhart (1782) vertelt de eerzame Pieternelletje Degelijk hoe zij aan haar van is gekomen: ‘Toen ik daar zoo bij men heer zat thee te drinken, dacht ik nog om je grootvader, Pieter Burgerhart. Die is nog bij gelijks mijn dooppeet: want ik hiette maar Pieternelletje Pauwls, en ik had zoo een dingsigheid om ook een van te hebben; en toen zei je grootvader: kom meid, we zullen je Pieternelletje Degelijk noemen; 't heugt mij nog klaar; ik lei het pampier in de etenskast in men keuken, en grootvader deedt zijn schoenen nog aan, en hij lachte dat hij schudde, omdat ik zoo blijde was met men van.’

Op het platteland waren geslachtsnamen nog minder

[p. 12]

nodig dan in de steden, vooral door de reeds genoemde geringe bevolkingsdichtheid. Bovendien was de naam van de hofstede belangrijker dan die van het geslacht, dat deze bewoonde. Vandaar dat vooral in Saksisch Nederland de hoeve haar naam gaf aan de familie, die haar erfelijk in bezit had. Daarentegen vindt men in Zwitserland al in het midden van de 13e eeuw een groot deel van de boeren, vrije zowel als horige, in het bezit van een familienaam, die geen verband houdt met de door hen bewoonde hoeve. Bij ons vond men op het platteland zelfs nog tot in de Franse tijd tal van personen, die zich ter onderscheiding doorgaans slechts naar een van de ouders, en dan meestal naar de vader, noemden, zelfs wanneer ze een familienaam hadden. Dit is trouwens, zoals we al opmerkten, doorgaans nog het geval; ook nu spreekt men er nog van Kees van Jan en van Trijntje van Klaas, en dikwijls weet men alleen op de burgerlijke stand, welke geslachtsnaam de betrokken persoon officiëel voert.

Eerst bij keizerlijk decreet van 18 Augustus 1811 werden de ingezetenen van Holland, die nog geen geslachtsnaam voerden, aangezegd om binnen de termijn van een jaar er een aan te nemen. De naaste aanleiding tot deze verordening was de conscriptie. Dat aan dit bevel nog niet algemeen gevolg werd gegeven, blijkt hieruit dat een koninklijk besluit van 8 November 1825 nogmaals aan deze verplichting moest herinneren, daar ‘het in sommige gedeelten des Rijks nog steeds plaats vindt om geen eigenlijken geslachtsnaam te voeren, maar integendeel veranderlijke bijnamen te dragen, en deze telkens, by verandering van woonplaats, met andere namen, die ontleend worden aan plaatsen of erven, welke opnieuw met der woon betrokken zijn, te verwisselen.’ Klaarblijkelijk heeft dit geholpen; van latere besluiten immers is niet meer sprake geweest1).

[p. 13]

Aangezien sindsdien dus zo goed als geen nieuwe namen meer aan de bestaande zijn toegevoegd, terwijl anderzijds de bevolking van ons land belangrijk is toegenomen, worden vele namen door een groot aantal personen, dikwijls vele duizenden, gedragen. Op de 800.000 inwoners van Amsterdam (waar een tiende deel van de bevolking van Nederland woont) komt de naam de Vries 7.000 maal voor, de naam de Jong 4.700 maal, de namen Bakker en Meijer (Meyer, Meier) 4.200 maal, de naam Visser 4.000 maal. De naam Jansen, die voor de meest voorkomende Nederlandse familienaam wordt versleten, staat in deze lijst echter pas op de zesde plaats met 3.600 vertegenwoordigers1). Dat juist de naam de Vries zo talrijk voorkomt in Nederland, is nog niet op afdoende wijze verklaard. Winkler zoekt de oorzaak in de veelvuldge emigratie van de Friezen en het feit dat zij door hun taal, hun kleding en hun zeden altijd iets aparts behielden in hun nieuwe omgeving, maar hij wijst zelf tegelijk op het zonderlinge feit, dat ook juist in Friesland zelf de naam zo veel voorkomt. In België schijnen de namen Janssen(s), Desme(d)t, Peeters, Declercq, (Declerc(k)), Devos, Lefèvre, Maes, Dubois en Vandenberg(h)(e) de grootste aantallen te bereiken2).

[p. 14]

Vooral in een kleine plaats, een dorp b.v., waar een talrijke familie van geslacht op geslacht verblijf heeft gehouden, kan dit aanleiding geven tot moeilijkheden. In bepaalde families te Westkapelle op Walcheren, b.v. de families Gabriëlse, Minderhout en Roelse, komen dezelfde voornamen zo dikwijls voor, dat ook de burgerlijke stand zijn toevlucht moet nemen tot de bijnamen van de ingezetenen, om hen behoorlijk uit elkaar te houden1). In mijn eigen familie droegen omstreeks 1890 vier leden, die allen in Middelburg woonden, de naam Karel Meertens; om zich van elkaar te onderscheiden voegden ze achter hun naam Sr., Jr., Pzn. en Rzn. Op de duur zal men van overheidswege maatregelen moeten treffen om het te grote aantal gelijkluidende namen tegen te gaan. In Duitsland is men daar al mee begonnen, door aan veel voorkomende familienamen als Schmidt, Müller, Meyer enz. de plaats van herkomst toe te voegen, waardoor namen als Schmidt-Bonn, Schmidt-Ernsthausen, Schmidt-Hoensdorf, Müller-Erzbach, Müller-Beeck, Meyer-Ranneft enz. ontstonden. Daarnaast bestaat het gebruik, de familienaam van de vrouw bij die van de man te voegen: zo noemde de Frankforter koopman Johann Jakob Hollweg zich na zijn huwelijk Bethmann-Hollweg. Vooral in Zwitserland is dit gebruik, met name onder het patriciaat van de oude steden, zeer geliefd. Het heeft zich van hieruit in de negentiende eeuw over Frankrijk en Duitsland uitgebreid. In Frankrijk zijn het vooral de handelskringen, die het overgenomen hebben, en ook in België en in de Rooms-Katholieke zuidelijke streken van ons land (Noordbrabant en Zeeuws-Vlaanderen) vindt men op tal van

[p. 15]

winkels dubbele familienamen geschreven, die op deze wijze zijn ontstaan.

 

Op een betrekkelijk gering aantal na zijn alle Nederlandse familienamen - hun aantal bedraagt volgens een globale schatting voor Noordnederland ongeveer 80.000 - terug te brengen tot vier groepen: I. Patronymica. II. Geografische namen, huisnamen en namen, ontleend aan uithangborden en gevelstenen. III. Beroepsnamen. IV. Namen, ontleend aan lichamelijke en geestelijke eigenschappen.

Het is onnodig, buiten deze vier nog andere groepen te onderscheiden, zoals Johan Winkler deed. Dat familienamen aan het dieren-, het planten- of het delfstoffenrijk, aan natuurverschijnselen, aan namen van spijzen, dranken, kledingstukken, munten, geldstukken, maten en getallen, enz. ontleend zouden zijn, is immers niet waarschijnlijk, indien we hieronder althans een rechtstreekse ontlening verstaan. Het is veel waarschijnlijker - zoals Winkler trouwens zelf al opmerkte - om deze namen bij een van de vier bovengenoemde groepen in te delen, waarbij dan zal blijken dat de meeste tot de tweede groep gerekend zullen moeten worden. Het ligt voor de hand dat de familie Rozeboom haar naam niet rechtstreeks aan een rozenboom heeft ontleend, maar aan een huis ‘In den Rozeboom’. De talrijke geslachtsnamen, die aan namen van dieren ontleend schijnen te zijn, behoren grotendeels tot deze zelfde groep, of wel tot de eerste; verscheidene diernamen kwamen immers ook als Oud-Germaanse mansnamen voor Beer (Berend), Ever(t), Leeuw (Leendert), Arend, enz.).

Misschien kan er op deze plaats het best op gewezen worden, dat zomin als men van een woord buiten het zinsverband de betekenis met zekerheid kan aanwijzen, men dat van vele geslachtsnamen kan, indien men niet weet op welke wijze die zijn ontstaan.

[p. 16]

De namen Wolf of Vos b.v., die beide veelvuldig voorkomen, kunnen ontstaan zijn uit een Oud-Germaanse voornaam, de naam van een huis, dat een wolf of een vos als uithangteken droeg, of ze kunnen wijzen op bepaalde wolf- of vos-achtige eigenschappen van de stamvader. De familie (de) Koning kan haar naam ontlenen aan een schutterskoning, aan iemand die spottenderwijs (b.v. om zijn hoogmoed) koning werd genoemd, of aan het huis ‘In den Koning’. Hetzelfde geldt voor namen als (de) Priester (iemand die priester was, of die de priesterrol placht te vervullen in een rederijkersgilde), Paap, Monnik, (de) Graaf, (de) Ridder, Bisschop, Jonker, enz. Uiteraard zal doorgaans niet meer zijn uit te maken, op welke wijze deze en andere namen zijn ontstaan.