terug  begin  verderprepost

Rochus Hoffer en zijn vrienden

Terwijl in Middelburg na het vertrek van Cats het letterkundig leven geen nieuwe opbloei meer heeft gekend gedurende de zeventiende eeuw, volgde in Zieriksee op de generatie van Van Borsselen en Hoffer een tweede geslacht van dichters-geleerden, waarbij echter, in tegenstelling tot de oudere dichters, meer het accent op de eruditie dan op de literatuur valt. Kan men Hoffers zoon Rochus als het middelpunt van deze jongere Zierikseeënaren beschouwen, zijn vriend de Leidse hoogleraar Boxhorn zou men hun genius kunnen noemen, in zoverre allen door banden van vriendschap met hem verbonden waren en met eerbiedige bewondering opzagen naar zijn wetenschappelijke talenten.

 

Marcus Zuerius Boxhorn

Marcus Zuerius Boxhorn (1612 - 1653) 857, van zijn één-en-twintigste jaar af professor aan de Leidse hogeschool, waar hij in 1648 de grote Daniël Heinsius zou opvolgen, stond met Zeeland in velerlei betrekkingen, waartoe de nabijheid van zijn geboorteplaats Bergen-op-Zoom aanleiding kan hebben gegeven. Al in 1632 had hij op trouwen gestaan met een meisje uit Vlissingen, maar dit huwelijk was afgesprongen; zeven jaar later trouwde hij met haar nichtje Susanna, een dochter van Pieter Joosse Duvelaar, die later burgemeester van Middelburg werd. Of dit huwelijk aanleiding werd tot zijn vriendschappelijke omgang met verscheidene geleerde en aanzienlijke Zeeuwen, dan wel omgekeerd deze Zeeuwse relaties er toe geleid hebben dat hij zich een Zeeuwse vrouw zocht, is niet uit te maken en trouwens ook van ondergeschikte betekenis. Uit de nagelaten brieven van Boxhorn 858 blijkt in elk geval dat hij vooral in Zieriksee en in Middelburg velen kende. Met geen van zijn Zeeuwse vrienden stond hij in een zo drukke briefwisseling als met Adriaen Hoffer, bij wie hij herhaaldelijk logeerde en die hem behulpzaam was bij de uitgave van zijn ‘Chroniick van Zeelandt’ (1644). Boxhorn werd, nadat hij in 1633 tot buitengewoon hoogleraar in de welsprekendheid was benoemd, in 1640 ordinarius en zag zich acht jaar later bovendien belast met het onderwijs in de geschiedenis. 3 October 1653 maakte de dood een einde aan zijn werkzaam leven; hij is niet ouder dan één en veertig geworden.

Behalve door zijn kroniek heeft Boxhorn ook door andere geschriften uiting gegeven aan zijn belangstelling voor Zeeland en de Zeeuwen. Had

[p. 365]

hij al in 1644 bij zijn onderzoek naar de haardracht der Hollanders ook de Zeeuwen betrokken 859, drie jaar later schreef hij twee verhandelingen over de Domburgse ‘afgodinne’ Nehalennia 860. Onder zijn Latijnse gedichten 861 vindt men er op de stad Zieriksee 862, op een dijkbreuk op Schouwen 863, op de beide Hoffers 864 en Baselius 865, en op de dissertatie van de Middelburgse regentenzoon Martinus Veth (1615 - ?) 866, wiens oudere broer Adriaen Veth (1608 - 1663) 867 hij in zijn opdracht der uitgave van Plinius' ‘Panegyricus’ (1632) een sieraad van Zeeland en van de wetenschappen had genoemd 868. Van de verhandeling ‘De termino vitae’ van Levinus Lemnius legde hij in 1638 een nieuwe uitgave ter perse.

Door toedoen van Hoffer heeft Boxhorn bij zijn bezoeken aan Zieriksee natuurlijk herhaaldelijk diens vrienden ontmoet. In een van zijn brieven verzoekt hij Hoffer, zijn groeten over te brengen aan de predikanten Udemans en Bruynvisch 869, in een andere schrijft hij dat Rochus Mogge hem een gedicht heeft gestuurd 870. De eerste zond hem een presentexemplaar van zijn ‘Geestelyck roer van 't coopmans schip’ (1638), waarvoor Boxhorn hem in vriendelijke bewoordingen zijn dank uitsprak 871.

Toen Rochus Hoffer in 1636 - hij was toen al één en twintig - in Leiden ging studeren, stelde de maar enkele jaren oudere Boxhorn zijn vrijgezellenhuis voor zijn Zierikseese vriend open. Twee jaar later werd ook de zeventienjarige student Jacobus Baselius van Bergen-op-Zoom hun huisgenoot; ook hij zou later een Zeeuw worden. Er is, voor zover die nog niet bestond, tussen dit drietal een hechte vriendschapsverhouding gegroeid, waaraan eerst Boxhorns vroege dood een einde heeft gemaakt.

 

Rochus Hoffer

Rochus Adriaensz. Hoffer (1615 - 1671)872 is na zijn studiejaren in Leiden - hij liet zich 7 November 1636 als student in de letteren inschrijven - naar zijn geboortestad teruggekeerd, waar hij de rest van zijn leven heeft doorgebracht. Bij zijn huwelijk, in September 1644, enkele maanden na de dood van zijn vader, was hij nog ambteloos. In de zomer van het volgende jaar maakte hij met Nicolaas Heinsius een reis naar Frankrijk, waarover ons verder geen bijzonderheden bekend zijn. In 1647 werd hij landrechter van Schouwen, en daarna achtereenvolgens, als zijn vader, schepen, raad, thesaurier en burgemeester van Zieriksee. Ook noemde hij zich heer van Bommenede, en was hij ouderling van de Gereformeerde gemeente. Als burgemeester was hij een der hoofden van de beide politieke partijen die daar, als elders in Zeeland, tegenover elkaar stonden. Zijn vrouw, Johanna Udemans (1621 - 1677), was een dochter van zijn vaders vriend, de bekende piëtistische predikant. Hoffer stierf op 19 Juli 1671, op vijf-en-vijftigjarige leeftijd.

Evenals de vader heeft ook de zoon zijn ambtelijke bezigheden afgewisseld met letterkundige en wetenschappelijke studie. Er zijn van zijn hand enkele werkjes verschenen, bovendien bezorgde hij de uitgaven van het nagelaten werk van enkele vrienden, en tenslotte ligt een groot aantal Nederlandse en Latijnse gedichten van hem verspreid over tal van dichtbundels en andere geschriften.

Hoezeer ook in de jonge Hoffer de theoloog leefde, blijkt uit zijn dichterlijke parafraseringen van twee profetische Bijbelboeken: ‘Poëtica prophetae Nahumi parephrasis’ (1661) 873 en ‘Paraphrasis poëtica in prophetiam Obadiae’ (1664) 874, de enige werkjes die Hoffer afzonderlijk heeft uitgegeven. Overigens bestaat zijn werk grotendeels uit lofdichten, alle in het Latijn, voor boeken van vrienden en kennissen. Men

[p. 366]

vindt er voor het ‘Geestelyck roer’ (1638) 875 en ‘Een salich nieuwe-iaer’ (1640) 876 van zijn latere schoonvader Udemans, voor de ‘Oratio de navigationibus ac commerciis Foederatorum Belgarum’ (1639) 877 en de ‘Geldersse geschiedenissen’ (1654) 878, beide van Arend van Slichtenhorst, voor de ‘Epistola ad Oxenstiernium’ (1639) 879 van Boxhorn en voor diens ‘Chroniick van Zeelandt’ (1644) 880, voor de uitgave van Claudius Salmasius' ‘Epistolarum liber primus’ (1656) 881, bezorgd door Antonie Clement 882, voor de ‘Sulpitius Belgicus’ (1656) 883 van Baselius, voor ‘Het boek Jobs, den Prediker, Spreucken en Hooghe-liedt Salomons’ (1658) 884 van Henrick Bruno, voor de uitgave van Catullus, Tibullus et Propertius (1659) 885 van Simon Abbes Gabbema, voor Servatius Gallaeus' vertaling van Lactantius' ‘Opera omnia’ (1660) 886, voor de ‘Historia et contemplatio sacra plantarum, arborum et herbarum, quarum fit mentio in Sacra Scriptura’ (1664) 887 van Adrianus Cocquius 888, voor de ‘Commentarius medicus, de aphthis nostratibus sive Belgarum sprouw’ (1669) 889 van de Zierikseese stadsdokter Vincent Ketelaer 890, bovendien voor werken van enkele van zijn zo aanstonds te noemen bijzondere vrienden, en wie weet voor welke andere boeken nog meer. Alle zijn in keurig, maar vlak Latijn geschreven, de traditionele dichterstaal die alle zeventiende-eeuwse geleerden konden schrijven, ook wanneer ze geen aasje dichterlijk talent bezaten. Zo leren we Rochus Hoffer uit al deze lofdichten meer kennen als een man van een brede eruditie, wat ook al uit zijn vriendenkring blijkt, dan als een literair begaafde 891.

Beter dan uit zijn nagelaten werk, dat alles en alles bij elkaar maar weinige vellen druks inneemt, leert men Rochus Hoffer uit zijn vrienden kennen. Behalve Boxhorn en misschien nog enkele van de geleerden, op wier werk of persoon hij een lofdicht schreef, komen in zijn vriendenkring vooral enkele dichters naar voren, met wie hij in zijn Leidse jaren vriendschap heeft gesloten. Het zijn François le Bleu, Caspar van Kinschot, Nicolaes Heinsius, Johannes de Vliet, Henrick Bruno en Jacobus Baselius. François le Bleu (1619 - ?) 892 is misschien een tijdlang zijn boezemvriend geweest; men zou dit althans opmaken uit de ‘Minne-vlam’ (1642), waarin Rochus Hoffer als de intimus optreedt, die met de jonge dichter de dood van zijn Amarillis betreurt 893. En beklaagt Hoffer zich in Leiden over de scheiding van zijn Kara, die hij te Zieriksee heeft moeten achterlaten, dan is het Le Bleu die deze klacht in een lied vertolkt 894. Er hangt over de verdere lotgevallen van deze misschien jonggestorven Leidse dichter een sluier; in Hoffers latere levensjaren speelt hij in elk geval geen rol meer.

De betrekkingen tussen Hoffer en zijn volle neef Kaspar van Kinschot (1622 - 1649) 895, de jonggestorven dichter, zijn waarschijnlijk al heel vroeg ontstaan door de familierelatie. In Leiden moeten zij elkaar nader hebben leren kennen en vriendschap gesloten hebben, zoals blijkt uit Van Kinschots verzen op Rochus' verjaardag 896 en op zijn reis naar Frankrijk 897. Van Kinschot ging in 1646 in het gevolg van het Nederlandse gezantschap mee, dat in Munster over de vrede ging onderhandelen, waarschijnlijk als particulier secretaris van een der gevolmachtigden, en men verwachtte veel van deze jonge jurist, die ook als Latijns dichter naam maakte. De dood brak ook dit leven af eer het tot volle wasdom was gekomen; nauwelijks zeven en twintig jaar oud stierf hij te Middelburg aan de tering.

Tot deze vriendenkring behoorde ook Nicolaes Heinsius (1620 - 1681) 898, de zoon van Daniël. Als elfjarige jongen werd hij al student, vijf jaar voordat Hoffer in Leiden aankwam, maar dank zij de vriendschap

[p. 367]

tussen de beide vaders hebben de zoons elkaar wellicht nog voordien ontmoet. De vriendschap die, wanneer dan ook, tussen hen is ontstaan, is na hun studentenjaren gebleven, al zullen de altijd zwervende Heinsius en de hokvaste Hoffer elkaar in hun latere leven wel niet veel meer ontmoet hebben. Enkele verzen van Hoffer op Heinsius, waaronder een lofdicht op de ‘Poëmata’ (1638) 899, die deze als jongen van zeventien al uitgaf, zijn het bewijs van deze vriendschap, die ook uit hun gemeenschappelijke reis naar Frankrijk 900 en uit Hoffers opdracht van zijn parafrase van Nahum blijkt 901.

De jongste, maar zeker niet de minst begaafde van Hoffers vrienden was Johannes de Vliet (1622 - 1666) 902, te Middelburg geboren als zoon van mr. Fabianus de Vliet en Susanna van Valckenburgh, een zuster van Cats' vrouw. Al in 1627 verhuisde Johannes met zijn ouders naar Den Haag, en behalve door zijn vriend Hoffer heeft hij in latere jaren geen connecties meer gehad met Zeeland. In 1637 en twee jaar later nog eens liet hij zich aan de Leidse universiteit inschrijven; in 1643 vestigde hij zich als advocaat in Den Haag en ving daarmee een loopbaan aan, die meer beloofde dan zij heeft gegeven. In zijn eerste publicatie, ‘Venatio novantiqua’ (1645), een wetenschappelijke uitgave van Gratius' ‘Cynegeticon’, schreven de vrienden Heinsius, Kinschot, Bruno en ook Hoffer 903 ieder een lofdicht. Ook de wat loszinnige, zeer begaafde De Vliet is niet oud geworden, maar heeft toch nog lang genoeg geleefd om met Hoffer in vriendschappelijke omgang te blijven verkeren. Bewijzen daarvan bezitten we evenwel niet.

De minstbetekenende van Hoffers Leidse vrienden is de zonderlinge Henrick Bruno (1617 - 1664) 904, die eerst als gouverneur bij de zoons van Constantijn Huygens, vervolgens als conrector aan de Latijnse school te Hoorn en tenslotte als ambteloos schrijver van Nederlandse en Latijnse verzen zich zo goed en zo kwaad als dat ging door het leven heeft geslagen. Zijn literaire nalatenschap valt meer op door de platte toon en de onbeduidende inhoud dan door haar letterkundige betekenis. Hoffer, die in 1636 in Leiden student werd, zal daar waarschijnlijk in aanraking zijn gekomen met de twee jaar jongere Bruno, die er echter al bijna twee jaar studeerde. Toen het deze later minder voor de wind ging, heeft de Zierikseese magistraat zijn jeugdvriend niet vergeten, maar naar het schijnt op royale wijze de rol van maecenas op zich genomen. Bruno spreekt er herhaaldelijk over met grote dankbaarheid, als in deze regels, waarin hij met een zinspeling op de Heilige Rochus, die de patroon tegen de pestziekte is, van Hoffer getuigt:

 
Ick was soo kael, dat ick geen veêr had in myn nest.
 
Ghy zijt Sint Rochus, ghy geneest myn beurs van pest 905.

In dank voor de geldelijke ondersteuning, waarvan de bohémien Bruno allerminst een geheim maakte, dichtte hij op zijn beschermheer tal van gelegenheidsgedichten in het Nederlands zowel als in het Latijn, die na zijn dood met andere gedichten in een bundel ‘Mengel-moes’ (1666), klaarblijkelijk nog door Bruno zelf voor de druk bezorgd, zijn uitgegeven. Aan Hoffer droeg hij het eerste deel van zijn verzameling op, ‘eenige papiere kinderen van allerhande stof, en ten goeden deele, zoo in uw' huys, als uwe hoff-stede, tot Burgh, in 't Landt van Schouwen, en elders geteeldt’ 906. Elke aanleiding greep Bruno dankbaar aan om zijn erkentelijkheid in een lied te uiten: de overlast van katten, die Hoffer in zijn huis ondervond, inspireerde Bruno niet minder dan de bruiloft van zijn gastheer 907. Men vindt in het bundeltje bovendien nog van Hoffer zelf drie kleine gedichten op Bruno 908, een lied op het achtste eeuwfeest van

[p. 368]

Zieriksee 909 en een op 's-Hertogenbosch 910, alle in Latijnse verzen. De laatste beide heeft Bruno in het Nederlands vertaald.

Men leert uit dit overigens volmaakt onbelangrijke dichtbundeltje vrijwel de hele Zierikseese patricische en intellectuele samenleving uit Hoffers dagen kennen. Niet alleen de milde burgemeester en zijn gezin deelde immers in Bruno's belangstelling, maar geheel zijn stad en zijn eiland 911. Ook aan Hoffers familieleden en vrienden wijdde de onverstoorbare en onvermoeide rijmelaar kortere of langere gedichten, die in omvang soms ver uiteenlopen, maar nooit in onbelangrijkheid 912. Aldus honoreerde hij de klinkende munt en de gastvrijheid, die de rijke burgemeester hem zo gul aanbood, met een aantal liederen waarmee de bezongenen zich waarschijnlijk allen min of meer vereerd zullen hebben gevoeld. De huisdichters, ons uit de achttiende eeuw zo bekend, zijn in Zeeland altijd een uitzonderlijke verschijning gebleven, maar onze Bruno is een zo volmaakt type van het genre, dat hij het gemis van tientallen anderen kan vergoeden. Men zou willen weten wat er in Hoffer is omgegaan, toen hij het gedrukte werk van zijn intussen gestorven beschermeling voor zich zag liggen, een opeenstapeling van vleierige lofdichten. Behoorde burgemeester Hoffer tot het type, dat zich door byzantinistisch gevlei gestreeld voelt, of heeft hij medelijdend geglimlacht over al die holle woordenpraal, over hemzelf, zijn gezin, zijn vrienden en zijn stad uitgestort? Men zou zijn eigen persoonlijkheid en vooral ook de aard van zijn verhouding tot Bruno beter moeten kennen om op deze vraag een antwoord te kunnen geven.

 

Herman Anthonisz. de Huybert

Mr. Herman Anthonisz. de Huybert (1593 - 1650) 913 een volle neef (broerskind) van mr. Anthonie Jansz. de Huybert, de vriend van Vondel, behoort wat zijn leeftijd betreft tot het geslacht van de oude Hoffer, maar het werk dat we van hem kennen dateert uit een zo late tijd, dat men hem met meer recht tot de kring van Boxhorn en de jonge Hoffer kan rekenen. Hij was, afstammeling van een van de aanzienlijkste Zierikseese geslachten, achtereenvolgens schepen (1618 - 1625), secretaris (1625 - 1644) en pensionaris (1641 - 1644) van zijn geboortestad, en in zijn laatste levensjaren raadsheer in het Hof van Holland (1644 - 1650), waarvoor hij Zieriksee moest verlaten. Hij was bevriend met Adriaen Hoffer, voor wiens ‘Nederduytsche poëmata’ (1635) hij twee lofdichten schreef 914, met zijn Goese ambtgenoot Petrus Stratenus, in wiens nagelaten bundel ‘Venus Zeelanda’ (1641) een lijkdicht en een aan de stad Goes opgedragen ‘epicum carmen’ van zijn hand zijn afgedrukt 915, en met Boxhorn, die in zijn ‘Chroniick van Zeelandt’ (1644) een lofdicht van hem opnam 916, alle in het Latijn geschreven. Met Constantijn Huygens stond hij tussen 1643 en 1646 in correspondentie, o.a. in verband met zijn benoeming tot raadsheer 917. Bijna twintig jaar na zijn dood verscheen nog een ‘Christelyck wacht-liedeken’ van hem in de Middelburgse druk van de ‘Spiegel der jeught’ 918, de tot school- en volksboek omgewerkte en in deze vorm in de zeventiende eeuw herhaaldelijk herdrukte ‘Morghen-wecker der vrye Nederlantsche provintien’ (1610) van Willem Baudaert. Literaire waarde bezit dit gedicht, ondertekend met De Huyberts zinspreuk ‘Waeckt en bidt’, in het geheel niet.

 

Rochus Mogge

Een oomzegger van Adriaen Hoffer was mr. Rochus Mogge (1609 - 1657) 919, afstammeling van een aanzienlijk Zieriksees regentengeslacht,

[p. 369]

raad, schepen en van 1646 tot zijn overlijden burgemeester der stad, waar hij bovendien nog een aantal andere regeringsfuncties bekleedde. Hij was sinds zijn Leidse studentenjaren bevriend met Boxhorn, wiens bruiloft hij bezong 920 en van wie enkele aan Mogge gerichte brieven bewaard zijn 921. Zijn neef Cornelis Boey (1608 - 1665) kende hij natuurlijk van jongs af; een Frans gedicht op zijn huwelijk met Anna van Brandwijck en Blocklandt vindt men in de herdruk van de ‘Wtnementheyt des vrouwelicken geslachts’ (1643) van Johan van Beverwijck 922. Van Mogge's godsdienstige gezindheid getuigt een pas na zijn dood verschenen gedicht: ‘Praesepe Domini nostri Jesu Christi decantatum’ (1665) 923.

 

Jacobus Baselius

Rochus' Leidse contubernaal Jacobus Baselius (1623 - 1661) 924 was evenals Boxhorn in Bergen-op-Zoom geboren. Hij schijnt zijn leermeester en huisheer bij diens geschied- en oudheidkundige onderzoekingen geholpen te hebben 925, wat hem dan later bij zijn eigen studie te pas is gekomen. Als student schreef hij al enkele Nederlandse gedichten op de dood van Festus Hommius 926 en Lodewijk de Dieu 927. Als proponent bij de classis van Tolen en Bergen-op-Zoom werd hij in 1646 te Kerkwerve op Schouwen beroepen, en in dit stille dorp is hij tot zijn vroege dood, in 1661, predikant geweest. Hier heeft hij zijn bekende ‘Sulpitius Belgicus’ (1656) 928 geschreven, een beknopte verhandeling over de Christelijke godsdienst in de Nederlanden van Christus' geboorte tot op het jaar 1500, waarin Baselius tracht aan te tonen dat de reformatorische bewegingen van de zestiende eeuw al in de vijftiende haar voorafschaduwing hadden. De tijdgenoot heeft meer bewondering gehad voor dit partijdige, ongemotiveerd anti-Roomse en verwarde geschrift dan wij het hebben 929.

Baselius heeft zich belast met de uitgave van Boxhorns meergenoemde nagelaten brieven en gedichten, en er diens biografie aan toegevoegd 930. In deze verzameling vindt men verscheidene brieven van Boxhorn aan Baselius, die de ondubbelzinnige bewijzen zijn van de genegenheid en de waardering van de Leidse hoogleraar voor zijn jongere leerling en vriend, die op nog jeugdiger leeftijd zou sterven als hijzelf 931.

857Zie over hem: Nagtglas, I, blz. 71 - 72; N.N.B.W., VI, kol. 178 (H. Brugmans) en vgl. hierna, blz. 443 - 444.
858Marcus Zuerius Boxhornius, Epistolae et poemata (Amstelodami, 1662).
859Spiegeltien, vertoonende 't lanck hayr ende hayrlocken, by de oude Hollanders ende Zeelanders gedragen. Door Marcus Zuerius van Boxhorn. Tot Middelburg. By Jaques Fierens, boeck-verkooper, woonende in de Gist-strate, in de Globe, anno 1644 (56 blzn.: 12mo). Samengebonden met: Spiegeltjen vertoonende 't cort hayr, by de Hollanders ende Zeelanders joncst ghedragen, ende van vreemde ontleent. Door Marcus Zuerius van Boxhorn. Tot Middelburgh, by Jaques Fierens, boeck-verkooper, woonende inde Gist-strate, inde Glove (sic), anno 1644 (60 blzn.; 12mo).
860Bediedinge van de tot noch toe onbekende afgodinne Nehalennia, over de dusent ende ettelicke hondert jaren onder het sandt begraven, dan onlancx ontdeckt op het strandt van Walcheren in Zeelandt. Door Marcus Zuerius van Boxhorn. Tot Leyden, by Willem Christiaens vander Boxe, 1647 (32 blzn.; 4to). - Hiertegen verscheen: Vraagen voorghestelt ende opghedraaghen aan de heer Marcus Zuerius van Boxhorn, over de bediedinge van de tot noch toe onbekende afgodinne Nehalennia, onlangs by hem uytge-geven. Tot Leyden, by Willem Christiaense vander Boxe, 1647 (8 blzn.; 4to), waarop Boxhorn antwoordde in: Antwoord van Marcus Zuerius van Boxhorn, gegeven op de vraaghen, hem voorgestelt over de bediedinge van de afgodinne Nehalennia, onlancx uyt-ghegeven. In welcke de ghemeine herkomste van der Griecken, Romeinen, ende Duytschen tale uyt den Scythen duydelijck bewesen, ende verscheiden oudheden van dese volckeren grondelijck ontdeckt ende verklaert worden. Tot Leyden, by Willem Christiaens vander Boxe, 1647 (112 blzn.; 4to).
861Marcus Zuerius Boxhornius, Epistolae et poemata (Amstelodami, 1662).
862L.c., Poemata, p. 25.
863L.c.
864L.c., p. 24, 42 en 39 - 40.
865L.c., p. 50 - 51.
866L.c., p. 38. - Martinus Veth was in 1635 student in Leiden geworden. In 1562 werd hij raadsheer in het Hof van Holland en Zeeland. - Zie over hem: Nagtglas, II, blz. 853.
867Adriaen Veth werd in 1628 student te Leiden en kwam na de voltooiing van zijn studie in de regering van zijn vaderstad Middelburg. Hij werd raad van Vlaanderen, in 1651 secretaris van de Staten van Zeeland en in 1658 raadpensionaris, als opvolger van Johan de Brune. Ook hij bekleedde dit ambt tot zijn dood, op 25 November 1663. Zijn huwelijk met Elisabeth van der Merckt werd door Petrus Stratenus in zijn ‘Venus Zee-landa’ (1641), p. 127 - 129, bezongen. - Zie over hem: De la Rue, blz. 495 - 499, 575; Nagtglas, II, blz. 851 - 853.
868‘Novum Zelandiae tuae, et litterarum decus’. - * C. Plinii Panegyricus (Lugd. Bat., 1632), p. ?; ook in de Epistolae et poemata, l.c., p. 21. - De editie van 1632 kwam mij niet onder ogen; in de herdruk van 1640 komt deze opdracht niet voor. Eveneens in 1632 roemt Boxhorn hem in een brief aan Pontanus in de vleiendste bewoordingen om zijn wetenschappelijke verdiensten, vooral in de rechten en de vaderlandse geschiedenis. - Epistolae et poemata, l.c., Epistolae, p. 17.
869L.c., p. 59.
870L.c., p. 89.
871L.c., p. 79.

872Zie over hem: De la Rue, blz. 301 - 304, 574; Nagtglas, I, blz. 395 - 397; Hoeufft, l.c., p. 177 - 178; De Vos, De vroedschap van Zierikzee. blz. 408 - 410.
873Poëtica prophetae Nahumi paraphrasis. Lugduni Batavorum, Dan. Guilielm. vander Boxe et viduae Guil. Christ. vander Boxe, 1661 (VIII, 24 blzn.; 8vo). (Het enige mij bekende exemplaar, uit de nalatenschap van de heer P.D. de Vos, is bezit van de heer P. van Beveren te Zieriksee). - Deze parafrase, opgedragen aan Nic. Heinsius, Dan. fil., en voorafgegaan door Latijnse lofdichten van Servatius Gallaeus (Servais Galle (1627 - 1709), van 1652 - 1688 (?) predikant bij de Waalse gemeente te Zieriksee, uitgever van Lactantius (zie hieronder, noot 886) en enkele andere werken, vermeld bij Nagtglas, I, blz. 243), Jacobus Baselius en Henricus Bruno, wordt gevolgd door enkele kortere Latijnse gedichten, eveneens met een stichtelijke strekking.
874* Paraphrasis poëtica in prophetiam Obadiae, cui accedunt et alia carmina. Lugduni Batavorum, 1664. - Aldus bij De la Rue, blz. 301. Het boekje is mij niet onder ogen gekomen.
875In Spiritualem navis mercatoriae clavum... Godefridi Udemanni. - Godefr. Ude-mans, 't Geestelyck roer van 't coopmans schip (Dordrecht, 1638), blz. (**) 3 r° - v°.
876In reliquam hujus libri partem. - Godefr. Udemans, Een salich nieuwe-iaer (Ziericxzee, 1640), bb. ** 3 v°.
877Lectissimo juveni, & amico Arnoldo à Slichtenhorst, quum post orationem de commodis, ac successu navigationis Batavorum, in academia Lugduno - Batava publicè habitam, Galliam peteret. - Arn. Slichtenhorstius, Oratio de navigationibus ac commer-ciis foederatorum Belgarum (Lugd. Bat., 1639), p. * 4 r° - v°.
878Ad eruditiss. clarissimumque juvenem Arn. Slichtenhorstium. Historiam Gelricam Belgico sermone edentem. - Arnold van Slichtenhorst, XIV boeken van de Geldersse geschiedenissen... getrocken meerendeels uyt de Latynsse werken van... Joh. Isacus Pontanus (Arnhem, 1654). blz. (*) 5 v°.
879Ad eundem generosum dominum. - Marcus Zuerius Boxhornius, Epistola ad generosum & illustrem dominum, Gabrielem Oxenstiernium... in Galliam abeuntem (Lugd. Bat. 1639), p. B 4 r° - v°.
880In eosdem (sc. M.Z. Boxhornii Commentarios rerum Zelandicarum). - Chroniick van Zeelandt (Middelburch, 1644), I, blz. *** v°. - Ook opgenomen in Boxhorns Epistolae et poëmata, l.c., p. 208 - 209.
881Ornatissimo doctissimoque juveni, Antonio Clementio, quum epistolas Claudii Salmasii ederet. - Claudius Salmasius, Epistolarum liber primus (Lugd. Bat., 1656), p. ** v°.
882Antonie Clement (± 1633 - 1657) was te Zieriksee geboren, waar zijn vader predikant bij de Waalse gemeente was; zijn moeder, Catharina Walaeus (1612 - 1684), was de tweede dochter van Antonius Walaeus. Antonie, die klaarblijkelijk naar zijn grootvader heette, kwam in 1656 te Leiden in de theologie studeren, waar hij al spoedig blijk van een meer dan gewone aanleg gaf, o.a. door uitgaven van Salmasius en Baronius. Zijn vroege dood heeft echter de verwachtingen, die men van hem mocht koesteren, de bodem ingeslagen. - Zie over hem: Nagtglas, I, blz. 129; N.N.B.W., I, kol. 606 - 607 (C. de Waard).
883In Sulpitium Belgicum... Jacobi Baseli. - Jacobus Baselius, Sulpitius Belgicus (Lugd. Bat., 1656), p. ** 5 r°.
884Ad Henricum Brunonem, ut Jobum suum, Belgico carmine translatum eliminet. - Henrick Bruno, Het boek Jobs (Hoorn, 1658), blz. * 4 v°.
885Eruditissimo viro Simoni Abbes Gabbema. - Catullus, Tibullus et Propertius, et quae sub Galli nomine circumferuntur (Trajecti ad Rhenum, 1659), p. * 5 r°. - Deze Gabbema (1628 - 1688), die in 1651 te Leiden ging studeren en in 1659 tot historie-schrijver van Friesland werd aangesteld, heeft behalve Hoffer nog enkele Zierikseeënaars gekend, t.w. Antonie Clement, die eveneens op de zojuist genoemde uitgave een lofdicht schreef (l.c., p. * 8 v° - ** r°) en de oud-Zierikseeënaar mr. Anthonie de Hubert en zijn dochter Charlotte.
886In Lactantium a reverendo doctissimoque viro D. Servatio Gallaeo... restitutum, ac commentariis illustratum. - Lactantius, Opera omnia quae extant (Lugd. Bat., 1660), p. ** 3 v°.
887* Historia et contemplatio sacra plantarum, arborum et herbarum, quarum fit mentio in Sacra Scriptura (Flissingae, 1664). - Ik kreeg het boek niet onder ogen. Een overzicht van de inhoud geeft S. van Til, Bibliotheca theologica selectissima, p. 27, maar ook naar dit boek zocht ik tevergeefs.
888 Adriaen de Cocq (1617 - ?), uit een Zieriksees geslacht geboren, stond van 1662 tot 1683 als predikant te Vlissingen. - Zie over leven en werken van deze geleerde theoloog: Vrolikhert, t.a.p., blz. 146 - 153; Nagtglas, t.a.p., I, blz. 130; Biogr. wdb. v. Protest. godgel., II, blz. 159 - 160.
889In eruditissimi viri Vincentii Ketelarii, medici, et gymnasiarchae Zirizaeani, com-mentarium de aphthis nostratibus. - Vincent Ketelaer, Commentarius medicus, de aphthis nostratibus sive Belgarum sprouw (Medioburgi, 1669), p. 7 - 8. - Het is ook in de herdruk (Lugd. Bat., 1672) opgenomen en in Nederlandse vertaling in: het Geneeskonstig verhael van de sprouw onzer landgenoten. Beschreven door Vincent Ketelaer... nu vertaelt door David van Hoogstraten (Rotterdam, 1681). Vgl. Versl. en meded. d. Kon. Vlaamsche Ac., 1925, blz. 111 - 112.
890Vincent Ketelaer (1627 - 1679), geboren te Vlissingen, was stadsdokter en bovendien rector van de Latijnse school te Zieriksee. Hij droeg zijn boekje op aan de vroedschap van de stad.
891Toen in 1637 in de dijk aan de zuidkust van Schouwen een geweldige scheur ontstond, dichtten Boxhorn en Hoffer daarover enkele Latijnse verzen, die het jaar daarop in druk verschenen onder de titel: In aggerem Scaldiae vi aquarum admodum concussum, et fascibus instauratum anno 1637 XXII Augusti. Lugd. Bat. ex officina Wilhelmi Christiani, 1638 (één blad in folio) (Pamflet Knuttel, no. 4566). - Vgl. Boxhorn, Chroniick van Zeelandt, t.a.p., I, blz. 307.
In hetzelfde jaar schreef Hoffer een lijkdicht op Petrus Cunaeus, dat achter diens lijkrede werd gedrukt: Manibus Petri Cunaei viri celeberrimi. I. In ejus excessum cùm paulò antè historicus patriae esset designatus. II. De eodem postquam ex Zelandia aeger rediisset. - Adolfus Vorstius, Oratio funebris recitata in exequiis... D. Petri Cunaei... Accedunt aliorum epicedia (Lugd. Bat., 1638), p. 46. - Ook in: Petrus Cunaeus, Orationes (Lipsiae, 1693), Oratio funebris, p. 53.
De herhaaldelijk geciteerde ‘Epistolae et poemata’ van Boxhorn werden door de uitgever Caspar Commelin aan Hoffer opgedragen, die er enkele Latijnse gedichten op zijn vriend en leermeester, diens huwelijk en sterven, in liet afdrukken: Ad Marcum Zue-rium Boxhornium (Epistolae, p. ** 7 v°); In nuptias Marci Zuerii Boxhornii et Susannae Duvelariae. Ad sponsam (p. ** 8 r° - v°); In excessum Marci Zuerii Boxhornii (p. ** 8 v° - ** 9 r°); Ad Bergopzomium, de obitu M. Z. Boxhornii (p. ** 9 r° - v°); Ad M. Z. Boxhornium (Poëmata, p. 209).
Onder Boxhorns gedichten vindt men er een op Rochus' vertrek van Leiden naar Frankrijk: Ad Rochum Hofferum ex academia Lugduno-Batavâ in Gallias abeuntem (Poëmata, p. 39). Ook zijn enkele brieven van Boxhorn aan zijn Zierikseese vriend bewaard gebleven: Epistolae, p. 118, 150, 166, 170 en 175.
Volgens de inventaris van zijn nagelaten goederen stonden op de boekenkamer van Hoffer 10 boekenkasten, waarin 407 boeken in folio, 618 in kwarto, 3603 in octavo en 668 in kleinere formaten geteld werden. - De Vos, De vroedschap van Zierikzee, blz. 409.
892Zie over hem: N.N.B.W., III, kol. 120 (H. J.A. Ruys).
893Aen sijn waerden vriend, Rochus Hoffer. - François le Bleu, Minne-vlam. Brandende in 't hert van Thyrsis, om de schoone Amaril (Leyden, 1642), blz. 173 - 176.
894Hoffers klacht over het afwesen van sijn beminde Kara. - T.a.p., blz. 351 - 354.
895Zie over hem: N.N.B.W., kol. 462 (W.M.C. Regt). - Zijn vader, Louis van Kinschot (1595 - 1647), was getrouwd met Maria de Jonge, een jongere zuster van Hoffers moeder. Vgl. hiervóór, blz. 207, noot 166.
896In natalem Rochi Hofferi. - Caspar Kinschotius, Poemata (Hagae-Comitis, 1685), p. 30.
897Ad Rochum Hofferum, Adr. F. cognatum, in Gallias abeuntem. - L.c., p. 43.
898Zie over hem: N.N.B.W., II, kol. 557 (A H. Kan).
899In Poëmata Nicolai Heinsii, Dan. Fil. - Nic. Heinsius, Poematum nova editio (Amstelodami, 1666), II, p. 58 - 59. - De uitgave van 1638 kwam mij niet onder ogen.
900Ad eundem. - L.c., II, p. 59 - 61.
901Ad eundem quum ei Poëticam suam Nahumi prophetae paraphrasim dedicaret. - L.c., II, p. 61. - Daaronder nog eens: Ad eundem. - L.c.
902Zie over hem: Nagtglas, II, blz. 872 - 874; N.N.B.W., III, kol. 1321 (G.C.A. Juten); J.C.G. Boot, Johan van Vliet. Bijdrage tot de geschiedenis der letterkunde in de zeventiende eeuw. (Versl. en meded. d. Kon. Ak. v. Wet, afd. Letterk., 2de r., 4 (1874), blz. 278 - 323); idem, Nog iets over Jan van Vliet (t.a.p., 2de r, 8 (1878), blz. 28 - 34).
903Ad Ianum Vlitium, quum Gratium de Venatione in lucem daret. - Janus Vlitius, Venatio novantiqua celsissimo Arausionis principi Guilhelmo dicata (Lugd. Bat., 1645), p. * 12 r°. - In de herdruk: Autores rei venaticae antiqui, cum commentariis (Lugd. Bat., 1653) zijn de lofdichten weggelaten; daarentegen zijn ze weer opgenomen in: Poetae Latini rei venaticae scriptores (Lugd. Bat. & Hagae Comitum, 1728), alwaar het lofdicht van Hoffer op p. ***** 3 v°.
904Zie over hem: N.N.B.W., IV, kol. 336 - 338 (H. J.A. Ruys); G.D.J. S(chotel), Twee leermeesters der kinderen van Constantin Huygens (Vaderl. Letteroefeningen, 111 (1871), II, blz. 520 - 524).
905Henrick Bruno, Mengel-moes, van verscheyde gedichten, op allerhande voor-vallende saecken. Begreepen in twee deelen (Leyden, 1666), blz. 228.
906T.a.p., blz. 5.
907Met betrekking tot Hoffer maakte Bruno gedichten op zijn ziekten (t.a.p., blz. 18, 24, 69 - 70, 92, 171 - 172), zijn bruiloft (blz. 20 - 21), zijn onverwachts bezoek aan Bruno (blz. 222 - 223), de overlast van katten in zijn huis (blz. 238), de eerste verjaardag van zijn dochtertje (blz. 305), de blauwogige Susanna, aan wie Bruno later nog eens enkele versregels wijdde (blz. 380), de geboorte van zijn eerste zoon (blz. 327), het bouwen van zijn nieuwe huis (blz. 379 - 380), zijn benoeming tot thesaurier van Zieriksee (blz. 383), zijn ouders (blz. 281; gedichten op zijn vader: blz. 127, 204, 229, 235; een grafschrift op zijn moeder: blz. 379), zijn kinderen (blz. 60, 88), zijn vrouw (blz. 306 - 307, 326, 380), aan wie hij het tweede deel van zijn ‘Mengel-moes’ opdroeg (blz. 289 - 291), de dood van zijn bloedverwant Jacobus Navander (blz. 233), zijn uitgaven van Eyndius (blz. 11) en Boxhorn (blz. 253) en die van zijn eigen gedichten (blz. 161, 254), zijn huis (blz. 34, 226 - 227), zijn tuin (blz. 34, 333, 355), zijn buitengoed Oostburg, waar Bruno meermalen te gast was (blz. 18, 34 - 35, 72, 78, 227, 235), zijn Groenlandse papegaai (blz. 226), een door Hoffer aan Bruno geschonken kreeft (blz. 236), of zonder meer op hemzelf (blz. 17, 18, 24, 27 - 30, 33 - 38, 42 - 43, 43 - 44, 45 - 46, 49, 53 - 54, 72, 74 - 75, 77, 82, 89, 94, 120, 153, 160, 161, 169 - 173, 224 - 225, 226, 228, 232 - 233, 234, 240, 286, 328) of op zijn portret (blz. 74, 120, 235, 240).
908Ad Henricum Brunonem. - T.a.p., blz. 44 - 45.
909Natalis octingentesimus urbis Zirizaeae celebratus anno 1649. - T.a.p., blz. 139 - 140. - Bruno's vertaling: blz. 141 - 143.
910In Sylvam-Ducis. - T.a.p., blz. 391 - 393. - Bruno's vertaling: blz. 391 - 393.
911Met betrekking tot Zieriksee en Schouwen maakte Bruno gedichten: ‘Op de Zirickzeesche zout-keeten’ (t.a.p., blz. 66 - 67), ‘In templarios unâ nocte Zirizeae deletos 1312’ (blz. 73), ‘Aen de stadt van Ziricksee, op haer wapen’ (blz. 88), op de bouw van een nieuw stadhuis (blz. 70 - 71), op de Sint-Lievensmonsterkerk (blz. 359), op de grote brand van Dreischor in 1661 (blz. 360 - 361) en andere plaatselijke onderwerpen (blz. 72 - 73, 78, 79, 80, 89, 227 - 228, 234, 321, 359 - 360, 362).
912Dit waren allereerst Hoffers-schoonvader Godefridus Cornelisz. Udemans (t.a.p., blz. 295 - 296) en zijn zwager mr. Eewoud de Huybert (blz. 160, 171 - 173, 362. - De Huybert (1616 - 1669), schepen en raad van Zieriksee, was getrouwd met Susanna Hoffer, een zuster van Rochus); vervolgens diens beide neven Justus de Huybert (blz. 79. - Justus de Huybert (1611 - 1682) maakte in 1660 deel uit van een gezantschap bij Lodewijk XIV - waarop het gedicht van Bruno slaat - en was van 1664 tot zijn dood secretaris van de Staten van Zeeland) en Cornelis de Huybert (blz. 156, 282 - 283, 366 - 368. - Cornelis de Huybert (1585 - 1663) was sinds 1625 raadsheer namens Zeeland bij de Admiraliteit te Hoorn), Jacob de Wit, eerst burgemeester van Zieriksee, vervolgens rentmeester-generaal van Zeeland Beoosten-Schelde (blz. 293, 382), Jacobus Verheye, pensionaris van de stad (blz. 129. - Verheye (1640 - 1718) werd in 1687 raadpensionaris van Zeeland), de predikanten Guilliam Reinvaen († 1681) (blz. 303 - 304, 360), Rochus Bruynvisch (blz. 87, 328 - 329) en Servatius Gallaeus (blz. 48 - 49), alle drie uit Zieriksee, Arnoldus de Rijcke van Burg (blz. 361. - De Rijcke († 1698) werd later predikant te Zieriksee en trouwde in 1676 als weduwnaar met Magdalena Hoffer), de geleerde pastor van Kerkwerve, Jacobus Baselius (blz. 284), Daniël Meyer van Dreischor (blz. 361), Jacobus Miggrode van Brouwershaven (blz. 150 - 151), de dokters Johan Bol (blz. 88, 90, 93) en Adriaen Bastaerdt (blz. 129), de apotheker Jan Boeije (1632 - 1679), uit een oude Zierikseese familie (blz. 82), Aelbert van der Hucht (1628 - 1678), schepen, raad en griffier van Zieriksee (blz. 307), Adriaen van Meulwijck, die in zijn huis een kunstige fontein bezat (blz. 302. - Van Meulwijck (1627 - 1702), kuiper en bovendien kapitein van de Rode Roede (een soort van veldwacht over Schouwen en Duiveland), was getrouwd met een nicht van Hoffer), de schoolmeester Joh. Ludov. Palatinus (blz. 129) en Mattheus Cocq, die op zijn huis te Haamstede een toren had staan, vanwaar men heel Zieriksee kon overzien (blz. 80). Ook de advocaat-fiscaal en procureur-generaal van Holland, Zeeland en Westfriesland, mr. Cornelis Boey, die zijn geboortestad nog weleens zal hebben bezocht, behoorde tot de Zierikseeënaren, die door Bruno bezongen werden (blz. 22, 97). Bovendien dichtte hij verzen op het huis van Levinus Lemnius (blz. 250) en op de uitgave der ‘Observationes ad jus nauticum’ van Petrus Peckius door de Leidse hoogleraar Arn. Vinnius (blz. 116). Het bundeltje bevat verder o.a. nog gedichten op Boxhorn (blz. 204, 283) en op de promotie van David Eversdijck uit Goes, die onder prof. Borniuste Leiden promoveerde op een dissertatie ‘De felicitate seu summo bono’ (blz. 369 - 370). Waarschijnlijk is hier een andere David Eversdijck bedoeld dan die, waarover Nagtglas, I, blz. 201 schrijft.

913Zie over hem: De la Rue, blz. 309 - 310; Nagtglas, I, blz. 439 - 440 (beiden noemen echter ten onrechte Maria Boeye als zijn vrouw; hij was getrouwd met Cornelia van der Meer van Berendrecht); De Vos, De vroedschap van Zierikzee, blz. 195. - Zijn naam komt in het album academicum van Leiden niet voor.
914In symbolum libri... Hofferus, Nederduytsche poëmata, t.a.p., blz. (**) v°. - Ιαμζειον super emblematibus... Adriani Hofferi. - T.a.p., blz. (*** 4) v°.
915In obitum... Petri Strateni. - Petrus Stratenus, Venus Zeelanda et alia ejus poëmata (Hagae-Comitum, 1641), p. * 7 v°. - Epicum carmen ad urbem Goesam... - L.c., p. * 8 r°. - De la Rue, blz. 310, noemt van De Huybert nog een * ‘Carmen nuptiale in nuptias J. Bommii et Johannae à Drywegen’, waarnaar ik tevergeefs gezocht heb. Een epithalamium op dit huwelijk door Stratenus vindt men in diens Venus Zeelanda, l.c., p. 130 - 133; misschien is De la Rue daarmee in de war.
916In Marci Zuerii Boxhornii Commentarios rerum Zelandicarum. - M. Z. van Boxhorn, Chroniick van Zeelandt (Middelburch, 1644), I, blz. *** r°; ook in Boxhorns Epistolae et poëmata, l.c., Poëmata, p. 207 - 208.
917Vgl. Constantijn Huygens, Briefwisseling, t.a.p., III, nos. 3211, 3215, 3215a en b, 3447, 3597; IV, nos. 3623, 4147, 4399.
918Spiegel der jeught, ofte een kort verhael der voornaemste tyrannye, ende barbari-sche wreetheden, welcke de Spangiaerden hier in Nederlandt bedreven hebben... Door een lief-hebber des vaderlants in het licht gegeven... Den laetsten druck... (Middel-burgh, 1663), blz. * 6 r° - v°.
Al in 1616 was in Middelburg (bij Symon Moulert?) een uitgave van dit boekje verschenen; vgl. De Wind, t.a.p., blz. 577. Ook: JoH.C. Breen, Gereformeerde populaire historiographie in de zeventiende en achttiende eeuw (Tijdschr. v. gesch., 37 (1922), blz. 254 - 273, 372 - 382), blz. 264 - 269.

919Zie over hem: De la Rue, blz. 318; Nagtglas, II, blz. 202; De Vos, De vroedschap van Zierikzee, blz. 362 - 364; B.F.W. von Brucken Fock, Het geslacht Mogge (Zierikzee, 1895). - Rochus werd 20 April 1628 als student in de rechten te Leiden ingeschreven. Zijn vader Cornelis Mogge, schepen, raad en burgemeester, was door zijn huwelijk met Helena Hoffer verzwagerd met Adriaen Hoffer.
920Vgl. Boxhorn, Epistolae et poemata, l.c., Epistolae, p. 93. - Het epithalamium schijnt niet gedrukt te zijn.
921L.c., p. 78, 93, 118, 128.
922Voeu. - Joh. van Beverwijck, Wtnementheyt des vrouwelicken geslachts2 (Dordrecht, 1643), blz. A 4 v° - A 5 r°. - In mijn bezit is een ex. van de ‘Faces augustae’ (Dordraci, 1643) van Barlaeus en Boy, waarin een opdracht is geschreven van Boy voor Rochus Mogghe, ‘cognato dilectissimo, amicitiae hoc... signum’.
923* Praesepe Domini nostri Jesu Christi decantatum (Hagae-Com. ex officina H. Gael., 1665). - Aldus de titel bij De la Rue, t.a.p. - Ik kreeg het boekje niet onder ogen.

924Zie over hem: Nagtglas, I, blz. 22 - 23; Biogr. wdb. v. Protest. godgel., I, blz. 333 - 334; N.N.B.W., III, kol. 68 (C. de Waard). - Zijn vader, Samuel Baselius (1597 - 1635) was predikant te Bergen-op-Zoom. Jacobus huwde in 1649 met Elisabeth Dodius, dochter van de predikant van Serooskerke op Schouwen.
925 Melchior Leydekker zegt van hem in de voorrede van de uitgave van 1700 van Boxhorns ‘Nederlandsche historie’, dat hij Boxhorn ‘in het opteikenen van de onder-sogte oudheden met oog, hand en pen (heeft) gedient’.
926* Lyckclachten over het afsterven van den eerwaerdigen, god-zaligen ende hoogh-geleerden D. Festus Hommius (Leyden, 1642), blz. V (volgens het Biogr. wdb. v. Protest. godgel., I, blz. 333; ik zag het boek niet).
927Liick-traenen ghestort op het on-tijdich af-sterven van Gods lievelingh... D. Ludovicus de Dieu (Leyden, 1642), blz. A 4 v°; ook in: Verscheyden lijck-klachten, over den waeren leeraer, en man Gods, Lodowyk de Dieu2 (Leyden, 1643), blz. C 3 r°.
928Sulpitius Belgicus, sive historia religionis, instauratae, corruptae et reformatae in Belgio et à Belgis à nato Christo ad annum 1500 (Lugduni Batavorum, ex officinâ Davidis Lopez de Haro, 1656) (XXXVI, 326 blzn.; 12mo). - Nederlandse vertaling in: M. Zueris van Boxhorn, Nederlandsche historie... Hier is by gevoeght den Nederlandschen Sulpitius van Jacobus Baselius... door Melchior Leydekker (Utrecht, 1700). - Herdruk: Amsterdam, 1739.
929Vgl. het ongunstige oordeel van W. Moll in zijn Kerkgeschiedenis van Nederland vóór de Hervorming, I (Arnhem, 1864), blz. XXV - XXVI.
930M. Z. van Boxhorn, Epistolae et poemata, l.c., p. * 4 v° - * 11 r°. Deze biografie is aan Hoffer opgedragen. Een Latijns eredicht gaat er aan vooraf, blz. * 4 r°.
931T.a.p., p. 111, 112, 174, 178, 207, 229. - De Prov. Bibl. van Zeeland bezit een hs, getiteld: Jacobi Baselij Poemata vario tempore ab ipso conscripta, et in IV partes divisa (1638 - 1661), waarin een groot aantal gedichten zijn verzameld op bloedverwanten, leermeesters en vrienden, o.a.: Ad Rochum Hofferum in Gallias abeuntem; In Adriani Hofferi Poemata latina post morthem authoris in lucem edita a Rocho Hoffero; In obitum Godefridi Udemanni querela. Zirizea loquitur; Zeelands plicht tegen God; Op het houlijcx bijeenkomen van Rochus Hofferus, en Johanna Udemans; Opt veroveren vant Zas van Gent (1644): Opt veroveren van Hulst (1645); enz. Enkele van deze zijn ook in druk verschenen, o.a.: Aen den wel-geleerden, sin en rijm-rijcken, en vermaerden Henrick Bruno, als sijne E. het boeck Jobs in Nederduytschen rijm hadde gestelt. - Henrick Bruno, Het boek Jobs, t.a.p., blz. * 6 r° - * 7 r°. - De Prov. Bibl. van Zeeland bezit verder het archief van het Collegium poeticum Belgico-latinum (1643), een dichtgenootschap van vijf Leidse studenten, waarvan Baselius praetor was. Over beide handschriften hoop ik te gelegener tijd nadere bijzonderheden te publiceren.
Een promotie-lofdicht van Baselius: Ad eundem. Scazon, is uitgegeven in: Carmina gratulatoria, in honorem Ioannis Klenckii (Lugd. Bat., 1642), p. † 4 v°.
prepostterug  begin  verder