Letterkundig leven in Zeeland in de zestiende en de eerste helft der zeventiende eeuw


auteur: P.J. Meertens


bron: P.J. Meertens, Letterkundig leven in Zeeland in de zestiende en de eerste helft der zeventiende eeuw. N.V. Noord-Hollandsche Uitgevers Maatschappij, Amsterdam 1943. [Verhandelingen der Nederlandsche Akademie van Wetenschappen, Afdeeling Letterkunde, Nieuwe Reeks, Deel XLVIII, No. 1.]  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 1]

Woord vooraf

In hoofdzaak zijn het overwegingen van locaal-patriottische aard geweest, die tot het ontstaan van dit boek aanleiding hebben gegeven. Geboren en getogen Zeeuw, uit een geslacht dat van vaderszijde geheel, van moederszijde voor de helft sinds drie eeuwen en langer in Zeeland gewoond heeft, heb ik mij van kindsbeen af in bijzondere mate aangetrokken gevoeld tot de geschiedenis van het land, dat mijn voorouders bewoonden, ‘'t vruchtbaer Zeeusche rijck, mijn lieve vaderland’, zoals Philibert van Borsselen het noemde, het land waar ik de eerste twintig jaar van mijn leven heb doorgebracht, en van het volk, waaruit ik ben geboren. Deze liefde tot mijn geboorteland leidde er toe, toen ik een onderwerp moest kiezen voor mijn proefschrift, daarvoor een deel, en wel het oudste, van de geschiedenis der Zeeuwse letterkunde te nemen. Ik ben er mij ten volle van bewust dat er belangrijker onderwerpen zijn, ook in de geschiedenis van onze letterkunde, en niets is mij meer vreemd geweest dan de literatuur van het Zeeuwse volk een hogere plaats in ons geestesleven toe te kennen dan waarop zij recht heeft. Men beschouwe deze studie dan ook in de eerste plaats als een dienst, die een toegewijd zoon van zijn land aan dat land bewees, een daad van piëteit, die met liefde en toewijding werd verricht.

Eveneens ben ik er mij van bewust, dat de uiterlijke vorm van dit boek er bij gewonnen zou hebben, indien ik terwille van deze vorm enkele concessies had gedaan aan de inhoud. De behoefte aan een zo groot mogelijke volledigheid - de psychologie spreekt in dit geval van een Vollständigkeitszwang! - is enerzijds oorzaak dat de verschijning van deze studie zo lang mogelijk werd uitgesteld, anderzijds dat ook het heel weinig belangrijke en het onbelangrijke werd meegedeeld met een uitvoerigheid, die vooral de meer op het aesthetische ingestelde lezer bij tijd en wijle zal ontstemmen. Toch heb ik gemeend, in dit opzicht geen concessies te mogen doen aan de aesthetica, uit de overweging dat deze studie de plaats diende te zijn waar de belangstellende lezer de gegevens betreffende het letterkundig leven in Zeeland tot op het midden van de zeventiende eeuw zo volledig mogelijk bijeen kan vinden. Overigens is dit streven naar volledigheid in ernstige mate geschaad door de oorlogstoestand, die o.a. het verkeer met het buitenland en het bezoek aan en gedeeltelijk zelfs de briefwisseling met buitenlandse bibliotheken onmogelijk maakte. Tot overmaat van ramp gingen in Mei 1940 de Provinciale Bibliotheek van Zeeland, het gemeente-archief van Middelburg, het archief van de Nederl. Hervormde kerk van Middelburg en een groot deel van het Rijksarchief in Zeeland door brand verloren. Wel bleven de Zeeuwse boeken van de Provinciale Bibliotheek grotendeels bewaard, maar tot op het ogenblik waarop dit proefschrift verscheen waren ze voor het merendeel nog onvindbaar. Aldus moest deze studie onder wel heel ongelukkige omstandigheden voltooid worden.

Maar ook afgezien hiervan blijft het altijd een teleurstellende taak, een enigszins uitgebreider tijdperk van onze kultuurgeschiedenis te behandelen, aangezien de bewerker bij zijn onderzoek telkens weer op boeken stuit, die met geen mogelijkheid te vinden zijn. Uiteraard doet dit euvel zich, hoe verder men in de tijd teruggaat, des te sterker gelden. Van de

[p. 2]

stand van het letterkundig en wetenschappelijk leven in het voorreformatorische Zeeland kunnen we ons dan ook, bij gemis van bronnen, slechts een gebrekkige en zeker zeer onvolledige voorstelling vormen. Vele geleerden zijn voor ons weinig meer dan een naam, en als we hun werken al kennen, dan blijken deze in verscheiden gevallen onvindbaar. In mindere mate geldt ditzelfde ook voor latere tijden. Wellicht houden Noord- en Zuidnederlandse kloosterbibliotheken, doorgaans moeilijk of in het geheel niet toegankelijk, nog het een en ander verborgen, wellicht ook schuilt er in Spaanse bibliotheken en archieven nog materiaal aan boeken en handschriften, dat op menig terrein van onderzoek, ook voor het geestelijk leven in Zeeland, nieuw licht zou kunnen werpen of althans het beeld, dat we ons van het verleden gevormd hebben, gaver zou kunnen maken. Het is een troostrijke gedachte dat, hoeveel er telkens weer door allerlei rampen van brand en oorlog verloren gaat, er toch telkens weer nieuwe en dikwijls verrassende vondsten worden gedaan. We kunnen slechts hopen dat ook Zeeland daarvan in de loop der tijden voordeel zal mogen trekken.

Het is misschien niet ondienstig, er vooraf op te wijzen dat deze studie het letterkundig leven in Zeeland behandelt, niet dat van de Zeeuwen. Dit verklaart waarom enkele Zeeuwse auteurs uit het hier besproken tijdvak hier niet ter sprake zullen komen. Het zijn de Zierikseeënaren Reinier Telle (1558 of '59 - 1619), Anthony de Hubert (1583 - na 1643) en Cornelis Boy (1612 - 1665); verder Johanna Hobius (± 1614 - ± 1643) van Brouwershaven en Pieter van Gelre (1622 - 1668) van Tolen. Hun werkzaamheid ligt zo al niet geheel, dan toch grotendeels buiten Zeeland; zij allen hebben hun geboortestad en -land vroeg verlaten en slechts zijdelings aandeel gehad aan het letterkundig leven in Zeeland. De beide laatstgenoemden besprak ik al elders; over de eerste drie hoop ik te zijner tijd korte monografieën te publiceren, die al geschreven werden.

Het ligt in mijn bedoeling, in afzienbare tijd een tweede deel op deze studie te laten volgen, waarin het letterkundig en geestelijk leven in Zeeland tot ongeveer het einde der negentiende eeuw zal worden behandeld. De bouwstoffen daartoe bracht ik reeds goeddeels bijeen.