terug  begin  verderprepost
[p. 123]

Georges Simenon

Het gesprek met Georges Simenon werd gevoerd in zijn huis te Lausanne, de namiddag van 27 januari 1975, precies 31 jaar na de voltooiing van zijn autobiografische roman Pedigree.

‘Ik heb de eerste vijftien, zestien jaar van mijn leven beschreven. Verder ben ik niet gekomen. Daarna heb ik mezelf nooit meer als romanfiguur gebruikt.’

 

Het begin van deze eeuw in Luik, tot aan het einde van de Eerste Wereldoorlog.

Hij is zelden naar zijn geboorreplaats teruggekeerd nadat hij die als jongen van negentien had verlaten. Het laatste en langste verblijf, in 1971, duurde een week, die hij doorbracht aan het sterfbed van zijn moeder. Van deze ontmoeting doet hij verslag in Lettre A Ma Mère (Brief aan mijn moeder), eind vorig jaar verschenen.

‘Maar dit is totaal anders. Er zit niets literairs meer in, niets van een roman, niets - hoe moet ik 't zeggen - van een vooropgezette stijl. Ik heb 't zo simpel mogelijk gehouden. Er zit ook meer verdriet in, ja. Het is meer “waar” dan Pedigree, het is oprechter.’

 

Henri Brüll kwam uit Duitsland en trouwde met een Nederlandse boerin. Hij vestigde zich in Belgisch Limburg, waar hij ‘dijkmeester’ werd, opzichter over een poldergebied. Hij trok naar Luik en bouwde daar een bloeiende houthandel op. Toen ging hij failliet omdat hij in een ondoordacht ogenblik ongedekte wissels van een kennis had getekend.

Zijn jongste dochter Henriette werd verkoopster in het Luikse warenhuis Innovation en trouwde al spoedig met Désiré Simenon. Ze was 22 toen ze beviel van haar eerste kind, Georges Joseph Cristian, geboren 13 februari 1903.

Haar zoon zou later (in Pedigree) het beeld optrekken van een hypernerveuze moeder, een nogal hysterisch wezentje, een vrouw die zich altijd en overal beklaagde over de omstandigheid dat zij met haar gezin moest rondkomen van ‘het strikt noodzakelijke’.

[p. 124]

‘Ik had geen contact mee m'n moeder, geen enkel contact. Dat betreur ik nu en dat probeer ik te begrijpen, en mijn god, ik geloof dat er een zekere communicatie is geweest, die week dat ik aan haar sterfbed zat. Ze was erg helder, ze wist dat ze ging sterven. Ik geloof niet dat ze ooit iets van me begrepen heeft.’

 

Désiré Simenon was 25 toen zijn oudste eer wereld kwam. Een tevreden mens, deze kantoorbediende bij een verzekeringsbedrijfje.

‘Ik adoreerde mijn vader. Ik adoreer hem nog steeds. Ik heb nooit enig conflict gehad. Hij was zo duidelijk.’

Désiré Simenon was een man die van regelmaat hield, van gewoonten, bepaalde zeer persoonlijke tradities die - hoe futiel ze ook op de buitenstaander mochten overkomen - zijn levensritme bepaalden, beheersten; hij week er niet van af. Elke morgen liep hij (hetzelfde tijdstip, hetzelfde ritueel) naar zijn werk en altijd maakte hij een omweggetje om zijn ouders in de Rue Puits-en-Sock goedendag te zeggen. Ook toen zijn gestorven moeder daar opgebaard lag, heeft hij niet verzuimd alvorens aan het werk te gaan haar even een kus te brengen.

De ‘Puits-en-Sock’ was een begrip - het duidde de clan-Simenon aan.

Henriette Simenon-Brüll heeft zich altijd onzeker gevoeld tegenover de hechte familie van haar echtgenoot; deze ‘kleine luyden’, die tevreden en naar eigen gevoel en geweten solide in het leven stonden, die geen begrip konden opbrengen voor het zenuwachtige meisje dat aanvankelijk nauwelijks verstaanbare taal bezigde, zich moest behelpen met een mengelmoes van Vlaamse, Franse en Duitse woorden. Ze schaamde zich ook over het lot van haar vader en droomde graag weg in een fantasiewereld: het grote huis waar haar vader als ‘dijkmeester’ gewoond had, De Wateringen nabij Neeroeteren.

 

Het landschap is er vreemd en somber. Vlak bij Maaseik ligt het drassige gebied waarover Henri Brüll eens waakte. De Wateringen is niets meer dan een zompig terrein. Aan de rand van de weilanden groeien wat dennen. In de verte zijn wat heuvels te zien. Het kanaal waaraan het huis van de Brülls gelegen moet hebben. Georges Simenon is er in zijn jeugd vaak geweest om met zijn neefjes en nichtjes te spelen. Dit merkwaardige landschap heeft hij ook vaak gebruikt in zijn romans.

 

En dan ‘De Puits-en-Sock’. Luik heeft weinig van een Belgische provinciestad. Universiteit en industrie verlenen de plaats een vleug van grootsteeds aanzien. De sfeer doet Frans aan.

De rue Léopold door (waar Georges Simenon geboren is), de Pont des Arches over: Outremeuse, de wijk waar eertijds de Simenons woonden. Kleine

[p. 125]

straatjes vol winkels. Een winkelierster vertelt: ‘Vroeger was het hier gezelliger. Veel kleine handelslieden. Het was hier groener dan in de stad. Eigenlijk was Outremeuse een dorp in de grote stad.’

 

Georges Simenon is zich al vrij vroeg bewust geworden van de kloof tussen de clan-Brüll en de clan-Simenon.

‘Je zou inderdaad kunnen zeggen dat het leven tussen die families een soort verwarring in me stichtte. Het was als het ware een smalle draad tussen de rust en de chaos. Er bestond een duidelijke breuk tussen die Brülls en die Simenons.

De Simenons waren overwegend handwerkslieden. Mijn grootvader had zijn “tour d'Europe” gemaakt als hoedenmaker. Hij had in Italië strohoeden leren maken, in Wenen hoedjes met veren. En daarna kwam zijn “tour de France”. Ten slotte vestigde hij zich in de rue Puits-en-Sock als hoedenmaker. Zo ging dat toen. Een oom van me was schrijnwerker, een ander had het vak van slotenmaker geleerd en ging safes maken. Het was de degelijke wereld van de Simenons tegenover de onduidelijke sfeer van de Brülls.’

 

Een scheiding der geesten die trouwens op een of andere manier ook doorwerkte in het gezinnetje van Désiré en Henriette, die drie jaar na de geboorte van Georges er een andere zoon bij kregen: Christian. In de autobiografische boeken van Georges komt zijn broer niet voor.

‘In ons gezin was 't zo, dat m'n moeder 't tegen mijn vader nooit over “Georges” had, maar over “jouw zoon”, en als mijn vader 't tegenover mijn moeder over Christian had, zei hij altijd “jouw zoon”. Christian was het kind van m'n moeder en ik de zoon van m'n vader. Dat gaf wel een zekere spanning, ja natuurlijk.

Ik wist wanneer m'n vader niets te doen had op kantoor. Dan ging ik naar 'm toe om een beetje met 'm te praten. Dat vond ik fijn, want thuis ging dat niet, kon dat niet, want 't was onmogelijk dar we ons beiden daar konden afzonderen.’

 

Toch vertegenwoordigde zijn moeder ook een aantrekkelijke kant van het leven; het ‘duistere’ in haar familie trok hem aan, en Henriettes lievelingsbroer Leopold was ook de lievelingsoom van Georges.

‘Oom Leopold is zeker wel belangrijk voor me geweest. Leopold was het zwarte schaap van de familie. Hij was trouwens de aardigste van allemaal, ik hield het meest van hem. Mijn moeder ontmoette 'm altijd in 't geniep, want mijn vader wilde 'm met zien. Leopold had aan de universiteit gestudeerd, maar nam later dienst in het leger. Hij trouwde met de juffrouw van de kantine. Toen werd-ie ober, huisschilder, van alles. Hij zoop. Hij was inderdaad Het Voorbeeld voor mij, hij was het voorbeeld van een man die geen enkele

[p. 126]

burgerlijke inslag had; een uitzondering in mijn moeders familie die - eigenlijk net zoals de Simenons - van burgerlijkheid aan elkaar hing. Leopold was een man die vrij was, volmaakt vrij.

Ik geloof dat ik nu pas, nu ik de 72 nader, eindelijk vrij ben. Nu pas.

Als kind wilde ik graag clochard worden. Ik beschouw de clochard - ook nu nog - als de meest vrije, meest individuele mens op aarde. Clochards talen niet naar kleren, naar een afgepast levenspatroon, een uitgestippeld sociaal bestaan, ze hoeven geen eerbiedwaardigheid te hebben zoals alle andere mensen, ze leven helemaal op zichzelf. Ik voel mezelf geestelijk eigenlijk een clochard. Ik heb ze altijd opgezocht, in alle landen waar ik geweest ben. Je hebt toch ook mensen die uit roeping clochard zijn geworden. Ik herinner me dat ik kort voor de oorlog een man ontmoette die onder de bruggen van Parijs leefde, een ex-medicus uit Straatsburg; hij was absoluut niet onder de drugs, hij dronk gewoon z'n twee flessen gros rouge per dag, als-ie d'r tenminste aan kon komen - een gewone clochard dus.’

 

Dit soort geheimen die hij als kind aan niemand kon toevertrouwen, die positie als betrekkelijke eenling tussen twee aan elkaar regengestelde families - het lijkt een uitstekende school om te leren observeren als een schrijver.

‘Zeker. M'n vader kwam uit een familie van dertien kinderen, net zoals m'n moeder (die de jongste was). Ik had dus een overstelpende hoeveelheid ooms, tantes, neefjes, nichtjes en ik heb de lotgevallen, de loopbanen van al die mensen kunnen gadeslaan. 'n Uitstekende leerschool voor iemand die, zoals ik, al vroeg besloten had om schrijver te worden. Die microkosmos van twee werelden, een wirwar van geschiedenissen. Ik was veertien en ik bedacht het woord “lotshersteller” (raccomodeur des destinées). Ik zag voor m'n ogen de levensloop van al die familieleden zich, als onontkoombaar, voltrekken, hoe ze slaagden in het leven en hoe ze mislukten - en dat alles alleen maar omdat uiterst “oninteressante” dingen “anders” liepen. Ik dacht bij mezelf: waarom bestaat er niet iemand die zó gevoelig is, of zó intelligent dat hij in de huid van een ander kan kruipen om hem in te fluisteren dat die ander een verkeerde weg inslaat, dat ze op die manier een kleine omweg maken om de beste resultaten te kunnen bereiken? Een soort dokter, deze “lotshersteller”, die het lichaam en de geest en de mogelijkheden van zijn patiënt kent. Ik had op die leeftijd Freud nog niet gelezen (er bestonden in die tijd trouwens geen Franse vertalingen van zijn werk) maar ik had in mijn kwajongenskop voor mezelf wel de psychoanalyse “ontdekt”, bedacht, “uitgevonden”, voorvoeld. De psychoanalyse wil toch alleen maar een levensloop herstellen; het gaat er in de psychoanalyse toch alleen maar om je vertrouwen aan iemand anders te geven - om daardoor je eigen persoonlijkheid terug te winnen?

Inderdaad zou je kunnen zeggen dat Maigret een “raccomodeur des destinées” is.’

[p. 127]

Op die leeftijd (veertien, vijftien jaar) stond hij al op de tweesprong van een beroepskeuze: óf arts worden óf schrijver.

Hij bezoekt dan het Collège Saint Servais, de beste middelbare school van Luik. Dit dankzij zijn moeder die (tegen de zin van haar echtgenoot in) een kosthuis voor buitenlandse studenten was begonnen in de rue de la Loi. Henriette Simenon had zich steeds meer geërgerd aan haar op sociaal terrein niet al te ambitieuze echtgenoot.

 

‘Het is typerend dat mijn vader als lid van een amateurtoneelgroep de functie van souffleur ambieerde! Verder was hij 's avonds druk bezig als penningmeester van de Société Pour Les Pauvres Honteux, een vereniging die buiten-hun-schuld-in-moeilijkheden-geraakte middenstanders hielp. Ach, mijn vader was een “witteboordenman” bij uitstek, die zorgvuldig in het gareel liep, de gelijkmatigheid zelf.

Hij was een wijs mens. Bijvoorbeeld: toen ik zo'n jaar of vijftien was, gaf ik Franse les aan buitenlandse studenten in Luik - rijke jongens. Van het geld dat ik daarmee verdiende, huurde ik een aardig appartementje en daar zette ik een danseresje op met wie ik een verhouding had. Nou moesten we zondags altijd wandelen - vader en moeder voorop en Christian en ik braaf daarachter. En als we dan in Outremeuse kwamen, in de buurt van mijn maîtressetje, zei mijn vader: “Zeg, Georges, heb je geen afspraak met je vrienden?” En moeder: “Maar we wandelen toch?!” En dan stuurde m'n vader me weg. Hij wist natuurlijk van dat meisje.’

 

Moeder Henriette was niet zo onder de indruk van dat soort wijsheid. Désiré bleef maar op zijn salaris van 180 frank per maand staan, terwijl een jongere collega op hetzelfde kantoor wel het dubbele verdiende. Dat kwam omdat Désiré indertijd niet was ingegaan op het aanbod van zijn baas een portefeuille met een nieuw soort verzekering te nemen: de levensverzekering. Désiré hield niet zo van risico's en liet die nieuwigheid aan een jeugdige durfal ten kantore over.

Weer later begon ze Désiré hoe langer hoe frequenter te vragen waarom hij niet voor haar een levensverzekering had gesloten. Het werden zeurpartijen die niet zelden in enorme scènes eindigden.

‘Dan gooide m'n moeder zich weer eens in de zenuwen. En m'n vader zat aan tafel en liet alleen maar het hoofd hangen. Als 't te erg werd, zei-die: “Kom Georges, laten we een eindje gaan wandelen.” Niemand, ook ik niet, wist dat m'n vader op medische gronden afgekeurd was voor een levensverzekering. Pas na twintig jaar ben ik achter de waarheid gekomen.’

 

In die tijd nam de huisdokter van de familie, le docteur Fischer, Georges in vertrouwen en vertelde hem dat zijn vader snel zou sterven; Georges moest het geheim bewaren, ook voor de patiënt.

[p. 128]

‘Ik was vijftien toen Fischer (die ook een goede huisvriend was) me vertelde dat m'n vader gauw zou sterven. Ik ging meteen van school af om te gaan verdienen. Ik heb niet tegen m'n vader gezegd waarom; ik zei gewoon dat 't me niet meer interesseerde. Ik ben toen eerst als loopjongen bij een boekhandel gaan werken, iets later werd ik journalist bij de Gazette de Liège.

Fischer had me die enorme verantwoordelijkheid gegeven, toevertrouwd, omdat hij wist dat m'n moeder te zenuwachtig was en het ten slotte in een of andere zenuwcrisis aan m'n vader zou vertellen. Nee, dat geheim drukte me niet zo. Bovendien: ik hoefde nu niet langer te aarzelen tussen dokter of schrijver.

Het ging meer om het verdriet dat ik in m'n eentje te verwerken kreeg. En wat nog erger was: ik zag mijn vader lijden. Mijn vader ging altijd om acht uur naar kantoor, het was maar een halfuur lopen; maar in werkelijkheid kostte 't 'm veel meer tijd, want hij moest elke honderd meter rusten om weer op adem te komen. Ik vertrok vijftien of twintig minuten later dan hij en dan zag ik m'n vader ergens voor een etalage staan, een paar honderd meter van huis; dan wist ik dat hij weer een aanval had gehad, en dan maakte ik een omweg, zodat hij me niet zou zien, want m'n vader probeerde, op zijn beurt, altijd te voorkomen dat hij een aanval in ons bijzijn zou krijgen.

Wij waren zulke goeie vrienden, mijn vader en ik. Hij begreep met een half woord wat ik bedoelde en omgekeerd. Nee, met hem hoefde ik niet in het reine te komen, wel met m'n moeder. M'n vader was m'n enige vriend, zo'n vriend heb ik nooit meer gehad. Nee.’

 

Na enig nadenken weet hij nog twee belangrijke mensen in zijn leven te noemen die het ideaal van zijn vader enigszins hebben kunnen benaderen: de directeur van de Gazette, en, later, de graaf in Parijs, bij wie hij twee jaar als secretaris werkte.

‘Die directeur van de Gazette de Liège had me er wel tien keer uit kunnen schoppen, als hij gewild had - en dan had hij ook nog gelijk gehad. Ik was namelijk nogal links in die dagen, voor die tijd eigenlijk anarchist; het tegendeel van de Gazette, een zwaar katholiek, nogal reactionair dagblad.’

 

Hij trekt in die dagen veel op met een groepje gelijkgezinden, semi-links, semi-artistiek, ‘La Caque’, oftewel ‘Het Vaatje’, beschreven in zijn derde Maigret, Le Pendu de Saint Pholien.

In die tijd (hij is dan zestien) schrijft hij zijn roman Au Pont Des Arches (petits roman humouristique de moeurs Liégoises), waarvoor leden van La Caque de illustraties leverden.

In dat jaar sterft zijn vader.

‘De dood van mijn vader was een catastrofe en het betekende voor mij eigenlijk het eind van de vriendschap. Ik heb m'n leven lang geen echte vriend

[p. 129]

meer gehad. Maigret lijkt op mijn vader, is steeds meer op hem gaan lijken, ja.

Ik ben nooit meer naar het graf van mijn vader gegaan. Ik zou 't niet eens kunnen. Hij leeft gewoon voor me. Er is geen reden om naar dat graf te gaan. Toen ze hem begroeven, ben ik ook alleen weggegaan. Ik heb niet op de familie gewacht.

Ik was er niet bij toen hij stierf. Hij is op kantoor gestorven, helemaal alleen. Ik was op reportage in Antwerpen en had die middag in bed gelegen met een ver nichtje. Toen ik thuiskwam, hield m'n aanstaande schoonvader me staande, hij zei: “Georges, wees flink...” Toen wist ik dat mijn vader gestorven was.

Ik lijk in sommige opzichten wel op m'n vader. Ik heb iets van z'n gemoedsrust. En hij heeft me ook een voordeel meegegeven: ik geniet net als hij van die kleine pleziertjes, waaraan de meeste mensen niet denken. Opstaan 's morgens: het eerste pleziertje; de geur van de koffie: het tweede pleziertje; dan het ontbijt: de hele dag was voor mijn vader met die kleine geneugten gevuld - en zo is 't nog steeds voor mij.

Mijn vader was verlegen, of liever: hij was terughoudend. En in wezen heb ik ook die karaktertrek. De Simenons laten niet zo gauw hun gevoelens zien. Ik heb daaraan wel moeten wennen, vanwege m'n vak. Daarom ben ik minder terughoudend dan mijn vader. Ik ben immers een Publiek Persoon, als je op een zeker moment een zekere bekendheid krijgt, dan krijg je meteen toch ook iets van een hoer.’

 

Een jaar na de dood van zijn vader gaat hij naar Parijs en wordt eerst secretaris van Binet-Valmer, de president van Lique des Chefs de Section et Ancien Combattants; wat later wordt hij secretaris van de kasteelheer Le Marquis de Tracy. In 1923 trouwt hij met Régine Renchon.

‘Dat huwelijk, dat had eigenlijk te maken met een idioot gevoel: dat ik mezelf moest beschermen - dat ik kapot zou gaan als ik niet zou trouwen.’

Die angst deelde hij dan met zijn moeder.

‘Mijn moeder heeft eigenlijk nooit in die schrijverij geloofd. Haar grote wens is toch altijd geweest dat ik banketbakker zou worden (want ze had zelf altijd een patisserie willen hebben) óf ambtenaar, want die hebben immers pensioen!’

 

Henriette Brüll heeft nooit helemaal willen aannemen dat haar zoon Georges werkelijk in het leven geslaagd was. Wanneer ze hem bezocht op een van zijn talrijke kastelen, vroeg ze altijd bezorgd ‘of hij geen schulden had’.

En Simenon op zijn beurt heeft nooit zo erg in zijn eigen succes durven of willen geloven.

‘Hij voelde zich toch altijd min of meer een mislukkeling - dat zei hij tenminste altijd,’ zegt een ex-secretaresse van hem.

[p. 130]

‘Ik heb totaal geen zelfvertrouwen. Nooit gehad. Ik heb 't nog niet. Dat geef ik zelden toe, trouwens.’

 

Aan de andere kant was zijn moeder ook wel weer trots op hem, zij het op een wat vreemde, totaal naar de andere kant doorslaande wijze; toen haar zoon Pedigree had gepubliceerd waarin zij onder de naam van Elise meedogenloos geportretteerd wordt, ging ze zich hoe langer hoe meer ‘Elise Simenon’ noemen en ondertekende ten slotte ook officiële stukken met dat pseudoniem.

Haar pensioen heeft ze toch nog gevonden. Op vergevorderde leeftijd trouwde ze met ‘Le Père André’, een gepensioneerde spoorwegman die haar naast de zekerheid voor de oude dag ook nog gratis treinreisjes kon bieden.

Het was geen gelukkige verbintenis. De een verdacht de ander waarvan die zichzelf verdacht: pure hebzucht, zonder meer.

Henriette dacht de hele dag aan haar spaarduitjes en Le Père André bedacht met smart hoe zijn gade na zijn dood met z'n pensioentje zou gaan strijken.

Ze hadden allebei hun eigen huisraad en keukenspulletjes geïnstalleerd. Elk kookte voor zichzelf, doodsbang dat de ander met vergiftigingsplannen rondliep.

Op het laatst spraken ze niet meer tegen elkaar; de hoognodige communicatie ging per briefjes.

Dit alles is te lezen in Lettre A Ma Mère. Toch heeft Simenon ditzelfde thema - minimaal veranderd - al beschreven in zijn roman Le Chat (1966).

 

‘Die roman is bijna autobiografisch. Maar hoe vreemd dat ook mag klinken, het is niet “expres” gedaan. Ik heb het boek zonder enige gedachte aan mijn moeder en haar tweede man geschreven. Pas na verloop van tijd heb ik me gerealiseerd dat ik allerlei herinneringen opgeschreven had, indrukken die ik in Luik heb opgedaan toen ik mijn moeder en Le Père André bezocht.

Ik schrijf altijd onbewust. Of liever: ik ben een schrijver van het onderbewuste. Ik ben niet iemand die schrijft om een idee te bewijzen. Ik hoef ook geen literaire zinnen te maken. Ik ben geen schrijver die een weloverwogen poging doet om een bepaalde daad te stellen. Ik ben een schrijver die van dag tot dag schrijft, zonder te weten hoe het de volgende dag verder zal gaan. Ik ben een schrijver die gewoon ophoudt wanneer hij merkt dat zijn roman af is. Die hele gemoedstoestand waarin ik een boek schrijf, dat noem ik inderdaad een “toestand van genade”. En zo heb ik m'n leven lang gewerkt. En sinds m'n zeventigste schrijf ik geen romans meer. Ik heb me eerst dictafoons aangeschaft en later bandrecorders en de komende boeken bestaan alleen nog maar uit invallen, gedachten, beelden, die zomaar bij me opkomen. Alleen Lettre A Ma Mère is gewoon met de hand geschreven. Maar ik breng de moed niet meer op om personages te creëren, het is me te vermoeiend ge-

[p. 131]

worden. Die hoeveelheid romans die ik geschreven heb, dat heeft ontzettend veel energie van me gevergd, ook lichamelijk.’

 

Régine Renchon en Georges Simenon waren naar Parijs gekomen om het artistieke geluk te beproeven. Zij wilde een groot schilderes worden en haar echtgenoot graag een gevierd romancier. Ze besloten dat een van beiden moest wijken voor de ambitie van de ander. Georges offerde zich op. Régine zou zich geheel aan de schilderkunst wijden en Georges zou voor beider levensonderhoud zorgen door romans populaires te schrijven. Mocht Régine na drie jaar nog geen succes behaald hebben, dan zouden de rollen omgekeerd worden - dan zou zij voor het geld gaan zorgen.

Vijf jaar lang heeft Georges Simenon ‘pulpboekjes’ gefabriceerd. Pseudoniemen uit die tijd: Aramis, Christian Brülls, Germain d'Antibes, Luc Dorsan, Jacques Dersonne, Jacques Dossage, Jean Dossage, Georges Caraman, Georges d'Isly, Georges Gut, Kim, Georges Martin Georges Sim, Jean-Luc Perry, Maurice Pertuis, Poum et Zette, Plick et Plock, Jean Sandor, Gaston Vialis, en Georges Sim.

Honderden romans d'amour, romans populaires, romans complets, romans credits (!); duizenden verhalen in min of meer obscure blaadjes als Gens Qui Rient, Rie, Frou-Frou, et cetera, et cetera. De meest verwoede en consciëntieuze Simenon-kenners is het nog niet gelukt een complete lijst samen te stellen van alle romans en verhalen die het fenomeen tussen 1924 en 1929 heeft afgescheiden.

 

‘Het was een school voor mij, die romans populaires en tegelijkertijd verdiende ik er goed mee. De meeste romanciers beginnen met bijdragen aan avantgardebladen, kleine min of meer literaire blaadjes of schrijven gedichten, essays. Ik niet. Ik wilde toch meteen romans gaan schrijven, personages creëren. Dat is wat me van meet af aan in mijn vak fascineerde: het creëren van figuren - dát te leren -, ze te laten leven. En zoals een leerling-schrijnwerker schaaf en zaag nog moet leren hanteren, heb ik mezelf geleerd om me te bedienen van zinnen die zo eenvoudig mogelijk zijn. En dat is ook de reden dat mijn romans overal ter wereld gelezen worden. Als het niet universeel was, zouden de mensen in Japan niet geïnteresseerd kunnen zijn hoe het leven in de “Puit-en-Sock” was, om maar een voorbeeld te geven. Het gaat mij erom de mens te kennen, die centraal te stellen - dát wilde ik leren. En daarvoor moest ik een vak leren. Op hetzelfde vlak ligt een andere moeilijkheid van mijn metier: mensen laten “binnengaan” en “afgaan”. Je kunt toch niet zomaar iemand midden in een scène laten “binnengaan”. Je moet het middel kunnen vinden waardoor hij “binnen kan komen”. Een schrijver, of liever een romancier (want ik noem mezelf eerder romancier dan schrijver), moet zijn figuren automatisch, zonder nadenken, op een heel natuurlijke wijze in beweging kunnen zetten.’

[p. 132]

Simenon heeft het zichzelf niet gemakkelijk gemaakt. In 1926 - om maar een willekeurig jaartal te noemen - heeft hij (volgens de nog onvolledige bibliografie van Bernard de Fallois) 26 romans geschreven en 262 korte verhalen.

Zo'n roman ziet er net zo uit als de huidige Avondlectuur, Ivanov's, Hart & Vrouw, Lectuur voor de vrouw en andere werkjes die ook wel als ‘spoorwegboekjes’ worden aangeduid door de kioskhouders.

Wie een blik slaat in een roman d'amour van Georges Sim ziet meteen dat hij met een vakman te maken heeft: korte, pakkende zinnen, meteen ‘sfeer’, meteen ‘vaart’ en een prachtig motto vooraf dat zin geeft om te gaan lezen, een vermoeden van de afloop, maar absoluut geen zekerheid daaromtrent.

Enkele jaren voordat hem een roem zonder weerga ten deel viel, was Rudolf Valentino bordenwasser in een klein restaurant in New York. Toen hij ook daar ontslagen was restte hem niets anders dan de gaarkeuken. Toen hij met honderden andere schooiers in de rij stond voor wat eten, kwam er een meisje voorbij dat hij eens in Italië had bemind, maar dat hij uit het oog verloren had. Ze verdween in de subway, maar hij kon haar niet meer bereiken, want hij had geen cent op zak. Zo verloor hij haar ten tweede male (krantenbericht).

Begint het verhaal: bittere koude, een arme jongen die voor een etalage staat te kleumen. Klappertandend en hongerig leest en herleest hij een aangeplakte advertentie: barman gevraagd.

En nu maar hopen dat Jacques en Elsie (want om deze twee mensenkinderen gaat het) elkaar krijgen.

Op de achterkant van dit werkje (toch nog zo'n 80 dichtbedrukte pagina's) een advertentie:

De liefdes- en avonturenromans van Georges Sim. Liefde... Avontuur... Twee woorden die ons doen dromen van vertrek, ontvluchting, het vergeten van deze wereld, dit dagelijkse leven dat soms zo zwaar op onze schouders drukt. Heeft Georges sim, de beroemde! niet alle kwaliteiten om ons mee te slepen...

In 1928 vertrekt Simenon (met vrouw en dienstmeisje) om een lange bootreis te gaan maken met de Ginette, compleet met sloep voor de zware schrijfmachine. Een jaar later laat hij zijn eerste schip de Ostrogoth bouwen (een kotter), waarmee hij in Delfzijl verzeilt. Daar schrijft hij, terwijl zijn schip gerepareerd wordt, zijn eerste Maigret: Pietr le Letton, september 1929.

 

‘Ik heb ook de Maigrets in het begin eigenlijk alleen maar geschreven om het vak te leren. Ik heb de vorm van de detectiveroman genomen omdat die zo gemakkelijk is. Een detective heeft zoiets als een “trapleuning”. Ik heb mijn andere romans altijd stapje voor stapje geschreven, zonder te weten waar 't

[p. 133]

naartoe gaat. Ik heb nooit volgens een van tevoren opgesteld plan gewerkt. Nou, dan is zo'n commissaris een gemakkelijke leidraad: die kan overal binnenkomen waar-ie maar wil, de vragen stellen die-die maar wil, aan wie dan ook, hij kan ze zelfs bij zich op het bureau laten komen - dat alles is eigenlijk ontzettend makkelijk. Bovendien, als een detective na het derde hoofdstuk inzakt, zal de lezer her boek niet zo gauw neerleggen als bij een “gewone” roman: de mensen willen toch weten hoe 't afloopt. Dus na die romans populaires ben ik begonnen met die Maigrets als semi-literaire arbeid. Ik maakte een “zogenaamde detective”. Maigret had wel een zekere literaire inslag, maar ik had nog altijd die “trapleuning” - voor als het misging.

Die Maigrets heb ik alleen maar voor m'n eigen ontspanning geschreven. Langzamerhand is de structuur toch zo sober geworden, dat er op 't laatst niet meer zo'n verschil is tussen mijn detectiveromans en mijn andere werk.’

 

Uitgever Arthème Fayard vroeg hem welk pseudoniem hij zich gedacht had voor de Maigret-serie. Na enig heen-en-weergepraat kwamen ze uit op zijn werkelijke naam. (De naam Maigret was trouwens al wel eens eerder opgedoken in enige pulpboekjes van Christian Brülls en Georges Sim.)

Sinds 1931 publiceert Georges Simenon onder zijn eigen naam 102 Maigrets, 90 ‘Nouvelles Policières’, 116 ‘Romans Divers’, 24 ‘Nouvelles Diverses’, 7 romans met autobiografische inslag, erg veel reportages, voorwoorden en 3 toneelstukken.

In 1972 besluit hij geen romans meer te schrijven. Dat was wereldnieuws.

 

In de meeste romans divers (hier te lande wel zijn ‘psychologische romans’ genoemd) gaat het om een ‘ommekeer’, een abrupt ingrijpende tragedie in het leven van een vóór die ‘ingreep’ rustig (vaak ‘burgerlijk’) verlopend bestaan.

 

‘Die ommekeer heeft een reden. Elk mens is in wezen een romanfiguur wanneer hij tot het “uiterste van zichzelf” gaat. Maar misschien gaat maar één op de honderd mensen zover. Wat is een roman? De roman is onze vervanging voor de klassieke tragedie. Je moet dus iemand als romanfiguur nemen wanneer hij in staat is en op het punt staat om zijn persoonlijke top te bereiken. Nu wordt die “persoonlijke top” meestal bereikt, óf door een ongeluk, óf door een teleurstelling, een diep ingrijpende gebeurtenis in ieder geval - en plotseling is dan het lot van een mens veranderd. Je moet 'm dus iets laten overkomen waardoor hij tot het uiterste van zichzelf gaat - zó verander je de kantoorklerk, de kruidenier, de advocaat.

Ik oordeel nooit over mijn figuren. Ik heb een tederheid voor de mens, tout court. Inderdaad lijkt het alsof ik voor mannen meer tederheid heb dan voor vrouwen - dat is niet zo; ik heb voor de vrouw alleen een ander soort teder-

[p. 134]

heid. Ja, de man in mijn romans is altijd zwakker dan de vrouw. Maar in het dagelijks leven is dat toch ook zo? Dankzij de vrouw bestaat nog steeds de bourgeoisie. De vrouw domineert. En de bourgeoisie vertegenwoordigt nog altijd de zekerheid in de wereld.

Inderdaad is het in mijn romans vaak zo dat de man een dominante vrouw heeft, zichzelf probeert te verlossen door een hoerig type en dan zo zijn ondergang tegemoet gaat. Beide vrouwen klampen zich vast aan hun eigen soort zekerheid. De man gaat er dan vaak aan onderdoor, ja.

Luister es. Ik heb een uitzonderlijk actief seksueel leven gehad. Ik heb altijd naar vrouwen gezocht en ik kan zeggen dat ik meestal wanneer ik met een hoer naar bed ging ook contact met die vrouw had. En dat kan ik niet zeggen van al die vrouwen die ik eerst het hof heb moeten maken. De hoer is voor mij niet zomaar iemand, ook al is ze dan verwisselbaar. De hoer is voor mij De Vrouw. Ik ben haast nooit door een hoer teleurgesteld. En de bevrediging was niet alleen seksueel, maar vooral menselijk. Alleen met die vrouwen had ik namelijk contact.’

 

Hij vertelt over de manier waarop hij een roman schrijft.

Hij voelt zich niet lekker, laat de dokter komen en die zegt: ‘Ga maar schrijven.’ Hij sluit zich ongeveer acht dagen op. Eerst schrijft hij op een grote gele envelop de naam van zijn figuur (meestal in de telefoongids geprikt), diens antecedenten, ook elementen die in het verhaal helemaal niet hoeven voor te komen.

‘Het moeilijkste is dan: het “leegmaken van jezelf”. Het gaat erom je te ontdoen van je eigen persoonlijkheid. Het verhaal begint met een geur, vage herinneringen aan een straat of een huis, mensen die naderbij komen, en één ervan zet zich sterker in me vast dan de anderen. Dan ga ik aan het schrijven en ik wórd mijn romanfiguur. Ik ben dan als een lege spons en zuig alles in me op. Ik loop veel in zo'n periode. Nee, dan denk ik niet: denken is intellectueel - en geen van mijn romans is intellectueel.

Ik praat dan niet meer, met niemand. Ik zit aan tafel, maar hoor m'n huisgenoten niet. Ik zit in dat vacuüm, in die retraite. Ik wandel. Steeds als die romanfiguur. Een nabootsing. Als ik over een oude man schrijf, ga ik automatisch, onbewust als zo'n man lopen. Schrijf ik over een opvliegend iemand, dan kan ik ook niets hebben. Ik creëer een personage en na 't eerste hoofdstuk laat ik 'm aan z'n lot over, laat ik mezelf aan zijn lot over. Dan leidt de ander mij vaak naar een epiloog, een einde dat ik helemaal niet verwacht had. En hij heeft gelijk, niet ik. Ik geloof dat het onderbewustzijn meer zekerheid geeft dan de intelligentie; daarom geloof ik ook niet zo in de intelligentie. Ik ben niet zo intelligent, dat weet ik wel, maar ik heb een machtig onderbewustzijn en daar vertrouw ik dan maar op.

Wanneer de roman beëindigd is, ontglipt me de inhoud. Ik herinner me

[p. 135]

dan nog een geur, vage herinneringen aan een straat of een huis, van een enkel iemand - de hoofdfiguur - herken ik nog de contouren, maar dat is alles. Het is weg.’

 

In 1960, 1961 en 1962 hield Simenon ‘om onduidelijke redenen’ een dagboek bij dat pas in 1970 werd gepubliceerd onder de titel Quand J'Etais Vieux (Toen ik oud was). Anekdotes van vroeger, semi-filosofische overpeinzingen, mooie doorkijkjes in zijn werk, zijn dagelijks leven, zijn verleden, maar vooral het bitterzoete relaas van de verhouding met zijn tweede echtgenote Denise. Hij woont dan met haar en drie van zijn vier kinderen (in leeftijd variërend van 36 tot 16 jaar) in een immens huis te Epalinges.

 

‘Ik heb daar maar drie maanden met die vrouw gewoond. Ik weet niet waar ze nu is. Sinds 1964 is ze bij me weg. Ik weet niet waar ze is, ik wil 't ook niet weten. Soms belt ze m'n jongste zoon op om met hem te gaan lunchen en ik stel m'n zoon geen enkele vraag, omdat ik niks wil weten. Ik ben nog steeds met haar getrouwd, ja, maar ik geloof toch niet in het huwelijk. Ik heb er nooit in geloofd. Mijn eerste huwelijk heb ik gesloten om me god-weet-waarvoor te beschermen, dat tweede huwelijk was een passie.

Die passages in Quand J'Etais Vieux over Denise - dat had niets met de realiteit te maken. Ze las van dag tot dag wat ik schreef en ik had bepaalde redenen om haar niet in de war te brengen. Als 't een liefdesbrief was geweest, was 't toch niet zo bitter geweest.

Enkele jaren daarna ben ik tot rust gekomen. Afgezien van die pagina's die ik toen alleen voor haar genoegen geschreven heb, is het eerder een afscheid dan wat dan ook.’

 

Twee jaar geleden verhuisde hij naar een huisje in Lausanne. Een kale kamer, in de hoek een bed. Een kleine schrijftafel. Een televisie. Een boekenkastje. We zitten tegenover elkaar na drie uur praten.

 

Simenon: ‘We hadden het over die “ommekeer” van mijn romanfiguren. Meestal mannen, ja. Gewone mannen, met hun kleine gewoonten, het kleine bestaan waaraan ze hechten - en alles wordt dan in de war gebracht. Maar zo'n incident werkt dan meestal als een openbaring. Die mannen, gewone mannen, lijken inderdaad veel op mijn vader. Vaak wel. Weet je, mijn vader heeft mijn leven gered. Ik had zoveel verkeerd kunnen doen als ik hem niet tot voorbeeld had gehad. Als die romanfiguren zo'n beetje mijn vader vertegenwoordigen, brengen die acht dagen dat ik zo'n roman schrijf toch vertroosting. En het schrijven is altijd een noodzaak geweest. De dood van mijn vader was een ommekeer in mijn leven die ook een openbaring met zich bracht; van de ene dag op de andere werd ik volwassen. Toen ik die Brief aan

[p. 136]

mijn moeder schreef. Kindertaal. Er kwam weer kindertaal over mijn lippen, kindergedachten. Gevoelens die ik nooit neergeschreven had. Zoals verdriet. Ik keer weer terug naar die verwarring van vroeger, alleen tussen die twee werelden van die families waaruit ik stam. Ik ben geen romancier meer. Er is geen kwestie meer van een roman.’

prepostterug  begin  verder