|
|
|
| |
| | | |
Ian McEwan
We steken Clapham Road over, dan een weiland tussen huizen in. Ian McEwan raakt
lichtelijk in extase. Ooit was, waar wij nu op verkommerd gras wandelen, een
parkje met bomen en bankjes. Het leek een goed plan de straatweg, die aan de
overkant abrupt ophoudt, door te trekken. Dus werd de aangelegde natuur
platgeslagen. Later veranderde het plan: er zou een groter park komen, die weg
kon wel wachten. Een aantal huizen moest het toen ontgelden. Vormen van
woningen, en hun indeling, tegen de kale muren rondom. Vooralsnog zal deze
situatie (geen park, geen weg, een loze plek in Londen) niet veranderen. De
economische toestand, nietwaar.
Een pub aan de rand van al deze misère. We drinken bier op straat, in
het voorzichtige voorjaarszonnetje, tussen geparkeerde vrachtwagens.
De schrijver is verbaasd dat het bezoek speciaal voor hem naar Engeland gekomen
is. Hoewel - sinds de Britse pocketeditie van First Love, Last
Rites verschenen is, en daarvan zo'n 40.000 verkocht zijn, is hij in
zijn eigen land ook behoorlijk beroemd. Hij neemt zelfs een uitzonderlijke
plaats in: Engelse uitgevers zien verhalenbundels meestal als bekroning van een
schrijverschap; McEwan debuteerde met short stories.
‘Ik kan alleen maar achteraf reconstrueren waarom ik de vorm van het
korte verhaal koos. Ik had toen ik begon zo veel ideeën - het was
nutteloos om aan elk ervan een roman te willen wijden. Ik werd als het ware naar
de short story gedreven, en tijdens het schrijven ontdekte ik mijn liefde voor
dat genre. In Engeland is de short story altijd heel eng bepaald geweest, als
een formule. Het was eigenlijk gemakkelijk voor mij daarin
verandering te brengen. Er waren al zo veel soorten romans, en er leek maar
één kort verhaal te bestaan: het negentiende-eeuwse, een
fraai gemoduleerde anekdote, waarin alles om de laatste regel draait, de clou,
als in een mop. In het loskomen daarvan zag ik ook een bevrijding voor
mezelf.’
Hij heeft het over zijn ‘geobsedeerde fantasie’.
Ik vraag hem naar een foto die ik in zijn huis zag hangen: een paar mannen
(duidelijk Fransen) tegen de achtergrond van een kolossaal affiche, | | | | waarop een bustehouder geafficheerd; de sfeer van her geheel: een
samenzwering?
‘Er is juist helemaal niets aan de hand. Mannen na het werk die een
afspraak met elkaar maken. De spanning zit 'm in de fotograaf, een goeie vriend
van me, die overal een samenzwering in ziet. Op een dag komt hij op het idee om
elke namiddag op dezelfde tijd bij hetzelfde underground-station te gaan fotograferen. Na een paar dagen wordt hij in
elkaar geslagen; de mensen voelden zich natuurlijk bedreigd door die man die hen
elke dag na het werk kwam fotograferen.
Of hij kreeg de opdracht om voor een kookboek een speciaal gerecht te kieken.
Daartoe moest hij naar een mevrouw die die schotel zou klaarmaken. Hij stelt z'n
apparatuur op, dicht bij het raam, om zo veel mogelijk licht te krijgen. Even
later stormen er mensen binnen van de Russische ambassade aan de overkant, die
dachten bespioneerd te worden. Altijd en eeuwig raakt die man betrokken bij een
“complot” dat hij zelf uitlokt. Interessant
thema.’
We lunchen in een Italiaans restaurantje. ‘De sfeer van die mannen
daar in de hoek. Ze waren al klaar met eten toen wij binnenkwamen. Maar ze
zitten er nog steeds en blijven ongetwijfeld hier nog lang nadat wij al zijn
weggegaan. Je ziet ze kankeren. Jonge kantooremployés, onderchefs,
iets beter gesitueerd dan de working class, die nu bezig zijn
op onkostenrekening hun rancune over de economische situatie te richten tegen de
arbeiders. Maar zij zijn het zelf die Engeland kapotmaken met hun gezeur en hun
luiheid.
Ik ben net twee weken met vakantie bij mijn ouders geweest, die nu in Duitsland
wonen. Hun geld is in de loop van een korte tijd tweemaal zo weinig waard
geworden. Ze raken steeds meer geïsoleerd. Die armoede drijft de
Engelsen in het buitenland op elkaar. Ik heb ze gezegd dat ze dan veel beter
terug kunnen gaan naar Engeland.
Zelf heb ik er niet zo veel last van. M'n boek loopt aardig. Ik kan altijd
terecht in de journalistiek - de Radio Times, of de
zondagsbladen; ik kan voor ze doen wat ik wil - de bbc heeft
me gevraagd een televisiespel te schrijven - maar ik kan me nog steeds
veroorloven dat allemaal af te slaan. Ik ben nu bezig met een roman; ik wil alle
tijd aan mezelf hebben om fictie te kunnen schrijven.’
Zijn flat aan Clapham Road.
‘Ik ben wel in Engeland geboren, maar we gingen al vroeg weg. Eerst
naar Singapore, later naar Tripoli. Ik herinner me daar nog alles van. Het is
toch van betekenis wanneer je het belangrijkste deel van je jeugd in de tropen
doorbrengt. Ik heb er trouwens nooit echt afstand van kunnen nemen. Ik heb er
ook nooit over kunnen schrijven.
Mijn vader was - is nog steeds - officier in het leger, een working class | | | |
Scotchman van oorsprong, die zich van onder af aan heeft
opgewerkt. Hij heeft nooit echt in het leger geloofd, hoewel hij er natuurlijk
wel enorm door gevormd is. Daarom is die tijd in Tripoli waarschijnlijk in wezen
aan me voorbijgegaan: mijn ouders behoorden niet tot de ruling
class, ze maakten geen deel uit van het kolonialistische systeem, alles
werd als vanzelfsprekend aangenomen, er stak geen ideologie achter. Pas later
zag ik in dat ik als kind getuige was geweest van een koloniale
époque in de Engelse geschiedenis.
De sfeer thuis? 's Avonds werden er een paar biertjes gedronken met vrienden, ze
zongen liedjes, ja, legerliedjes, old favourites. Dat soort
gezelligheid. Geenszins de Sandhurst style, de officieren uit
de middle class, die vaak maar een jaar nodig hebben om de
rang te bereiken die mijn vader en zijn kameraden pas na een heel leven in het
leger kunnen krijgen. Nee, dat levert geen frustraties op - nou, tenminste niet
bewust.
Het beroep van mijn vader bracht met zich mee dat ik, toen ik elf was, naar een
boarding-school in Engeland gestuurd werd. Een behoorlijke
klap, ja. Maar 't was ook wel opwindend. Engeland kwam me toen heel exotisch
voor.
Op die kostschool hing vooral een homoseksuele sfeer - van het sentimentele
soort; er was nauwelijks of geen lichamelijk contact tussen de jongens. Er werd
veel aan sport gedaan. Mijn generatie was de eerste, denk ik, die
geïnteresseerd was in ideeën, boeken, muziek. In '65-'66
hoorde ik bij de oudere jongens en toen begonnen de dingen juist: The Beatles,
enzovoort. Ook over die tijd heb ik weinig of niets geschreven, tenminste niet
direct. De omgeving van Suffolk, waar die kostschooljaren zich afspelen, heeft
wel veel invloed op me gehad; het waren de plekken waar John Constable placht te
schilderen.
Op m'n achttiende ging ik studeren: Engelse literatuur in Sussex. In m'n derde
jaar ben ik begonnen te schrijven. Eerst een toneelstuk naar Tonio
Kröger van Thomas Mann, daarna nog een theaterspel. Het had
geen effect, ze werden niet opgevoerd.
Ik was bezeten van de angst dat ik niet bestond. Dat was een kwestie van stand.
De studenten die alles déden, waren meestal afkomstig uit de
professioneel-intellectuele middle class. En wat moest ik, met m'n
lower-middle-classachtergrond? Ik wilde iets creëren dat mijzelf zou
bepalen, ik wilde een onafhankelijk bestaan, een zekere autonomie, zodat ik me
niet hoefde te identificeren noch met de mensen om mij heen noch met mijn eigen
afkomst. Een eigen wereld - daar ging het om. En die vond ik in mijn short
stories.’
In 1975 kwam zijn eerste bundel First Love, Last Rites uit,
tegelijk in Nederland, Engeland en Amerika. Deze drie edities waren elk
afzonderlijk opgedragen aan zijn ouders, zijn beste vriend en zijn vriendin.
‘Ik had dat niet moeten doen,’ zegt hij nu, ‘je
kunt ze nu eenmaal niet allemaal tevredenstellen’, en hij lacht.
| | | |
We praten over Freud. Waarna hij zelf het feminisme ter sprake brengt.
‘Ik begin nu te voelen dat de basis van alle politiek voornamelijk
verankerd ligt in de seksuele politiek; dat de structuur van de maatschappij
niet veranderen zal zolang de structuur van het gezin onveranderd blijft. Uit
seksuele politiek komt de klassenstrijd voort.
Het gekke is dat ik er af en toe van beschuldigd word seksist te zijn, terwijl
mijn verhalen toch juist van het tegendeel blijk geven. Alleen mijn ikfiguren
zijn vaak adolescenten die zich juist bewust worden van seksuele machten; en de
omstandigheid dat zulke exploraties in een soort schemertoestand plaatsvinden -
dát wekt misverstanden ten aanzien van mijn eigen standpunt.
De seksuele macht is voor mij de allegorie van alle macht.
Mijn verhalen hebben veel te maken met mijn, al dan niet bewuste, angsten en
spanningen. Het is vooral de angst om overweldigd te worden, en dan door de
mensen die ik het meest bemin. Dat gewelddadige in mijn verhalen is terug te
voeren op de spanning tussen terreur en liefde, het misbruik van liefde.
Ja, ook op kostschool had je veel onuitgesproken, onontdekte machtsstructuren,
die in het begin vooral tot uiting kwamen in de sport: wie loopt
het hardst? Later ging het vooral om: wie is het
mooist? Terwijl niemand zich dat werkelijk realiseerde.
Uit de angst om kapot te gaan in dat soort machtsstructuren ontstonden mijn
eerste verhalen.
Jij noemt nu “De laatste dag van de zomer” - en dat is
merkwaardig. Dat jongetje in die commune - pas achteraf heb ik me gerealiseerd
dat ik daarvoor het decor van mijn kostschool gebruikt heb. Ik ben erg
getraumatiseerd door het afscheid van die school. Ik ben opgegroeid als enig
kind. Grote gezinnen hebben altijd een enorme aantrekkingskracht op me
uitgeoefend. Ik had ook altijd fantasieën: dat mijn ouders naar
Zuid-Amerika vertrokken en ik opgenomen werd in het kinderrijke gezin van een
van mijn vriendjes.
Nou, eigenlijk werd dat werkelijkheid toen ik naar die boarding-school ging. In
het begin was ik erg verlegen, maar ik werd toch niet gepest, omdat men
kennelijk ontzag had voor mijn vermogen om te zwijgen. Op m'n zestiende werd ik
plotseling slim, nou ja, schoolintelligent. Toch bleef ik een outsider. Zo had
ik een verhouding met een veel jongere jongen - dat zette me buitenspel, maar
tegelijkertijd gaf me dat juist een vreemd soort prestige, zo'n openlijke
affaire met een klein jongetje. Ik was de eerste die dat zo deed. We gingen
trouwens niet echt met elkaar naar bed. Achteraf was het meer sentimenteel, heel
onschuldig.’
In '71 kwam hij van de universiteit, schreef in drie maanden het sublieme verhaal
‘Vermommingen’, dat de aandacht trok van Philip Roth, die
zijn best | | | | deed de jonge schrijver een Amerikaanse beurs te
bezorgen - wat niet lukte. McEwan reisde af naar Afghanistan, kwam na een jaar
terug en voltooide zijn eerste bundel, vooral aangespoord door de Amsterdamse
uitgever Jaco Groot (De Harmonie). Ook McEwans tweede bundel zal het eerst in
Nederland verschijnen. Tussen de lakens opent met het lange
verhaal ‘Psychopolis’, waarin hij - voor het eerst min of
meer direct autobiografisch - verslag doet van eigen bevindingen. Het gaat hier
om een recente reis door Amerika.
‘Je zou kunnen zeggen dat de sfeer van De laatste dag van
de zomer en die in Tussen de lakens elkaar
overlappen. Een verhaal als “Pornografie” bijvoorbeeld,
dat in het tweede boek staat, had net zo goed in het eerste gekund.
Maar “Psychopolis” verschilt duidelijk van de verhalen uit
het begin; dit verhaal is meer relaxed, ironisch. De ikfiguren uit het eerste
boek representeren veel meer de angsten die ik in mij heb, mijn
nachtmerrieachtige kanten. In “Psychopolis” is mijn gewone
stem duidelijker te herkennen, de manier waarop ik een of ander voorval aan een
vriend vertel, ontspannen, conventioneler ook dan de meer irrationele
vertellingen in De laatste dag van de zomer.’
Uit ‘Psychopolis’ komt het beeld naar voren van een zeer
eigentijdse jongen.
‘Mijn generatie heeft zeker bepaalde kenmerken. Bijvoorbeeld het
gebrek aan geldzorgen. Ik kan me niet druk maken over geld. Ook het feminisme
zie ik als een verworvenheid van mijn leeftijdgenoten - trouwens, die tweede
golf van het feminisme is de enige stroming uit het midden van de jaren zestig
die van blijvende waarde is geweest; ik ben blij dat ik dat heb kunnen oppikken.
En dan natuurlijk het roken van marihuana en het innemen van lsd. Ik heb wel vijfentwintig keer een trip gemaakt. Vanaf het moment dat
ik ben begonnen te schrijven. Ja, het heeft echt iets in me veranderd. Sinds de
eerste keer dat ik getript heb, voel ik me absoluut niet in staat om een gewone
baan te nemen.
Tot '70 heeft 't mij nier geraakt, tenminste, tot die tijd heeft 't tot geen
enkele verandering in mijn leven geleid. Terwijl ik 't toch om me heen zag. Ik
was te druk bezig met het lezen van Kafka en Freud. Ik was laat, ik ben nooit
het middelpunt van de gebeurtenissen geweest. Alleen de laatste twee jaar.
In '72 was 't allemaal voorbij. Trouwens, op het ogenblik is er een tendens van
mensen van mijn leeftijd om alles van die tijd te overdrijven. Ze praten erover
alsof 't het paradijs was, maar dat was 't niet. In Amerika dreef Vietnam
iedereen bij elkaar - maar bij ons had je zoiets niet.’
‘Psychopolis’ heeft ook de ironie van een Engelsman die
Amerika bekijkt.
‘De ironie in dit verhaal wordt versterkt door een zekere
toonloosheid. Ik heb geprobeerd een soort proza te schrijven dat bijna onmerkbaar is. Als een | | | |
medium. Bijna alsof ik ernaar streef dat wanneer ik iemand zou
vragen: “En? Hoe vond je
“Psychopolis”?”, dat die iemand dan zou zeggen:
“Ik heb 't wel gelezen, maar ik herinner 't me niet meer.”
Net zoals het antwoord kan luiden wanneer je iemand naar de muziek uit een
bepaalde film vraagt.’
Hebben al zijn verhalen voor hem elk apart een eigen sound?
‘Ja. Ik heb al mijn verhalen ook geschreven om steeds weer een ander
retorisch probleem op te lossen - dat is misschien een erg oppervlakkige manier
om het ontstaan van verhalen te verklaren, maar 't is wel zo. Bijvoorbeeld: ik
wilde een verhaal schrijven waarbij de lezers de centrale figuur steeds meer
zouden gaan haten - en zo is “Pornografie” ontstaan. Of ik
wilde mezelf bewijzen dat ik een verhaal helemaal in de tegenwoordige tijd kon
zetten - op die manier ontstond De laatste dag van de
zomer.’
Zijn positie als schrijver.
‘Vrij uniek. Ik heb weinig gemeen met andere schrijvers in Engeland.
Ik voel me meer betrokken bij de Europese of Amerikaanse literatuur. Dat heeft
ook te maken met mijn klasse. Engeland is een typische
klassenmaatschappij, meer dan in welk land ook werkt hier het klassenbegrip in
het maatschappelijk verkeer door. Mijn manier om de maatschappij te bekijken -
zoals uitgedrukt door de karakters in mijn verhalen - is typisch bepaald door
mijn afkomst uit de lower middle class. Hierbij hoort een zeker besef dat de
wereld je niet toehoort, hoewel je er toch een plaats hebt.
Dit is misschien geen nauwkeurige of verantwoorde beschrijving van de wijze
waarop mensen uit de lower middle class de maatschappij bekijken, maar 't geeft
wel iets aan van de manier waarop de figuren in mijn verhalen ontstaan zijn. Het
is 't angstige gevoel gemanipuleerd te worden door mensen die je uitsluiten. Een
soort angst. Een diepgeworteld minderwaardigheidsgevoel. Geen
vertrouwen.’
|
|
|