|
|
|
| |
| | | |
Jan de Hartog
De schrijver: ‘De vlucht naar Engeland betekende voor mij in meer dan
één opzicht een ontsnapping.
De bezetting luidde voor ons genre schrijvers een nieuwe
Dickens-periode in. De radio bracht louter Duitse muziek en Duitse verhalen; de
schouwburgen boden alleen Duitse klassieken; in de bioscopen werden slechts
Duitse films vertoond; om tien uur moest je thuis zijn - de enige twee
mogelijkheden die overgebleven waren: óf vrijen, óf een
boek als Hollands glorie aan elkaar voorlezen.
Toentertijd hadden auteurs als A.M. de Jong en Brusse een soort albatros om hun
nek hangen: Merijntje Gijzen, Boefje. Ik dacht: Dat zal mij niet gebeuren. Ik wist: Als het zo doorgaat
kom ik nooit meer van dat ene succes af - wat ik hierna ook moge
schrijven.
In '43 kwam ik in Engeland aan, en werd oorlogscorrespondent van de koopvaardij.
Vlak na de oorlog ben ik gedurende een seizoen resident
dramatist geweest van het Oxford Playhouse; in die dagen nog een onbekend
weekly repertory theatre: iedere week een nieuw stuk.
Ik had een kamertje onder het toneel. Er was geen geld om royalty's te betalen
van erkende spelen. Ik kreeg om de zeven dagen een script in handen, met de
opdracht: Hou de handeling gaande, maar maak er wat anders
van. Daar heb ik geweldig veel van geleerd.
Dan zat ik in dat keldertje te tikken, terwijl er boven gerepeteerd werd. Kwam er
iemand naar beneden: “We hebben drie velletjes dialoog nodig. Angela
kan namelijk niet achter het decor langs, want daar staat de Russische ober. Ze
moet dus voor haar verkleding om het gebouw heen. Schrijf maar iets - kan niet
schelen wat.”
Ik ben ervan overtuigd dat sommige stukken van Shakespeare ook zo ontstaan zijn.
Mede door dat vervalsen ben ik vervolgens doorgegaan met stelen voor | | | | mijn eigen werk - een fraaie formulering: hier wegklauwen, een zinnetje daar.
Zo ben ik langzamerhand in die taal gegroeid.
Mijn vader was een dominee, die het gebracht heeft tot hoogleraar in de
theologie. Mijn moeder was gespecialiseerd in de middeleeuwse mystiek; lectrix
aan de Universiteit van Amsterdam. Ze had drie studenten, van wie er twee
officieel krankzinnig waren, en van de derde wisten we: dat zal niet lang meer
duren. Mijn moeder was een lieve, stralende, stille vrouw; mijn vader een
kolossale, uitbundige schat van een man. Ze waren beiden oprecht gelovig. Dat
heeft mij als klein jongetje al verbijsterd.
Ik kon doen en laten wat ik wilde. Toch heb ik uit mijn jeugd een fobie voor
getheologiseer overgehouden - dat abstraheert iets wat alleen maar in werken of
de innerlijke belevenis kan worden uitgedrukt. Mijn ouders hadden voortdurend
stellingen, waarover dan druk gedebatteerd werd; bijvoorbeeld over wanneer
precies de indaling van het goddelijke in de mens had plaatsgevonden - daarover
spraken die twee lieverds dan tijdens het eten.
Van jongs af aan ben ik een beschouwer geweest. Opportunistisch ook; in diepste
wezen. Die observator ben ik altijd gebleven. Op mijn sterfbed zal ik nog
denken: Wat jammer dat ik dit niet meer zal kunnen
beschrijven. Ik sta toch altijd een stap terug van mijn ervaringen; zelfs
de intiemste. Dat betekent een zekere eenzaamheid.
In die periode van het Oxford Playhouse was ik verliefd op een vreemd, blond,
vaag meisje dat van de Hebriden kwam. Het was net alsof ze niet leefde. Ik was
niet haar enige vriend. Toch betoonde ze een grote trouw. Ze bleef al haar
minnaars brieven schrijven.
Dan vervaardigde ze één lang epistel, knipte dat in gelijke
stukken, en stuurde elk van ons zo'n part toe. Je begreep niet waarover ze het
had, maar wel was duidelijk dat ze je op een of andere manier in een episode van
haar leven toeliet.
Naar aanleiding van haar heb ik Stella geschreven. De soberheid
van dat boek valt direct te verklaren uit de omstandigheid dat ik toen nog niet
voldoende Engelse bijvoeglijke naamwoorden kende. Daarvóór
was het altijd geweest van: waarom zal ik acht gebruiken als ik zestien vinden
kan?
Ik herinner me mijn eerste schooldag nog goed. Juffrouw Vlaanderen leerde ons het
Aap, Noot, Mies. Nog voel ik die overweldigende verrukking van: “Ik
kan lezen!”
Ik rende naar huis, almaar brullend: “Ik kan lezen! Ik kan
lezen!” Mijn vader pakte de bijbel, sloeg die open, en vroeg me:
“Wat staat hier dan?” Later heeft mijn moeder me verteld
dat het om het Hooglied ging. En ik zei: “Daar | | | | staat
Aap, Noot, Mies.” En mijn vader zei: “Nou ja, daar komt
het wel zo ongeveer op neer.”
In de loop van mijn schrijverschap heb ik mij steeds meer bepaald tot omgevingen
en werelden die ik van nabij ken. Neem die slecpboterij; daar wist ik alles van.
En zo kon ik mijn hoogstpersoonlijke fantasie reliëf geven, omlijnen
door en beperken tot een schip, een mannenwereld, met een bepaald vrouwbeeld:
een wezen van wie ze niet weten of ze ernaartoe aan of vandaan komen - een
abstractie. Al mijn boeken zijn, stuk voor stuk, gebaseerd op dat soort
non-concrete beelden. Eigenlijk is die abstrahering in mijn werk alleen maar
groter geworden.
Omdat het Engels mijn eigen taal niet is, vormt het een instrument dat mij in
staat stelt nog meer afstand tussen de gedachte en de verwezenlijking daarvan te
creëren.
Tussen '45 en '50 heb ik een stuk of vijf toneelstukken geschreven, die het
allemaal goed hebben gedaan. Toch betekende het voor mij niet veel meer dan het
leren van een vreemde taal. Ik heb toen ook een tijdje veel succes gehad in
Frankrijk. Colette heeft nog Het hemelbed bewerkt. Ze was
stervende, en dat beleefde ze met ongelooflijk veel belangstelling. Ik heb nooit
iemand ontmoet die zo geïnteresseerd was in het proces van de eigen
dood.
Ze had necrose; wat betekende dat haar lichaam zienderogen afstierf. Haar voeten
waren zwart. Daarover had ze geen valse schaamte. Ze lag, mooi opgemaakt, op een
chaise longue, met die naakte, rauwer wordende benen, en haar teennagels waren
nog gelakt.
We hadden het heel veel over ons beider methode van werken. Ik vertelde haar
bijvoorbeeld dat ik mijn boeken dicteerde, omdat ik de spelling van de Engelse
taal nog niet beheerste. Waarop ze vroeg of het niet vervelend was om altijd
zo'n secretaresse bij je te hebben. “Ach,” zei ik,
“soms kan dat wel verkeerd uitpakken. Ik heb er eentje gehad die als
ik een minuut over een woord moest nadenken, een detective uit haar bureaula
nam, en daarin begon te lezen.” En Colette: “Ah! Vous ne
réfléchissez qu'une minute! Sortez! Sortez!”
Ik had toen een groot varend woonschip, waarmee ik nog in Saint Jean-Cap Ferrat
heb gelegen, vlak tegenover de villa van Somerset Maugham. Maugham kwam er nooit
uit. Je moest naar hem toe. Geen leuke vent, maar een ongelooflijk vakman - daar
zijn geen woorden voor. Je was gewoon bij hem op het atelier, kun je wel zeggen.
Hij interesseerde zich nog alleen maar voor het vak, voor de techniek - dat was
zijn passie.
Dan vroeg hij ons: “Waar ben je mee bezig?” Vervolgens gaf
ik hem dan een hoofdstuk of zo. Daar ging hij meteen druk en nijdig in krassen.
Had hij bijvoorbeeld een verkeerde werkwoordsvorm in een flashback gevonden. | | | | Stond er zoiets van: Ik liep de straat af, en kwam
Suusje tegen. Ik herinnerde mij nog dat wij indertijd een nogal wilde tijd
hadden beleefd. We hadden dit en we hadden dat.
Dan zei Maugham: “Je mag een flashback alleen maar inleiden met een
voltooid verleden werkwoordsvorm, waarna je gewoon weer dient over te gaan in de
onvoltooid verleden tijd. Wie in de voltooid verleden tijd doorgaat, wordt
onherroepelijk vervelend. Dat. Is. Een. Wet.”
Ik heb altijd graag multi-voiced novels geschreven; zoals de
oude ambachtslieden het graag deden; romans waarin het verhaal verteld wordt via
een aantal personages, die elk hun kijk op de gebeurtenissen geven. Daarbij is
het moeilijkste om in het begin van de ene figuur op de andere over te gaan.
Maugham heeft mij geleerd dat de tweede figuur alleen maar tot leven kan komen
als hij de eerste heeft gezien.
Dus: De bakker komt binnen, en denkt: Daar staat dat meisje weer.
Potverdikkie, ik wou dat ik nog een vrije jongen was. Die heerlijke
kadetjes. Vervolgens ga je op het meisje over: Ze zag de
bakker de kamer binnenkomen: dik, bezweet, met dat vieze petje op zijn kop.
Dat vreselijke haar op de rug van zijn hand. Dan pas kun je met haar
leven verdergaan.
Dat zijn geen trucs, maar perspectivische romanwetten.
Maugham en ik waren het ook wel eens oneens. Bijvoorbeeld over het gebruik van
analogieën. Hij schreef zinnen als: De herfstbladeren
dreven de rivier af, like thoughts in an idle mind. Terwijl ik zou
schrijven: The thoughts drifted through his idle mind like autumn
leaves floating down the river.
Ach, ze hebben het altijd over die verhaaltjesvertellers. Maar de vorm van de
verhalende roman is even streng als die van het sonnet.
De well made novels zijn een tijdlang verketterd geweest:
vullis, versteende rotzooi, die van tafel moet. Schrijvers als Maugham en Graham
Greene hebben het moeten ontgelden. Het metier heeft een poosje niet in aanzien
gestaan.
Ik sta dichter bij Maugham dan bij Greene. Ik vind Maugham objectiever; hij was
in zijn observatie en techniek veel afstandelijker dan Greene, bij wie het thema
en de eigen innerlijke strijd dikwijls het boek dat hij trachtte te schrijven
overschaduwen. Na Maugham ben ik nooit meer een collega tegengekomen met wie ik
in alle intimiteit over de pure techniek van mijn vak heb kunnen praten; zo van:
hoe meng jij je verf nou? Met Greene ging het ook niet.
Die had te veel problemen met zichzelf. Maugham had geen problemen. Colette ook
niet. Die torsten de wereld niet op hun nek. Dat waren buitenstaanders, ook van
zichzelf. Evenals Noel Coward. Ik heb het met Coward nog wel over de well made play gehad; maar eigenlijk was hij daar al honderd
jaar aan voorbij.
| | | |
Ik was midden dertig toen ik Maugham ontmoette; hij in de negentig.
Priestley heb ik heel erg goed gekend. Hij is zes jaar mijn schoonvader geweest.
Vlak na de oorlog. Een verrekt goeie schrijver. We hebben samen aan een
filmscenario gewerkt, naar een van mijn toneelstukken, dat door de censor is
afgekeurd. Te onzedelijk, geloof ik.
Met Priestley moest je uitkijken. Hij was veel meer een prima donna dan Maugham
of Colette ooit geweest zijn. Als je Priestley niet liet winnen met biljarten,
kon je wel inpakken.
Ik heb altijd leermeesters gezocht. Ik mag lijen dat ik er nog eens een tegenkom.
In '56 ben ik, in opdracht van een aantal grote Europese magazines, naar Amerika
gegaan, om de binnenwateren van de Verenigde Staten te beschrijven, van Mexico
tot Canada. Met mijn woonschip, dat speciaal daarvoor naar de States was
overgevaren.
Ik ben er min of meer blijven hangen. Het is eigenlijk geen prettig land voor een
schrijver. Niemand trekt zich daar iets van je aan.
Eén jaar heb ik in een soort schrijverskolonie gewoond; in Washington,
Connecticut. Arthur Miller en Bill Styron waren er mijn buren. Heel genoeglijk,
hoot, we kwamen ook wel bij elkaar over de vloer; maar het was me toch te veel
een ivoren toren; een te besloten kring. Daar had ik op een gegeven moment geen
zin meer in.
Ik word in Amerika nog steeds als een Nederlands auteur beschouwd. Alleen in
Nederland heet ik een Amerikaanse schrijver.
Ik blijf - een enkele uitzondering daargelaten - een schrijver die het Hollandse
milieu als onderwerp heeft. Ik heb altijd het gevoel dat ik tijdelijk in Amerika
woon, terwijl ik in mijn vaderland niet meer kan aarden.
Ik woon in de buurt van Princeton. Niks bijzonders. Ik leef er zeer
geïsoleerd. Mijn vrouw heeft zo haar sociale activiteiten, en ik
schrijf gewoon. Ik werk iedere dag, van negen tot een uur of
één. Dan wandel ik wat.
Eerst doe ik research, en zet dat op fiches.
Dan begint de structuur van het verhaal zich langzamerhand af te tekenen.
Ik heb een planningbord; vier bij zes foot. Daarop prik ik
kolommen karton; elk van drie duim breed. Waarop ik vervolgens afpelbare
eriketjes kan plakken. Op die etiketjes tik ik in segmenten - zeer verkort - de
hele story; onderhoofdstukjes - die nummer ik met behulp van
punaises.
Zo groeit het geheel als het ware onder mijn handen, en vindt steeds meer zijn
vorm.
Is het een multi-voiced novel, dan krijgt elk etiketje naast de nummerpu- | | | | naise ook nog een punaise van een bepaalde kleur die het personage
aangeeft. Vervolgens wordt het totaal onderverdeeld in hoofdstukken, aangegeven
door een grotere punaise, met Romeinse cijfers.
Dan kun je gaan schuiven, wegstrepen, vervangen - passen en meten. Zeer creatief
werk, vind ik. Dat is voor mij de inspiratie ten top.
Ten slotte ga ik elk etiketje uitvoerig uitwerken, op bladzijden van een
multomap; waarbij alle segmenten van elkaar worden gescheiden door zo'n even
uitstekend kartonnetje, waarop ik ook weer nummers zet. Als ik dan op mijn
planningbord kijk, kan ik het zo opslaan in mijn multomap. Dat is de verfijning
van mijn materiaal.
De enige schrijver van wie ik weet dat hij ook zo werkt, is Heinrich
Böll. Het voordeel van deze methode is dat geen van de figuren met
het boek kan weglopen. Als jong auteur is me dat wel gebeurd.
Nu kan ik rustig naar mijn planningbord kijken, als een schilder naar zijn doek.
Afstand én betrokkenheid - daar gaat het om. Je moet je bewust
blijven van je dualiteit ten opzichte van het werk. Al te sterke identificatie
betekent de ondergang, chaos.
Vervolgens ga ik tikken.
Daarbij zijn twee punten zeer belangrijk. Ten eerste: lees het werk nooit over
voordat het helemaal af is. Als je vandaag de dag een roman schrijft, moet je
wel een megalomaan zijn; want je moet eens even nagaan wie er niet over je
schouder meekijken: Tolstoj, Dostojevski, meneer Balzac, noem maar op. In feite
zeg je toch: Hé, Dickens, schuif'ns een eindje op! Hier
ben ik! Dat is tevens de enige conditie waarop het boek geschreven kan
worden - anders valt het niet op te brengen.
De volgende fase is dat de megalomaan vervangen wordt door de grootinquisiteur,
die zegt: “Wie is de knoeier die dit gewrocht heeft? Wat is dit voor
een gepruts? Wat een verliteratureluurd gezeik!” Dat moet ook
gebeuren; maar je mag het nooit doen terwijl je nog bezig bent.
Punt twee: het moeilijkste is om elke ochtend weer te beginnen. Daar heb ik ook
een foefje voor, en dat werkt feilloos.
Je zit te tikken, en je hebt je voorgenomen: Ik doe
één segment - één etiketje dus -
per dag. Als het dan af is, moet je ook ermee uitscheiden. Hoe lekker
het ook gaat. Maar terwijl die sappen nog stromen, noteer ik mijn laatste
invallen met potlood op een paar blocnotevellen. Voor de volgende dag, om weer
met volle moed te kunnen starten. Die methode is werkelijk een ontdekking van
grote betekenis voor me geweest; een echte bevrijding.
Amerika is mijn boterham. Vergeleken met Nederlandse auteurs heb ik er heel
aardig geboerd. Van The Captain zijn daar een miljoen
exemplaren ver- | | | | kocht; in Nederland niet meer dan tienduizend,
vijftienduizend misschien.
The Captain was mijn grootste bestseller in de Verenigde
Staten. Verder lopen mijn romans daar aardig: vijftigduizend, en meer dan het
dubbele wanneer de bookclub-choice je ten deel valt.
Ik schrijf ook niet voor het succes.’
|
|
|