terug  begin  verderprepost
[p. 283]

Henk J. Hofland

H.J.A. Hofland (63) zegt over zijn nieuwste boek, de roman De alibicentrale: ‘De hoofdpersoon van dat verhaal is eigenlijk een menslievende man. Wanneer iemand hem vraagt of hij die alibicentrale vanwege het geld bedacht heeft, antwoordt hij: “Nee, uit waarheidsliefde.”’

 

Waarom draagt het boek als ondertitel: Een sprookje voor bedriegers?

‘Hoewel het waarheidsgehalte van dit boek heel groot is, zal de verwezenlijking van zoiets als een alibicentrale nog wel lang op zich laten wachten; vooralsnog zien we geen advertenties waarin bedrijven worden aangeprezen die mensen behulpzaam willen zijn bij het vinden en instandhouden van een alibi. Die alibicentrale uit mijn boek is dus een toverinstituut. Vandaar een sprookje. Men kan er ook van leren; wie het zorgvuldig leest, zal er wijzer van worden. Voorts is het geschreven voor bedriegers; omdat bedriegers zich in het verhaal zullen herkennen, en daarin tevens een zeker plezier zullen scheppen. Eindelijk immers wordt de bedrieger recht gedaan, en krijgt het literaire portret dat hij verdient. In wezen zijn alle figuren uit De alibicentrale, inclusief de tamelijk sympathieke hoofdpersoon, bedriegers. Om een van hen te citeren: “De mens is hebzuchtig, laf, lui en wraakgierig. Erbarmen. En onze onderneming bevindt zich in de gelukkige positie dat zij in al deze hieruit voortspruitende drijfveren tegen honorering kan honoreren.” Dat is ook zo ongeveer wat ik zelf denk. Het is treurig gesteld met de mensheid, en dat zal altijd wel zo blijven. En de kroon op deze akelige gesteldheid is wel dat de mens die omstandigheid ook nog eens exploiteert; hij verdient geld aan andermans tekortkomingen, zwakheden, slechtheid en verraad. Dat wist ik overigens al toen ik twaalf was - toen begreep ik al duidelijk: er deugt niks van. Ik zag het aan mijn medeleerlingetjes, aan de leraren. Persoonlijk ben ik van meet af aan een naïef en goed mens geweest - gelukkig maar, want anders had ik nooit zo'n boek als De alibicentrale kunnen schrijven.’

[p. 284]

Naast alle schurken van vlees en bloed speelt er in feite nog een onschuldige, maar daarom niet minder fascinerende figuur mee in De alibicentrale, namelijk het Amsterdam van de jaren tachtig/negentig.

‘Amsterdam is allengs overwoekerd met wat in de jaren zestig begonnen is: lieden die alleen maar de blits willen maken, reclame voor zichzelf, de voortzetting van het iktijdperk. Toen ik er kwam wonen in het begin van de jaren vijftig, had je dat allemaal nog niet. Wat er toen al wél was: die typische Amsterdamse flauwekul. Amsterdam heeft 't, en jezelf dan feliciteren met iets wat je eigenlijk niet hebt.’

 

De Amsterdammers uit je boek zijn over het algemeen yuppie-achtige non-mensen.

‘Wanneer is die pagina Privé van De Telegraaf begonnen? Zo'n twintig jaar geleden, denk ik. De lieden die daarop figureren, zijn in de loop van de tijd precies hetzelfde gebleven; van die met lak overspoten types. Naarmate de televisie een steeds grotere vlucht heeft genomen, is het aantal van die lieden almaar toegenomen, lijkt het wel. Vervolgens kreeg je dat verschijnsel van De Bekende Nederlander; de absolute terreur van deze tijd.’

 

De alibicentrale behandelt onder andere de harteloosheid van het yuppiedom; een soort lieden dat noch als links noch als werkelijk rechts te typeren valt.

‘Links en rechts doen er tegenwoordig niet meer zo toe. De democratie in ons land is verworden tot een eigenaardig soort samenspel tussen de drie of vier partijen die het bij voorbaat in grote trekken met elkaar eens zijn. De echte oppositie zit achter tralies of slaapt 's nachts op straat. Net als in Amerika begin je bij ons de lower class te krijgen. Daar gaat De alibicentrale niet over, maar het is wel ook een politiek boek. In het begin zegt de hoofdpersoon: “Wij gaan nu iets doen wat geen enkele heilsleer, godsdienst of politieke partij ooit gedaan heeft, wij gaan de mens een extra leven geven.” In die zin is De alibicentrale een politieke organisatie.

De dommigheid die je elke avond op de televisie ziet. Het vreselijke conformisme. Het gebrek aan haken en ogen. Niet alleen op de televisie, maar ook in de sociale verzorging, in de welzijnswerkerij. In alles, alles is er één grote dikke brij van gelijkschakeling gekomen. Als iemand iets hards zegt op de televisie, is de schrik allerwege zeer groot. Maar zo hoort het; je moet elkaar zo af en toe eens stevig aanpakken, anders komt er niks van terecht. Als er iets gebeurt, weet je tenminste dat je leeft.

Die Alibicentrale kun je ook beschouwen als een soort oorlogsboek; er wordt daarin voortdurend strijd geleverd. De hoofdpersoon raakt steeds meer vrienden en bondgenoten kwijt, en moet ten slotte in zijn eentje de boel bestrijden. En dan vindt hij iets wat misschien helemaal niet te bestrijden valt.’

[p. 285]

De Fusie. Zoals jij het samensmelten van nrc en Algemeen Handelsblad ervaren hebt.

‘Inderdaad. Niet dat dat nog een wezenlijke rol voor mij speelt, maar er zijn dingen die je nu eenmaal niet vergeet. Het Verraad.

Het eerste verraad overkwam me toen ik in de hongerwinter drie peuken in mijn zak had die ik met mijn beste vriend wilde oproken; dus ik probeerde die drie peuken uit mijn zak op te vissen - maar die beste vriend van mij had ze al opgerookt. Tja. Zo erg was het nou ook weer niet - je ging naar buiten, en je raapte drie andere peuken op - maar het blijft toch steken. Zoals er ook belachelijke zaken tijdens die fusie zijn voorgevallen.

Ik was hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad, en wilde die krant destijds opstoten in de vaart der volkeren. Daarom hield ik grote nieuwjaarsrecepties. Dit nu werd door de Rotterdamse directie geïnterpreteerd als zou er daar in Amsterdam een dependance van Sodom en Gomorra zijn ingericht. De ndu wilde mij kwijt; ze vonden mij te links, te ordeloos en te onberekenbaar - terwijl ik geen van drieën was. Twee jaar lang is er vervolgens een oorlog tegen mij gevoerd. Vervolgens maakte ik een kleine fout, die in deze context een fatale misser was; ik struikelde, en behoorlijk ook. Dat vond in '72 plaats, twee jaar na De Fusie.

Het trauma is niet dat ik hoofdredacteur af was; het trauma was dat ik een nederlaag leed, en in de steek gelaten werd. Het ging zover dat er iemand aan de telefoon kwam die zei: “Zeg, je moet nu zeker wel je huis verkopen, hè? Ik weet een koper voor je.” Zo gaat dat. En mijn jongste kind kreeg op school van klasgenootjes te horen: “Haha, jouw vader is de baas niet meer.” Treurige zaken, ja. Ik zou zoiets nooit doen. En het valt tegen hoe weinigen er maar zijn die zulke dingen niet doen. Iemand die mij om twaalf uur belde en zei: “Wat je ook gedaan moge hebben, jij bent niet slecht” - zulke mensen heb je niet veel. Ach, het zijn ook geen trauma's. Het is ook niet zo dat ik af en toe 's nachts badend in het zweet wakker word. Ik houd ook niet van zelfbeklag. Maar het is wél gezien, en niet onopgemerkt gebleven.’

 

Gedurende ongeveer vier decennia observeer je en beschrijf je de Nederlandse samenleving. Wat is volgens jou De Grote Verandering dan wel Verschuiving?

‘Je hebt natuurlijk een bovenlaag, in alle beroepen en inkomensgroepen, die hard werkt en er zin in heeft. Daaronder komt dan een dikke onderlaag, die steeds meer uit parasieten bestaat en schreeuwende aandachttrekkers. Dat is absoluut waar; het is niet de rancuneuze waarneming van iemand die tegen de bovenkant der middelbare leeftijd krabbelt. De laag die ertoe doet, is almaar conservatiever geworden. En conservatieve mensen zijn lieden die nooit iets zelf bedenken, die in een recht kanaal doorleven, en het alleen maar lekker willen hebben, met festivalletjes en Japanse elektronica, met flip-overs en symposia, die lekker erbij willen horen en daarmee tevreden

[p. 286]

zijn. Deze middenlaag is toegenomen, en het aantal constructivistische mensen is duidelijk afgenomen. Misschien komt dat wel door onze zo ver doorgeperfectioneerde verzorgingsstaat. Die kan je toch niet onbeïnvloed laten. Uitkering, lekker! Wat moet ik verder nou nog? En zo weinig geld is het nou ook weer niet, voor niks-doen. Twaalfhonderd gulden per maand - wat heb je meer nodig? Een paar sneakers en een spijkerbroek kosten niets, en voor vijfentwintig gulden heb je een gejatte fiets gekocht. Die junks vormen een niet onaanzienlijke bijdrage aan het moderne zwartegeldcircuit. Hiernaast, in het tijdschriftenwinkeltje, werd laatst een jongen neergeschoten die daar werkt. Een junk wil de kas, die jongen wenst zich te verdedigen en krijgt een kogel in zijn pens. Hij sterft niet, maar in het ziekenhuis blijkt dat die kogel uiterst ongelukkig terecht is gekomen. Het slachtoffer is een paar keer geopereerd, dus dat kost de staat kapitalen; en straks moet hij nog revalideren; laten we zeggen dat deze aardige jongen zo'n half jaar onttrokken is aan het arbeidsproces. En dit alles voor een buit van honderdvijfentwintig gulden! In zekere zin is dat dus een investering om een team chirurgen, een partij verpleegsters, verplegers en revalidatiedeskundigen bezig te houden.

En dan heb je die moderne sloddervosserij, waar ik ook niet van houd. Een paar dagen geleden zag ik voor het eerst een man langs de stoeprand knielen, die water uit de goot dronk. Ongelooflijk. Aan de andere kant van de straat trok terzelfder tijd tetterend en trommelend het bloemencorso voorbij. Kijk, en dat had je niet in 1950 - toen had je wél dat bloemencorso, maar niet die man die uit de goot dronk.

Die welzijnsmaatschappij heeft toch allang weinig of niets meer van doen met weldoen. Wij leven in een geautomatiseerde verzorgingsstaat. Kijk eens, ik ken een 82-jarige advocaat die nog een aardige praktijk heeft; Picasso werkte nog op zijn negentigste; Ouwe Nol was vijfentachtig toen hij de hele rechtszaal in Utrecht bij elkaar schreeuwde. Buñuel maakte nog een prachtige film toen hij tweeënzeventig was - die leeftijd, dat zegt allemaal niks. Maar in onze verzorgingsstaat zegt het een heleboel. Wanneer je zestig bent geworden en je hebt een eigen bedrijfje, en je maakt winst - dan krijg je geen investeringsaftrek meer als je die winst in het eigen bedrijf laat terugvloeien. De vut-regeling is hetzelfde - wanneer er in een cao, die kracht van wet heeft, staat dat je de plicht hebt om van een recht gebruik te maken; dat is toch je reinste Roemeense dictatuur: dat je de plicht hebt om van een recht gebruik te maken. Orwelliaanse Newspeak.

Drees kwam uit de crisistijd, en vond dat het zo nooit meer mocht worden. Hij vond de aow uit. Vervolgens kreeg je het systeem van sociale wetten. Vervolgens heeft dat systeem, als elk maatschappelijk mechanisme, zijn Eigen Momenten gekregen, het is geautomatiseerd, en dat volgzame Nederlandse volk heeft verzuimd om te zorgen dat de uitwassen bijgesteld werden krachtens welke collectieve regelingen bepaalde individuen de nek worden omgedraaid.’

[p. 287]

Al die wettelijke regelingen vormen een tamelijk bedrieglijk web, waarin het begrip ‘alibi’ een merkwaardige bijsmaak krijgt.

‘In principe zou er niets tegen zijn in onze constellatie dat je het alibi in het ziekenfondspakket kreeg. Wanneer je bijvoorbeeld nymfomanie erkent als een ziekte, of althans als niet iets normaals, dan hoort de getrouwde nymfomane het alibi in haar ziekenfondspakket te krijgen, en wel bij een Erkend Alibi Bureau. Vervolgens zien wij de Erkende Gediplomeerde Alibist zijn intrede in deze maatschappij doen. Deze Erkende Alibist werkt, vanzelfsprekend, geheel en al gesubsidieerd.

Ik heb ooit iemand gesproken die wilde dat de Vereniging voor Sadomasochisme koninklijk erkend zou worden. Waarom zou straks dan niet de Koninklijke Alibistenbond kunnen bestaan? Ach, de homoseksuele medemens is ook van overheidswege erkend - en terecht. Maar het is interessant te zien wat er gebeurt wanneer je datgene verlaat wat eeuwenlang, uit welk principe dan ook, als normaal werd beschouwd. Dan wordt de grens steeds meer verlegd. Pedofielen! Hoe die niet geijverd hebben om een eigen plaatsje onder de zon!’

 

Binnen vier decennia zijn de begrippen links-rechts, progressief-conservatief volkomen op hun kop gezet.

‘Dat is absoluut waar. Vroeger sprak ik nog wel eens met wijlen De Telegraaf-hoofdredacteur Goeman Borgesius, die dan zei: “Weet je dat wij, toen ik bij de krant begon, niet in de krant mochten zetten dat de prinses zwanger was - zij moest In Blijde Verwachting wezen.”’

 

Trouwens, jij bent nooit zo rabiaat tegen De Telegraaf geweest als menige collega.

‘Ik heb De Telegraaf nooit als onaantastbaar beschouwd.’

 

Waarom werd die Telegraaf altijd zo veracht? Zo'n vieze courant is het toch niet.

‘Journalistieke stammenstrijd, denk ik.’

 

Dit terwijl De Telegraaf gedurende de oorlog niet fouter was dan het Algemeen Handelsblad.

‘Inderdaad. Daar zwaaide die Hoogterp de scepter, een echte nsb'er. De Telegraaf is eigenlijk nooit zo'n verschrikkelijk erge krant geweest. Nou ja, ze hebben het steeds opgenomen voor De Burgerman En Diens Gezonde Volksopinie. In de loop van de afgelopen vijfentwintig jaar is die Burgerman van gedachten veranderd, en heeft misschien wel onderdak gekregen bij de Volkskrant. Dat is die gruwelijke middenmoot waar ik het zo-even over had; die dikke laag onder de top, die meelopers, die schreeuwers, die lieden met hun gefingeerde originaliteit, die figuranten in De alibicentrale.’

prepostterug  begin  verder