|
|
|
| |
| | | |
Fusie of gemeentelijke herindeling in de beide Limburgen.
| |
0. De middeleeuwse ‘gemeente’
Vooraleer we dieper ingaan op het proces van de
‘fusie’ der gemeenten, zoals deze in
België zijn beslag kreeg, of de ‘gemeentelijke
herindeling’, die zich in Nederland heeft voltrokken, willen
we erop wijzen dat ‘fusie’ en
‘gemeente’ niet uitsluitend eigentijdse fenomenen
zijn.
De eerste fusie-operaties, weliswaar niet van gemeenten, maar van
geïsoleerde nederzettingen, hadden in de Limburgse Kempen
reeds plaats in de 7de-8ste eeuw, soms iets later, en dit tijdens de
stichting van parochiën. Hierbij heeft de kerk een
centraliserende rol gespeeld. Een aantal tot dan toe zelfstandige
entiteiten werden als het ware samengesmolten tot een parochie om de
pastoor een inkomen te verschaffen. Daar de financiële
draagkracht van deze entiteiten op de onvruchtbare zandgronden van de
Kempen veel geringer was dan op de vruchtbare löss-gronden
van Zuid-Limburg, werd een samensmelting van drie, vier en zelfs meer
kernen tot een parochiegemeenschap onontbeerlijk, in het Zuiden
daarentegen volstond meestal een woonkern. Dit verklaart waarom in het
Noorden van zowel Belgisch- als Nederlands-Limburg de dorpen veel
omvangrijker waren dan in Zuid-Limburg, althans voor de fusie. Toen bv.
in Lommel (Belgisch-Limburg) de Middeleeuwse
kernen Lommel, Lutlommel, Kattenbos en Heuvel omstreeks 1000 een dorp en
parochie gingen vormen(1), was er eigenlijk nog geen
naam hiervoor. De keuze drong zich echter spontaan op, doordat de naam
van de nederzetting waar de kerk werd opgetrokken en die bovendien zeer
centraal was gelegen, als gemeentenaam voor het hele gebied werd
aangewend, i.c. ‘Lommel’. De oorspronkelijke kern
‘Lommel’ kreeg dan de naam
‘Dorp’.
Het woord ‘gemeente’ is een afleiding van Mnl.
‘meen’, dat ‘gemeenschappelijk’
betekent. In de Middeleeuwen had het echter een andere betekenisinhoud
dan vandaag; het duidde niet op een bestuurlijke entiteit zoals
‘dorp’, ‘vrijheid’ | | | |
of ‘stad’, maar op het ‘gemeenschappelijke
grondbezit’. Oorspronkelijk was ‘gemeente,
gemeinte’ dus een equivalent van ‘aard’ of
‘vroente’, andere middeleeuwse namen voor de gronden
van de dorpsgemeenschap in de Kempen. De ‘gemeente’
omvatte echter niet het cultuurland (akkers en hooiland), maar de
zogenaamde ‘woeste’ gronden (wild grasland, heide en
moeras) binnen een bepaalde omgrenzing, die in gemeenschappelijk gebruik
waren bij de bewoners van een dorp. De woeste gronden, door de
18de-eeuwse fysiocraten ook wel ‘inculte’ gronden
genoemd, werden door de dorpsgemeenschap gebruikt om het vee (schapen)
te weiden, leem te graven, strooisel te maaien, heideplaggen te steken
voor de Kempense potstal (als bemesting voor de akkers). Ten slotte kon
men er de bijen laten zwermen.
In de loop van de 13de en 14de eeuw waren deze gemene gronden in bezit
gekomen van de Kempense zanddorpen. De Brabantse hertogen, voornamelijk
Jan III, schonken de dorpen ‘officieel’ deze woeste
gronden door het verlenen van een ‘gemeyntbrief’.
Officieel, omdat deze uitgifte niets anders was dan een soort
bekrachtiging van vroeger bestaande gebruiksrechten die boeren in vorige
eeuwen reeds ongehinderd hadden kunnen uitoefenen. De heidevelden, die
de bewoners reeds bezaten, werden met andere woorden aan hen
overgedragen, meer bepaald verkocht en betekenden voor de hertog
extra-inkomsten, die na de militaire campagnes van Brabant, o.m. in
Woeringen (1288) zeer welkom waren. Voor
het gebruik van de ‘gemeynte’ betaalden de
gerechtigden een som geld bij de verwerving ervan (het zgn.
‘voirlyf’) naast een jaarlijkse
‘gebuurcijns’. De meeste
‘gemeynten’ hadden een omvang die te vergelijken was
met die van een of meer latere gemeenten. Hierbij dient opgemerkt te
worden dat deze woeste ‘gemeynte’ lang niet altijd
met het grondgebied van een dorp samenviel. In heel wat dorpen was het
juist het gebied tussen een aantal dorpen dat tot
‘gemeynte’ werd gemaakt. Zo gaf hertog Jan III in
1331 op dezelfde dag de gemene gronden uit aan de inwoners van Lommel en
aan deze van Bergeyk. Voor dit laatste dorp ging het daarbij om woeste
heidegronden die in het Noorden | | | | van Lommel lagen en die kort
daarna, tot aan de definitieve grensregeling tussen het Belgische Lommel
en het Nederlandse Bergeyk in 1843, eeuwenlang aanleiding gaven tot
betwistingen omtrent het gebruiksrecht.
Omstreeks 1800 evolueerden de woeste gronden, destijds in handen van de
bewoners van de oude, middeleeuwse gehuchten van elk dorp, tot
effectieve gemeente-eigendom. We mogen echter niet vergeten dat vanaf de
14de eeuw reeds heel wat percelen uit het gemeentelijke heide- en
moerasareaal werden verkocht. In de naamkunde zijn deze geprivatiseerde
gronden als ‘uitvang, hoeve, kamp, vurrit’ bewaard
gebleven.
| |
1. Het huidige begrip ‘gemeente’
Vandaag is de gemeente het laagste publiek-rechterlijke lichaam op
territoriale grondslag. In tegenstelling tot een aantal andere landen is
in België en Nederland het hele staatsgebied in de
gemeentelijke indeling opgenomen; wel wordt in Nederland een tijdelijke
uitzondering gemaakt voor nieuwe inpolderingen.
De gemeente in staatsrechterlijke zin is een begrip dat beide landen aan
het Franse Bewind te danken hebben. Op 31 augustus 1795 legde Parijs de
indeling vast van de ten westen van de Rijn veroverde gebieden. Een van
de negen departementen was het Departement van de Nedermaas, dat bijna
het hele gebied van de huidige provincie Belgisch-Limburg omvatte en het
grootste gedeelte van de tegenwoordige provincie Nederlands-Limburg (zie
kaart). Daarnaast werkten de autoriteiten in Parijs een stel wetgevende
en bestuurlijke maatregelen uit, die hun centraliserende uitwerking niet
hebben gemist. Zo waren o.m. reeds vanaf 1789 de privileges van het
Ancien Régime afgeschaft, in het bijzonder de privileges en
vrijheden van de steden. Bij decreet van 14 december 1789 werden alle
gemeenten gelijkgeschakeld. Wat betreft Nederland, dat tot in 1795 als
Bataafse Republiek een onafhankelijke staat bleef, maar in 1810 als
Koninkrijk Holland bij Frankrijk werd ingelijfd, dateert de gemeente | | | | in staatsrechterlijke zin van 1798, jaar waarin het woord
voor het eerst werd gebruikt met betrekking tot de lokale
bestuurseenheid binnen staatsverband.
| |
2. De eerste fusie-operaties
Zowel in het Zuiden als in het Noorden streefde Frankrijk ernaar de
gemeente als een louter aan het centrale gezag ondergeschikt lichaam te
zien. Napoleon stond hierbij een hergroepering van kleine, niet-leefbare
eenheden voor. Initiatieven in die zin werden ondernomen vanaf 1800,
maar afgezien van gedeeltelijke herzieningen slaagde Frankrijk er niet
in een systematische herindeling door te drukken. De opwerpingen die
tegen de fusies rezen, klinken thans nog bekend in de oren. Sommige
gemeenten aanvaardden de samenvoeging slechts op voorwaarde dat zij het
centrum van de nieuwe entiteit werden. Andere dorpen vreesden te ver
verwijderd te liggen van de nieuwe gemeentelijke administratie of waren
bang dat de burgemeester en/of gemeenteraad het nieuwe centrum zou(den)
bevoordelen. Ook waren gemeenten in een aantal gevallen niet bereid de
schulden van de hoofdplaats af te dragen. Ten slotte werd het verschil
in geaardheid tussen dorpen als verontschuldiging aangevoerd ... Kortom,
een boel opmerkingen die we in de voorbije decennia ook konden horen in
plaats van bij de dageraad van de 19de eeuw! Nadat een nieuwe inrichting
van het gemeentelijke bestuur was ingevoerd, heeft men tot 1813
meermaals getracht ook te komen tot een herziening van de gemeentelijke
herindeling. Behalve partiële herzieningen slaagde men er
echter niet in een systematische herindeling te realiseren.
Ook ten tijde van het Verenigd Koninkrijk bleef men ten aanzien van de
gemeentelijke herindeling een vrij willekeurig beleid voeren. Toevallige
omstandigheden, historische rechten en persoonlijke inzichten bepaalden
in de meeste gevallen de gemeentelijke begrenzing.
| | | |
De eerste samenvoegingen in het huidige Nederlands-Limburg waren deze van
Vaesrade (in 1821 gevoegd bij Nuth) en van Eijsden, Breust en Oost (in 1828 opgeheven en
omgevormd tot de nieuwe gemeenten Eijsden en
St. Geertruid). Daarnaast zorgde het
grenstractaat van 1816 met Pruisen voor een aantal wijzigingen(2).
| |
3. De gemeentelijke herindeling in Nederland
De begrenzing van de gemeenten kende in Nederland en België na
1830 een verschillend verloop. In tegenstelling tot België,
waar nog verscheidene gemeenten werden gesplitst (cf. infra) was in
Nederland de gemeentelijke herindeling voortdurend aan de orde(3). Van grote
betekenis hiervoor waren de grondwet van 1848 en de gemeentewet van
1851. Hierin werd namelijk vastgelegd dat de wet de gemeenten kan
verenigen en splitsen.
In de eerste jaren na 1851 werden tientallen wetsontwerpen door de
regering aan de Staten-Generaal voorgelegd. Ze hadden alle betrekking op
kleine gemeenten. Redenen voor de fusie-operatie waren gewoonlijk het
geringe aantal kiezers, de kleine oppervlakte of de nadelige
territoriale ligging.
Na deze eerste samenvoegingsgolf kwam een periode waarin meer het
vraagstuk van de grote stedelijke gemeenten centraal stond. Naarmate de
economische ontwikkeling voortschreed, werden er immers steeds grotere
eisen aan de steden gesteld. Deze raakten meer en meer binnen hun
grenzen bekneld. De uitbouw van havens, industrieterreinen, de
oprichting van zgn. tuinwijken voor arbeiders ... het waren deze
problemen die de aandacht van de overheid gaande hielden. Geen wonder
dat er weinig aandacht was voor de problematiek van kleine gemeenten.
Tijdens en na de Eerste Wereldoorlog werden andermaal een aantal
gemeenten opgeheven en met andere samengevoegd. Ook toen was er van een
doelbewust streven tot herindeling geen sprake. De plotselinge
fusie-operatie was veeleer te verklaren door de moeilijke
tijdsomstandigheden en de daaruit | | | | voortvloeiende
financiële noodtoestand van vele gemeenten.
De derde fusiegolf valt na de Tweede Wereldoorlog. In de jaren zestig,
die zo bepalend zijn geweest voor het huidige gemeentelijke landschap
van Nederlands-Limburg, stond niet de kleine gemeente centraal, maar
waren de vraagstukken i.v.m. de groei van de grote steden en stedelijke
agglomeraties aan de orde.
Het zou ons te ver leiden op de vele polemieken voor of tegen de
samensmelting in te gaan. Overlopen we echter de geschiedenis ervan in
Nederland, dan kunnen we niet heen om het feit dat de overheid tussen
Scylla en Charibdis diende te varen. Enerzijds was er het behoudsgezinde
standpunt, waarbij gemeenten als historisch gegroeide corporaties werden
beschouwd met historische grenzen en een historisch recht dat moest
worden geërbiedigd. Hiertegenover stond het rationele
standpunt, dat steeds het doorvoeren van een gemeentelijke herindeling
heeft bepleit, waarbij territoriale eenheden een demografische, sociale
en economische dynamiek ontwikkelen, die een aanpassing van
gemeentegrenzen vergt om steeds een efficiënt bestuur
mogelijk te maken.
In Nederlands-Limburg vormden de jaren zestig een echte breuklijn. Vanaf
1836 tot 1960 verdwenen er immers slechts 19 gemeenten; in de overige
Nederlandse provincies lag het aantal merkelijk hoger:
| - 1920: |
Sint Pieter |
: gevoegd bij |
Maastricht |
| - 1920: |
Oud-Vroenhoven |
: gevoegd bij |
Maastricht(4) |
| - 1940: |
Houthem |
: gevoegd bij |
Berg en Terblijt |
| - 1940: |
Houthem |
: gevoegd bij |
Valkenburg |
| - 1940: |
Oud-Valkenburg |
: gevoegd bij |
Valkenburg |
| - 1940: |
Schin op Geul |
: gevoegd bij |
Valkenburg |
| - 1942: |
Neeritter |
: gevoegd bij |
Hunsel |
| - 1942: |
Broeksittard |
: gevoegd bij |
Sittard |
| - 1942: |
Nunhem |
: gevoegd bij |
Haelen |
| - 1942: |
Buggenum |
: gevoegd bij |
Haelen |
| - 1943: |
Mesh |
: gevoegd bij |
Eijsden |
| - 1943: |
Rijckholt |
: gevoegd bij |
Gronsveld |
| - 1956: |
Maasniel |
: gevoegd bij |
Roermond |
| | | |
In 1951 ontstond de nieuwe gemeente Tuddern, die in 1963 naar de Duitse
Bondsrepubliek werd overgeheveld.
Een voorbeeld van gevallen waarbij de aaneensluitende bebouwing
samenvoeging van de betrokken gemeenten wenselijk maakte, is de
grenswijziging van de gemeente Maastricht. De woningnood, de slechte
woontoestanden rond de eeuwwisseling (slechts in 1864 mocht er buiten de
omwalling gebouwd worden), de vestiging van industrieën
(gemeente Wijk) pleitten voor een forse uitbreiding van de gemeente.
Deze kwam echter niet tot stand. Eerst in 1919 werd door de Kamer een
voorstel aangenomen, dat leidde tot de opheffing van de gemeenten Oud-Vroenhoven en Sint-Pieter en annexatie van gedeelten van Amby, Heer, Meerssen en Borgharen.
| |
4. De gemeentelijke herindeling van Nederlands-Limburg in de
jongste decennia
Wat Noord- en Midden-Limburg betreft, hier is voorlopig -want het proces
is er nog niet achter de rug - de ingreep veel minder drastisch. In het
Zuiden moeten de plannen voor de gemeentelijke herindeling worden gezien
tegen de achtergrond van de industriële herstructurering,
meer bepaald de stopzetting van de mijnbouw vanaf 1965 en de inmenging
van de overheid die op een versterking van de gemeentelijke
bestuurskracht aandrong.
De regeringsnota van 1965 was hierover zeer duidelijk: ‘...
Voorts is de vraag gerezen in hoeverre het tegen de achtergrond van de
huidige problematiek wenselijk zou zijn de huidige herindeling in
Zuid-Limburg te herzien. Zonder een krachtige stimulering en begeleiding
is immers de nagestreefde structuurwijziging niet uitvoerbaar. Het
gebied kenmerkt zich namelijk door de aanwezigheid van een relatief
aantal kleine gemeenten en in sommige streken door een stedebouwkundige
situering, welke op tal van punten met de bestuurlijke constellatie niet
in overeensteming is ...(5).
Voor Zuid-Limburg werden de eerste voorstellen in 1960 gedaan, op basis
van vroeger gehanteerde criteria (in 1949: opheffing | | | | van
gemeenten van minder dan 1000 inwoners; in 1957: opheffing van gemeenten
van minder dan 2000 inwoners). Deze voorstellen hielden de opheffing in
van 24 kleine plaatsen en de uitbreiding van de agglomeraties Maastricht, Geleen,
Sittard, Born en
Venlo. De plannen verdwenen echter in de
koelkast.
Een nieuw voorstel kwam er van de Gedeputeerde Staten in 1966: gemeenten
van minder dan 5000 inwoners zouden worden opgeheven. Hier stelde zich
echter het probleem dat in het zuidelijke deel van Zuid-Limburg vrijwel
geen enkele gemeente aan deze norm voldeed.
Toen in hetzelfde jaar vanuit Den Haag er plannen kwamen voor een
krachtiger aanpak van de herindeling, die een drastische wijziging zou
betekenen en Zuid-Limburg zou reduceren tot slechts 11 gemeenten,
ontstond er heel wat beroering bij de lokale overheid van vooral kleine
gemeenten, die zich zorgen maakte over de geringe betrokkenheid van de
gemeenten zelf bij het hele gebeuren. In tegenstelling tot wat wel eens
wordt beweerd, bestond er bij het plaatselijke bestuur in Limburg veel
begrip voor de noodzaak tot samenvoeging. Bij de bevolking lag dit heel
anders: hier kon slechts een minderheid er begrip voor opbrengen dat
haar gemeente bij de herindeling zou worden betrokken. Dit gevoel van
onbehagen bij de lokale overheid leidde in 1968 tot de oprichting van
een ‘Stichting Studie Positie Zuidlimburgse
gemeenten’. Doel was de wenselijkheid na te gaan en de
gewenste vormgeving ven de herindeling te bestuderen; 50 gemeenten
traden tot de stichting toe. In 1970 diende de Stichting een plan in op
basis van onderzochte regionale samenhangen (met o.m. landbouw,
industrie en recreatie als criteria). Limburg zou van 64 tot 23-26
gemeenten herleid en in 4 regio's opgedeeld worden: Sittard-Geleen,
Heerlen, Maastricht en het landelijke
zuidelijke gebied. Dit plan stond uiteindelijk zeer dicht bij de in 1982
gerealiseerde indeling. Nochtans luisterden Gedeputeerde Staten al die
jaren naar het ministerie van Binnenlandse Zaken en bleven ze weinig
contacten onderhouden | | | | met de plaatselijke besturen, die
aandrongen op een diepgaand sociologisch onderzoek. Uiteindelijk koos de
wetgever in 1982, 16 jaar na de regeringsnota, voor een gematigd
herindelingsvoorstel dat de Stichting steeds had voorgestaan.
| |
5. De fusie der gemeenten in Belgie
Na de Belgische onafhankelijkheid werden, als reactie tegen de greep van
vorige regimes en in een streven om de lokale autonomie te eerbiedigen,
nieuwe gemeenten opgericht ... een ontwikkeling die dus haaks stond op
het samensmeltingsproces in Nederland. Voor een goed begrip dient
opgemerkt te worden dat het bij de oprichting van deze nieuwe gemeenten
steeds ging om een uit de herverdeling van een bestaande gemeente
gevormde gemeente en niet om de fusie van verschillende dorpen.
Voor Limburg waren dit:
Kessenich (1843), Kinrooi (1845), Stokrooi (1846),
Molenbeersel (1847), Heppen (1850), Leopoldsburg (1850),
Vliermaalroot (1865) Loksbergen (1866) en Rijkhoven (1870)(6).
Het aantal gemeenten in Belgisch-limburg bedroeg
| in 1830: 321 |
| na 1830: 197 (verlies van 124 na scheiding der beide Limburgen) |
| in 1875: 206. |
Tot in de 20ste eeuw bleef het aantal gemeenten in België
verder groeien en in 1928 bereikte men het grootste aantal, nl. 2675.
Dit betekende een aangroei van 153 na de Belgische onafhankelijkheid
(6%). De laatste gemeente die werd opgericht, was Averbode (op de grens van de provincies Limburg, Brabant en
Antwerpen). Pas in de loop van de volgende decennia kwam er in
België een omgekeerde tendens op gang. Herstructurering en
samenvoeging voltrokken zich dus in het Zuiden veel later en dit in een
viertal fasen:
| - | 1932-1958: Slechts 4 gemeenten verdwijnen; vanwege de politieke
toestand bleven de hervormingen in het ontwerpstadium; |
| | | |
| - | 1961: de zgn. Eenheidswet voor economische expansie;
sociale vooruitgang en financieel herstel leiden tot een eerste
ernstige reorganisatie : in 1964 worden 110 gemeenten herleid
tot 37; |
| - | 1960-1970: nieuwe samenvoegingen met verdwijning van 227
gemeenten. |
| - | 1972: algemeen plan tot herstructurering leidt tot het
koninklijk Besluit van 17 september 1975; het aantal gemeenten wordt
herleid tot 589. |
| |
6. De fusie-operatie in Belgisch-Limburg(7)
In 1960 bedroeg het aantal gemeenten: 206 (ongewijzigd sinds 1875); in
1971: 136; in 1983: 44.
Volgens de aard van de fusie-operatie krijgen we volgende cijfers:
| - | gewone samenvoegingen: 20 (hiervan 11 met grenscorrectie) |
| - | niet-samengevoegde: 2: met grenswijziging 11: met
ongewijzigde grenzen in totaal 13: Lommel, Overpelt, Kinrooi, As, Diepenbeek, Dilsen, Genk, Opglabbeek,
Tessenderlo, Zonhoven, Alken, Zutendaal en Herstappe (101
inwoners, 1 vierkante km, taalregime met faciliteiten) |
| - | grootste fusie-operatie: Borgloon:
samenvoeging van 11 gemeenten |
| - | herstel van vroegere toestand: in 1850 werden Leopoldsburg en Heppen van de
gemeente Beverlo gescheiden; in 1975 werden
ze weer verenigd, maar niet bij Beverlo gevoegd; |
| - | kleinste gemeente van België: ook deze ligt na de
fusie van 1975 in Limburg (voor: Groot-Loon: 55 ha; na: Herstappe: 113 ha). |
| |
| | | |
7. De spelling der gemeentenamen in Vlaanderen en Nederland
Ondanks de in het verleden tussen het Noorden en het Zuiden gesloten
spellingsakkoorden bestaat er voor de schrijfwijze van de Vlaamse en
Nederlandse gemeentenamen geen overeenkomst. Terwijl in Vlaanderen een
spellingaanpassing werd doorgevoerd, blijft de schrijfwijze van
Nederlandse plaatsnamen dikwijls nog archaïsch aandoen.
In Vlaanderen moeten we de spellingregeling der gemeentenamen, die in de
jaren dertig tot stand kwam, zien tegen de achtergrond van een steeds
sterker wordende Vlaamse Beweging, onder wier impuls tussen de twee
wereldoorlogen in het Belgische parlement belangrijke taalwetten op de
Franstaligen werden afgedwongen. Bovendien speelde ongetwijfeld de drang
naar culturele en taalkundige integratie met het Noorden mee.
Na de invoering van de spelling De Vries en
Te Winkel (1864) waardoor een grotere
overeenkomst tussen klank- en schriftbeeld ontstond, werd de spelling
van de Vlaamse gemeentenamen als een anomalie ervaren in Vlaamse
intellectuele kringen (cf. Genck, Aelst). In 1928 stelde de pas
opgerichte Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie een
lijst van gemeentenamen op in de nieuwe spelling, zonder dat hiervoor
van overheidswege de opdracht was gegeven. Uitgangspunt van de
commissie: persoonsnamen en plaatsnamen onderscheiden zich niet van
andere woorden en moeten m.a.w. volgens dezelfde regels geschreven
worden. De commissie kreeg voor haar initiatief de steun van talrijke
Vlaamse cultuurverenigingen. Doordat in die jaren een aantal belangrijke
taalwetten werden goedgekeurd(8),
was de eentaligheid van Vlaanderen een feit. Tegenwind voor de moderne
spelling kwam er van de Franstalige sociale bovenlaag in Vlaanderen, die
in kranten als Le Soir, La Libre Belgique en La Flandre
Libérale zich tegen deze progressieve spelling afzette en de
archaïsche, door het Frans geïnspireerde spelling
wilde behouden.
| | | |
In 1929 diende de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie
een lijst met voorstellen in bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken.
Een jaar later nam het Belgische Staatsblad de nieuwe gemeentenamen
naast de oude op. In 1937 besloot de Belgische regering dat enkel nog de
gemoderniseerde vorm kon worden gebruikt. Een laatste aanpassing,
die na de spellingregeling van 1947 noodzakelijk was geworden, kwam er
in 1949. Ze betrof
1) De identieke spelling met een letterteken voor lange o/e als resultaat
van verlenging van oorspronkelijke korte vocaal in open lettergreep
(komen, geven) of van monoftongering van oorspronkelijke tweeklank
(lopen, smeken):
Beverloo Beverlo
2) sch in in- of auslaut, ontstaan uit sk-verbinding s
Asch As
Wat met de spelling der gemeentenamen in Nederland? Hier is tot vandaag
de dag nog geen eenvormigheid bereikt, evenmin als voor de
aardrijkskundige namen in het algemeen. Nochtans werden in de loop der
jaren verscheidene lijsten ingediend. We denken hier o.m. aan de in 1946
gepubliceerde ‘lijst van de aardrijkskundige namen in
Nederland’, bekend als de ‘Lijst van
Beekman’. Een officiële versie bestaat er echter
niet. Geen van de in Nederland gepubliceerde werken heeft erkenning en
bekrachtiging gevonden. In tegenstelling tot België is immers
de spelling der aardrijkskundige namen niet bij de spellingwet van 1947
vastgelegd. De toelichting van die wet wermeldt dat de spelling van
aardrijskundige namen later bij ‘Maatregel van
Bestuur’ zal worden geregeld. Hiervoor werd in 1962 een
commissie geïnstalleerd, naar haar voorzitter de
‘commissie-Damsteegt’ genoemd. In 1973 bood deze
commissie een rapport aan de Minister van Onderwijs en Wetenschappen
aan, maar de hierin vervatte voorstellen werden tot op heden niet
bekrachtigd. De gemeentenamen worden gespeld zoals ze geschreven staan
in de Kieswet(9).
| |
Verschillen tussen Vlaamse en Nederlandse gemeentenamen
| | | |
|
VL |
NL |
| a/e in open lettergreep: |
Halen |
Haelen |
| |
Beringen |
Beesel |
| a/o in gesloten syllabe: |
Lanklaar |
Baexem |
| |
|
|
| |
Boorsem |
Oisterwijk |
| ei |
Eisden |
Eijsden |
| sch sk |
Kortenbos |
's-Hertogenbosch |
| h na t |
Tienen |
Nuth |
| h in -em (heim) |
Wolvertem |
Grathem |
| k |
Kapellen |
Capelle |
| |
| | | |
8. De naamgeving der fusiegemeenten in België en Nederland
| |
8.1.
Grosso modo kan men stellen dat er in Noord en Zuid 4 principes
werden toegepast.
| - | Behoud van de naam van de belangrijkste oude gemeente: In
Belgisch-Limburg bedraagt 85% van de
‘juridisch’ nieuwe gemeenten de naam van een
der oude gemeenten (veelal deze met het grootste aantal
inwoners). Ook in Nederland komt deze vorm van naamgeving
voor: VL: Berg, Henis, Koninksem, Riksingen, Tongeren
Tongeren
NL: Beek, Spaubeek
Beek
Opm.:
| - | soms trad er verandering op uit historische
overwegingen: Oostham, Kwaadmechelen (VL) Ham (naar de oude heerlijkheid
Ham). |
| - | Wijzigingen uit praktische overwegingen: de nieuwe
fusiegemeente
Maasmechelen
i. p.v. Mechelen
(verwarring met Mechelen (prov.
Antwerpen) analogisch aan Maastricht en Maaseik. |
|
| - | Vorming van syntactische groep met juxtapositie: VL:
Hechtel-Eksel; Hamont-Achel
NL: Cadier en Keer
Hoogezand-Sappermeer
Opm.: dit
procédé werd vroeger reeds toegepast; cf.
de fusiegemeente Zichen-Zussen-Bolder
(ontstaan in 1796). |
| - | Weglating van het bepalende bestanddeel bij namen met
hetzelfde grondwoord: VL:
Voeren
St.Maartensvoeren, St.-Pietersvoeren, 's
Gravenvoeren (+Remersdal, Teuven, Moelingen) NL:
Egmond
Egmond-aan-Zee, Egmond-Binnen |
| - | Keuze van een nieuwe naam:
Piringen, Bommershoven, Widooie
Haren
(VL) (naam van een tussen de 3 dorpen centraal gelegen
gehucht). Meestal: echte fantasienamen, waarbij beeldspraak
|
| | | |
| en lokale voorkeur een rol speelden: VL:
Vorst, Veerle, Eindhout
Laakdal
(rivier: Laak)
Heuvelland
: 8 dorpjes in de Vlaamse Ardennen NL: Schinveld, Jabeek
Onderbanken
(’onderbank’ = naam van een
plaatselijk bestuur in de Middeleeuwen)
Schaasberg, Nieuwenhagen, Ubach
Landgraaf
(herinnering aan in de Middeleeuwen gegraven
wallencomplex, waar binnen de gemeenschappelijke weidegronden
lagen(10). |
| |
8.2.
De keuze van een nieuwe naam kan nog door andere, dikwijls toevallige
factoren worden bepaald:
België:
| - |
Plombières
werd de naam van een nieuwe taalgrensgemeente,
geïnspireerd door Franstaligen om een Fransklinkende
naam in te voeren naar het centraal gelegen Bleiberg en dit tussen de 3 bestaande dorpen Moresnet, Montzen, Sippenaken
(dialectisch: al blîbêr)! |
| - |
Louvain la Neuve
: ontstond na de splitsing van de Leuvense universiteit,
waarbij de Franstalige afdeling naar de andere kant van de
taalgrens verhuisde: thans: Louvain la Neuve. |
Nederland:
| - | herinvoering van namen van verdwenen torpen of steden
Dronten
: verdwenen plaats in Zuiderzee; thans stad in de
Ijsselmeerpolder |
| - | rol van het koningshuis
Anna Paulowna
: in 1847 de naam voor een nieuwe inpoldering (naam v.d.
Russische vrouw v. Willem II) |
| - | naam van verdienstelijke personen
Lelystad
: hoofdplaats van de 9de Nederlandse provincie, genoemd
naar waterbouwkundig ingenieur Lely |
| - | een publicitair-toeristisch trekje door |
| | | |
|
verwijzing naar de ligging bij een rivier
Valkenburg aan de Geul
,
Krimpen aan de Ijssel
,
Alphen aan de Rijn
|
| - | ook de welluidendheid kan een rol spelen: De gemeente
Zederik
(prov. Utrecht) wilde haar naam afvoeren vanwege
mogelijke associatie met woorden als, ‘bangerik,
luierik, viezerik...’. Nochtans is het een riviernaam. |
| - | soms kiest men niet de naam van de belangrijkste gemeente:
West-Dongeradeel, Oost-Dongeradeel, Dokkum
Dongeradeel
|
| - | naam als weerspiegeling van de streektaal:
Brederwiede
: behoud van Wgm. i: wide = ‘wijde’
met verwijzing naar de in de buurt gelegen meren |
Besluit: in Nederland koos men meer voor nieuwe namen dan in
Vlaanderen, waar meer centraliserende tendensen hebben gespeeld en
waar de koppeling van bestaande gemeentenamen meer voorkomt.
| |
| | | |
Bibliografie
EBELING R.A. 1986 Naamkundige schetsen: Kan men namen
beschermen?, in: Driemaandelijkse Bladen, 38, 188-189. |
GOOSSENS J. 1986 Die Namen der belgischen Gemeinden und
ihre Schreibung, in: Amtlicher Gebrauch des geografischen Namengutes
(E. Kühebacher), Bozen, 225-242. |
GRAUWELS J. 1980 De straatnamen van Nieuw-Hasselt.
Hasselt. |
GYSSELING M. 1979 Principes van de straatnaamgeving te
Gent, in: Naamkunde, 11, 88-117. |
HAREN C.C.A. VAN 1941 De Nederlandse Gemeente op de
helling. Een inleiding op de reorganisatie van gemeenten en haar
indeeling, Alphen aan de Rijn. |
HUISMAN J.A. 1986 Gemeindenamengebung im Rahmen der
Planverstädterung, in: Ortsnamenwechsel (Schutz-Eichelt),
Heidelberg, 54-70. |
JANSEN J.C.G. 1984 Kleine gemeenten in discussie, in:
Studies over de sociaal-economische geschiedenis van Limburg.
Jaarboek van het sociaal-historisch centrum voor Limburg, 11, Assen. |
KROGT P.C. Van-ORMELING F.J. 1982 Spelling van
aardrijkskundige namen in het Nederlands, in / K.N.A.G. Geografisch
Tijdschrift, 16, 20-34. |
LEENDERS K.A.H. 1987 Van Gemeynten en Vroonten, in: De
Oranjeboom, 40, 45-78. |
LEENEN J. 1946 Theorie en praktijk van de
straatnaamgeving, in: Toponymica. Bijdragen en bouwstoffen
uitgegeven door de Vla. Top. Vereniging te Leuven, 10,
Brussel-Leuven. |
MALVOZ L. - VERBIST C. 1981 Een België van
589 gemeenten. Bestuursgeografische aspecten van de samenvoegingen.
Uitg. v.h. Gemeentekrediet van België, Brussel. |
| | | |
MEERTENS P.J. - MOLL W. 1953 Middeleeuwse en moderne
straatnaamgeving, in: Bijdragen en Mededelingen der
Naamkunde-commissie v.d. Koninklijke Academie v. Wetenschappen te
Amsterdam, Amsterdam. |
NUYENS E.M.T. 1956 De staatkundige geschiedenis der
provincie Limburg vanaf haar ontstaan tot aan haar uiteenvallen in
1839. Uitgave v.h. Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap,
Maastricht. |
POELJE G.A. Van 1956 Snoer zonder einde. Beschouwingen
over gemeentelijke indeling en gemeentegrenzen, Alphen aan de Rijn. |
STEVENS A. 1982 Leidraad bij de straatnaamgeving en
-wijziging, in: Mededelingen v.d. Vereniging voor Limburgse Dialect-
en Naamkunde, 22, Hasselt. |
THOMAS J.B.J. 1971 Straat en nummer. Beknopte
handleiding voor de naamgeving van straten en de nummering van
gebouwen, Vuga-boekerij, 's Gravenhage. |
| Belgische Gemeentewet |
| Hergroepering van gemeenten. Mededeling door het provinciebestuur
van Belgisch-Limburg. |
| Kleine atlas voor de geschiedenis van beide Limburgen,
samengesteld door een redactiecommissie onder leiding van Drs.
J.H.M. Wieland, Leeuwarden-Maastricht, 1989. |
| Nota bij het advies v.d. Bestendige Deputatie betreffende de
samenvoeging van gemeenten in Limburg, 23.1.1975. |
| Postcode. PTT Postuitgave. |
| Straatnamenlijst van Maastricht, 1988. |
|
(1)Dit was wel in Lommel
het geval, maar elders in Noord-Brabant vielen de grenzen van dorp
en parochie niet altijd samen.
(2)Zo kwamen o.m. Melick, Herkenbosch, Tegelen en
Windraken bij Nederland.
(3)In 1878 werd het dorp Strucht bij Schin op Geul
gevoegd; in 1886 Rimburg bij Ubach over Worms.
(4)Redenen hiervoor waren
de woningnood in Maastricht en de vestiging van nieuwe
industrieën.
(5)J.C.G. Jansen, 1984,
84.
(6)E.M.T. Nuyens, 1956, 20-21.
(7)Zie hiervoor: Een België van 589 gemeenten,
12-41
(8)In 1932 werd het
taalgebruik in de administratie en het onderwijs vastgelegd.
(9)Op het P.J. Meertensinstituut
wist men ons enkel te vertellen dat de hele kwestie nog wel even zou
aanslepen.
(10)Oorspronkelijk was het de
bedoeling met de beginletters Schaasberg,
Ubach en Nieuwenhagen tot Sun om te dopen!
|
|