begin  prepost
[p. 1]

0. Inleiding: stand van het naamgeografische onderzoek

Dit artikel(1) over de verspreiding van de naam van de plaats die zich reeds 750 jaar ‘stad Stokkem’ mag noemen, is een bescheiden bijdrage tot het naamgeografische onderzoek. Naamgeografie kunnen we omschrijven als het onderzoek in verband met de verspreiding van naamtypes in een bepaald gebied. Voor het Nederlandse taalgebied valt er op dit terrein nog heel wat meer te doen dan bij andere taalkundige disciplines. Zo beschikt de dialectologie reeds lang over isoglossenkaarten met de geografische spreiding van lexicale varianten. Bovendien verschijnt er geregeld een aflevering van de Brabantse of Limburgse woordenboeken. Nochtans beschikt het Leuvens Instituut voor Dialectologie en Naamkunde over het Corpus Molemans-Thiry, een naamkundig monument dat in de loop van de jaren '70 tot stand kwam en alfabetisch het plaatsnamenmateriaal bevat dat vanaf omstreeks 1925 voor bijna het hele Zuidnederlandse taalgebied werd ingezameld. De tijdrovende fase van de materiaalverzameling die aan de basis ligt van het naamgeografische onderzoek, is daarmee nagenoeg beëindigd. De systematische omvorming van het omvangrijke materiaal in een veldnamenatlas is echter tot nu toe niet gerealiseerd. We kunnen alleen maar hopen dat het recent aan het Leuvens Instituut voor Naamkunde en Dialectologie ontwikkelde computerprogramma binnen afzienbare tijd naamtypes letterlijk ‘in beeld’ brengt. Voor Vlaanderen zijn nochtans reeds enkele deelstudies gemaakt:

 

J. Lindemans:

 

Toponymische verschijnselen geografisch bewerkt .

In 1940: de heemnamen, de -ingeformaties en kouternamen; in 1946: de namen van het bouwland en het grasland; in 1954: de zele- en hovenamen

 

M. Devos:

 

Bouwlandtermen in de Vlaamse Dialecten (1991). Hierin gaat de auteur de verspreiding na van ‘akker’, ‘kouter’, ‘veld’, ‘stuk’, ‘partij’, ‘perceel’, ‘plek’, ‘string’ en ‘blok’.

 

A. Marijnissen:

 

Geografische verspreiding van ‘akker’, ‘kouter’ en ‘rode’ (1992)

 

Een belangrijke publicatie op naamgeografisch gebied in Duitsland is de Hessischer Flurnamenatlas (red. H. Ramge, 1987), die alle naamtypes met hoge verspreidingsvariatie onderzoekt. Er werd geput uit het moderne veldnamenarsenaal van 2818 Hessense gemeenten. Uiteindelijk heeft het onderzoek geleid tot de publicatie van 143 kaarten.

Graag citeer ik ten slotte A. Marijnissen, medewerkster aan het Leuvens Instituut voor Naamkunde en Dialectologie die met de cartering van de familienamen in Vlaanderen haar sporen reeds verdiend heeft: ‘Voor zowel de naam- als de dialectgeografie, subdisciplines van de taalgeografie in het algemeen, is m.i. een gewisse toekomst weggelegd wanneer men de recent ontwikkelde computertoepassingen voor die tak van de linguïstiek in de praktijk kan uitbouwen.

[p. 2]

De koppeling van taalgeografische kennis aan een computerondersteunende werkwijze kan m.i. het taalgeografisch onderzoek in een stroomversnelling brengen. Het gebruik van de computer voor taalgeografische doeleinden brengt, alleen al door de tijdsbesparing die het automatisch karteren oplevert, de realisatie van projecten die men tot nu toe slechts partieel kon uitvoeren, een stap dichterbij’.(2).

[p. 3]

1. De gemeentenaam Stokkem (Belgisch-Limburg)

Door de verdwijning van de oudste archivalia beschikken we slechts over laatmiddeleeuwse vermeldingen van het Maaslandse Stokkem. Gysseling neemt de naam niet op in zijn Toponymisch Woordenboek, een inventaris van het plaatsnamenmateriaal in de Benelux van voor 1226. Wel treffen we hem aan in de Limburgsche Oorkonden van Coenen. In zijn bulle van 19 november 1181 bekrachtigt namelijk paus Lucius III aan de abdij van Siegburg haar voorrechten en bezittingen: ‘...Ecclesiam et cellam in Stockheim, mansum in Kessenich...’(3). Ook Carnoy vermeldt het Limburgse Stokkem in zijn verklarend woordenboek van de Belgische gemeentenamen(4).

 

Stokkem is een tweeledige naam. Het eerste deel, dat we hieronder uitvoerig behandelen, is een natuurnaam wat trouwens geldt voor het overgrote deel van de nederzettingsnamen in de Limburgse Kempen. Het tweede deel is daarentegen een volwaardige nederzettingsnaam en hier sluit Stokkem aan bij de Maaslandse dorpen en die van het zuiden van Limburg, waar meer nederzettingsnamen etymologisch op bewoning wijzen.

2. Nederzettingsnamen in het Limburgse Maasgebied

Als compositum behoort een naam als Stokkem niet tot de oudste laag van nederzettingsnamen in Limburg. Die oudste namen bevatten een kernwoord en zijn afleidingen van natuur- en persoonsnamen.

2.1. Prehistorische nederzettingsnamen

2.1.1. afgeleid van waternaam

Itter: 1143 kopie 13e iteram(5)
/ Opitter, Neeritter
Oeter: 952 votra(6)
/ Opoeteren, Neeroeteren

2.1.2. afgeleid van persoonsnaam

Gellik en Kessenich: twee iacum-namen, waarmee de landeigenaar zijn persoonlijk grondbezit tot uitdrukking brengt
Geilik: gallo-rom.: galliacus: ‘toebehorend aan Gallius’(7)
Kessenich: gallo-rom.: cassiniacum: ‘toebehorend aan Cassinius’(8).
[p. 4]

2.2. Latijnse bestanddelen: o.m. in cultuurnamen van militaire aard:

Kessel: Lat. castellum
Wijk (deel van Maastricht): < Lat. vicus
Heerlen: 300 Coriovallum(9).

Namen op (in)iacas: hybridische formaties met een Germaanse persoonsnaam en een Romaans suffix; enkele noordelijke uitlopers zijn:

Lanaken < hluthiniacas 1106 (kop. 1223) lodenaken: ‘toebehorend aan Hludo’(10)
Montenaken (gemeente Vroenhoven), Etenaken, Beutenaken en Slenaken

2.3. Germaanse nederzettingsnamen

2.3.1. Germaanse ingennamen:

Deze komen bijzonder weinig voor in het Maasgebied, maar zijn zeer verspreid in het zuidelijke deel van Belgisch-Limburg(11). Ze zijn gevormd naar het Gallo-Romeinse model op -iacum. Eigenlijk zijn het bewonersnamen; de uitgang -ingen (Germ.-ingum), naar de vorm een datief meervoud, drukt namelijk verwantschap uit: Voor Belgisch-Limburg o.m:

Gerdingen: Germ. gardingum: ‘bij de lieden van Gardi’(12)
Geistingen: ?

In Nederlands-Limburg: slechts 1 vb.: Kuttingen (psn. Cotto).

2.3.2

Op de oudste laag van nederzettingsnamen, die afleidingen zijn van natuurnamen en persoonsnamen, volgen samenstellingen waarvan het tweede lid op zichzelf al de betekenis heeft van ‘nederzetting, verblijf, woning’. Hierbij onderscheiden we oudere als appellatief uitgestorven woorden ‘heem’ en ‘zele’ naast jongere, als appellatief voortlevende zoals ‘tuin’, ‘hof’ en ‘huis’.

 

Verspreiding in Limburg van zele, hof

-hoven: Neerhoven (Neeroeteren)
  Voorshoven (Neeroeteren)
  Ophoven
  Uikhoven
   
-inghoven: Elikhoven (Elen)
  Guttekoven (Limbricht)
   
-zele: Molenbeersel (Belgisch-Limburg)
  Beersel (Nederlands-Limburg)

[p. 5]

3. Het bestandddeel heem en zijn verspreiding

Mnl. heem, (Ohd. heim ‘huis, woonplaats’, Ags. hâm ‘woning, huis’, On. heimr ‘woonplaats, Got. haims ‘dorp, vlek’(13) komt als tweede lid van een nederzettingsnaam massaal voor in West-Europa. In Duitsland treffen we er in totaal een 2000-tal aan (van Beieren tot in Friesland). Engeland heeft meer dan 1000 plaatsnamen op -ham en in Denemarken zijn er ongeveer 200 op -hjem(14). De grote aanvoer van heemnamen over West-Europa is het resultaat van een tweede germaniseringsgolf (Frankisch) die volgde op de Romeinse tijd.

Ook in de Nederlanden is haim veruit het meest produktieve naamkundige nederzettingselement. Reeds in 1940 bracht J. Lindemans meer dan 1000 heemnamen samen en beschouwde ze als resultaat van een Frankische landname.

 

Een concentratie van heemnamen vinden we:

1)in het stroomgebied van de Leie, Schelde en Dender;
2)in het Haspengouwse; hier ontstonden Germaanse vestigingen in reeds bewoonde gebieden door de aanwezigheid van vruchtbare klei- en lössgronden.

De uitbouw ten oosten van Antwerpen is veel geleidelijker gegaan en was alleszins niet explosief. Gedurende de hele periode blijven de Antwerpse en Limburgse Kempen dun bevolkt. Het is dus wijselijk van een Merovingische-Karolingische landname te spreken. Sporen van Frankische landname uit de 4de-5de eeuw werden trouwens in de Limburgse Kempen niet teruggevonden, wel uit de 7de -8ste eeuw, o.a. in het Maasdorp Elen.

 

Voor Nederlands-Limburg roept het onderzoek naar het ontstaan van de heemnederzettingen nog meer vragen op omdat in deze provincie weinig systematisch onderzoek van plaatsnamen is gebeurd. Toch wijzen de heemnamen langs de Maas in noordelijke richting op hernieuwde vestiging die volgens Blok voor een deel op Merovingisch of Karolingisch koningsgoed plaatsvindt. Ook Tummers heeft gewezen op de rol van de Maas als verkeersader, waarlangs kolonisatoren uit het zuiden hun weg zochten naar het noorden.

 

Belangrijk voor de hele heemproblematiek zijn ook de opzoekingen van de Noordbrabander Theuws(15). Hij bestudeerde de nederzettingsgeschiedenis in het Maas-Schelde-Demergebied, m.a.w. op de dekzandplateaus van Zuid-Nederland en Noord-België. Zijn onderzocht gebied bestrijkt dus grosso modo de Nederlandse provincie Noord-Brabant en de Belgische provincies Limburg en Antwerpen. Interessant hierbij is dat hij het onderzoek van de nederzettingen in die regio, waar het hem op de eerste plaats om te doen was, toetste aan de verschillende nederzettingsnamentypen. De nederzettingsnamen in het Maasdal van Belgisch-Limburg bestaan voor een groot deel uit voormiddeleeuwse namen en heemnamen. Het verschil in namenbestand tussen de Maasvallei en de zgn. binnenlanden van het Maas-Demer-Scheldegebied duidt op het verschil tussen oud bewoningsgebied en een in de loop van de Merovingische tijd opnieuw gekoloniseerd gebied. Zo zou het noordelijke deel van het Kempense Plateau, waar relatief meer lo-namen gevonden worden en waar de nederzettingen veel meer verspreid tot stand

[p. 6]

kwamen, iets later gekoloniseerd kunnen zijn dan het zuidelijke deel, waar ook de voormiddeleeuwse en heemnamen te vinden zijn. Dit alles wijst erop dat de kolonisering zich vanuit het Maasdal heeft voorgedaan. Dit proces kwam echter niet op gang voor de 6de eeuw. De door Theuws in de Maas-Demer-Schelderegio onderzochte grafveldan wijzen op een toename van de bevolking vanaf de 7de eeuw(16).

 

Samengevat vormen de heemnamen wellicht de belangrijkste groep uit de vroeg middeleeuwse toponymie en komen ze relatief meer voor in gebieden met een hogere bevolkingsconcentratie dan in eerder schaars bewoonde streken. De heemconcentraties in het Scheldegebied van Zuidoostvlaanderen, rond Antwerpen en in de Maasvallei bewijzen dit. Ook wat Limburg betreft, vertegenwoordigt alleszins een deel van de heemnamen in de Maasvallei de oudste koloniseringsfase en duidt het op bewoningscontinuïteit na het vertrek van de Romeinen. In het zgn. ‘binnenland’ van Limburg wijzen de vele natuurnamen eerder op tijdens de Merovingische periode gekoloniseerd gebied.(17). Om echter een bepaalde heemnederzetting het predikaat ‘oud’ mee te geven is plaatselijk archeologisch onderzoek meer dan wenselijk!

[p. 7]

4. Indeling van de heemnamen in Limburg

Deze kunnen ingedeeld worden in drie typen:

4.1. Met persoonsnaam als bepalend bestanddeel:

Belgisch-Limburg:

Honzem: (Borlo)
Honsem: (Loksbergen): 1252: hunshem: ‘woning van Hondo’(18)
Pietersem: (Lanaken): 1154: pithersen(19)
Gingelom: Gangilonhaim: ‘de woning van Gangilo’(20)
Gotem: Gautahaim: ‘nederzetting van Gotto’(21)

Nederlands-Limburg:

Ottersum: ‘de woning van Authari’
Buggenum: (Halen): ‘het heem van Bungo’
Hegelsum: (Horst): ‘het heem van Hagilo’

Dit type ontstond in het Germ.-Rom. menggebied o.i.v. de Romaanse plaatsnamen met persoonsnamen.

4.2. Met verwantschapsnaam als bepalend bestanddeel:

Belgisch-Limburg:

Ellikom: Germ. Aljingaheem: ‘woning van de lieden van Aljo’(22)
Erpekom: Germ. Erpinga-haim: ‘woning van de afstammelingen van Erpa(23)
Rekem: 1140: Radekeim: ‘woning van de afstammelingen van Rado(24)
Mijnekom: (gem. Maaseik) 1169: Minnenkem: ‘woning van de lieden van Minno’(25)

Nederlands-Limburg:

Hunnekum (gem. Nut)
Bulkem (gem. Simpelveld)

Het kerngebied van dit namentype ligt in het westen (West- en Oost-Vlaanderen); de ingheimnamen waaierden echter uit naar het noorden, waar we ze ook rond Antwerpen aantreffen (Wommelgem, Wijnegem...).

[p. 8]

4.3. Met appellativum als eerste lid:

Zoals in Noord-Brabant zijn in de beide Limburgen heemnamen in ruime mate aanwezig, maar het bepalende element heeft bijna altijd een topografische waarde. De bepaling is m.a.w. meestal een zgn. natuurnaam, die de uiterlijke trekken van een bepaalde plaats beschrijft (hoogte, laagte, bodemgesteldheid, begroeiing, vorm...). Dit maakt de datering uiterst moeilijk omdat deze soort plaatsnamen ook vele eeuwen later zouden kunnen ontstaan.

Belgisch-Limburg:

Molem: (Lummen)
Mulheim: (Lanklaar)
Oppum: (Herk de Stad)
Rotem: (Halen)

In de alluviale Maasvlakte: 3 vbn.: Kotem, Rotem, Stokkem

Kotem: samenstelling van kot en heem
Rotem: 1174: Rotheim: ‘woning bij gerooid bos’(26)
Stokkem (cf. infra)

Het naburige Boorsem is geen heemnaam; heem is pas later toegevoegd. In feite is het een collectief op -umnjo met als eerste lid bors: ‘stekelig gras’(27).

Opmerking: In de meeste gevallen is heem als laatste bestanddeel van de plaatsnaam afgesleten tot -em, -um, ingaheem evolueerde tot -gem of -kom.

-em: Stokkem, Rotem
-um: Oppum (Herk de Stad), Sevenum, Buggenum
-gem: Waregem, Zottegem, Bissegem (Oost-en West-Vlaanderen)
-kom: Bevekom (prov. Brabant), Erpekom (Grote-Brogel), Ellikom

In de -kom namen trad verscherping op, waarbij het toponiem nog als samenstelling werd aangevoeld zoals in het Ndl. jonkheer, sprinkhaan. In het Vlaamse -gem gebied daarentegen verschrompelde het appellatief hem tot een soort suffix. Denken we ook aan de tegenstelling in de Vlaamse dialecten tussen keunink en de afgeleide vorm keunigin.
Het verschijnsel waarbij de gutturale nasaal in onbeklemtoonde lettergrepen de neiging vertoont weg te vallen, is reeds Middelnederlands: coninc × coneghinne(28).

In het geromaniseerde deel van België ontwikkelde zich ten slotte -ingaheem tot respectievelijk -ghien (Hengouwen) en -chin (Waals-Brabant):

-ghien: Enghien (Edingen)
-chin: Bauvechain.

5. Het toponymische bestanddeel ‘stok’

5.1. Stok als appellativum

Mnl. stoc, stock (Ohd. stoc, Oe. stocc, On. stokkr) betekent oorspronkelijk ‘de stam of staak van boom en plant, zoowel de geheele stam als de afgehouwen tronk’ (Kiliaen: truncus); cf. wynstok(29). In de middeleeuwen vormde o.m. de Herenterenstok de grens tussen Lommel en Pelt, m.a.w. tussen Brabant en Loon. Verder treffen we met de betekenis van ‘boom, stronk’ een aantal malen in Noord-Brabant (Tilburg, Haren, Nuland, Helvoirt) de plaatsnaam Sinterklaasstok aan: een boom of stronk waaraan een heiligenbeeld was bevestigd en waar een offerblok werd bijgeplaatst(30).

 

Allitererend wordt stoc verbonden met steen en betekent dan ‘uit den grond stekend stompje of tronk van boom of plant’. Cf. ‘Hi soude den borch ... slechten doen tot in den gront so dat daer stoc noch steen aen bliven en soude’.

 

Daarnaast betekent stoc ‘boomtak, rijs, twijg’, ook ‘dorre of afgesneden tak zonder bladeren’. Vgl. Ndl. stokstijf. ‘zo stijf als een stok’; naar analogie hiervan stokoud ‘zeer oud’. Kiliaen kent verder nog ‘stockstille’ en ‘stockblind’. Cf. ook Du. stocknackt en Eng. stockstill.

 

Bij overdracht betekent stoc ‘stam, ook tak van een geslacht’. Cf. in het Engels ‘to come from a good stock’. Andere betekenissen van Mnl. stoc zijn ‘staak, lange dunne paal’ en ‘knuppel’. Cf. Reinaert: ‘...Dat die dorpers ...op ons ghelopen quamen mit pieken, haken ende stocken...’.

 

In zijn Glossarium van Rechtstermen neemt Stallaert nog op: stockgoederen ‘stamgoederen’; stokhouder. ‘veiler, beambte door de overheid aangesteld bij wettelijke verkopingen van roerend goed’; stokleen: ‘geërfd leen’(31). Denken we ook aan het archivalische begrip stokregister.

 

Ten slotte kennen we stok in het Engels als financieel-economisch begrip: aandelenkapitaal, overheidspapier, beschikbare gelden, voorraad (o.m. in stock-book (voorraadboek), stock broker (effectenmakelaar) en stock exchange (effectenbeurs)).

 

Wat zijn etymologie betreft, is stok niet verwant met steken (znw. staak), maar wel met stuiken (Mnl. stuken: ‘duwen, stoten, op hoopjes plaatsen’; cf. stuik: ‘acht of tien schoven; hoop vlas of turf’(32); in Limburg is stuik ‘een hoopje samengebonden garven in een hok, boekweithok, korenhok’(33).

[p. 10]

5.2. Stok in de plaatsnaamgeving

Stok is als naamkundig bestanddeel erg produktief geweest in geheel West- en Noord-Europa. Lokaal onderzoek zal dus moeten uitmaken welke specifieke betekenis er telkens aan gegeven moet worden.

 

Als nederzettingsnaam verwijst de naam wellicht naar de ontbossing in de naamgevingsperiode en sluit dus aan bij de rode- en de radenamen. Carnoy (o.c.) verklaart Stokkem als ‘maison de la futaie’: ‘woning of kleine nederzetting bij hoog opgaande loofbomen’. Stok slaat dus hier op een laat-middeleeuwse begroeiing met loofbos of op de rooiing ervan. Doordat het langer in gebruik is gebleven bij de benoeming van nieuwe nederzettingen, is een, min of meer precieze, datering onmogelijk. Van de omvang van dit loofbos kunnen we ons bovendien zeer moeilijk een beeld vormen. Alleszins hoeven we ons van de aanwezigheid van loofbos in de Limburgse Kempen na 1000 niet veel meer voor te stellen.

 

Als perceelsnaam werd stok in Vlaanderen zeer produktief als verwijzing naar een kleinere rooiing of ontginning, wat hierna zal blijken.

5.3. Stokkem in de Benelux

5.3.1. Als gemeentenaam

In België:

 

Naast het Limburgse Stokkem komen nog voor:

Stockem (prov. Luxemburg): sinds 1976 een deel van de gemeente Aarlen en sinds 1953 vooral bekend als kazerneringsplaats van militairen
Stockem (prov. Luik): dorp bij Eupen

In Luxemburg:

Stockem: gelegen op 8 km van Clervaux, deelgemeente van Wicrange met nog slechts een bevolking van 80 inwoners

In Nederland:

Stokkum: gelegen in de prov. Gelderland, 20 km ten zuiden van Arnhem; deelgemeente van Bergh; ongeveer 1300 inwoners
Stokkum: prov. Overijsel, deelgemeente van Markelo
Stokhem: prov. Zuid-Limburg; schilderachtig plaatsje aan de Geul; deel van de gemeente Wijlre.
[p. 11]

5.3.2. Als gehuchtnaam, veldnaam en huisnaam in Vlaanderen:

in Burst (Oost-Vlaanderen, gehuchtnaam);
in Overijse (huisnaam); Oostkamp (veldnaam).
in Hasselt (huisnaam: ‘...op ons huys Stockheym’, 1539(34).

5.3.3. Stok in Wallonië

In het franstalige landsgedeelte treffen we het Germ. bestanddeel ‘stok’ aan in een aantal geromaniseerde plaatsen:

Stoqueux: dorp bij Stavelot (prov. Luik)
* stoketum: ‘endroit aux bâtons, futaie’; latinisering van Germ. * stokôth;
Stockay: dorp tussen Luik en Amay (prov. Luik) gehucht van La Gleize, Louveigné en Gomzé; de naam gaat terug op * stokellus (diminutief);
Stocquis: gehucht van Souvret (bij Charleroi), Thimister (bij Verviers), Battice (id.) en Xhendelesse (bij Soumagne, prov. Luik); pln. ontstaan uit * stokicium;
Stoquoy: gehucht van Gibecq (bij Ath) en Ghoy (bij Lessines)(35).

5.4. Frans-Vlaanderen

In Frans-Vlaanderen vinden we 2 stok-plaatsnamen in de gemeente Wormhout: Hoogstok en Binkstok. Hier hebben we ons enkel op de stafkaarten kunnen baseren(36).

5.5. Stokkem in Duitsland en Zwitserland(37)

Als naam van een gemeente, wijk of gehucht komt Stokkem in volgende Duitse varianten 114 maal voor:

Stockheim: 11
Stockham: 9
Stockum: 13
Stockem: 4
Stöckheim: 3
Stocken (door afslijting uit Stockheim): 33
Stöcken (dat. mv. van znw. Stock): 41.
[p. 12]

Andere stok-toponiemen in Duitsland:

 

als simplex:

Stock: 4

in composita:

Stocka: 13
Stockach: 17 (ach:< suffix -ahi = Lat. -etum; niet aha ‘water’)
Stöckach: 5
Stockau: 8
Stocke(r)t: 5
Stockhausen: 13
Stockstadt: 2,
Stockdorf: 1
Stockwald: 2,
Stockloh(e): 2
Stöckl: 5 (diminutief)

5.6. Stok-namen in Engeland

Oe. stocc: ‘a tree-trunk, a stump, a log of wood’. Het is moeilijk te onderscheiden van Oe. stoc: ‘a (religious) place, a settlement’(38). Cf. stokk-land: ‘land cleared of trees’ en Oe. stoccing: ‘a clearing of stumps, a piece of ground cleared of stumps’(39).

 

Als naam van een gemeente komt Stockham voor in Cheshire (dat. mv.; geen heemnaam!)

 

Verder komt het bestanddeel voor

 

als simplex:

Stock
(Kent, Worcestershire, Buckinghamshire)
Stockett (met collectief t-suffix): ‘a place with tree-stumps’
(Essex, Shropshire)

in composita:

Stockleigh (-ley)
(Devon, Durham, Suffolk)
Stockwood
(Devon, Dorset, Somerset)
Stockhurst
(Surrey)
Stockholt
(Buckinghamshire)
Stocking (stoccing: ‘a clearing of stumps’)
(Hertfordshire, Staffordshire, North en West Yorkshire)
[p. 13]
Stockeld (Oe. helde: ‘a slope’(40)
(Yorkshire)
Stockbury (Oe. baer: ‘a woodland feeding ground for swine’(41)
(Kent)
Stockholm (Oe. holm: ‘a piece of dry land in a fen, piece of land partly surrounded by streams or by a stream’
(Yorkshire)
Stockwell: ‘stream with a footbridge consisting of a tree-trunk’
(Gloucestershire, Herefordshire, Surrey)
Stockton
(Cheshire, Devon, Herefordshire, Norfolk, Shropshire, Wiltshire, Yorkshire
Stockbridge
(Dorset, Hampshire, Yorkshire)

5.7. Stok-namen in Scandinavië

Volledigheidshalve vermelden we een aantal plaatsnamen in Denemarken en Noorwegen met het bestandddeel ‘stok’. Vgl. Oudnoors stokkr en Ouddeens stok: ‘traestamme, bjaelke’(42).

 

Noorwegen

Stokka (Rana, Nordland)
Stokke (Vestfold)
Stokken (Moland)

Denemarken

Stoksted (Borglum)
Stoksted (Hellum)
Stokholm (passim)
Stokkemarke (Lolland)
[p. 14]

6. Stok als veldnaam en straatnaam in Vlaanderen(43)

6.1. Als simplex: Stok, Stokken, Stokkenen

Stokt (Germ. stukko u, collectief bij stukka-, m.: ‘boomstronk’(44)

6.2. In samenstellingen:

-akker, bocht, land, veld
Stok(t)akker, Stok(ker)veld, Stoktbocht, Stokland
-beemd(en), meers, weide
Stok(s)beemden, Stokmeers, Stokweide
-bos, eik, poel, put
Stok(kem)bos, Stokeik, Stokpoel, Stokput
-ste(e)gel, straat(je), vonder, weg
Stokstegel, Stokstraat, Stokweg, Stokvonder
Verder nog: Stokhof, Stokhoeve, Stokkerk, Stoklaak, Stokkaard.
[p. 15]

7. Aanverwante bestanddelen i.v.m. bosbegroeiing en ontginning

Heel wat appellativa verwijzen naar de oorspronkelijke begroeiing in de beide Limburgen en zijn als naamkundig relict bewaard. De belangrijkste bestanddelen zijn: bos, hout, lo, rode, laar en houw. Ook komen namen van bomen en struiken voor.

 

Lo, bos, hout

 

Komen zowel als appellatief als als toponiem zeer verspreid voor in het Nederlandse taalgebied. Cf. ‘...Niemandt en sal uijt den loe houwen dan tot nootwegen bij verlies van vijf pondt(45). Ze hebben vrijwel dezelfde begripsinhoud en verwijzen in Limburg naar een klein loofbos of kreupelbos op hoge zandgrond. Nederzettingen ontstonden aanvankelijk op de hoger gelegen dekzandeilanden, waarbij de eeuwenlange aanwezigheid van loofbos zorgde voor een verrijking van de bodem met ijzerpodzol. In de late middeleeuwen verschoof de bewoning naar de rand van de dekzandeilanden.

 

Hees

 

Germ. haisjo-: ‘jonge beukenbos’, later ‘struikgewas’, met reductie tot -is. (Kolis, Sonnis).

 

Horst

 

Horst verwijst eveneens naar de aanwezigheid van lage houtbegroeiing, maar in de Kempen heeft het eerder de betekenis van ‘een stuk hoge heigrond’. Vgl. de in het Lommelse dialect nog bestaande samenstellingen bunthorst ‘pol buntgras’ en zandhorst ‘harde, niet door de wind geërodeerde zandlaag en daardoor een hoger gelegen zandheuveltje vormend’(46).

 

Laar

 

Hiervoor is nog geen afdoende verklaring gevonden. Volgens Molemans is een laar in de Kempen onbebouwde (gemeenschaps)grond met heide of minderwaardige grassoorten begroeid, waarop men het vee liet grazen(47).

 

Houw

 

Afgeleid van het ww. houwen ‘kappen’; houw is de naam voor een houtkant die dikwijls op de percelen werd overgedragen.

[p. 16]

8. Stok en Stokkem in familienamen(48)

Zoals talloze andere toponymische bestanddelen vinden we ook de toponiemen stok en Stokkem terug als herkomstnamen in België en Nederland. Het Belgische bestand bevat de namen van alle Belgische burgers (d.d. 31-12-1987) vanaf een minimum aantal van 5 per gemeente. De gegevens zijn ontleend aan het Rijksregister. Voor Nederland maakten we gebruik van het electronische bestand van de Nederlandse PTT met de familienaam van de Nederlandse telefoonabonnees (anno 1993), vanaf een minimum aantal van twee vermeldingen per gemeente.

Stockhem
(Brussel, Mons)
Stockemer
(Charleroi)
Van Stokhem, Van Stokkem
(Noord-Brabant, Nederlands-Limburg (Noorden), Zuid-Holland)
Van Stockum, Stokkum
(Noord-Brabant, Zuid-Holland, Noord-Holland)
Van Stokkum, Van Stokkom
(Noord-Brabant, Zuid-Holland, Noord-Holland, Utrecht)
Stok(s)
(hele Nederlandse taalgebied; Stok vnl. in Nederland; Stoks in Vlaanderen met genitiefmorfeem -s
Vandenstok(t)
(Brussel, Dendermonde, Aalst, Ninove
Vanderstok(t), Vanderstokken, Vanderstokker
(prov. Antwerpen, Brabant, Oost-Vlaanderen)
Verstokt
(prov. Antwerpen, Brabant, Oost-Vlaanderen)
De overgang v. vander > ver deed zich voor tussen 1400-1450 in de Antwerpse Kempen; in het zuiden van Oost-Vlaanderen en Brabant is ‘ver’ onbekend(49).
Van Stokken
(prov. Noord-Holland)
Van Stokrom
(prov. Zuid-Holland)
Verstokken
(Oost-Vlaanderen, Zeeland)
Stokking, Stokkink, Stokkelink: afleidingen van stok
(prov. Gelderland, Utrecht, Zuid-Holland, Brabant, West-Vlaanderen)
Stok(ker)man(s): vleivorm op -man (of gevangenbewaarder?)
(Vlaanderen en Nederland).

V. Mennen

[p. 17]

Bibliografie

BACH A.
Deutsche Namenkunde II, Die deutschen Ortsnamen, Heidelberg, 1954.
BELEMANS R.
Het andere Stokkem. Uit: De Bokeman, jg. XIV (1994), nr. 3.
BLOK A.
A.G.N. 1, 143-148 / 148-152
BOSELIE P.
Gehuchtenlijst. Lijst van onderdelen van Limburgse gemeenten, Maastricht, 1987
CARNOY A.
Origines des noms de communes de Belgique, Louvain, 1948.
CLAES F.
Inleiding tot de Oostbrabantse Toponymie, Naamkunde, 19, 1987, 46-103.
CORNELISSEN M.
Bijdrage tot de studie van de namen der gehuchten in de Limburgse Kempen, Onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Leuven, 1971.
DE FLOU K.
Woordenboek der Toponymie van westelijk Vlaanderen, deel XV, Brugge, 1934.
DITTMAIER H.
Siedlungsnamen des Bergischen Landes, Neustadt, 1956
FRANCK J. - VAN WIJK N.
Francks etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal. Tweede druk door N. Van Wijk, 's Gravenhage, 1912.
GYSSELING M.
Persoonsnaam + haim, H.C.T.D. 45, 1971, 153-161.
GYSSELING M.
Germaanse kolonisatie in Gallië volgens de teksten, H.C.T.D. 36, 1962, 44.
GYSSELING M.
Overzicht van de toponymie van Frans Vlaanderen, Naamkunde 1, 1969, 167-174.
HELSEN A. - HELSEN J.
Gehuchtnamen in de Antwerpse Kempen, N.G.F. Studiën, XIII, Leuven, 1978.
HOUKEN A.
Handbog i danske stednavne, 1976.
[p. 18]
LINDEMANS J.
Toponymische Verschijnselen geografisch bewerkt, I, De heemnamen en -ingeformaties. N.G.F., Studiën V,1, 1940, 7-78.
LOUP G.
Die anderen Stockem in Benelux und Deutschland, 2er Teil, 1990 (onuitgegeven)
MARIJNISSEN A.
Naar aanleiding van de publikatie van de Hessischer Flurnamenatlas, Naamkunde, 24, 1992, 205-212.
MARIJNISSEN A.
The geographical distribution of toponymical elements in the Dutch-speaking part of Belgium. In: Proceedings of the XVIIth International Congress of Onomastics, Volume 2, 147-154, Helsinki 1990.
MOLEMANS J.
Bijdrage tot de bewonings- en ontginningsgeschiedenis van de Limburgse Kempen, voornamelijk in het licht van de namenvoorraad, Naamkunde, 5, 1973, 270-332.
MOLEMANS J. - THIRY A.
Naamkundig repertorium. Machinale bewerking van de onuitgegeven toponymische dokumentatie uit nederlandstalig België (1925-1975). Uitgegeven door het Instituut voor Naamkunde, Leuven.
SANDNES J. - STEMSHAUG O.
Norsk Stadnamenleksikon, Oslo 1976.
SMITH A.H.
English Place-name Elemants, XXV-XXVI, Cambridge, 1956.
STALLAERT K.F.
Glossarium van verouderde rechtstermen, kunstwoorden en andere uitdrukkingen uit Vlaamsche, Brabantsche en Limburgsche oorkonden, Leiden, 1886.
THEUWS F.
De archeolagie van de periferie. Academisch proefschrift, Amsterdam, 1988.
TUMMERS P.L.M.
Toponymische gegevens over Merovingisch-Karolingisch Brabant en Limburg, Studia Theodisca, 3, 1965, 34-50.
TUMMERS P.L.M.
De rode-namen in Nederlands Limburg, Mededelingen v.d. Vereniging voor Naamkunde te Leuven en de Commissie voor Naamkunde te Amsterdam, 43, 1967, 46-74.
[p. 19]
VAN LOON J.
De tegenstelling tussen toponiemen op -gem en -kom, Naamkunde, 19, 1987, 148-154.
VAN PASSEN R.
De landschapsgeschiedenis ten zuiden van Antwerpen in het licht van de naamkunde, Naamkunde, 5, 1973, 244, 269.
VERWIJS E. - VERDAM J.
Middelnederlandsch Woordenboek, 's-Gravenhage, 1885-1929.

Systematisch en alfabetisch register van plaatsnamen voor Nederland, de Nederlands sprekende delen van België en Noord-Frankrijk en het Noordwesten van de Duitse Bondsrepubliek. Uitgegeven door het Bureau van de Centrale Commissie voor Onderzoek van het Nederlandse Volkseigen te Amsterdam en het Nedersaksisch Instituut der Rijksuniversiteit te Groningen, Amsterdam-Antwerpen, 1962.

[p. 23]

[Kaarten]



illustratie



illustratie

[p. 24]


illustratie



illustratie

[p. 25]


illustratie



illustratie

[p. 26]


illustratie



illustratie

[p. 27]


illustratie



illustratie

[p. 28]


illustratie



illustratie

[p. 29]


illustratie



illustratie

[p. 30]


illustratie



illustratie

[p. 31]


illustratie



illustratie

[p. 32]


illustratie



illustratie

[p. 33]


illustratie



illustratie

[p. 34]


illustratie



illustratie

[p. 35]


illustratie
K.U.Leuven



illustratie
K.U.Leuven

[p. 36]


illustratie
K.U.Leuven



illustratie
K.U.Leuven

[p. 37]


illustratie
K.U.Leuven



illustratie
K.U.Leuven

[p. 38]


illustratie
K.U.Leuven



illustratie
K.U.Leuven

[p. 39]


illustratie
K.U.Leuven



illustratie
K.U.Leuven

(1)Het artikel is de neerslag van een lezing gehouden op het twintigste congres van de Vereniging voor Limburgse Dialect- en Naamkunde in Stokkem (22 oktober 1994)
(2)A. MARIJNISSEN: Naar aanleiding van de publikatie van de ‘Hessischer Flurnamenatlas’, Naamkunde, 24, 1992, 211-212
(3)J. COENEN: Limburgsche Oorkonden, I, 222
(4)A. CARNOY: Origines des noms de communes de Belgique, 652

(5)M. GYSSELING: Toponymisch Woordenboek, 768
(6)M. GYSSELING: id., 758

(7)M. GYSSELING: id., 392
(8)M. GYSSELING: id., 560
(9)P.L.M. TUMMERS: Romaans in Limburgse aardrijkskundige namen, 13
(10)M. GYSSELING: Toponymisch Woordenboek, 590

(11)Zie hiervoor het artikel van J. Segers: Haspengouwse Nederzettingsnamen, Med. Ver. Lim. Dial. Naamk., (73), 12-15
(12)M. GYSSELING: Toponymisch Woordenboek, 398

(13)FRANCK-VAN WIJK, 237
(14)A. BACH: Deutsche Namenkunde, Ortsnamen, II, 327O
(15)Dit archeologisch onderzoek gebeurde in het gebied rond Eindhoven in het kader v.h. zgn. Kempenproject.
(16)F. THEUWS: De archeologie van de periferie, 193
(17)F. THEUWS: id. 174-175

(18)A. CARNOY: Origines des noms de communes, 325
(19)M. GYSSELING: Toponymisch Woordenboek, 793
(20)M. GYSSELING: id., 405
(21)A. CARNOY: Origines des noms de communes, 258

(22)M. GYSSELING: Toponymisch Woordenboek, 312
(23)A. CARNOY: Origines des noms de communes, 193
(24)A. CARNOY: id., 572
(25)M. GYSSELING: Toponymisch Woordenboek, 698
(26)M. GYSSELING: id., 863
(27)A. CARNOY: Origines des noms de communes, 88
(28)J. VAN LOON: De tegenstelling tussen toponiemen op -gem en -kom, Naamkunde, 19, 1987, 149-150)
(29)M.W. VII, 2176-2182
(30)C. BUIKS: Stoktoponiemen, De Rosdoek Heemkundige Studiekring, De Acht Zaligheden, nr. 69, 12-13).
(31)STALLAERT, I, 528; II, 381-382
(32)FRANCK-VAN WIJK, 680
(33)J. GOOSSENS: Semantische vraagstukken uit de taal van het landbouwbedrijf in Belgisch-Limburg, II, 130-131).

(34)A. RENERS: Toponymie v. Hasselt (intra muros)

(35)A. CARNOY: Origines des noms de communes, 652

(36)Vriendelijk meegedeeld door de heer C. MOEYAERT uit Watou.

(37)Dank aan R. Belemans voor het ter beschikking stellen van het toponymische materiaal uit Duitsland en Zwitserland

(38)A.H. SMITH: English Place-Name Elements, II, 153
(39)A.H. SMITH: id., II, 156
(40)A.H. SMITH: id., I, 242
(41)A.H. SMITH: I, 16

(42)A. HOUKEN: Handbok i danske stednavne, 223
(43)Gegevens uit het Corpus Molemans-Thiry
(44)M. GYSSELING: Toponymisch Woordenboek, 941

(45)M.W. IV, 755
(46)Cf. ook de attestatie van omstreeks 1770: ‘...eenen grooten heijden horst, welken horst vermeent wordt te zijn de paal tussen lommel en bergeijk’ Streekarchief van Zuid-Oostbrabant (Eindhoven), Archief v. Bergeyk, nr. 49a).
(47)J. Molemans: Profiel van de Kempische toponymie, Med. Ver. Limb. Dial.en Naamk. 1977 (6), 28-29)
(48)Deze gegevens werden me ter beschikking gesteld door An Marijnissen, waarvoor hartelijk dank.
(49)J. VAN LOON: Morfeemgeografie van de Nederlandse herkomstnamen, Med. Ver. Limb. Dial. en Naamk. (23), 1981, 7.
prepost  begin