|
|
|
| |
| | | |
Toponymische kanttekeningen bij de twee abdijhoeven van Averbode
te Lommel
| |
0. Inleiding.
Toen het Ministerie van Nederlandse Cultuur in 1975, Belgisch
monumentenjaar, meer aandacht vroeg voor het behoud van het plaatselijk
kultuurpatrimonium, geraakte in Lommel de
jarenlang verwaarloosde abdijhoeve (in de volksmond de
Hoef) opnieuw in de belangstelling. Ondanks de vervallen staat der
gebouwen, maar juist omwille van het uitzonderlijk belang van deze
abdijhoeve voor de kennis van de lokale agrarische geschiedenis, werd
besloten haar voor een definitieve verdwijning te behoeden. De stichting
v.z.w. Groote Hoef stelt zich thans tot doel niet
enkel de gebouwen te restaureren, maar ook een gedeelte van het domein
zijn oorspronkelijk uitzicht terug te geven. Betreurenswaardig is echter
dat door verkaveling en de aanleg van de zuidelijke omleiding aan het
domein verwoestingen zijn toegebracht, die niet meer te herstellen
zijn.
| |
1. Historische schets.
De abdij van Averbode is beslist niet de eerste eigenares van de twee
hoeven geweest. Zij verwerft immers deze goederen pas in juli 1227 tegen
een jaarlijkse cijns van 6 schellingen (solidi) en 1 mud graan van het
kapittel van Hilvarenbeek (Noord-Brabant).
Hilvarenbeek en Averbode legden er daarbij de nadruk op, dat door deze
overeenkomst definitief een einde gekomen is aan vroegere betwistingen.
Een passage uit de schenkingsakte luidt als volgt: ‘...curiam suam de Lumele in allodio Beati Petri sitam, cum
omnibus attinentiis suis, terris cultis et
incultis...’(1). We weten dus dat er in de 13de eeuw een
‘curia’ of ‘grote boerderij’
bestond(2). Hierbij hoorden bewerkte gronden (terris cultis) en woeste gebieden (terris
incultis). Bovendien was deze ‘curia’ hier
op het eigen vrij goed van de Beekse Sint-Pieterskerk gelegen. De kerk
van Hilvarenbeek, in de | | | | loop van de 11de of 12de eeuw
kapittelkerk geworden(3), was
bijgevolg de vorige bezitster van dit complex. Deze kerk verwierf immers
reeds in 990(4) van Ansfried, graaf van
Taxandrië en Hoei († 1010): ‘villam suam de Loemele cum omni integritate sua vel allodio
et jurisdictione temporali hereditario jure
possidendam’, m.a.w. ‘zijn vroonhof onder
Lommel met al de eigen vrije grond en de wereldlijke rechtsmacht om het
erfrechtelijk te bezitten’(5).
Of op de grond die bij Ansfrieds ‘villa’ of
‘vroomhof’ hoorde, in de 10de eeuw de landbouw
intensief bedreven werd, is een open vraag. De bewoning in de Limburgse
Kempen moet eerder dun geweest zijn in tegenstelling tot veel
vruchtbaarder gebieden in Vlaanderen(6).
Ook de naam ‘Lommel’ kan ons niet meer zekerheid
geven; zoals de meeste Kempense dorpsnamen is Lommel oorspronkelijk geen nederzettingsnaam, maar een
natuurnaam(7). Vermits
echter de kerk van Hilvarenbeek de tienden te Lommel bezat(8), moest er toch (in de vroege Middeleeuwen) op haar eigen vrij
goed een agrarische aktiviteit van zekere betekenis geweest zijn. Een
feit is zeker: de Norbertijnen van Averbode waren vanaf de stichting van
de abdij (1134) nauw betrokken bij een meer efficiënte
landbouwexploitatie, die we vanaf de 11de tot de 13de eeuw in
West-Europa waarnemen. Naast de evangelische armoede ruimden de
Norbertijnen een grote plaats in voor handenarbeid en zo vormden
landbouw en grondbezit een noodzakelijke grondslag voor de nieuwe
orde(9).
Toen in 1239 paus Gregorius IX (1227-1241) zijn hoge bescherming
verleende aan de nog vrij jonge kloostergemeenschap van Averbode en
verklaarde dat niet enkel de ingestelde orde, maar ook haar | | | |
bezittingen ongeschonden bewaard zouden blijven, werd ook de hoeve te
Lommel als bezit van Averbode bekrachtigd(10).
Vermoedelijk hebben de kloosterlingen zelf niet erg lang de abdijhoeve te
Lommel uitgebaat. Door de geweldige teruggang van het aantal
lekebroeders (reeds in de 13de eeuw), waren de abdijen wel verplicht hun
hoeven aan vrije pachters te verhuren(11). Zo
verwerft in 1291 Alexander, zoon van Peter, ongeveer 5 bunder akkerland
met daarbij nog een stuk grond Hoveken genoemd en
bovendien 4,5 zillen weiland, geheten de goederen van
Broeder Gerard(12). Het jaar daarop ontvangt ook Hendrik, genaamd
Grawe, 3 bunder grond van de religieuze gemeenschap. Daar het ganse
domein van Averbode met de Grote en Kleine Hoef reeds vanaf de verwerving in 1227 een groot gebied
van meer dan 100 ha bestreek(13), was bescherming van wereldlijke machthebbers
zeker welkom. Zo verleende Jan II, hertog van Brabant, in 1298 en het
jaar daarop zijn bescherming. Bovendien schenkt hij in 1299 vijftig
bunder heide, gelegen langs de weg van Lommel naar Eksel, en de Vriesput(14). Averbode weet in 1315
nogmaals haar eigendommen uit te breiden, wanneer de hertog uitgifte
doet van braakliggende gronden (wastinas), de Uitvang
geheten. Deze hoge bescherming bleek meer dan noodzakelijk, want de
inwoners uit het naburige Peelt (land van Luik) maakten op de
heidegronden van de Vijftig Bunder en de Vriesput ook aanspraak. Meer dan anderhalve eeuw later (in
1469) zal ook Karel de Stoute tussenbeide komen; hij geeft Averbode en
de Lommelse ingezetenen de toestemming 2 schutters aan te stellen die
het vee van ‘Peelt’ moesten verdrijven van deze
weidegronden(15).
We willen het verleden van de 2 abdijhoeven niet te zeer uitdiepen. Wel
moet er op gewezen worden, dat de gunstige gezindheid van de wereldlijke
macht t.a.v. Averbode niet altijd gebaat heeft om de hoeven welvarend te
houden. Hierbij speelden 2 belangrijke feiten. Op de eerste plaats was
Averbode afhankelijk van 2 vorstendommen, nl. het hertogdom Brabant en
het Land van Luik, zodat de Grote en de | | | |
Kleine Hoef bij vijandelijke invallen erg weerloos
waren. Zo staken in 1486 legerbenden van Willem van Arenberg de Grote Hoef in brand(16). Honderd jaar later, in 1586, tijdens het bestuur van abt
Matthias, brandde deze nogmaals af, maar werd weer opgebouwd. Verder
maakt Aertnijs in zijn ‘Beschrijvinge’ melding van
vernieling tijdens het bestuur van abt Servatius. De heropbouw van de
Grote en Kleine Hoef gebeurde
dan tussen 1670 en 1680.
De Grote Hoef dateert in haar huidige staat uit die
tijd(17). In 1735 ging de grote schuur in de
vlammen op; ze werd in 1736 heropgebouwd en haar restauratie loont
ongetwijfeld de moeite. Om de buitengewone belasting op hun goederen te
kunnen voldoen, verkocht de abdij tenslotte in 1798 haar Grote Hoef van Lommel aan partikulieren. Ze bleef tot het eind
1974 bewoond. Bij verkoopakte van 24 februari 1975 voor notaris Indekeu
werd ze overgedragen aan de v.z.w. Groote Hoef. Wat de
Kleine Hoef betreft, deze werd omstreeks 1950
afgebroken.
De geschiedenis van de 2 abdijhoeven verloopt zoals die van de meeste
landbouwkolonies der Norbertijnen: van domaniale kern tot cijnshof der
abdij, dat na de Franse Revolutie gekonfiskeerd of noodgedwongen
verkocht werd.
| |
2. Ligging van de abdijhoeven en hun eigendommen.
In tegenstelling tot de landbouwcentra der Cisterciënsers
lagen de kloosterdomeinen van Averbode vooral in de buurt van bewoonbare
kernen(18). Om te komen tot voor die tijd
verantwoorde normen van uitbating, maakte de abdij niet enkel gebruik
van cijnsboeken en pachtregisters; ze liet ook kartografen plannen
opmaken en landmeters opmetingen doen van haar grondbezit. Op folio 45
en 46 van het bekende kaartboek van Cornelis Lowis, opgesteld tussen
1659-1661, vinden we een kaart van de Grote en Kleine Hoef met telkens daarbij de aanduiding van de
grootte van elk perceel(19).
| | | |
Reeds in 1611 had Peter Sgreven, Secretaris binnen die geconfirmeerde Vryheyt van Loemele de
ligging van de hoeven beschreven:
‘Den groten hoff vant het Godtshuys van Everbode is
gelegen tot Loemel vander kercken af ter zuydtsyde, renende ten noirden
aen gemeyn straet die men noempt die kerrestraet (Karrestraat),
streckende naden lande van ludick (Luik)...’(20).
Provisor Aertnijs(21) begint zijn beschrijving
van de Kleine Hoef in 1705 aldus:
‘Den Cleynen winhoff is gelegen ten noort syde van
den grooten winhoff’.
Zo lagen de abdijgoederen in 2 door de Karrestraat
gescheiden complexen, omringd door de dorpsakkers (ten noorden en ten
westen) en door de goederen van de abdij van Postel, die in
noordoostelijke richting een soort verlengstuk van het geestelijk goed
vormden. Ten zuiden tenslotte lag de gemeyn heyde(22) van Lommel. Deze ligging tegen een uitgestrekte
heidevlakte verklaart ook de wijknaam Einde, waar de 2
hoeven opgetrokken werden. Het Einde lag eerder
afgezonderd en was in zuidelijke richting het verst afgelegen gebied dat
destijds voor ontginning in aanmerking kwam. In dit verband verwijzen we
naar
J. Molemans
, die in de Limburgse Kempen een aantal geïsoleerde
nederzettingen op de rand van de heide heeft vastgesteld(23). Toch is de ligging van de hoeven in het Einde erg begrijpelijk; de lager gelegen beekdalen van de Einderloop en de Eindergatloop
zullen voldoende mogelijkheden geboden hebben voor ontginning.
Wat leert ons verder de kaart van Lowis? Daar is allereerst de
opsplitsing van het ganse complex in een aantal blokken, aan weerszijden van de Karrestraat en
Hoeverdijk. Dit komplex is omzeggens in zijn
geheel in 1227 aan Averbode overgedragen met uitzondering van het Stootven, dat pas in 1503 werd verkregen(24). Daarnaast toont de kaart hoe
verspreid de andere blokken lagen, ver van de 2 hoeven, in het
grensgebied van Lommel en Overpelt, zelfs in de
gemeenten | | | |
Balen en Olmen. Het
gaat hier om beemden en heivelden, die pas tussen 1300 en 1500 aan het
oorspronkelijk domein werden toegevoegd(25).
Ons baserend op de afmetingen van Lowis en omgerekend in de moderne
landmaten, komen we tot de volgende goederenstaat, waarbij elk nummer
verwijst naar het perceel op de kaart:
Grote Hoef:
|
Percelen:
|
|
Verworven in:
|
Grootte:
|
| 1 |
Het Ossenveld |
1227 |
2,46 ha |
| 2 |
De Rijt |
1227 |
3,31 ha |
| 3 |
De Putten |
1227 |
14,40 ha |
| 4 |
Het Heiveld |
1227 |
4,68 ha |
| 5 |
De Wijerheide |
1227 |
16,01 ha |
| 6 |
Het Heidelleken |
1227 |
0,47 ha |
| 7 |
De Heselmansakker |
1227 |
10,06 ha |
| |
De kanten en grachten |
1227 |
9,19 ha |
| 8 |
Het Eikelbos |
1227 |
0,53 ha |
| 9 |
Het Lammerveld |
1227 |
0,95 ha |
| |
Het Heesterbos |
1227 |
0,31 ha |
| 10 |
De Hooidries |
1227 |
0,83 ha |
| 11 |
De Lismortelhof |
1227 |
0,20 ha |
| 12 |
De Dries, Mesthof en Huis |
1227 |
2,19 ha |
| 13 |
De Bakkersakker |
1227 |
3,53 ha |
| |
De kanten en grachten |
1227 |
2,79 ha |
| 14 |
Het Grashofke |
1227 |
0,28 ha |
| 15 |
De Moeshof |
1227 |
0,31 ha |
| 16 |
De Mosherink |
1227 |
4,64 ha |
| |
De kanten en grachten |
1227 |
3,30 ha |
| 17 |
De Kwade Weide |
1227 |
5,83 ha |
| |
|
|
86,27 ha |
Kleine Hoef:
| 22 |
Mesthof en Huis |
1227 |
0,11 ha |
| 23 |
De Moeshof |
1227 |
0,05 ha |
| 24 |
De Dries |
1503 |
0,81 ha |
| 25 |
De Kleine Hoeve |
1227 |
1,79 ha |
| |
De kanten en grachten |
1227 |
0,21 ha |
| 26 |
De Grote Hof |
1227 |
0,67 ha |
| 27 |
De Grote Hoeve |
1227 |
8,42 ha |
| |
De kanten en grachten |
1227 |
2,35 ha |
| | | |
TOPONYMISCHE KANTTEKENINGEN BIJ DE TWEE ABDIJHOEVEN VAN
AVERBODE TE LOMMEL Kaart van de ligging der Abdijhoeven en
hun eigendommen door C. Lowis
(1659-1661). Bron: A.R.A.B., K.A. r. 5009 f. 45-46.
Legende:
Grote Hoef (Einde) 1
Het Ossenveld 2 De Rijt 3 De Putten 4 Het
Heiveld 5 De Wijerheide 6 Het Heidelleken 7 De
Heselmansakker 8 Het Eikelbos 9 Het Lammerveld
Het Heesterbos 10 De Hooidries 11 De Lismortelhof
12 De Dries, Mesthof en Huis 13 De Bakkersakker 14 Het
Grashofke 15 De Moeshof 16 De Mosherink 17 De
Kwade Weide
Kleine Hoef (Einde)
22 Mesthof en Huis 23 De Moeshof 24 De Dries 25
De Kleine Hoeve 26 De Grote Hof 27 De Grote Hoeve
28 Het Voorste Stootven 29 Het Achterste Stootven 30
De Kleine Rijt 31 De Grote Rijt 32 De Wijer
Lommel
18 Het Hertelerenschoor 33
De Kleine Vriesput 34 Het Bos aan de Hoofdgracht 35 De
Kwade Horst 36 De Hoofdgrachtdries 37 Het Heppenerschoor
Lommel-Overpelt
E De Vijftig Bunder
Balen
B De Lobeemd 19 De
Ettensmaat 20 De Wolfsdonk De Kleine Wolfsdonk D
Het Heiveld 38 De Molenstedebeemd
Olmen
21 Het Olmsbroek 39 De
Olmsbeemd 40 De Grote Olmsbeemd
Tekening naar een
fotokopie van het origineel door arch. W.
Swinnen.
| | | |
| 28 |
Het Voorste Stootven |
1503 |
0,57 ha |
| 29 |
Het Achterste Stootven |
1503 |
0,56 ha |
| 30 |
De Kleine Rijt |
1227 |
1,22 ha |
| 31 |
De Grote Rijt |
1227 |
2,87 ha |
| 32 |
De Wijer |
1227 |
12,56 ha |
| |
|
|
32,19 ha |
In 1503 bedroeg dus het ganse complex van de 2
‘winningen’ 118,46 ha in het Einde. Daarbij kwamen dan de blokken buiten het complex gelegen,
in en buiten Lommel. In totaal bedroegen ze nog
128 ha en waren verspreid over:
Lommel:
| 18 |
Het Hertelerenschoor |
1481 |
Grote Hoef |
2,33 ha |
| 33 |
De Kleine Vriesput |
1299 |
Kleine Hoef |
18,65 ha |
| 34 |
Het Bos aan de Hoofdgracht |
|
Kleine Hoef |
0,23 ha |
| 35 |
De Kwade Horst |
|
Kleine Hoef |
1,21 ha |
| 36 |
De Hoofdgrachtdries |
|
Kleine Hoef |
0,90 ha |
| 37 |
Het Heppenerschoor |
1479 |
Kleine Hoef |
0,66 ha |
| |
De Grote Vriesput |
1299 |
Kleine Hoef |
21,76 ha |
| |
|
|
|
(niet op de kaart) |
Lommel-Overpelt:
| E |
De Vijftig Bunder |
1299 |
Grote en Kleine Hoef |
68,00 ha |
Balen:
| B |
De Lobeemd |
|
Grote Hoef |
0,17 ha |
| 19 |
De Ettensmaat |
1617 |
Kleine Hoef |
0,79 ha |
| 20 |
De Wolfsdonk |
1292 |
Grote Hoef |
4,39 ha |
| |
De Kleine Wolfsdonk |
|
Grote Hoef |
1,54 ha |
| D |
Het Heiveld |
|
Grote Hoef |
1,47 ha |
| 38 |
De Molenstedebeemd |
1514 |
Grote Hoef |
3,44 ha |
Olmen:
| 21 |
Het Olmsbroek |
1385 |
Grote Hoef |
1,20 ha |
| 39 |
De Olmsbeemd |
1385 |
Grote Hoef |
0,42 ha |
| 40 |
De Grote Olmsbeemd |
1385 |
Grote Hoef |
0,75 ha |
Het merendeel van deze blokken buiten het complex van het Einde was grasland, gelegen in de beekdalen van de Grote Nete en de Balengracht (in
Balen de Hoofdgracht
genoemd).
Het ganse abdijgoed op het grondgebied van Lommel bestond volgens de
opmetingen van Aertnijs in de 18de eeuw uit:
| | | |
| heide |
: |
61% |
| akkerland |
: |
13% |
| slecht weiland |
: |
10% |
| kanten en grachten |
: |
8% |
| beemden |
: |
3% |
| driesen en tuinen |
: |
3% |
Opvallend daarbij is de bijna totale afwezigheid van bossen. Volgens een
niet-gedateerde bundel(26) waren Heesterbos en Eikelbos gerooid en
heide geworden, vermoedelijk in de 18de eeuw. Enkel van de Hoeverwijer wordt gezegd dat hij met denne
besayt is over een oppervlakte van 3 zillen (1 ha). Bebossing
gebeurde immers zeer schaars en zal pas op het einde van de 18de eeuw op
gang komen, vooral dank zij de kloosters(27). Andere
plaatsnamen die op bebossing wijzen komen niet voor, tenzij de Berkengracht(28), die voor de omheining van
percelen heeft gediend.
Samenvattend vormen de Grote en Kleine
Hoef twee gemengde bedrijven met graanbouw en veeteelt, zoals
de meeste Kempense abdijhoeven.
Tot zover deze, in het kader van deze bijdrage onvolledige,
kanttekeningen van historische, geografische en ekonomische aard. We
komen thans tot een onderzoek van de namenvoorraad.
| |
3. Naamgeving der domeinen.
| |
3.1.
Grote Hoef: Curiam suam de
Lumele, 1227, AAA, I, K, 106; sita ten hove
nominata, 1315, AAA, I, K, 672; maiore(m) mansu(m) de
Lom(mel), 1391, B, RA, r. 1179 f 231; den meesten
hoeve tot Lumel, 1397, AAA, I, K, 1118; den
grooten wynhoff tot loemel, 1532, Arab, KA, r. 5020, f
3ro; opten grooten hoff,
1544, Arab, KA, r. 5073 f 3vo; de
groote hoeve, 1650, Arab, KA, r. 5009 f 45; colonia maior, 1733, AAA, I, Lias 70, de
groote hoef, 1844, H.K.
Curia is de naam gegeven door de Norbertijnen in
Lat. oorkonden; hij betekent ‘grote
boerderij’(29). Het Mnl. meest is de superlatief van
‘groot’(30).
| |
| | | |
3.2.
Kleine Hoef: cultura minor,
1532, ARAB, KA, r. 5020 f 39; den cleynen winhoff,
1532, ARAB, KA r. 5020 f 39; Jan nellen wynne vanden
cleynen hove, 1532, ARAB, KA r. 5020 f 48; aen des prelaets
van Everbode cleynder hoeve, 1608, ARAB, KA r.
5138 f 6vo.
Alhoewel we geen attestaties terugvonden vóór
1500, moet de Kleine Hoef reeds lang bestaan
hebben. Aertnijs vermeldt in zijn
‘Beschrijvinge...’ de oude cijns die ze reeds in
1378 betaalde(31). In de
volksmond wordt met [də huf] enkel nog de grootste der
twee boerderijen bedoeld.
| |
4. Naamgeving der percelen.
Indien de percelen niet vernoemd worden, maar enkel de eigendommen in het
algemeen vermeld worden, vinden we: Neven des goitshuys
lant, 1397, AAA, I, K 1118; tegen des goitshuys
erve van Averbode, 1397, AAA, I, K 1118; noortw. en westw. de apt van Everbode, 1706, H.G. 3 f. 213ro; tuschen ons goidshuys goet...,
1705, AAA, I, r. 212 f 204ro.
Als aanduiding der bezittingen van de 2 hoeven: mansu(m) dictu(m) tgroete goet, 1436, AAA, I, K 2265; mansi dicti cleyngoet, 1436, AAA, I, K 2265.
| |
4.1. Het domein van de Grote Hoef - Percelen in Lommel
(Einde):
1. Het Ossenveld: Het ossen eussel
off weyden, 1611, AAA, I, Lias 70; 't Ossen
hey-velt, 1650, ARAB, KA, r. 5009, f. 45; het
ossenveldt, quaede weyde, 1678, AAA, I, r. 106 f 34vo.
Vroeger was de os in de Kempen trekdier. In dit verband
schrijft I. Thijs: ‘In een groot
gedeelte van het land van Luyck, te weten Eksel, Beverloo en Ham (Oostham)
bevinde ik, dat zij hunne landen met ossen labeuren en voeren met
dese den mest naer den akker’(32). Het Osseveld duidt
dus op een perceel onvruchtbare heidegrond, dat als weide diende.
Het ligt trouwens naast de Gemeyn Heyde van
Lommel, thans Karrestraterheide. Vgl. ook de
vermelding van 1611: een eusel was in de Kempen
een ‘kunstmatige weide, aangelegd op pas ontgonnen heide,
begroeid met bunt en andere grassoorten’(33).
2. De Rijt: Den groten hover
bempt, 1611, AAA, I, Lias 70; de riet-bemt,
1650, ARAB, KA, r. 5009, f 45; beempt, den rijt,
1678, AAA, I, r. 106 f 34vo.
| | | |
Zeer veel voorkomend toponiem te Lommel en in de Kempen in
het algemeen. Mnl. rijt (Mnl. WdB., VI, 1403-1404)
gaat zoals Rijn terug op het Idg. ‘rei’, dat
‘stromen’ betekent. De betekenis is dus
‘waterloop’. In dit geval de Eindergatloop, waarnaar ook het omliggende grasland
(beemd) genoemd wordt.
3. De Putten: 't Goet geheeten den
brant, vanden grooten hoff, 1544, ARAB, KA, r. 5073 f 1ro; die hover putten, 1611,
AAA, I, Lias 70; de putte weyde, 1650, ARAB, KA,
r. 5009, f 45; quaede weyde, de putte, 1678, AAA,
I, r. 106 f 34vo.
De naam duidt op een lager gelegen, drassig en daardoor
minder geschikt grasland, in de volksmond het Plat. In 1611 vormen de Putten een grote quanteyt van moeras ende heyden... daer den hoevener is
halende zyn ruschen ende torven voer eensdeels sijnen
brant(34). Dit verklaart de pln. brant van 1544: plaats waar men brandstof (turf, heiplaggen)
haalde(35).
4. Het Heiveld: Het heyeusel,
1611, AAA, I, Lias 70; 't heyvelt, 1650, ARAB, KA,
r. 5009, f 45; naer het heyeussel neffens den
weyer, 1705, AAA, I, r. 212 f 204 vo.
De pln. is een samenstelling van
‘heide’, verkort tot
‘hey(t)’, en ‘veld’. De
oorspronkelijke betekenis van veld was
‘open, onbebouwd land, woeste grond’ (Mnl. Wdb.,
VIII, 1385). Pas in de Late Middeleeuwen kreeg veld de betekenis van ‘akker’, doordat men
delen uit die heide ging bebouwen. Het blijkt in 1611 nog een
perceel ‘heyde ende groese’ te zijn. De andere
attestaties met ‘eusel’ wijzen eveneens op de
ontginning die op de heide gebeurd is (cfr. nr. 1). Het Heiveld vormt dus hier geen akkerland, maar wel (schraal)
grasland.
5. De Wijerheide: Den wijer,
1611, AAA, I, Lias 70; de vyversheyde, ARAB, KA,
r. 5009, f 45; heyde genaemt de weyvers, 1705,
AAA, I, r. 212, f 200ro.
Wijer is ontleend aan het Lat. vivarium: visvijver, ven, drinkwaterplaats voor
vee(36). Het toponiem
verwijst dus naar een perceel heide met daarin stilstaand water.
6. Het Heidelleken: 't
Heydelleken, 1650, ARAB, KA, r. 5009, f 45.
Terwijl het eerste deel eens te meer op de (schrale)
begroeiing slaat, verwijst het tweede komponent naar het
reliëf: del, Mnl. delle, dal ‘laagte, vallei’ (Mnl. Wdb. II,
118) betekent. De pln. wijst op een laaggelegen perceel heidegrond.
Hier is het een beekdal, waar de Eindergatloop
haar bedding heeft.
7. De Heselmansakker: Heesmans
akker, 1394, ARAB, r. 45041 f 137; bocht genampt den heesmans ecker, 1611, AAA, I, Lias 70; heselmans acker, 1650, Arab, KA, r. 5009 f 45.
| | | |
De persoonsnaam als eerste lid bewijst dat uit het ganse
complex reeds vroeg een aantal gronden aan plaatselijke boeren
verpacht werden (cfr. supra). Zo bezit Peter Heesmans in 1397 een
perceel bouwland met een stuk heide, gelegen aan de Hoeverwijer (cfr. nr. 32). Hij heeft dit erfelijk in pacht
van Jan, abt van Averbode, tegen een jaarlijkse cijns van 7 mud
rogge en 3 kapoenen. Ter bekrachtiging van deze overeenkomst zet
Peter anderhalf mud rogge uit zijn goed de Hezenhoeve(37). Als pachter van de Heselmansakker verbindt Peter er zich toe de daarrond liggende
gracht in behoorlijke staat te houden. Tot op heden is de gracht met
eiken wal bewaard.
8. Het Eikelbos: den
eeckelbosch, 1650, ARAB, KA, r. 5009, f 45;
9. Het Heesterbos: 't
eesterbosch, 1650, ARAB, KA, r. 5009, f 45; aent
heesterbosch, 1737, H.G., 29 f 105ro.
Deze 2 pln. verwijzen naar de oorspronkelijke begroeiing
met eiken en struikgewas. Het zijn 2 kleine percelen, die in de 17de
eeuw de laatste resten vormden van een vroeger veel groter
loofbosareaal (vgl. de verwijzing doude
heesterbosch). Net zoals de Lommelse dorpsakkers vormde bijna
het ganse domein van Averbode in het Einde een
open landschap tot in de 18de eeuw, toen er herbebossing met
naaldbomen kwam. Zo ontstond op de heidegronden het Hoeverbos (hoeverbosch, 1844, H.K.).
Het Lammerveld: 't Lammer-velt,
1650, ARAB, KA, r. 5009, f 45.
Veld verwijst thans naar bebouwde grond
en is een synoniem van akker geworden;
oorspronkelijk betekende het echter ‘open vlakte, woest
land, meestal heide’(38). Het Lammerveld verwijst hier naar een perceel braakliggend
land, begroeid met ‘wilde’ planten en bestemd
voor begrazing door de schapen. Tot kort na de tweede wereldoorlog
werden de schapen op grasbermen langs de wegen en op de Dries bij de woning ‘getuierd’(39).
10. De hooidries: Den hoy-dries,
1650, ARAB, KA, r. 5009, f 45; den heydendriesch,
1705, AAA, I, r. 212, f 200ro; den
hooydries, niet gedateerd, AAA, I, Lias 70.
De Hooidries lag aan de westzijde van de
Hoeverdijk, tegenover de Grote
Hoef. Dries-namen komen, zoals overal in Vlaanderen, in
Lommel veelvuldig voor. Vgl. de Balendijkdries, Boldries, Hezerdries,
Kerkdries...(40). Gewoonlijk betekent
het een weinig rendabel (hoog of laag gelegen) land, vaak een bij de
woning gelegen perceel weiland(41). In
die betekenis leeft het ook in Lommel nog. Hooi
kan wijzen op een perceel kunstmatig aangelegd hooiland, in
tegenstelling tot de natuurlijke graasweide. De Dries werd niet enkel met gras bezaaid; het kon ook met klaver
en op de schraalste zandbodem met brem gebeuren (vgl. Bremdries te Lommel)(42).
Anderzijds kan hooi
| | | | een samentrekking zijn van ‘hoog’.
Vgl. de pln. Hooidonk, ontstaan uit Hoge Donk. In dit geval hebben we met een ‘hoger
gelegen dries’ te maken. Tenslotte is er nog de variant
Heydendriesch, die dan eerder op een perceel
met ‘natuurlijke weide’ met heidekruid zou
wijzen. Dit is, zo dicht bij de hoeve, weinig waarschijnlijk. Zowel
op de kaart van Lowis (17de eeuw) als op deze van
Aertnijs
(18de eeuw) staat deze Dries als weide getekend.
11. De Lismortelhof: Vanden
lismortel, 1611, AAA, I, Lias 70; den lis-meurtels
hoff, 1650, ARAB, KA, r. 5009 f 45.
Was tot vóór kort een kleine poel,
met bomen en kreupelhout omringd. Bij oudere Lommelaren is het
toponiem nog erg bekend [ət lismoi'ən].
Mortel is ontstaan uit Mnl. Moorter (Lat. Mortarium): steengruis,
beslagen kalk (Mnl. Wdb., IV, blz. 1962-1963). Het woord kreeg
echter de betekenis van wat op mortel lijkt, nl. ‘slijk,
modder’. Het eerste lid lis wijst
op de begroeiing met een aan waterkanten en in moerassen veel
voorkomende plant van het geslacht iris. Bij de Lismortel lag de Hof: een klein stukje
land, met hagen omsloten(43). Vermoedelijk heeft de Lismortel gediend als drenk, drinkplaats voor het vee op
de hoeven.
12. De Dries en De Mesthof: Den dries (en) mest-hoff, 1650,
ARAB, KA, r. 5009, f 45.
Deze Dries lag vlak bij de Grote Hoef. Zoals reeds aangestipt, heeft hij ongetwijfeld
gediend als weide, waarop de schapen konden grazen, vrij of
‘getuierd’. De Mesthof
speelde daarbij een belangrijke rol voor de vruchtbaarheid van de
akkers. In de Kempen werden de schapen 's avonds van de dries
gehaald en in een vaste ‘kooi’,
‘bocht’ of ‘mesthof’
ondergebracht. Ze overnachtten er enkel in de zomer. In zo'n Mesthof
hadden de dieren een soort rustbed van heidekruid en aarde.
Dergelijke bemestingstechniek moet blijkbaar tot de verbeelding
gesproken hebben van de Engelsman Robert Child, die in 1655 verwijst
naar een overdekt perk voor schapen, waarin aarde tot 6 duim dik
wordt gestrooid(44). Zo zal een
grote kudde schapen, die de Kempense abdijhoeven bezaten,
ongetwijfeld gezorgd hebben voor de bodemverbetering.
13. De Bakkersakker: Tvelt geheiten dbackhuysen, 1544, ARAB, KA r. 5073 (kopie); lant ende
heyde genampt den backhuys ecker, 1611, AAA, I,
Lias 70; den backers acker, 1650, ARAB, KA, r.
5009, f 45; den roggenacker, 1705, AAA, I, r. 212,
f 201ro.
Deze akker lag langs de Hoeverdijk,
achter de schuur. De laatste attestatie wijst op zijn bestemming:
levering van broodgraan. Het zaaien van rogge gaf op de schrale
grond minder risico's dan tarwe. Bovendien leverde rogge een grotere
hoeveelheid stro.
14. Het Grashofke: 't
Gerst-hofken, 1650, ARAB, KA, r. 5009, f 45; landt het Gersthofken, niet gedateerd, AAA, I, Lias 70.
| | | |
P. Lindemans(45) wijst erop dat
in de Kempen geen gerst geteeld werd. Toch is er op de Grote Hoef sprake van gersttiende(46). In elk geval ging het om een
klein perceel (0,28 ha), dat aan de met rogge bezaaide Bakkersakker grensde.
Hof wijst meer op een ‘omheinde ruimte,
zoals blijkt op de kaart van Lowis, waar dit Gersthofke met houtgewas is omzoomd.
15. De Moeshof: Den Moes-hoff,
1650 ARAB, KA, r. 5009, f. 45.
Zowel de Grote als de Kleine
Hoef beschikten over een moestuin. De mens in de Kempen
slaagde er in zijn voeding aan te vullen met groenten. Een aantal
Lommelse toponiemen verwijzen hiernaar: Boonhof,
Bonenveld, Koolakker (kool- of raapzaad), Pootakker, Pootveld (wortelen)(47).
16. De Mosherink: Niet zo duidelijke naam omwille
van allerlei verschillende attestaties:
't Mos herinck landt, 1650, ARAB, KA, r. 5009, f.
45; bocht is genampt den Maeshorrinck, 1611, AAA,
I, Lias 70; den mos herinck lant, 1705, AAA, I,
Lias 70; den acker teynde het huys gent. de muys
heerick.
Het 2de lid verwijst naar de ligging: Mnl. Herink, Horrink: hoek van land (Mnl. Wdb., III, 599-601).
Het grote perceel van 4,64 ha liep immers met een scherpe hoek uit
op de Karrestraat. In Mos
moet waarschijnlijk niet aan ‘poel, moerassige
grond’ (Mnl. Wdb., IV, 1974-1975) worden gedacht, maar wel
aan de reengenoot. In een niet-gedateerd stuk (vermoedelijk 18de
eeuw) blijkt dit ten oosten van de Mosherink een
Hen(drick) Maes te zijn. Ook een Bastiaen Muys wordt
vermeld(48). Hun eigendom lag dus in het
complex van de Grote Hoef
Voor Mos = psn. Maes pleit ook de
dialektische vorm [mouəs] en [moskə].
17. De Kwade Weide: De quaede
weyde, 1650, ARAB, KA, r. 5009, f. 45; de quaede
weyde ofte nieuw veldt, niet gedateerd stuk AAA, I, Lias
70; int nieuwe velt, niet gedateerd stuk AAA, I,
Lias 70.
Uit de twee laatste attestaties blijkt dat de Kwade Weide in winnend land is gelegd. Er wordt weiland
mee bedoeld dat dikwijls met voor de boer nutteloze planten, bramen,
heesters is begroeid. Vgl. in het dialekt [tes
kouəiə gront] en verder de Lommelse pln. Kwadevelden(49).
| |
4.2. Het domein van de Kleine Hoef - Percelen in Lommel
(Einde):
| | | |
Ook hier lag bij de hoeve een Mesthof, Moeshof en
Dries (nrs 22, 23, 24). Vervolgens zijn er de
2 ‘blokken’ akkerland:
25. De Kleine Hoeve: De kleyn-hoeff
landt, 1650, ARAB, KA, r. 5009, f. 46; landt uyt de clyne hoeve, niet gedateerd stuk, AAA, I, Lias
70.
26. De Grote Hoeve: De groote hoeff
landt, 1650, ARAB, KA, r. 5009, f. 46; de
groote hoeve acker voor den thooren, 1796, H.G., 19 f.
18vo; den aghtersten acker in de groete hoeve, niet gedateerd stuk AAA, I, Lias 70.
Hoef heeft hier dus niet de betekenis van
‘hofstede’ maar van
‘akkerland’. Het is een in de Kempen erg veel
voorkomend toponiem. Vgl. te Lommel: Eksterhoeve,
Hoeven, Hondshoeven, Kievitshoeven, Knapenhoeve...(50). Al deze laatste hoeve-namen duiken pas op in de 16de-17de eeuw en duiden op
nieuwe ontginningen, op jong kultuurland, op ontgonnen heide of
bos(51). De oorspronkelijke betekenis van hoeve was ‘de oppervlakte land, nodig voor het
onderhoud van een gezin’(52). Vermits de 2
‘blokken’ reeds in 1227 in bezit van Averbode
waren, verwijst Hoeve hier naar deze
oorspronkelijke betekenis en naar de grote ontginningen die in de
11de-12de eeuw gebeurden. In dit verband kan nog opgemerkt, dat in
1291 Alexander Peters ongeveer 5 bunder bouwland, een stuk grond,
het Hoveke genaamd, en 4,5 zillen weiland van de
abt in pacht krijgt. Op die grond zal Alexander een huis bouwen en
een afsluiting aanbrengen, zodat hij zal weten wat allemaal tot die
eigendom behoort(53). Zijn (laat?) hoeve valt net buiten het domein ten
oosten van de Molenstraat (thans Vredestraat), en
kon als Hoefke [hyfkə] gelokaliseerd
worden.
27. De Grote Hof: Den grooten
hoff, 1705, AAA, I, r. 212, f. 200vo. Op de
kaart van Lowis omringen hagen dit perceel van slechts 0,67 ha.
Vgl. de betekenis van hof: omheinde
ruimte (supra). Het is alleszins niet de moestuin geweest, daar de
Moeshof nog dichter bij de boerderij lag (vgl.
nr. 23). In zijn ‘Beschrijvinge der twee hoeven onder
Loemel’ spreekt Aertnijs echter van een Coolhoff(54), waarbij de ligging van het perceel klopt met die
van de Grote Hof. Bij alle grote pachthoven vond
men een Koollocht of Koolhof
terug. Hier werd dan het koolzaad gewonnen, waaruit olie geslagen
werd(55).
28. Het Voorste Stootven en 29 Het
Achterste Stootven: Pratum dictum stoet
ven, 1436, AAA, I, Karter 2265; acker teynden het
stoetven daer den kerck pat duer gaet; 1608, ARAB, KA, r.
5138 f. 74vo; in stoetbemt,
1532, ARAB, KA, r. 5020, f. 39; 't voorste
| | | |
stoot-ven, 1650, ARAB, KA, r. 5009, f. 46; 't achterste stoot-ven, 1650, ARAB, KA; r. 5009,
f. 46.
Het Stootven, dat door de Einderloop in een voorste en achterste gesplitst wordt, is oorspronkelijk een
waternaam. In de 15de eeuw is echter dit laaggelegen, vochtig gebied
reeds in weiland omgezet. Vgl. de attestatie Stoetbemt.
Stoot is ontstaan uit het Mnl. toot: punt, spits. Hieruit kan de betekenis ‘spitse
punt aan iets, spits uitsteeksel’ afgeleid worden (Mnl.
Wdb., III, 558). Het verschijnsel van de voorvoeging van s komt ook nog in andere Lommelse pln. voor: Spoel, Slinkerstraat(56).
Op de kaart van Lowis loopt het Stootven puntig
uit in noordwestelijke richting. De nog voortlevende variant
[slouətfen] tenslotte is verklaarbaar, doordat de Einderloop of Zijpt door dit
weiland loopt en altijd voor afvloeiing van het overtollige water
heeft gezorgd.
30. De Kleine Rijt en 31. De Grote
Rijt: Den kleynen riet-bemt, 1650, Arab,
KA, r. 5009, f. 46; bempt de cleyn ryt, niet
gedateerd stuk AAA, I, Lias 70; den grooten
riet-bemt, 1650, ARAB, KA, r. 5009, f. 46; bempt de groote ryt, niet gedateerd stuk, AAA, I, Lias 70.
Vgl. de Rijt van de Grote
Hoef, die ten zuiden van deze 2 kleinere percelen ligt.
‘Groot’ en ‘klein’ zijn hier
bepalende bestanddelen.
32. De Wijer: Tussen den wyer en
die heyde, 1397, AAA, I, Karter 1118; penes
vivarium, 1436, AAA, I, Karter 2265; aenden
bovensten wyer, 1611, AAA, I, Lias 70; oostw. den hoever weyer, 1707, H.G., 26 f. 363.
De Wijer is een enorm blok grasland, in
het zuiden van het domein gelegen. Eigenlijk is Wijer een
waternaam. Vgl. wijer, Lat. vivarium: ven, drinkplaats voor vee Schönfeld(57). Hier werd hij in grasland gelegd en zorgde voor hooi.
Daarvoor was regelmatige bevloeiing onontbeerlijk. In 1397 blijkt de
abdij het recht te hebben den oversten Wijer te
‘wateren’ (bevloeien), zo hoog het kan, ook al
liep het water (van de Eindergatloop) over de
nabijgelegen heide, die ondertussen erfpacht van Peter Heesmans
geworden was(58).
| |
4.3. Verspreide blokken in Lommel:
33. De Vriesput: Vriseputte,
1298, ARAB, RK, nr 8; die veurs. plaetse van vrysputte, 1469, AAA, I, Karter 2481; de groote
vriesputten, 1619, AAA, I, Lias 70; int cleyne
vrieseven, 1685, AAA, I, Lias 70; opt
vriesputt oft vriesvenne, 1705, AAA, I, r. 212, f. 202ro; de vriesput, 1844, H.K.
| | | |
In 1299 schonk Jan II, hertog van Brabant, dit heidegebied
met vennen aan Averbode. Wanneer in 1469 de inwoners van Pelt hun
schapen in de Vriesput laten weiden, stelt Karel,
hertog van Bourgondië, 2 schutters aan om de rechten van
de hoevenaren op de Lommelse abdijhoeven veilig te stellen. Verder
wordt overeengekomen, dat de inwoners van Lommel hun schapen er
mogen hoeden en er heide halen. Anderzijds zullen de laten van de
abdijhoeven in de Lommelse vroente heide mogen halen en krijgen de
abdijhoeven van Averbode in Balen het recht
hun schapen op Lommelse heidegronden te laten grazen(59). De
betwistingen tussen het Brabantse Lommel en het Luikse Pelt bleven tot in de 19de eeuw duren(60). In 1640 werd de Vriesput in
een grote en een kleine
verdeeld. De dijk die er tussendoor liep heet op een niet-gedateerde
schets (18de eeuw) den Schaepwegh. Vgl. vries: drinkput met fris water(61), in dit
geval, vennen.
E. De Vijftig Bunder: In lumele cum
qu(in)quag(in)ta bonnariis mirice ibide(m), 1299, ARAB, RK,
nr 8; vyftig boender heyden oft bosch, 1470, ARAB,
KA, r. 5074, f. 10; die vyftich bunderen, 1619,
AAA, I, Lias 70; de Averbodtsche groote Heye,
1678, AAA, I, r. 106, f. 35.
Dit enorm heidegebied wordt gesitueerd Aen den
wegh als men gaet van Loemel naer Pelt(60). Net zoals voor de Vriesput hebben zich
voor het bezit ervan heel wat betwistingen voorgedaan tussen
Lommelaren en inwoners van Pelt. Op de kaart van Lowis heten de
heuvels rechts van dit heidegebied De Reynerberch.
De naam verwijst naar de ligging: vgl. Mnl. reinen,
reenen, dat ‘aangrenzen’ betekent (Mnl.
Wdb. VI, 1125), in dit geval grenzend aan Pelt.
Thans heet de plaats Hoeverbergen. R. Knaepen beschrijft ze als hoge landduinen, die op het
einde van de IJstijden ontstonden, doordat het losse zand op de
onbegroeide bodem in duinheuvels bijeenstoof (Limburg 1973, blz. 115-116). Destijds en ook nu nog lagen
(liggen) de Vijftig Bunder in de door de wind
gevormde vlakte, door deze (unieke!) landduinen omgeven.
37. Heppenerschoor en 18. Hertelerenschoor: Totten pael geheyten heppennersescoer, 1331, ARAB, KA, r. 5020 f. 85; ontrent happeneer scoor, 1480, AAA, I, Karter
2265; aan het eppenaare schoor, 1786, H.G., 16 f.
112vo; bemt 't eppene
schoor, niet-gedateerd stuk, AAA, I, Lias 70.
Uit de eerste attestatie blijkt dat Heppenerschoor oorspronkelijk een grenspaal was. Toen in
1331 de hertog van Brabant, Jan III, de woeste gronden (Onse Gemeynten ende Wuestynen) aan de inwoners van Lommel afstond, werden de limietpalen van
Lommel | | | | beschreven. De paal van Heppenerschoor stond op de kaart van Verhees in de
zuidwestelijke hoek, waar de Grote Nete onder de
weg (Roosdijk) loopt(62).
Heppen- verwijst naar de funktie van deze weg:
verbinding van Lommel (Kattenbos) met Heppen. Het 2de element Schoor duidt op
‘een brug over een sloot’. Vgl.
Schuermans
: schoor ‘kleine brug over beek,
gracht van planken en zoden om met de kar over te
rijden’(63).
den herteleren schoor-bemt, 1650, Arab, KA, r.
5009, f. 45; beempt 't herteleren schoor, niet
gedateerd stuk, AAA, I, Lias 70. Weinig doorzichtige naam;
vermoedelijk is het eerste lid een psn. In beide gevallen ging de
naam over op het omliggende hooiland.
36. De Hoofdgrachtdries: Den
hooft-grachts dries, 1650, ARAB, KA, r. 5009, f. 46;
driesch den hoeve gracht, 1705, AAA, I, r. 212, f.
200vo; dries genoemt den
hootgracht, niet gedateerd stuk, AAA, I, Lias 70.
Dit kleine perceel grasland lag bij de Hootgracht (vgl. ontrent de hoot gracht,
1690, H.G., 25, f. 74ro). Het eerste lid hoot = hoofd(64). Op moderne
stafkaarten vinden we een Kleine en Grote Hoofdgracht op het grondgebied van Balen; in Lommel
heet deze loop de Balengracht (cfr. aen balen graft, 1497, Arab, RK, r. 45048, f. 31vo). Dit perceel ligt nochtans nog in Lommel. Ten
oosten grensde hieraan gedeeltelijk het Hoofdgrachtboske (op de kaart nr 34).
35. Kwade Horst: Heyde genaemt quaethorst, niet gedateerd stuk, AAA, I, Lias 70; heyde
het quaet hors, 1678, AAA, I, r. 106 f. 35ro.
Horst: bosschage, kreupelhout (Mnl. Wdb.
III, 605). Het betreft hier een weinig vruchtbaar (cfr. 1ste lid)
stuk (heide)grond, met kreupelhout begroeid.
| |
4.4. Percelen van de Lommelse Abdijhoeven in Balen en
Olmen:
B. De Lobeemd: Loo-bemps heyde,
1650, ARAB, KA, r. 5009, f. 46.
In een niet-gedateerd stuk (vermoedelijk 18de eeuw)
omschreven als heyde en wat boschage(65). Op de aanwezigheid van
bosbegroeiing wijst lo. In de Kempen benoemt het
veelal een bos op droge zandgrond en na rooiing ook de
heidevlakte(66). Blijkens de kontekst moet hier dus niet aan
hooiland gedacht worden.
| | | |
19. De Ettensmaat: Beempt, de nettensmaet, 1678, AAA. I, r. 106 f. 34vo; beemt genaemt ettens made, 1699, H.G. 2
f. 114vo.
Etten is een causatief van
‘eten’(67);
hiervan afgeleid is het in de Kempen veel voorkomende toponiem Etsel. Het verklaart dus de bestemming van deze
weide: leveren van hooi. Hierop wijst ook Maat of
Made, afleidingen van het ww.
‘maaien’, met de oorspronkelijke betekenis van
‘land waarvan gras gemaaid wordt’(68).
C. Het Heiveld van de Hoofdgracht: 't
Hey velt, 1650, ARAB, KA, r. 5009, f. 45; heyde genoemt 't heyveldt vanden hootgracht, niet-gedateerd
stuk, AAA, I, Lias 70.
Het toponiem duidt op een stuk heidegrond in privaat bezit,
gelegen buiten de gemene heide, waarvan het eens deel uitmaakte(69).
In Lommel komen nog verscheidene andere Hei(t)velden voor. Uit attestaties uit de 18de eeuw blijkt dat
ze reeds hooiland geworden zijn: - eenen beemt gelegen ter
plaatse genaamt den els, geheeten het heyt velt,
1755, H.G. 31, f. 28vo. - perceel beemde
gelegen alhier in de mortel genaamt het heyvelt,
1786, H.G., 16, f. 96vo(70).
20. Wolfsdonk en A. Klein
Wolfsdonk: Wolfs-donck bemt, 1650, ARAB, KA,
r. 5009, f. 45; 't kleyn wolfs-donck gaende met de
groote hoef, 1650, ARAB, KA, r. 5009, f. 45; heyde en weyde 't cleyn wolfsd(onck), niet-gedateerd stuk, AAA,
I, Lias 70.
Donk verwijst zoals beemd,
broek en maai naar hooiland.
J. Molemans
omschrijft een donk in de Kempen als hoger gelegen hooiland
tussen de heide en de beekvallei. De Donk sluit
aan bij het heidegebied en ligt 1 tot 2m hoger dan de Beemd(71).
21. Olmsbroek: D'olms broeck,
1650, ARAB, KA, r. 5009, f. 45.
Oorspronkelijk wijst broek op een moeras,
maar na drooglegging krijgt het de betekenis van hooiland(72). Als weide - en later
als nederzettingsnaam - komt Broek veel voor in de
Kempen. Het huidige Lommelse gehucht Kerkhoven
heette aanvankelijk Broek (vgl. inde
broeken 1469, AAA, I, Karter 2481). In Olmsbroek duidt het 1ste lid op de gemeente Olmen, waar dit perceel van de Grote Hoef
lag.
39. Olmsbeemd en 40 Grote
Olmsbeemd: D' olmens bempt, nietgedateerd
stuk, AAA, I, Lias 70; den grooten olms-bemt,
1650, ARAB, KA, r. 5009, f. 46.
| | | |
Beemd is wel de meest voorkomende
benaming voor hooiland. In tegenstelling met de gemene vroente was
hij omsloten om hem tegen het los lopende vee te beschermen(73). Beemd-toponiemen
komen voor in Vlaanderen, Noord-Brabant en het Rijngebied. In Lommel
liggen ze in de beekdalen van Einderloop, Eindergatloop, Klagloop:
vgl. Elsbeemd, Goorbeemd, Hooibeemd en Rijtbeemd(74).
38. Molenstedebeemd: Molen stat,
1450, ARAB, RK, r. 45045, f. 328vo; den meulen-stadts bemt, 1650, ARAB, KA, r. 5009, f. 46;
weyde genaemt den molenstat, 1705, AAA, I, r. 212,
f. 201vo.
Blok grasland. Het toponiem verwijst naar de watermolen in
Balen, bezit van de abdij van Averbode.
Tot besluit nog dit. Alle eigendommen van de Grote
en Kleine Hoef die niet in het complex van het Einde liggen, zijn naast uitgestrekte heidevlakten
(Vriesput, Vijftig Bunder) uitsluitend
hooiland. De Beemden, Donken en Broeken vormden privaat bezit van Averbode, in
tegenstelling met Vriesput en Vijftig
Bunder, die later ook als gemene vroente van de Lommelaren
dienden. Het hooiland daarentegen was met water, hagen en wallen
‘bevrijd’ tegen het weidende vee (cfr. kaart van
Lowis). Zoals reeds aangestipt, verkreeg Averbode deze verspreide
blokken niet samen met de twee winningen in de 13de eeuw, maar later
(14de-16de eeuw). Anderzijds verkocht Averbode in 1482 het hooiland
De Voswijer aan de Lommelse ingezetenen(75). Blijkbaar bracht het
transport van dit hooi van de kilometers ver afgelegen percelen in
het Lommels Broek, Balen en Olmen naar de winningen in het Einde heel wat moeilijkheden mee. Dit doet Aertnijs in 1705 de volgende bedenking
opperen: ‘de pachters van loemel (op de abdijhoeven)
volgens hare conditien gebruycken oock eenige beemden gelegen onder
Balen om hoey te hebben, maer de pachters souden beter doen dat sy
neffens de groote weyde (Hoeverwijer, nr 32) opwaerts niewe weyde
maeckten alle de heyden die liggen boven den wildert oft thout dat
noch den bosch wordt genoemt tuschen ons goidshuys goet en voors.
hout’(76).
Lommel.
V. Mennen
|
(1)AAA, Sektie 1,
karter nr. 106.
(2)L. Voet, Het
platteland, maatschappelijk en economisch. In: Algemene Geschiedenis
der Nederlanden, II ( Utrecht-Antwerpen, 1950),
blz. 480.
(3)A.M.
Frenken, Documenten betreffende de kapittels van
Hilvarenbeek, Sint-Oedenrode en Oirschot, 1956, blz. 18.
(4)H. Broeders,
Geschied- en aardrijkskundige beschrijving der gemeente Hilvarenbeek
voor de jeugd, 1838, blz. 23.
(5)Bisschoppelijk Archief 's Hertogenbosch, Dossier Hilvarenbeek:
Stukken betreffende het kapittel en de cantorij van Hilvarenbeek
(kopieën 1255).
(6)J. Molemans, Bijdrage tot de bewonings- en
ontginningsgeschiedenis van de Limburgse Kempen, voornamelijk in het
licht van de namenvoorraad. Naamkunde 5 (1973),
blz. 270-328.
(7)1170 Loemele,
1227 lumele. Het tweede lid is lo, in de Kempen: een bos op hoge zandgrond. - Het eerste lid
loem, lum is wellicht verwant met Oudengels
lum ‘a pool’ ( A.H. Smith, English place-name elements, II ( Cambridge, 1956), blz. 307); vgl. ook de Engelse
plaatsnaam Lumley (N.O. Engeland).
(8)A.M. Frenken, o.c. 1956, blz.
11.
(9)T.J. Gerits,
Abdijen en landbouw. Ons Heem 27 (1973), blz.
211.
(10)AAA, Sektie 1, karter nr. 151.
(11)T.J. Gerits, o.c. 1973, blz. 214.
(12)AAA, Sektie 1, karter
nr. 364.
(13)Cfr. de
beschrijving van de goederen van Averbode op de twee pachthoeven te
Lommel door Aertnys, AAA, Sektie I, r. 212 f. 199v o e.v.
(14)ARAB, Rekenkamer nr. 8.
(15)AAA, Sektie I, karter nr.
2481.
(16)F.V. Smeulders, De Groote Hoef in de aktualiteit
in 1486. Te Lomelle op die Campine 1 (1975), blz.
80.
(17)Aertnys:
‘Beschrijvinge der twee hoeven onder loemel’,
AAA, Sektie I, r. 212, f. 199v o-204r o.
(18)T.J. Gerits,
o.c. 1973, blz. 221.
(19)ARAB, KA, r. 5009, f.
45 en 46. Dit kaartboek bevat 172 folio's. Omstreeks 1650 werd
landmeter Kornelis Lowis door prelaat Servatius Vaes, abt van
Averbode, met het opmeten van de onroerende goederen van de abdij
belast.
(20)AAA, I, Lias 70: Descriptie en situatie van beyde die
winhoven binnen Loemel gelegen, april 1611.
(21)AAA, I, r. 212, f. 199v o: Beschryvinge der twee
hoeven onder Loemel. Provisor Ambrosius Aertnys maakte in 1678 een
verkleinde kopie van de grote atlas en in 1705-1706 nog een derde
register met figuratieve kaarten.
(23)J. Molemans, Profiel van de
Kempische Toponymie. Naamkunde 9 (1977), blz.
10.
(24)Aertnys, Beschryvinge, o.c., f.
201v o.
(25)Ibid., f. 200r o-201v o.
(26)AAA, I, Lias 70. -
Deze niet-gedateerde goederenlijsten zijn niet
vóór de 18de eeuw opgesteld.
(27)J. Molemans, o.c. 1977, blz. 28.
(28)Graecht
geheeten den bercken graecht, 1544, ARAB, KA, r.
5073, f. 1v o.
(29)L.
Voet, o.c. 1950, blz. 480.
(30)A. van Loey, Middelnederlandse spraakkunst, I
( Antwerpen, 1960), blz. 31.
(31)Aertnys,
Beschryvinge, o.c, f. 203r o.
(32)P. Lindemans, Geschiedenis van de
Landbouw in België, II ( Brussel,
1952), blz. 335.
(34)AAA, I, Lias 70 (niet
gedateerd).
(35)H.J.
Moerman, Nederlandse Plaatsnamen ( Brussel, 1956), blz. 41.
(36)M.
Schönfeld, Waternamen in Nederland ( Brussel, 1955), blz. 238.
(37)AAA, I, karter nr.
1118.
(38)M. Gysseling, Med. Ver.
Naamk. 30 (1954), blz. 106.
(39)Cfr. Tuierveld, V. Mennen, Toponymie van Lommel. Onuitgegeven
licentiaatsverhandeling ( Leuven, 1963), blz.
262.
(40)Ibid., blz. 11, 24, 100, 132.
(41)J. Molemans, o.c. 1977, blz. 27.
(42)V. Mennen, o.c. 1963, blz. 28.
(43)J.
Goossenaerts, De taal van en om het landbouwbedrijf in
het Noordwesten van de Kempen ( Gent, 1956/58),
blz. 302.
(44)P.
Lindemans, c.c. 1952, I, blz. 25.
(46)... Ende die naer den oosten geeft thiende in
coren, haver en gerst... (AAA, I, reg. 212, f. 201v o).
(47)V. Mennen, o.c. 1963, blz. 24, 25, 154,
220.
(48)AAA, I, Lias 70, niet
gedateerd (Lommel Major).
(49)V. Mennen, o.c. 1963, blz. 163.
(50)Ibid., blz. 48, 103,
111, 136, 148.
(51)J. Molemans,
Toponymie van Bocholt ( Brussel, 1975), blz.
145.
(53)AAA, I, karter nr.
364.
(54)Aertnys, Beschryvinge, o.c., f. 199v o.
(55)P. Lindemans,
o.c. 1952, II, blz. 270.
(56)Cfr. In de linke straet (Notaris Van Bruegel, 1825, minuut 56).
(57)M. Schoenfeld, o.c. 1955, blz.
238.
(58)AAA, I, karter nr.
1118.
(59)AAA, I, Verdragh der weyden.
(60)Voor een volledig relaas hierover
verwijzen we naar R. Knaepen, Lommel, de
Vrijheid en het Teutendorp ( Brussel, 1972), 11
e.v.
(61)J. Lindemans, Toponymie van Asse
( Brussel, 1972), 11 e.v.
(62)H. Verhees, Kaart figuratief van het
grootste gedeelte van Bataafs Brabant bevattende de Meierij van
's-Hertogenbosch (Rijksarchief 's-Hertogenbosch) Amsterdam, 1794.
(63)L.W.
Schuermans, Algemeen Vlaams Idioticon ( Leuven, 1865-1870), blz. 596.
(66)J.
Molemans, De nederzettingsnamen van Hamont, in: Bijdrage
tot de geschiedenis van Hamont ( Asten, 1976),
blz. 62.
(67)M. Schönfeld, Veldnamen in
Nederland ( Amsterdam, 1950), blz. 69.
(68)J. Molemans, o.c. 1977, blz.
44.
(70)V. Mennen, o.c. 1963, blz.
94.
(71)J.
Molemans, o.c. 1977, blz. 44.
(72)J. Helsen, Het
landschapsbeeld in de Antwerpse Kempen ( Antwerpen, 1943), blz. 30.
(73)J. Goossenaerts, o.c.
1956/58, blz. 71.
(74)V. Mennen, o.c. 1963, blz. 49,
65, 115, 230.
(75)Aertnys, Beschryvinge,
o.c., f. 201v o.
(76)Ibid., f. 203v o-204v o.
|
|