

Proeve van Kaapsch taaleigen
Byvoegsel tot de Nederduitsche taal in Zuid-Afrika hersteld zijnde eene Handleiding tot de kennis dier taal naar de plaatselijke behoefte van het land gewijzigd
door A.N.E. Changuion
Ph. Theor. Mag. & Lit. Hum. Doct.
Tweede druk
Rotterdam
J. van der Vliet Cz.
1848
Het hoofddoel van de volgende verzameling, gelijk men al dadelijk uit den titel van ons werk kan afleiden, was om het Nederduitsch, voor zoo ver de taal, die in deze Kolonie gesproken wordt, dien naam dragen mag, van deels geheel vreemde, deels verminkte woorden en spreekwijzen te zuiveren, of althans den weg daartoe aan te wijzen. Bij de dagelijks toenemende onverschilligheid op dit stuk, een natuurlijk gevolg van gebrek aan nationaliteit, en van de veelvuldige aanleiding om de taal zijner voorouders te verloochenen, kan men zich van zoodanige poging niet veel vrucht beloven. Belangstellende beoefenaars van het Nederduitsch, hoe weinig dan ook hier in getal, zullen, hopen wij, nog iets bruikbaars uit dit gedeelte van ons werk kunnen ontleenen, al zouden zij ook voor deszelfs gebreken, (hetgeen wij geenszins verlangen) de oogen niet willen sluiten.
Maar behalve de bedoelde nuttigheid, hebben wij, als bijkomend oogmerk, ons voorgesteld, onzen landgenooten eene proeve te geven van het Kaapsche Taaleigen. Zoodanige proeven van gewestelijke spraakverscheidenheid zijn in de laatste jaren in het Taalkundig Magazijn voorgekomen; en wij gelooven, dat zij door letterminnaars, om meer dan eene reden, met belangstelling ontvangen, en in taalkundige nasporingen met vrucht gebruikt zijn. Heeft het zijne belangrijke zijde, om op te merken, hoe het Nederduitsch van het eene gewest van Nederland van dat van het andere verschilt, en hoe, door vergelijking, het eene taalgebruik het andere toelicht en opheldert, dan kan het ook niet onbelangrijk zijn, de eigenheden van het Kaapsch-Nederduitsch bijéén gesteld te zien. Hier toch is het voorwerp onzer beschouwing een tak, die allengs van den moederstam losgemaakt, en eindelijk geheel afgehouwen, in een ander werelddeel wortelen geschoten heeft, en zich aldaar met nieuwe uitspruitsels verrijkt hebbende, en - niet zonder blijkbare mishandeling - op allerlei wijs met vreemd hout geënt zijnde, eene gedaante verkregen heeft, waarin de oorsprong wel is waar, nog duidelijk zigtbaar is, maar welke, door veelsoortige veranderingen, van alle overige aan den stam gebleven takken, genoeg afwijkt, om ons tot eene afzonderlijke beschouwing uit te lokken.
Dat deze verzameling onvolledig is, bekennen wij gaarne, maar eensdeels behoort onvolledigheid tot het kenmerkende eener proeve, en anderdeels was het ons oogmerk niet een Lexicon Anti-barbarum voor Zuid-Afrika te schrijven. Van beschaafde sprekers onder de Kapenaars verwachten wij een tegenovergesteld verwijt, dat van al te groote volledigheid. - ‘Zoo,’ zullen zij zeggen, ‘spreken wij toch aan de Kaap niet.’ Wij antwoorden, dat de beschaafde spreker overal het gewestelijke weet te vermijden, en dat de bewoner van Middelburg met hetzelfde regt zeggen kan: ‘Zóó spreken wij bij ons niet,’ wanneer hij als een staaltje van het Zeeuwsch Taaleigen leest: ‘Oor, vrind! ik eb ik jou nog nooit een henkel hoogenblik tot last geweest, en je oeft me niet langer in jen uus t' ouen, asje verkiest.’* Welk beschaafd inwoner van Arnhem zal een boterham een plakke noemen, of in plaats van dat was een grap, dat was een tolletje zeggen? en nogtans behoort het eene zoo wel als het andere in Gelderland t' huis.† De waarheid is, dat ik het met het opnemen van belagchelijke uitdrukkingen nog al schappelijk gemaakt heb, met opzet de zoodanige achter wege latende, die ik maar eenmaal gehoord had, en die ook hier als bespottelijk zouden afgekeurd worden. Als een voorbeeld mag ik niet verzwijgen, dat ik eens iemand hoorde zeggen: Mijne vrouw laboreert aan de théorie. De spreker bedoelde diarrhee. Een ander verzekerde,
dat het testament van zeker iemand gevonden was in een anteloop - versta enveloppe. Voorts moet ik nog opmerken, dat mijne proeve in de Kaapstad is opgezameld, daar ik zeer zelden, en dan nog zeer kort, buiten de stad vertoefd heb. Had ik meer onder de landlieden of, gelijk men hier zegt, de buitenmenschen, verkeerd, dan zou ik nog veel naïfs en veel plomps bijéén gebragt hebben; dan had ik misschien gewaagd van zekere meelspijs, die slinger-om-den-smoel genoemd wordt, en van andere aardigheidjes, die de lezer wel missen kan.
Wij hebben onnoodig geoordeeld om in alle voorbb. de platte Kaapsche spraak na te bootsen; deels omdat dit tot opheldering van het woord waar het om te doen was niets bijbrengt, en deels omdat die taal in hare zuiverheid alleen door Hottentotten en ander gepeupel gesproken wordt; eindelijk ook, omdat we onze onbedrevenheid daarin gaarne erkennen. Namen van voortbrengselen, aan het land eigen, hebben we doorgaans ook weggelaten, omdat zij, zonder kennis aan de bedoelde voorwerpen, van geene beteekenis voor den buitenlander zijn en ook door geen Nederduitsche woorden kunnen vervangen worden. In enkele gevallen hebben wij eene afleiding gewaagd, wanneer wij namelijk daartoe eene ongezochte aanleiding kregen: ons overal daarmede in te laten, lag natuurlijk buiten ons bestek, en zou daarenboven kundigheden vereischen, waarop wij geene aanspraak maken. Veel van hetgeen in deze proeve niet voorkomt, is aan het einde van menig hoofdstuk van ons werk kortelijk aangestipt, en behoefde dus niet herhaald te worden.