terug  begin  verder
[p. 59]

Arnoldus Pannevis (ca. 1880)

[p. 61]

Afskrif van lys van Afrikaanse woorde en uitdrukkings
versamel deur Arnoldus Pannevis

[Hierdie afskrif is gemaak deur my, J.J. Smith, van 'n manuskrip in Pannevis se eie handskrif my ter hand gestel deur prof. dr. J.D. du Toit, van Potchefstroom. Die manuskrip bestaan uit los velletjies dubbelgevoue skryfpapier (7 1/2″ × 5″) - elkeen dus van vier bladsye. Op die linkerbladsye is die eintlike lys in alfabetiese volgorde; regs staan aanvullinge en byvoeginge. Die eerste velletjie van vier bladsye het blykbaar verlore gegaan; en die woorde van abba tot afpluk is aan-vullinge op bl. 4 van die verlore velletjie. Hier en daar is ook los strokies papier met verder aanvullings. - Ek het alles in een alfabetiese lys gebring; maar verder is die afskrif literatim en verbatim. Die handskrif is met ink geskryf, behalwe hier en daar waar aanvullinge in potloodskrif aangebring is. Alles wat tussen vierkante hakies [] staan, is toevoeginge deur my aangebring.]

A

Abba, kakkemarsen, hakkepakken, iemand op den rug dragen.
*of: sijn arm het afgebreek.
Afbeen wordt ook als b.n., en met den verkleiningsuitgang als z.n. gebruikt, b.v. Is dit die afbeen Kuikentje? Andw. Ja die afbeentje. Ja. Zo ook b.v. Wat is uw karretjie? Die afdissel boompjie, d.i. met dien gebroken disselboom.
Afel, ww. met de el afmeten.
Afgedankst, woord van verwensching. Die Arie Klejong is een afgedankste-daar het hy die Oortman os weer; ik sal hom een afgedankste pak gee, die klejóng Arie is een verwenschte deugniet: nu heeft hy dien os Oortman weer; ik zal hem een geducht pak slaag geven.
Afkeurspelletje, een bruilofspel.
Afmoot, in mooten (of schyven) verdeelen by boomen.
Afpluk, ook afnemen of afrukken, b.v. hy pluk syn hoed af, hy neemt den hoed van 't hoofd.
Afrikaans, Zuid-Afrikaansch.
Afronkel, Afrokkel.
Afront.
Afset (afzetten), weggaan. Ook spreekw. b.v. die afset is die swaarste, het begin is het moeilykste.
Afsit (afzitten), opschuiven, van in een ry gezetenen.
Afskort.
Afslaan wordt ook gebruikt in uitdrukkingen als: ik sla jou af, met of zonder de gelyktydige beweging alsof men het stof van zyne kleederen afslaat.
Afslag (afslagten), villen.
Afstrook, afstroopen. Men zegt: die mouwe afstrook of afrol, die broek afstrook, afstrijken.
Agpêrreswiep, lange zweep voor een span paarden of ezels.
Agtelosig, achteloos.
Agter: van agter af, zie ent. Agter iemand an loop, ja, enz. iemand naloopen, najagen.
Agterafpraat, achterklappen.
Agterberg, zie oërberg.
Agterent, zie ent.
Agteresel, agterpêrd, ezel of paard van het achterste paar van een span, dat uit vier paar ezels of paarden bestaat, welke in volgorde van achter naar voren dus heeten: agteresel, naastagteresel, naastvooresel, vooresel (of agterpêrd, enz.)
Agterlaag, wordt altyd in plaats van hinderlaag gebruikt.
Agtermakaar.
Agtermiddag, wordt altyd in plaats van namiddag gebruikt.
[p. 62]
Agternaam, tweede enz. doopnaam. Ook middelnaam.
Agteroërsiekte.
Agteropskop, achteruitslaan (van paarden enz.)
Agteros, os van het achterste paar in een span, dat gewoonlijk uit 12 bestaat. Het derde paar van achteren heet dan die twee op ses, het vierde die twee op ag. Het spreekwoord die agteros kom ook in die kraal beteekent...
Agterpraat, dikwijls als hondennaam gebruikt.
Agterryer, een knecht (jong) achter zyn baas (beiden te paard) aanrijdende.
Agterslag, zie voorslag.
Agterstaan, ook: toezicht houden over werkvolk.
Agteruitaart of -slaan, terugkeeren van familietrekken.
Agterwaarde.
Agterwerreld, die oërberg.
Agting, liefde tusschen de sexen. Voor het Hollandsch achting zegt men algemeen respek (respekt). Geagte Vriend, als aanspraak boven een brief, duidt grooter vereering aan dan Waarde Vriend.
Agtuur, ontbijt. Dikwijls vervangen door het Engelsche breakfast (b.v. ik het nog nie agtuur geëet nie, ik heb nog niet ontbeten).
Agus. Augustus.
Ah! uitroep van voldoening en triomfeering. Zeer karakteristiek volgt hy op eene bestraffende terechtwyzing of bedreiging, met een paar sekonden tusschenpoozing, b.v. as jy nou nie ophou raas nie, dan sal ik jou wys... ah! Zoo wordt hy ook tot versterking gevoegd hy zelfverontschuldiging, b.v. het jy die vark syn been afgegooi? Antwoord: Nee ah! enz.
Aia, vrouw van een Kleurling; Kindermeid; verwyfd manspersoon.
Akelik, akelig.
Akker, ook aker; eikel kent men niet, doch
Akkerboom en eikeboom worden door elkander gebezigd. De Afrikaander is zeer geneigd om open en gesloten lettergrepen by't uitspreken te verwisselen. Zoo spreekt men van Hamman den Agagiet (in Esther), maar van de familie Haman, die toch haren naam Hamman spelt. De invloed van het Engelsch is hier zeker niet te miskennen.
Akkerdruiwe, soort druiven op akers gelijkende.
Aksie, actie, ook: vertooning, b.v. hy maak een heele aksie.
Akskaks, kwansuis.
Al, als bywoord van tyd bijna altyd verdubbeld, b.v. ik is al klaar al. Somtyds gebruikt men enkel het laatste al, b.v. dis laat al, 't is reeds laat; lank al, al lang, lang geleden; ik is baiang lank op al, ik ben reeds lang op; onder al, onder anderen. Reeds, en vooral alreeds, worden in de Kaapsche spreektaal menigvuldig gehoord.
Albaster, knikker.
Albasterkrans, soort knikkerspel. (De knikkers worden in den rand van een op den grond getrokken kring, in Holland o of pot genoemd, geplaatst, en daar uitgeschoten.)
Ali, verkorting van Alida. Hollandsch: Aaltje.
Alikruik, ook: dreumes.
Alikruiker, alikruik.
Aljimmer, ieder oogenblik, veelmalen.
Alklaps, hetzelfde (Holl. alle haverklap).
Allagiftig!
Allakragtag! allakrentig! allamatjes! allamentjes! alla op die aarde! allawêreld! uitroepen van verwondering; verbasterde vloekwoorden. In de twee laatstgenoemde is alla waarschijnlijk het Arabische Allah, dat, door de aanraking met Mahomedanen meer dan in Holland bekend, gelegenheid gaf het misbruik in de uitdrukking te verdonkeren: zijnde deze twee uitroepen oorspronkelijk niets anders dan het nog in Holland gebruikelijke God ter wereld! (vgl. o Alla!)
Als, byw. alles.
Als, znw. alsem.
Alslag, hetzelfde als aljimmer.
[p. 63]
Alspraat.
Al te, zeer, by verwondering gebruikt (b.v. dis ver myn al te snaaks, dit komt my wonderlijk vreemd voor). Ook al te danig.
Altemet, misschien.
Aluinleer, aluinvelle, leder van een geele kleur, door de bewerking met aluin te weeg gebracht.
Amandelbanket, bruidsuikers
Amandel-perske, soort perzik met gladde schil, en amandelachtige pit.
Amerikaanse stoele, soort stoelen geheel van hout (Holl. tuinstoel).
Amper, byna, en meer algemeen dan dit in zwang.
An, zie tehe.
Anbrand, ook: aansteken (van pijp, vuurhoutje, enz.)
Ander (uitgespr. anner); die ander dag, eenigen tijd geleden; ander keer, ook voorheen (Fr. autrefois); ander dag, eens, in het vervolg; ander week, de volgende week, enz. Dit woord blijft altijd onveranderd. Hier zij tevens aangemerkt dat men omtrent de verbuiging der byv. naamw. den volgenden regel kan stellen. Voor het z.n. staande worden zy met e verlengd, wanneer er een zekere nadruk op ligt, b.v. een groot kerel, een groote kerel, een groote kerel, een zeer groote kerel, wanneer zy in den overtreffenden trap staan; en wanneer het z.n. weggelaten is, en zy dus als z.n. voorkomen, in welk geval zy in 't meervoud een s aannemen (b.v. van die bokke koop ik die grootes, of die grootstes), en ook by de verkleining geheel als z.n. behandeld worden, door den uitgang tje achter de bygevoegde e aan te nemen (b.v. watter hondje meen jy, die swartetje of een van die valetjes?) Op deze wijze verkrijgt het Afrikaansch twee verkleinwoorden van klein; kleinetje (algemeen) en kleintje (zuigeling of jong). Vgl. een.
Anderkant, voorz., aan de andere zijde van (b.v. anderkant die huis), ook byw., aan de andere zijde, anders-deels.
Andersder hoort men ook wel voor anders.
Andoelie (Fransch andouille), de taaie vleeschdeelen met speceryen in een varkens maag gestopt, en dit gekookt.
Andruk, w.w., ook: snel rijden, nl. te paard.
Angaan, ook algemeen voor voortgaan gebruikt (Eng. to go on).
Anhou, ook byw., aanhoudend (b.v. jy moet anhou slaan). Op die anhou, op den duur.
Annie, meer en meer het verouderend Antje vervangend.
Anoster.
Anpiekel, met moeite aandragen.
Ansettafel, tafel welke by een of meer andere zulke tafels past, en daarmede tot eettafel vereenigd worden.
Ansienlik. Hier moet volgen wat onder aansienlik staat.
Anslaan. Dit wordt gebruikt van het eerste schijnen der opkomende zon tegen de bergen (b.v. die son slaat an Simonsberg an). Ook bezigt men het van het uitbotten des wijngaards (b.v. die wingerd slaat mooi an), en van het opkomen van alle jong gewas (b.v. die gesaaide slaat goed an) en van het uitspruiten van afgezaagde boomen. Ook zegt men: die roes slaat an in die koring, de roest begint zich in het koren te vertoonen, die mes slaat an, het mes begint te roesten, die glas is angeslaan, het glas is beslagen.
Anslag, znw. met het voorgaande werkwoord in betekenis overeenkomende.
Anstellings, aanstelling in den zin van veinzery.
Antrek, ook kleeden (b.v. hy trek hom an, hy kleedt zich).
Anvoor.
Apekluiter, dreumes.
Apie, verkorting van Abraham. (Bram is hier niet gebruikelijk.)
Apie, aap.
Appekoos, abrikoos.
Appekooskonfijt, van groene abrikozen gekookt; een aangenaam toevoegsel tot brood.
[p. 64]
Appekoosperske.
Appekoosreent, abrikozenregen, regen die gewoonlijk tegen het rijpworden der abrikozen, omstreeks [einde December valt].
Appekoosselei, abrikozengelei, van rijpe abrikozen gekookt, bestanddeel van.
Appekoostêrt, een der voornaamste nagerechten by een feestmaaltijd.
Appekosies (abrikoosjes), gedroogde abrikozen.
Applikasie maak, solliciteeren, aanzoek doen (om eene betrekking).
Aptekersprijs, hooge prijs.
Arrie! eer ik het vergeet, à propos.
Arm, znw., meervoud arms.
Armoed (Hd. Armuth), armoede.
As (asch). Een ander syn hand in die as slaan, iemand een kans afwinnen.
Asgaai, sagaai (een woord van Arabischen oorsprong), wapen der Kaffers, tot steken en werpen.
Asgaaihout, zoo genoemd omdat de steel van den asgaai van dat hout gemaakt wordt, een lichtbruine hout-soort, met weinig kwasten, eenigzins hard, doch zeer bruikbaar tot vervaardiging van timmermans en wagenmakerswerk.
askoek (aschkoek), ook dreumes.
Askoek slaan, opspringende de voeten tegen elkander slaan.
Askruiper, die gaarne by 't vuur zit.
Aspres, expres, opzettelijk.
Astrant (Fr. assurant), even als in Holland gebruikt voor brutaal. Dikwyls hoort men dom astrant, onbescheiden uit domheid.
Asvaal, aschgrauw.
Asynpag, suurkijker (suur kerel).
Atjar, soort konfituur, als maagopwekking by de spijzen gebruikt. Zij wordt bereid door gemalen vruchten, zooals komkommers, mielies, perzikken, enz. in met kerriekruiden gekookten azijn in te leggen.
Attie, verkorting van Adriaan.
Aus, lottospel.
Awie.

B

B verandert in w in 't midden van woorden, als Gawie (Gabriel), hewwe (thands heh, hebben).
Ba, kinderwoord voor kussen (ww.)
Baaitje, paletot (kort overkleed voor mannen), ook wel bobaaitje (boven-baaitje) genoemd ter onderscheiding van onderbaaitje (vest). Spreekwoord: Hy het Jan syn baaitje aangetrek, hy is jaloersch.
Baak, ook: koopje (verbastering van 't Engelsche bargain).
Baan. Die uitdrukking een baan skop beteekent opschudding maken.
Baar (b.n.) of groen, onervaren.
Baardkoring, soort koren met lange stekels. Men heeft twee soorten: vroeë (vroege), en late of oue baardkoring; de eerste wordt in April of Mei, en de laatste in Juni gezaaid; de eerste in't begin van Oktober, en de laatste later tot in November geoogst.
Baarlewiet (Eng. barley wheat) gemeen soort koren dat alleen tot paardenvoeder dient.
Baasbakleier, vechtersbaas. In dergelijke samenstellingen staat baas altyd vooraan (b.v. baas timmerman, timmermansbaas).
Baba.
Babedeuntje, verbastering van pavil-joentje, ledekant met gewelfden hemel.
Babetje, zuigeling, van het Engelsche baby, dat ook wel gebruikt wordt. Babetje kyk is een kraambezoek afleggen. Babetjie vang het werk der vroedvrouw.
Baftablauw wordt van de kleur van kneuzingen enz. aan het menschelijk lichaam gebezigd (hoewel bafta meestal wit is).
Baiang, baing, veel, zeer (b.v. daars baiang mense, er zyn veel menschen; dis baing koud, 't is zeer koud). In de eerste betekenis geeft men aan dit woord de voorkeur boven veul (veel), in de tweede boven heel. Voor zeer veel zegt men regte baing.
Bai(ng) keer, dikwijls.
[p. 65]
Bai(ng) maal, hetzelfde.
Bakkar, wipkar.
Bakkerig, slecht gedaan, geknoeid (werk).
Bakkis (bakkist), baktrog.
Baklei, hetzelfde als veg (vechten), dat zelden voorkomt. Bakkeleien wordt ook wel in Holland gehoord.
Bakleimannetje, vechtersbaas.
Bakleislag, vechtparty.
Balie, altyd in plaats van tobbe gebruikt.
Baljaar, ravotten.
Balkenshoogte, noemt men by het bouwen een huis welks muren zoo hoog opgetrokken zijn dat men de balken voor den zolder kan leggen.
Balkrans, soort balspel, waarby de spelers in een kring geplaatst zijn.
Balruiter, kinderspel, waarby zy als ruiters op elkanders schouders zittende, elkander met den bal werpen.
Ban, ww., gebieden of dwingen op ééne plaats te blijven (straf voor kinderen).
Bandiet, gevangene.
Bandom, zn. dier dat zoodanig geteekend is alsof het een band om zijn lichaam heeft van eene andere kleur dan de overige huid.
Bangbroek, Holl. bangscheet.
Banghartig, bloohartig.
Bangigheid, bangheid.
Bank, ook: donkere opkomende wolk; overgeslagen plek by het spitten, ploegen, en eggen. Voor de uitdrukking door de bank zegt men deur een bank.
Banketjes, kleine omsuikerde vruchten op de wijze van bruidsuikers.
Bannissement, gevangenis, nl. de bewaring, niet de plaats der bewaring (zie tronk).
Barbierspel, zeker bruilofts komedie-spelletje.
Basjan, Bastiaan. Als gem. z.n. beteekent het: een vrolijke klant. Ook: een witte vischvangende zeevogel.
Basta, houd op! ophouden met (b.v. basta nou! of hou nou op!; jy moet nou basta raas).
Beantwoord, ww. wordt veel gebruikt in den zin van aan 't doel beantwoorden. Met 't oog op 't voordeel zegt men betaal.
Bebroeide eiertjes, soort bloem, naar het aanzien der oppervlakte zoo genoemd.
Bedompig, bedompt.
Been staat dikwijls in plaats van het Hollandsche poot. Vgl. af. Van of uit die beene maak, vankant maken. beene in die lug, onderst boven (van menschen en dieren), b.v. hy leg beene in die lug.
Bees (beest), rund.
Beesie, klein diertje, als een torretje, enz.
Begaan met, bekommerd over.
Bek noemt men ook de opening van eene spelonk, van een oven.
Beker, vat met groot oor en zonder vernaauwing van boven. Zoo valt ook b.v. de lampetkan onder deze rubriek, en wordt hier lampet-beker of eenvoudig beker genoemd. Een kan heeft altyd een naauwen hals.
Beklee'erslaken, soort trijp, door rijtuig bekleeders gebruikt.
Bekwaam, ook: ryp om te plukken (van vruchten).
Bel beduidt hier den klepel, en niet de klok.
Bels, soort bergkruid, dat op brandewijn afgetrokken, tegen maagzwakte, en, op water, tegen hoest wordt aangewend.
Benauwde siekte, griep.
Bende, muziekkorps.
Bengaals koring, soort koren, dat eenigzins op rogge gelijkt, nl. lang van aar, bruin van bast, lang en hard van halm is, zoodat het kan gegeeseld worden en voor dekstroo dient ...'t Wordt na du Toits koren gezaaid en geoogst.
Berg toe moet gaan, moeten bevallen (baren).
Bergbesem, plant die in de bergen groeit en voor bezems gebruikt wordt.
Bergboego, de beste soort boeko (bukko), een heester, waarvan het aftreksel voor slepende ziekten ge-
[p. 66]
bruikt wordt; ook in Holland bekend (Zie Quarin Willerie Genees-middelenleer, bl. 210, Bukkobladen, Folia Diosmae Crenatae).
Berghaan, soort arend. Hetzelfde als jakhalsvool en lammervanger.
Berghaas, groter dan de gewone haas, meer roodachtig van kleur, zich in de bergen ophoudende waar dassies zijn.
Bergkanarie, bonte kanarie.
Bergmossie, soort vogel.
Bergsijsie, soort vogel.
Bergtee, een bergheester, welks bladen worden afgetrokken als de teebladen, en alzoo gebruikt.
Bêrre, bergen (bewaren); te onderscheiden van berge, het meerv. van berg. Vgl. ge-.
Besigheid, bedrijf (overeenkomstig het Engelsche business).
Beset, bevrucht (van dieren).
Beskaamte, schaamte, schaamdeelen.
Beskender, belasteren.
Beskimmel (beschimmeld), verlegen of beschaamd. Met schimmel bedekt, is in't Afrikaansch skimmel.
Beskotwa, wagen met 3 voet hoogen leer. Hy wordt ook leerwa of buik- en leerwa genoemd; de leer en buik-plank zijn hier niet aan elkander verbonden.
Bessie (besje), bes.
Bestel, inrichting of gewoonte van een huis of zaak.
Bestellerig, 'tzelfde als neulerig, zanikend.
Betaal, zie beantwoord.
Betaalbaar, te betalen, d.i. moetende betaald worden
Beter, van zieken, beteekent nooit Holl. hersteld of aan de betere hand; by de geringste verbetering des ziektetoestands zegt men, dat de kranke beter is.
Beterder hoort men soms voor beter, ja, meer beterder. Baiang meer beterder byna nog sterker dan het Italiaansche ottimissimo.
Betrek, verschalken, bedriegen.
Betrekking heh (hebben) op, ook: houden van.
Betta, Bettie, verkorting van Elizabet (ook Betje).
Beugel (Angl.), trompet.
Beusem, bezem.
Beusemgoed, bezemplant.
Bevleis.
Bevlie (bevliegen), stelen; verkrachten.
Bewertjes, fyn soort klokkiesgras, om de beweeglijkheid zijner vrucht zoo genoemd; ook haasgras.
Bewys, ook: spoor of teeken b.v. daars gen bewys van Jan nie, er is niets van Jan te zien; daars gen bewijs van reent nie - daars gen teken dat dit sal reent nie, of een mens kan sien dat dit nie gereent het nie.
Biesroei, lange ronde, gladde bies (biesenroede).
Bietje, beetje (weinig); bietjes, een beetje; bietjes bietjes, by beetjes; een bietje zegt men ook waar de Hollanders eens of ereis gebruiken (b.v. kyk een bietje, help my een bietje).
Bil, dik vleesch, b.v. bil van die hand, muis der hand.
Biltong, dik vleesch, vooral van het achterdeel van een beest, tot stukken in den vorm van eene tong gesneden, en in den schoorsteen gerookt, Holl. rookvleesch.
Binnejong, huisknecht.
Binnekant, ook voorz. (b.v. binnekant die muur, binnen den muur).
Binnemeid, werkmeid (in tegenstelling van kok (keukenmeid) en kindermeid).
Blaar.
Blad, ook: schouderblad; voorste vierendeel van een geslacht dier, en vandaar (op den mensch toegepast) blad gé (geven), de hand geven by 't afscheid nemen, dus: groeten. Ook beteekent het: opperlaag eener vloer (van klei, steenen, of kalk).
Bladjang, tot maagopwekking even als mosterd by de spyzen gebruikt. Het wordt bereid door gedroogde rissies en gekookte drooge abrikozen met azijn aan te maken.
Bladzak, zak die aan een band over den schouder gedragen wordt.
[p. 67]
Blas zegt men van eene bleekgeele, meestal ziekelijke gelaatskleur.
Blauwduihe (blaauwe duigen), vaatduigen van eikenhout.
Blauwluis, soort hoenderluis.
Blauwskimmel, schimmelpaard, eenigzins donkerder van kleur dan witskimmel.
Bleekbok.
Blesbok, soort wildebok.
Blesmol, groote soort mol.
Blinde molletjie, blindemannetje (spel).
Blinde vlie(g), soort vlieg, welker beet een oogenblik groote pyn veroorzaakt; zy wordt van September tot Nieuwjaar gezien.
Blindings, vensterblind.
Blink, ook b.n., blinkend.
Blinkleer, verlakt leder. Blinkleerstewels, verlakte laarzen.
Blinklinne, soort voeringkatoen.
Blits, bliksem.
Bloed: uit bloed en mag hardloop, uit alle macht loopen.
Bloedeie (bloedeigen), eigen, naverwant (b.v. bloedeie neef, eigen neef).
Bloedfamilie, eigen of naverwante familie.
Bloedjong, jong of betrekkelyk jong, jonger dan men verwachtte (van menschen en dieren).
Bloedlaat, aderlaten.
Bloedmin, zeer weinig.
Bloedpersie, roode loop.
Bloedsiekte, ook geilsiekte genoemd: ziekte door volbloedigheid by het rundvee.
Bloedsop, soep van het bloed van pluimvee, ook swart suur geheeten.
Bloedstorting, bloedbraking.
Bloedweinig, zeer weinig.
Bloeisels, bloesem (van boomen en struiken).
Bloemaas, verbastering van blanc manger, soort spijs op vlade gelykende.
Bloesend, blozend. Het ww. overigens niet in gebruik. Men zegt daarvoor rood of skaam word.
Blok, ook: klomp. Zie hout skoen.
Blokskoen, skoen met dikke houten zool.
Blomme, bloeien (van boomen en struiken).
Bly (blyven, vgl. ), ook wonen.
Blyigheid, blyheid.
Bo (boven), en voor een klinker in de samenstelling boon (b.v. boonop, boonent, boveneinde). Dit woord heeft in dit ongelyke bergland een in Holland onbekend gebruik. Alles wat hooger op of naar de hoogere zijde van den grond geplaatst is, wordt gezegd bo of bokant te staan, zitten, liggen, enz., al is de afstand van andere voorwerpen ook niet grooter dan b.v. die tusschen de plaatsen aan een disch. Evenzoo met onder en onderkant in het tegenovergestelde. Bo is ook zooveel als boland (zie aldaar). De uitdrukkingen bo syn bier en bo syn te betekenen: dronken.
Bobaa(i)tje, zie baaitje.
Bobbejaan, baviaan, zich in de bergen ophoudende. Ook volgens het kindergeloof, een mensch voor zijne intrede in de wereld (vgl. berg toe moet gaan en bobbejaanvanger.)
Bobbejaanblom, soort veldbloem.
Bobbejaanbout.
Bobbejaandans, zie haasie dassie.
Bobbejaanoor, soort veldbloem, van welker bol een pleister bereid wordt voor wonden en zweeren (vooral tegen roos).
Bobbejaanspinnekop, groote zwarte ruige, giftige spin.
Bobbejaanuintje, bloembol, waaruit de bobbejaanblom wast.
Bobbejaanvanger, vroedvrouw (vgl. bobbejaan).
Bobbejaanveldskoen, plant met 2 tot 6 platte op den grond liggende bladeren, welke den vorm van een veldschoenzool hebben.
Bobotie, zeker gerecht, van gemalen vleesch, eieren, melk, enz. bereid.
Boedel ohergé (overgeven), zich insolvent verklaren; ook: braken (vomeeren).
Boeg, van een paard, schouder.
Boeglam, geheel vermoeid (b.v. ik is boeglam gewerk; ik het my boeglam geloop).
[p. 68]
Boego, zie bergboego.
Boekpens, ook: zwaarlijvigheid.
Boems! tusschenw. (b.v. boems! daar val hy in die water).
Boer: die boer en syn varkes noemt men de spelende bruinvisschen in de Kaapsche zee.
Boerbeskuit, beschuit zonder suiker bereid.
Boerhond, groote soort hond, bruin van kleur, met zwarten bek, en de rugharen half overeind staande.
Boerseep, zeep door de boeren bereid van kaings, ganna-asch, en loog.
Boerskool, plattelandsskool buiten verbinding met den Staat; meestal op een boerenplaats, waar de meester voor kost en inwoning en eene toelage, de kinderen des boers onderwijst, en ook kinderen uit de buurt in zijne school ontfangt.
Boertabak, in Zuid-Afrika gewonnen tabak.
Boesel, Eng. bushel, maat voor granen, 1/3 gedeelte van een mud. Vroeger gebruikte men den schepel = 1/4 mud.
Boesman, Bosjesman; ook scheldnaam voor een kleurling.
Boet.
Boeta, boetie, oudste of oudere broeder.
Boetabessies, soort eetbare geele besjes, aan een boompje in't wild groeiend.
Boetson, gezwel aan den poot der hoenders (zeker het Fransche bouchon).
Boffie, honk, by't krygertje spelen.
Bog, bosjes in de kralen gelegd om het vee eene drooge ligplaats te verschaffen, en tot vorming van mest; voorts alles wat van slechte hoedanigheid en onbruikbaar is, 't zy personen of zaken, b.v. hy is een bog (of: een stront); kom bog! jy is mal, gekheid! uw gezegde heeft niets te beteekenen. (st.!) Bog wordt ook byvoeglyk gebezigd (b.v. een bog pêrd).
Bogterig of bogtig, van onwaarde (b.v. hoe kan jy jou met sukke bogtige dinge besig hou?)
Bogtery, onbruikbare, nuttelooze dinge.
Bok, als dierennaam: geit.
Bokant, zie bo.
Bokbaard, sik.
Bok bok, haasje over.
Bok bok staan styf, bok sta vast.
Bokhaal (bokkenhagel), grootste soort geweerhagel.
Bokkie, ook: ligt soort open kar.
Boklam, jong eener geit.
Bokmakierie, soort vogel, groen en geel van veder. Vgl. Jan Piedewiet.
Bokooi, geit, in tegenstelling van bokram, bok.
Bokveld toe, dood, gestorven.
Bokwa, boerenwagen, met vasten bok van voren en achteren, gewoonlijk door 8 ezels of paarden getrokken.
Boland (bovenland) of bo, het land in den omtrek der Kaapstad, dat ten oosten zich uitstrekt tot aan het gebergte hetwelk van Kaap Hanglip noordelyk loopt en ten noorden door de Bergrivier begrensd wordt. Het omvat alzoo de afdeelingen van de Kaap, Stellenbosch, de Paarl, en Malmesbury, benevens eene strook van de afdeeling Tulbagh. Al het verdere heet onderveld of eenvoudig onder, hoewel het hooger boven de oppervlakte der zee gelegen is: want de grond rijst van de zee af gestadig, naarmate men dieper landwaarts in gaat.
Bolander, bewoner van het bovenland.
Bolig (bovenlicht), vensterraam boven eene deur.
Bollemakiesie speul, spelende over het hoofd buitelen.
Bolletje, klein broodje, gewoonlyk ter waarde van een penny (fo. 05). Vgl. mosbolletje.
Bont, ook: door elkaar, b.v. bont praat, door elkaar praten, van den os op den ezel springen.
Bontbok, soort wildebok, veelkleurig.
Bontrokkie, soort vogeltje, ook soutvaatje genoemd.
Bonus, strijkgeld by openbare verkopingen.
Boomsingertje, ook eenvoudig singertje genoemd, boomkrekel.
[p. 69]
Boomslang, vergiftige soort slang, die zich in boomen ophoudt, en de vogelnestjes berooft.
Boomsteeks, geheel steeks (steeg(s)).
Boomstyf, onbeweeglijk of stram, van dierlyke lichaamsdeelen (door ziekte, enz.)
Boonop, ook: bovendien; oppervlakkig.
Boorling, ingeborene, nl. van eene boerenplaats, niet van een land, stad, of dorp.
Boort, boomgaard.
Bordje draai, geselschapsspelletje, waarby iemand een op den grond draaiend bord moet grypen eer het valt.
Borrie, soort specery, by de bereiding van spijzen gebruikt; dikwijls wordt het by de ryst gevoegd, welke eene levendig geele kleur daarvan verkrygt (geele rys).
Borrie, verkorting van Debora.
Borsie, halfhemd.
Bos, mv. bosse en boste ook: groote struik. Een bosch van boomen in het algemeen heet meestal houtbos.
Bosig, gramstorig.
Boskruiper, soort vogeltje, dat niet in, maar onder de bossen zich beweegt.
Bosluis, eene soort hiervan broeit in de haren van honden en andere dieren uit, en aan hunne huid zich vasthechtende, en opzwellende van ingezogen bloed, vertoonen zy zich als blaauwe knoppen tusschen de haren.
Bossie, klein bos. Niet altyd de soort van gewas, maar dikwijls de gesteldheid van den grond, bepaalt of de struik een bos of een bossie is. Renosterbossies b.v. verschillen van 1 tot 6 voet in hoogte.
Bossiekop, iemand met zwaar stekelig hoofdhaar.
Bossiestee, bladen en bloemen van verschillende heesters, als vervangmiddel der tee gebruikt.
Bosspinnekop, groote zwarte spin, die in bossen (en boomen) een dicht net maakt.
Botjie, laatste aanraking met de hand, b.v. een tikje op den schouder, by't scheiden, waarna de aanraker maakt dat hy wegkomt om de eer te hebben dat hy de laatste aanraking gegeven heeft. In plaats van de aanraking werpt men ook wel een kushandje toe, en wendt zich dan snel weg. Ook kolekki genoemd.
Bottel en botteltje, flesch of fleschje met langen hals. Zoo heet de gewone wynflesch altyd wynbottel of eenvoudig bottel. Flessies worden echter dikwijls ook botteltjes genoemd, namelijk als ze rond zijn.
Bottelbras (Eng. Bottlebrush), zekere bloem die de gedaante van een kannenwasscher heeft.
Bottelstoor (Eng. bottle store).
Bottem (Eng. bottom), onderaan in de klas. Vgl. top.
Botterkop, onnoozele hals. Jurrie Botterkop.
Bout, of liever boud (want in het meervoud zegt men boude), bil (b.v. myn boude kry seer van sit, myn achterste doet mij zeer van't zitten). Bout, groote ijzeren nagel, heeft mv. boute.
Bra (braaf), byw. zeer, erg, enz. even als in't Hollandsch gebruikt (b.v. jy kom bra laat, gy komt braaf laat, d.i. tamelyk laat). Het byw. nw. is echter voluit braaf.
Braaibout, versche of ongezouten bout vleesch.
Braak (braken), ook: den grond voorloopig met den ploeg losmaken, ten einde dien het volgende jaar te beploegen en te bezaaien. Dit braken van den rauwen grond geschiedt hoofdzakelijk in de maanden Juli en Augustus. Zoodra de winterregens beginnen (meestal in't begin van Mei), gaat het beploegen en bezaaien der braak- en ploeglanden aan, en wanneer dit geëindigd is, wordt de overige tyd des winters aan het ombraken van de rauwe en driestlanden der plaats besteed.
Braakland, land dat ongebraakt is.
Brak, onnoozel mensch.
Brandarm, zeer arm, dood arm.
Brandmaar, zeer mager.
[p. 70]
Brandne(u)kels, brandnetels. (Vgl. bredie.)
Brandsiekte, huidziekte van dieren, waarby de haren uitvallen en de huid een schurftachtig aanzien verkrygt. Zy wordt behandeld door wassching met tabaksafkooksel of parafine-olie.
Brandsolder, eene laag klei, waarmede de zolders bedekt worden, ten einde by brand deze en alzoo de verdieping daaronder te behouden. Ook dient hy om deze verdieping koel te houden.
Brandsuur, zeer zuur.
Brandsweer, scrofuleuze zweer by kinderen.
Bredie, groen moes, van velerhande tuin- en andere planten bereid, b.v. van boereboontjetoppe, dubbeltjesdoringsblade, brandnetels, enz. - iemand bredie maak, tot het uiterste vervolgen.
Breek, ww. ook aanbreken, van den dag.
Breek, z.n. inrichting van een wagen om dien te rem, d.i. zijne vaart hoogte af te vertragen.
Breekgoed, breekbare waar.
Breekwater (Eng. breakwater), zeebreker, havenmuur.
Brei (bereiden), verl. deel. gebrei. Velle brei is: huiden eene zekere bewerking doen ondergaan, waarvan het kneden met de voeten (gaar trap genoemd), het voornaamste is. Rieme brei is: huidreepen wringen door middel van een aangehangen wagenwiel of aanbeeld. Van menschen wordt het gebruikt in den zin van: door harde ondervinding oefenen. Een gebreide kerel is een die goed heeft leeren werken.
Brekfes, zie agtuur.
Bret-ol (Eng. bratawl), duikerpriem, een werktuig vooral door tuigenmakers gebruikt.
Bril, ook: roes.
Bring, brengen.
Brinkskoring, gelyk aan du Toits koren, doch bruin [van bast].
Broeklosmaak, gewone uitdrukking voor: zich gereed maken ter buik-ontlediging.
Broekmannetje, zeker diertje dat zijn van strooitjes gemaakt huisje by het bewegen met zich voert, zoodat alleen zijn voorlijf zichtbaar is.
Broms, teelziek, van varkens.
Brongras, plant die in waterrijke plaatsen groeit, en voor teringlijders dienstig is. Het heeft een prikkelend bitteren smaak als sterkers, en wordt even als dit als slaai gebruikt; ook maakt men er bredie van; en eindelyk wordt er eene stroop uit bereid door het sap met suiker te koken.
Broodblaar, zie kaladdiblaar.
Bros.
Bruine of bruine mense, kleurlingen.
Bruinslang, bruine kapèl, of koper kapel (verbastering van cobra capella), zeer giftig, 4 à 5 voet lang.
Brul, z.n., brullende schreeuw (b.v. die tier ge net één brul, toe pak hy hom an.)
Brulparra, groote pad, die zich in de binnenlanden ophoudt, en een schrikelyk brullend geluid van zich geeft.
Buik, onderste bo, deur mekaar, an werk, zyn uitdrukkingen, van den buik gezegd, als men buikloop heeft.
Buik- en leerwa, hetzelfde als beskotwa.
Buikgord, buikriem van gezadelde en ingespannen paarden.
Buikplank, bodem van rytuigen.
Buikseer, buikpijn.
Buikvol wees van, den buik vol hebben van.
Buitegebouw, alle gebouw afgescheiden van het woonhuis.
Buitekamer, elke woon- of slaapkamer die slechts eene deur heeft, welke naar buiten leidt.
Buitekant, ook voorz. buiten (b.v. buitekant die dorp).
Buiteplaas, boereplaas, of eenvoudig plaas, boerenhofstede.
Bul, altyd in plaats van stier gebruikt.
Bulos.
Bult, verhevenheid van den grond, kleine heuvel (b.v. die huis staat op een bult). Ook: deuk. In de beteekenis van bochel is dit woord hier onbekend.
[p. 71]
Bult, ww. deuken, b.v. een kantientje is beter als een kalbas, hy bult wel, maar hy breek niet.
Burg, barg (gesneden varken).
Buurte, buurt.
By: by die huis hoort men vaak voor te huis als men niet van huis weg kan (b.v. hy het geseh, hy moet by die huis bly omdat hy siekerig is, maar ik het hom daarom niet t'huis gekry nie, hoewel hy gezegd heeft dat hy t'huis moet blyven omdat hy niet wel is, heb ik hem toch niet t'huis gevonden).
Bykom, byloop, toeloopen om te tuchtigen (b.v. ik sal jou bykom! Hy loop hom by en geef hom een dugtige pak).
Byt, z.n., beet.
Byvanger, insekt dat op byen aast (Holl. byenéter, byenwolf).
Bywerk, zwarte kleverige stof door de byen van gom en teer, tot vernauwing van de opening harer nesten vervaardigd. Het wordt als pleister by zinkingpijnen gebruikt.

D

D. Deze lett r als sluitletter voorkomende en van eene andere tongletter voorafgegaan, verandert in die letter waar zy in die vorming van 't meervoud en van afleidingen de volgende lettergreep zou beginnen, b.v. geweld, gewellig (geweldig), hond, mv. honne, pêrd, mv. pêrre.
Daalder (daler) of eigenlyk, en ook meer gebruikelyk ryksdaalder, denkbeeldige geldwaarde, zooveel als 1 1/2 shilling of fo.90. Het onderscheid in geldelyke beteekenis tusschen de Kaapsche en Hollandsche gelijknamige uitdrukkingen dezer soort komt daarvan dat het Engelsch Goevernement herhaaldelyk de waarde van het papieren geld dat hier in omloop was en de oude Hollandsche munten verving, verminderde. Wijlen Ds. van der Lingen heeft my verhaald dat deze handelwijze der overheerschers de oorzaak was dat hy meer dan een millioen Kaapsche guldens minder bezat dan hy anders kon bezeten hebben.
Daar vervangt altyd het Hollandsche er.
Daardie, aanw. voorn.w., die. Die, lidwoord zijnde, is als aanw. voorn. meestal te zwak.
Daarom, ook evenwel, toch (b.v. hy mag nie uitgegaan heh nie, maar hy doet dit daarom); ongetwyfeld, wat men zeggen moge (b.v. dis daarom teunswoor(d)ig mar moeilik om te boer.)
Daar's hy! triomfeerende uitroep wanneer iets gebeurt wat men verwacht of voorspeld had (Holl. daar hebt gy het al, daar hebt gy het nu).
Daarsonder, sonder dat.
Dag, mv. dae. Van die dag af, van ouds. Voor dauw voor dag, voor dag en dauw; een van die dae, eerstdaags.
Dagbreker, soort vogel, welke by het aanbreken van den dag roept. Dezelfde als de schawagter.
Dagga, zekere boom, waarvan twee varieteiten: de makke dagga, welks bladen de Kaffervolken als bedwalmend rookmiddel gebruiken; en de wilde dagga, welks bloemen op wijn afgetrokken, inwendig tegen roosachtige aandoeningen worden aangewend.
Daiel, Daniel.
Dakbreker, foeltje. [sic! in potlood later bygeskryf.]
Dakhuis, huis met strooien dak.
Dalk, dalkies, straks.
Dam, ingedamde of uitgegraven waterplas. De dam heet wal. (Zoo ook de kant.) Op eene boerenplaats zijn altijd een of meer dammen, waarin het regen- en fonteinwater vergaderd en bewaard wordt, ten einde men altijd drinkwater, voornamelijk voor het vee, hebbe, en ook om de tuinen enz. te kunnen bewateren (nat lei). Het regent hier betrekkelijk zelden, en de meeste rivieren zyn buiten den regentyd droog.
Dam, ww., zich opeenhoopen, b.v. van lucht.
[p. 72]
Damarabees, soort rund met hooge schoft en lange horens, tot trekken gebezigd.
Dammetje, plasje.
Dan en wan, nu en dan. Zuid-Afrika is voor een goed gedeelte door Noord- Duitschers bevolkt geworden; vandaar vele Hoogduitsche woorden in de volksspraak. Dit toont zich ook in de schrijfwijze der namen van vele groote families, hoewel de uitspraak dier namen zich dikwijls naar de landstaal gewijzigd heeft (b.v. Haupt, uitgesproken Hoof; Laubscher, uitgespr. Losper. Bovendien heeft nog de schrijfwijze somtyds de verbasterde uitspraak gevolgd. Zoo zijn b.v. niet allen die den familienaam Louw dragen, en zoo ook schrijven, van Hollandsche afkomst: sommigen van hen zijn van Duitschen oorsprong, en schreven hun naam voorheen Lowe; ens.
Danie, Daantje, verk. van Daniel.
Danig, vgl. al te. In samestelling met zoo heeft dit woord sterk den klemtoon, b.v. hy het een goeje lengte, mar hy is daarom nie so dánig lang nie (hy heeft eene goede lengte, maar hy is evenwel niet zoo byzonder lang).
Dassie, ook: klipdas.
Dassiekauw, zie geneesbossie.
Dassiepis, de opgedroogde pis van de klipdas, hier en elders als geneesmiddel gebruikt tot baarmoederopwekking (even als castoreum).
Dat, wordt als voorn. niet gebruikt (vgl. dit). Als voegwoord laat men het dikwijls weg (b.v. jy denk ik maak mar spulletjes, gy denkt dat ik slechts scherts; van hy weg is, van dat hy weg is); ook zegt men er dan wel lat voor.
Dawie, verkleinw. van David.
Dedelik, byw. degelijk.
Deetje, verkort van Dorothea (ook Dorie, enz.).
Deh! daar! by't aanreiken.
Demmetjes, Eng. damage, schadevergoeding.
Dendie, naar de mode gekleed man.
Dendies (uitspr. dennies), b.n., naar de mode gekleed, b.v. een denniese kerel.
Denk! verbeeld u! (als de verhaler spreekt) of zoo! wat zegt gy! (als de hoorder spreekt).
Derde mannetje, een soort spel waarby men van plaats verwisselt.
Derm, darm, mv. derms.
Des, lessenaar, schooltafel.
Desemberpeer, soort suikerpeer die in December rijp wordt.
Deurdrif, strook grond door eene plaats loopende, tot het doorlaten van kudden vee.
Deurgevrete, ook: doorvoed.
Deurloop, ww., nl. die wingerd, napersen, de overgeblevene druiven afsnyden ter persing. Men zegt ook: die wingerd naloop. ook: slaag krygen, b.v. jy sal net nou deurloop (zeker eigenlyk door de spitsroeden loopen).
Deurmaak, met ondervinding doorgaan (b.v. hy het baiang deurgemaak, hy heeft veel overbracht).
Deurmekaar, zinneloos, krankzinnig.
Deurmekaarheid, verwarring.
Deurmekaarspul, warreboel.
Deurmekandery, hetzelfde.
Deurslag, ook: grond doorweekt door regen.
Deurslagtig, doorweekt door regen (grond).
Deus, aanw. voorn., slechts gebruikt in de uitdrukkingen: van deus week, van deus maand, van deus jaar, deuskant. Men zegt hierdie in de plaats ervan.
Deuskant, byw. en voorz., aan deze zijde (b.v. deuskant die revier).
Die, lidwoord en aanw. voorn. (vgl. daardie) onveranderd door geslacht, getal of naamval. Dis die, dat is de zaak, dat is de reden (b.v. Waarom is die kinders so stout? Om hul te min klop kry. Dis die!) Wie het die geseh? Wie heeft dat gezegd? Wat's dit die? zegt men als men b.v. een kind die namen der letters vraagt.
Dier, viervoetig dier.
Dierasie, helleveeg.
[p. 73]
Dierbaar, word dikwijls gezegd van een roerende preek, een geliefd predikant, enz.
Digan, dichtby gelegen (b.v. Soutrivier is digan die Kaap, Zoutrivier ligt dicht by de Kaapstad).
Dik, dik van die lag, vol lachen.
Ding wordt niet alleen van meisjes, maar ook van vrouwen (b.v. die ou ding), en mannen gebruikt, b.v. eene vrouw zegt van haar overleden man: die arme ding het baiang uitgestaan.
Dink, denken.
Dinner (Eng.) z.n. en w.w., middagmaal.
Dis, samengetr. uit dit is.
Dispens of spens, klein vertrek by de eetkamer behoorende, en tot berging van tafelgereedschap en gaarkos bestemd (vgl. pakkamer).
Dit bezigt men waar het Hollandsch het pers. voorn. het of het aanw. dat of ook dit (zonder z.n.) heeft, b.v. dit reent, het regent; dis waar, 't is waar; glo jy dit? gelooft gy dit, of dat?
Djoetie, Eng. duty, belasting.
Doef! doef! klanknabootsing van het stoomuitstooten eener werkenden machine.
Doemdoempie, soort beesie, naar zijn gonzen dus genoemd.
Doepa.
Dof, een dowwe pad of paadje is een oude weg of pad dat niet meer bereden of begaan wordt, en alzoo min of meer onkenbaar geworden is.
Dogtertje, onvolwassen blank meisje in tegenstelling met meidjie.
Dokkies, by't knikkerspel schot tegen de vingerknokkels, dat de verliezer van de winnende ontfangt.
Dokteres, vroudvrouw.
Doktersboek, geneeskundig werk.
Dokterskar, soort ligte kapkar met twee zitplaatsen.
Dôl, dolwe (delven), diep omspitten van grond voor tuin of wyngaard bestemd (2 voet diep voor tuin, 3 voet voor wyngaard). 't Is hetzelfde wat braak voor de graanlanden is. Zulke omgedolven grond noemt men gedolfde grond.
Dôlland, aldus omgespit land.
Dolleeg, geheel ledig.
Dolossie, bikkel by't kinderspel. Eigenlijk dobbeloosie omdat dit oosbeentje by 't dobbelen en waarzeggen gebruikt wordt.
Dominie, voorzanger in de (Ger.) Kerk.
Donderparra, padde.
Donderweer, onweer.
Donse, donsies, dons.
Donshaal, fijnste soort geweerhagel.
Dood, b.n., ook: uitgebluscht, uitgewischt. (b.v. die vuur is dood, die kers is dood, uit; Zoo zegt men: die lamp doodblaas, uitblasen; die kers, of die vuur doodmaak, uitdoen; het geschrevene doodkrap (doorhalen) en doodmaak of doodvè (uitvegen). Ook: af of uit, by't spelen, mors-dood. Hy is van nag dood, hy is deze nacht gestorven.
Dood, ww., sterven.
Doodlyn, by't balslaan.
Dooierig, traag, koud van natuur.
Dop, ook: graanbekleedsel; druivenschil. Voorts beteekent dop of dop wyn een dronk wyns, ongeveer zooveel als een bierglas kan bevatten, zynde het gewone rantsoen van het werkvolk, en gewoonlijk of meestal in den halven afgezaagden kop (dop) van een kalbas uitgereikt: vandaar de naam. Een dop steek, een glas wijn drinken. Hy steek een stywe (of een flukse) dop, hy is onmatig in het gebruik van wijn of brandewijn.
Dopbrandewyn, brandewyn door het verstoken van de uitgeperste druivenschillen verkregen.
Dop-hou.
Dopper, lid van de sekte der Afgescheidenen, die in de oostelijke streken wonen, en te Burgersdorp eene theologische kweekschool hebben. Een ondervelder zeide my, dat het woord eigenlijk dophouer is. De persoon die by't melken de melkdop vasthoudt, moet een kort, nauwsluitend baatje dragen om de koe niet aan te raken en te verschrikken en
[p. 74]
alzoo het melken te verydelen. De zulk een baatje dragende, kreeg nu ook den naam des dragers. Wegens hun verwerpen der Evang. Gezangen worden zy ook wel Psalmzingers genoemd. Het woord dopper geldt ook als scheldnaam voor lieden die ouderwetsch gekleed gaan en zeer plat spreken.
Dopperkar, soort overdekte kar, door doppers gebruikt.
Dopperwa, doppersreiswagen. Zie veerwa.
Dop-steek.
Doring (doorn), ook: lastige vent. Als ww. beteekent het: vrijen.
Dorp, ook: stad, dewyl in Zuid-Afrika geene eigenlyke steden zyn.
Dortelappel, vrucht eener kruipplant, appelvormig, geel van kleur, ter grootte eener kers. Het brandewijn-aftreksel, zeer bitter van smaak, dient tegen kramppijnen in de buiks-ingewanden.
Dot, hoofd, worp by't balspel.
Dotje, ook: tittel.
Dowigheid, doofheid.
Dowwigheid, lichaamlyk gevoel van dofheid.
Draaghoutje, stukje hout, dat dwars over het voorste gedeelte des dissel-booms geplaatst is, van onderen aan dezen, en van boven om den nek der paarden bevestigd is, en alzoo den disselboom draagt. 't Heet ook nekhoutje.
Draai: Hy kan die draai nie kry nie, hy kan de zaak niet in orde krygen. Die agterste draai, het eindelyk gevolg, het staartje van 't muisje.
Draaierig, duizelig; ronddrentelend den tyd verbeuzelend.
Draaiwerkie.
Drabok, lange biesachtige grassoort, met kleine overstaande aren aan den top, het ‘onkruid onder de tarwe’ (Matth. 13:25 enz.)
Drel, verdwaasde vrouw. Engelsche drel, ‘nagemaakte’ Engelsche. Ook: slet.
Dres, japon. (Eng. dress).
Dresmaker, modemaakster.
Driesland, onontgonnen land.
Drif, ook: wad. Daar's gen drif by die weer nie, zegt men als de regen of regenwolken niet door sterken wind gedreven worden.
Drilsel, dril of lil.
Drink noemt men ook het zuigen van jonggeboren menschen en dieren.
Dronk, dronken; bedwelmd, b.v. van rooken, van ronddraaien.
Dronkenaar, drinkaard.
Drooigheid (droogigheid), droogte.
Droppel wordt vaak van vaste zelfstandigheden gebruikt, als stuk van vloeistoffen, b.v. gen droppel suiker en gen stuk water nie.
Droster, drosser, weglooper. Zulke afleidingen op er van werkwoorden welke op s uitgaan, nemen daartusschen eene t aan, als waster, wasscher, vister, visscher. Ook andere woorden daarop gelykende doen hetzelfde, b.v. ijster, yzer; en zoo wordt Duitscher Duister. Dit heeft eveneens dikwijls plaats by komparatieven van woorden op s, als loster, losser; en dienovereenkomstig is het meervoud van z.n. op s b.v. boste en bosse, daste en dasse.
Druipstêrt: Met die druipstêrt ankom, druipstaartende aankomen.
Druiwe, druiven. Zonder enkelvoud: men zegt dan druiwekorrel.
Druiwekonfyt en korrelkonfyt, van hanepootdruiven gemaakt (met suiker gekookt), doch voor het eerste worden de korrels van de pitten en de buitenste schil ontdaan.
Druk, ww. ook: haast inhalen of voorbystreven.
[Druk] oue druk enz.
Drywe, ook altyd voor mennen.
Drywer, koetsier.
Dubbeltje of ou dubbeltje, gewoonlijk oulap genoemd, 2 stuiwers of f.0.05. Eng. penny, jongdubbeltje is 3 oortjes (3/4 penny) volgens latere waardevermindering van het geld. Vgl. daalder.
Dubbeltjesdoring, kruipplant, welker vruchten 4 punten hebben, waarvan
[p. 75]
altyd een naar boven steekt (Vgl. bredie).
Duiker, soort wilde bok, die den kop naar benede houdt.
Duinspreeuw, soort vogel.
Dulsies, huisgeneesmiddel. Men heeft wit dulsies, spiritus nitri dulcis en rooi dulsies.
Du Toit's Koring (spr. du Tooiskoring), soort koren zonder baard, omstreeks denzelfden tyd als vroeg baardkoren (zie aldaar) gezaaid en geoogst. Men zegt dat een zekere du Toit deze korensoort uit eene hoeveelheid gemengd graan afgescheiden en alzoo afzonderlyk heeft leeren winnen. (De familie du Toit is het door Zuid Afrika wydverspreide nageslacht van een der hierheen gevluchte Hugenooten. Zie Franse Vlugtelinge.)
Duusman, scheldnaam door de kleurlingen aan de blanken gegeven, een voortbrengsel van den Engelschen haat tegen den Dutchman.
Dwarstrek, dwarsdryven.
Dynserig, dyzig.

E

E. De open e wordt byna als de Hollandsche ie uitgesproken (gelyk de open o als oe).
Een wordt ook op Engelsche wijze gebruikt, b.v. die een, of dáárdie eene (that one), die ander een (the other one), die grooste een (the larger one), doch valt in 't meervoud weg. Evenzoo met het verkleinwoord eenetje.
Eenbeentje, 't hinkspel.
Een en een half, zegt men meestal voor anderhalf.
Eenders, gelijk, gelijkend (b.v. die twee mense lyk heeltemaal eenders, maar hul het glad nie eenderse maniere nie, die twee menschen gelijken elkander sprekend, maar hebben geheel verschillende manieren).
Eenhorinkje (onderveldsch), ‘rijk meisje’.
Éénig heeft de beteekenis van het Engelsche any aangenomen, b.v. in die winkel kan jy eenig ding kry, in dien winkel kunt gy alles koopen; eenig mens zal dit so verstaan, iedereen zal dat dus verstaan; eenigdag, te allen tyde. Voor 't meervoud gebruikt men het niet, maar in plaats er van sommige of party (b.v. sommige mense, party mense of party).
Eenkant, voorz. en byw. aan de eeen zijde van, eensdeels, afgezonderd (b.v. eenkant is dit waar, eensdeels is dat waar; hy hou hom éénkant, hy scheidt zich af).
Eenslapers bed, bed voor een persoon.
Eet (eten), w.w., ook: houden van, nl. spijzen (b.v. eet jy biet? lust gy beet?).
Eetdruiwe, druiven die men niet perst, maar voor dadelijk gebruik bestemt.
Eetgoed, fruit.
Eetvoorhuis, zie voorhuis.
Ei. Deze tweeklank wordt by het lezen en schrijven door de jongere Afrikaanders altyd met ie verward.
Eier, ei. Doch in de spreekwyze: voor een appel en een ei (iets koopen of verkoopen) zegt men nooit eier. eiers is ook: teelballen.
Eiervreter, dunne soort slang, die zich met eieren voedt.
Eiland. Die Eiland in het algemeen is Robben-eiland, alwaar eene uitgebreide inrichting voor krankzinnigen.
Eilandsvye, groote soort Hottentotsvygen, aan den zeekant groeiende.
Einskap gé (eigenschap geven), van zelf spreken, zich laten besluiten (b.v. hoe kom is hy so maar? Dit gé eienskap, want hy eet te min en hy slaap te min. Hoe komt het dat hy zoo mager is? 't Kan niet anders, want hy eet en slaapt te weinig).
Eksie profeksie, verbastering van extra perfekt, uiterst volkomen, b.v. iets kennen of verrichten.
Elboog lig of -stoot (den elleboog lichten of stooten) het glas lichten, aan den drank zyn.
Ellie, verkorting van Elizabeth.
Emmer, ook een halve schepel.
Emmertje, of blik emmertje, blikken rantsoenbakje.
[p. 76]
En staat ook dikwels waar in het Hollandsch te twee ww. verbindt (b.v. hy het nog baiang te werk, en tog leh hy en slaap, hy heeft nog veel te werken, en toch ligt hy te slapen.
Endresdroppels, ook stinkdroppels genoemd, huisgeneesmiddel, uit asa foetida, valeriaan, opium, enz. bestaande, en tegen zenuwontsteldheid en ongesteldheid door verzwakte maag ontstaan, gebruikt.
Engel, mv. engels.
Enna, samentr. van Engela.
Ent, z.n. einde. Dit woord bezigt men ook somtyds waar de Hollander begin gebruikt, b.v. van een boek. Begin weer by die ent (of: van agter af) zegt men tot een verteller wanneer men den draad van zyn verhaal mist. Einde zegt men by tijdsbepalingen, b.v. teun die einde van die week. Die ent kry, aan het einde komen.
Entse, b.n. wat aan het einde is, b.v. die mus leh in die entse kamer an die ledekant syn koppenentse kant, de muts ligt in de achterste kamer (verste van eene ry) aan 't hoofden einde van het ledekant.
Êrd, de stof van aardewerk. Een êrde kruik, eene aarden kruik. Aarde is grond.
Êrdvark, hetzelfde als miereneter.
Es, smidsvuur.
Esel, muilezel, hier wel meer dan paarden in gebruik. Voor het Holl. ezel zegt men steenesel of opregte esel, doch in onderscheiding der geslachten eselhengst en eselmerrie.
Essens (met den klemtoon op de eerste lettergreep) reukwater (het Eng. essence).
Ewaas vy, soort vijg, lichter van kleur en meer lankwerpig van gedaante dan de Adamsvyg.
Eweveeltjes, ook kopjeskoek genoemd, dewijl van ieder der bestand-deelen een kopjevol genomen wordt.
Extra wordt ook als b.n. en byw. alleen gebruikt (b.v. die pêrd loop extra as hy een extra ruiter op hom het).

F

Faikonta, kwansuis (b.v. hy het faikonta sijn pêrd loop water gé, mar in plaas daarvan steel hy van myn waterlamoene, hy is kwansuis heen gegaan om zyn paard te laten zuipen, maar in plaats daarvan heeft hy van mijne watermeloenen gestolen). Dit woord wordt van 't verledene gebruikt, en tjakkie tjakkie in denzelfden zin van het tegenwoordige.
Fanie, verkort van Stefanus.
Fâpens (Eng. fourpence) of vieroulapstukkie, muntstuk - ƒ0.20; vier pennies of vier oulap.
Feil, ww. druipen (by examens); bankroet gaan; ook altyd voor dweilen gebruikt.
Feler, fout.
Fessie (Eng. fashion) mode.
Fi! of fief! zie sies.
Fien, zelfverbeelding.
Fièrig (Fransch fier), nuffig. Een fièrige ding, een nufje.
Filippyn, volgeling of geestgenoot van Dr. Philip, superintendent van het Londensch Zendelinggenootschap, en groot voorstander der Kleurlingen; en alzoo scheldnaam voor een onverstandigen uit den weg ruimer van 't gevestigd maatschappelijke onderscheid tusschen de menschenrassen in dit land.
Filistyn, scheldnaam voor Engelschman.
Fiskaal, kleine roofvogel, die op kleinere vogeltjes, hagedissen enz. jacht maakt.
Flaauw, ook: geheel uitgeput en machteloos van werken; slap, van aftreksels en afkooksels, b.v. flauw tee.
Flap, iris, of pinksterbloem, zwaardlelie. Slechts de witte en paarsche verscheidenheid komen hier voor.
Flennie (Eng. flenny), flanel. Wordt vlennie geschreven.
Flenter, ww. slenteren. zn. een flentertje vlees, een klein stukje vleesch.
Flenters, aan flenters.
Flerrie, hoer.
Flèrs, zn. en ww., slag, slaan.
[p. 77]
Flip, advokaten borrel.
Flous, bedriegen.
Fluitjesriet, gewoon riet.
Fluks, b.n. en byw. ferm, flink; ook groot (b.v. een flukse ent pad, een groot eind wegs); goed (b.v. hy gaat fluks an, hy vordert); fluks op drinken, veel drinken.
Flurt, Eng. flirt, onzedelykheid bedrijven tusschen de geslachten onderling zonder vleeschelyke vermenging (b.v. die meissie flurt met ieder jongetje; dis een flukse meissie om mee te flurt). Het woord word ook als z.n., doch alleen van een meisje, gebruikt; en beteekent alzoo de laagste soort van coquette.
Flussies, zoo even.
Foei toch! uitroep van med(e) gevoel of medelyden, als het Hollandsch och Heer!
Foksswans, 't zelfde als rugzaag.
Fontein: Fonteintje, ik sal uit jou nie meer drink nie, is een spreekwoord spottend of verwytend toegevoegd aan iemand die zich weder tot een zaak of werk begeeft dat hy voor goed meende vaarwel gezegd te hebben, evenals de man die weder op de plaats en by de fontein kwam, waar hy dacht nooit weer te zullen moeten komen.
Fouwtjie, fooi.
Fraai wordt veel in de spreektaal gebruikt en beteekent eigenlijk byzonder mooi.
Frans druiwe, soort druiven.
Franse Vlugtelinge, gewone benaming der Hugenoten die van 1688 af een toevluchtsoord in Zuid-Afrika vonden; omtrent welke velen zeer onnaauwkeurige denkbeelden hebben. Hun betrekkelyk aantal en hun invloed op de landstaal worden gewoonlijk overschat. Niet weinigen meenen dat het Afrikaansch door hen eigenlijk tot een soort van verfranscht Hollandsch geworden is. By onderzoek zal men echter spoedig zien dat èn wat de spraakkunst en wat het Woordenboek betreft, naauwlyks eenige sporen van onmiddelyken Franschen invloed op het Hollandsch dezer streken aan te wijzen zijn - Wat voorts de familienamen dier lieden aangaat, hebben sommige de oorspronkelyke uitspraak en schryfwyze bewaard, b.v. de Villiers, Marais, le Roux, enz., andere zijn evenwel geheel verhollandscht als Minnaar (Mesnard), Rossouw of Russouw (Rousseau), Hugo (Hugot); wederom andere zyn slechts in één opzicht verbasterd, zooals du Toit, uitgesproken du Tooi, enz. Van vertaling der namen, zooals in Holland plaats greep (b.v. du Pré, van der Weide, Duchamp, van der Velde), zyn hier, behoudens eene enkele uitzondering, geene voorbeelden. Vgl. dan en wan.
Franshoekboontje, soort boontje, graauwachtig van kleur
Fries, frizeeren.
Frikkie, verkort en verkleinw. van Frederik.
Fris wordt ook gebezigd voor: gezond; en groot van lichaam (b.v. zy is fris voor haar jare, groot voor haren ouderdom).
Frokkie, flanellen onderhemd.
Frommel, ook: (iemand) schoppen, stooten, en smijten.
Frontiljak, soort druiven.
Frutangs, groene eetbare besjes van een klein in't wild groeiend, plantje. Ook knikkertjes genoemd.
Fyten, Eng. uitspraak van phaeton, soort wagen.

G

Deze letter klinkt harder dan de Hollandsche g, nagenoeg als ch; weshalve een dezer letterteekens in dit werk kon wegvallen, hetgeen gevolglyk met de lastige ch geschied is. De Hollandsche ch, wordt hier dus g geschreven, b.v. ag! ach! gedigte, gedichten; doch in sch aan 't begin van woorden wordt zy k, als skuit, schuit; en aan 't einde van woorden valt zy geheel weg, als mens, mensch, enz. Alles volgens de uitspraak.
[p. 78]
Gaaf, ook: flink, degelyk, bruikbaar, b.n. en byw. (b.v. hy het een gawe vrouw gekry, en hy 's self een gawe kerel en het een gawe plaas; nou kan hul gaaf boer, hy heeft eene deugdelyke vrouw gekregen, en hy 's zelf een flinke kerel, en heeft eene uitmuntende (boeren) plaats; nu kunnen zy goed boeren).
Gaar zegt men ook van klei wanneer zy door trappen genoegzaam gekneed is voor steenvorming, bladlegging (eens vloers, zie blad), enz; ook van vellen (zie brei). Gaar gebrand of swart gebrand van de zon is iemand die buiten gewoonte aan de zonnestralen is blootgesteld geweest. Gaar kos is gekookte of gebraden spys, 't zy koud of warm.
Gaar nie, in't geheel niet.
Gaat wordt met gaan door elkander gebruikt tot zelfs in de onbepaalde wyze, wanneer er namelyk nog een werkwoord bystaat, b.v. hy het gaat eet, of hy het gaan eet, hy is gaan eten; maar hy moet gaan, niet hy moet gaat.
Gallery, zie voorhuis.
Galop, ook ww., galoppeeren.
Galoptering, galoppeerende teering.
Gang! zie sies!
Gans beteekent ook een meisje waarnaar iemand vrijt of waarmede hy verloofd is (b.v. hy het syn gans die eerste maal op Tulbagh ontmoet. hy heeft zyn meisje (of geliefde) het eerste te Tulbagh ontmoet). Evenzoo gebruikt men geit.
Gansgaar (gansch en gaar, geheel en al), zelfs.
Gansgras, soort plant.
Ganshaal (ganzenhagel).
Gansies, soort bloem, welker vrucht de gedaante eener gans heeft.
Ganske komt voor in uitdrukkingen als een ganske trop (een groote troep).
Gat, ook: holte, laagte (b.v. die huis leg in een gat).
Gatgat, soort knikkerspel, waarby een of meer kuiltjes in den grond gemaakt worden.
Gatjapon.
Gauwgauw, zie gauw. Zulke herhalingen komen veel voor, b.v. hy kan nou skaars skaars daar wees.
Gawie, Gabriel.
Ge- Dit voorvoegsel, zonder iets meer, by het werkwoord gevoegd, vormt eigenlyk de geheele vervoeging in het Kaapsch Hollandsch. Het verleden deelwoord is de eenige vaste vormverandering des werkwoords. Al de andere zyn slechts verstrooide overblyfselen uit de oude taal, en, spraakkunstig, blykbaar als onregelmatigheden te beschouwen. Dit verleden deelwoord, als b.n. voorkomende, herneemt de d of t waar het op uitging, b.v. die hout is gekloof; gekloofde hout; die vrugte is ingeleg; ingelegde vrugte; die skape is gemerk; die gemerkte skape; die fees is uitgestel, die uitgestelle (zie -d) fees; gekamde hare, geleer(r)e (zie -d) mense, een gepaste andwoord, enz; of neemt anders ook wel d of t aan in plaats van den ‘ongelykvloejenden’ uitgang, en, b.v. gebakte pere; gemaalde koffie, enz.
-Ge of -gen als eindlettergreep van Holl. woorden wordt in het Zuid-Afrikaansch dialekt weggelaten, of tot eene flaauw hoorbare toonlooze e verkort, b.v. da of dae (meerv. van dag), vra, vragen, wa, wagen, vermoë of beter (met die stomme h) geschreven vermohe, vermogen; ohe, mv. v. oog; suihe, zuigen; kry, krygen; in die vroehe môrre, in den vroegen morgen; waarby echter op te merken is dat waar eene i dezen uitgang voorafging, de toonlooze e veel duidelyker gehoord wordt, b.v. in môrre (morgen), sôrre (zorgen) bêrre (bergen), enz. Eene uitzondering maakt berg, vgl. bêrre. In het meervoud en in de samestelling met een volgend woord keert de n weder, b.v. waans, wagens; oomblik, oogenblik; hy staat alle môrrens vroeg op. - Leugen maakt leun, en komt dus overeen met de woorden op gel en ger, waar door sametrekking ge
[p. 79]
wegvalt, als: vool, vogel, maar, mager.
Gé, geven. Van oudere menschen hoort men nog gewe, het welk volgens den regel dezer werkwoorden en der Afrikaansche uitspraak is, b.v. lewe (leven), skrywe (schryven), lowe (loven), enz. Deze werkwoorden behooren met de meesten van die welke oorspronkelyk op gen eindigen, tot de eenige welke op eene stomme e uitgaan. Vgl. -ge. Alle andere werkwoorden hebben den oorspronkelyken uitgang en verloren, en zoo men al eens van loope of wete enz. hoort, is dit geen eigenlyk Afrikaansch, maar een Belgicisme. Ik gé nie om nie beteekent ik heb er niets tegen (b.v. het jy lus om saam te gaan? Andw. ik gé nie om nie. Hebt gy lust om mee te gaan? Ik wil wel.)
Geäf, dood.
Gedaan, ook: op, in den zin van verbruikt of versleten, b.v. gedaan gewerk of opgewerk, afgewerkt, niet meer kunnende werken; gedaan maak, iemands krachten of vermogen uitputten.
Gedagte, gedagte kry, zich herinneren; gedagte maak, zich bezinnen; syn gedagte laat gaan, nadenken.
Gedamasseerd, geramasseerd.
Geelbek, groote soort zeevisch.
Geelblommetjes, veldbloem, op gans-gras gelykende.
Geelhout, soort inlandsch hout.
Geelslang, of gele kapel, soort slang, lichtgeel van kleur en zeer vergiftig, 4-5 voet lang. Vgl. bruinslang.
Geflek komt voor in uitdrukkingen als: geflekte snoek, opengesneden snoek, enz. Zie oopflek.
Geil, b.n. en byw., heeft hier niet de beteekenis van wellustig, en wordt alzoo in de samenleving vry en veel meer dan in Holland gebruikt, b.v. die meissie is geil uitgegroeid, sy is een geil mens voor haar ouderdom, enz. Voorts geile grond, vruchtbare grond, enz. - Een tegenovergesteld geval als met geil biedt het woord jarig (zie aldaar).
Geit beteekent hier te lande slechts: geliefde of minnares. Vgl. gans.
Geitje, zeer afzichtelyk en venijnig hagedisachtig dier, welks woede spreekwoordelyk is (b.v. hy word so kwaad as een geitje). De Hollandsche beteekenis van het woord is hier vreemd. Zie bok en geit.
Gek, jy's gek, een ietwat driftige uitdrukking voor: jy hebt ongelyk.
Geldboekie, geldtaschje (portemonnaie).
Geleerd beteekent dikwijls niets meer dan men ook wel ‘geëdukeerd’ noemt: Die meissie is goed geleerd, dat meisje heeft een goede educatie ontfangen, d.i. zy kan Engelsch spreken en een Engelschen brief schryven, klavier spelen, en zich naar de geijkte manieren gedragen. By vergrooting zegt men slim geleerd.
Gelling (Eng. gallon), eene wijnmaat. De oude maat houdt 5 bottels, de nieuwe of imperial gallon 6. Daarom gaan er van de eerste, 152 gellings, van de laatste 127, op een legger.
Geluit, geluid (Mv. geluite). Hy maak so maar geluite van blyigheid, hy maakt geluiden van blyheid. Vgl. raat.
Gem (Eng.), schietknikker.
Gemakhuisie, sekreet.
Gemsbok, soort wilde bok.
Geneesblare, de bladeren van den wilden tabaksboom, welke op wonden en op door roos aangedane lichaamsdeelen gelegd, de genezing bespoedigen.
Geneesbossie, zekere plant, welker bladen gekaauwd en op wonden gelegd worden. 't Heet ook dassiekauw, omdat Klipdassen het gaarne eten.
Geniepsig, geniepig (bedektelyk kwaad doende).
Gepik, ook: beschonken.
Geproklameerde weg.
Gerf, garf. Mv. gerwe. Hier zij opgemerkt dat de woorden welke op twee medeklinkers uitgaan van welke de eerste l of r is, niet als in't Hollandsch als twee lettergreepen uitgesproken worden (b.v. zallef voor zalf, ellik
[p. 80]
voor elk, borrig voor borg, arrem voor arm, enz.), maar kortaf en hard, even als by de Hoogduitschers en Engelschen.
Gesels, kouten.
Gesettel (Eng. settled), in orde gebracht, tot orde gekomen.
Gesoute wordt ook gezegd van een paard dat de paardenziekte doorgestaan heeft.
Gesweerd, volslagen, b.v. een gesweerde draf, recht vlugge draf.
Gevreet, ruw woord voor aangezicht.
Gewaar, gewaar worden.
Geweerdoppie, slaghoedje of eenvoudig doppie.
Gewêrskaf, gedoente (Watter gewêrskaf is dit hier? Wat is hier te doen?) Zie wêrskaf.
Gewoond (Hd. gewohnt), gewoon (gewend). Men zegt echter b.v. een gewone pêrd. Het Hollandsch gewoond daarentegen is hier gewoon. Zie ge-.
Giepie, verkl. van Gideon.
Gier, opwellende begeerte, vlaag van onstuimigheid.
Gifhoutjes, wortel eener plant, op brandewyn getrokken, en alzoo inwendig tegen buikkramp, koliek, enz., gebruikt.
Gifseer, pestbuil.
Gifsiekte, van hoornvee, mogelyk door vergiftiging met verdoovende gewassen ontstaande. Het bloed dier dieren brengt door aanraking gifseer voort.
Giftig, ook: kwaadaartig, scherp (van vochten).
Gileam, verbastering van Guillaume, een van de Hugenoten overgeblevene, doch zelden voorkomende naam.
Gister of guster, gisteren.
Glaasoogie, soort vogeltje, loodkleurig van veder, met blinkende oogen.
Glad, byw. wordt vaak voor geheel gebruikt, b.v. glad nie, in 't geheel niet; glad niks nie, in 't geheel niets; ik het dit glad vergeet, ik heb het geheel vergeten.
Glo, gelooven. Verl. deelwoord: geglo. Ook andere werkwoorden by welke het voorzetsel met den wortel samensmelt, nemen ge voor het verleden deelwoord aan, als gebrei, bereid, gevrek, verrekt (gestorven). Zelfs waar deze samensmelting niet plaats grijpt, hoort men gezegde vorming, hoewel zy lager is, b.v. gebelowe, beloofd; geversuip, verzopen.
Glyerig, glibberig (van den grond).
Goearro, vaardig, voortvarend, b.v. goearro wamaker, bekwaam wagenmaker, goearro kerel om te baklei, vechtersbaas, goearro mannetje, haantje de voorste.
Goeddoen hoort men vaak voor zich goed gedragen, oppassen, b.v. die kind wil maar gen goed doen nie, dat kind wil maar niet oppassen.
Goedjies, kleine voorwerpen, bezield en levenloos, in een goeden zin genomen. B.v. Kyk die lammetjies! as dit anhou reent, sal die goedjies verkleum, zie de lammeren. Als het blyft regenen; zullen de schepseltjes van koude omkomen. Jy moet die goedjies wat jy geplant het, water gé, anders gaat hul dood, gy moet de plantjes die gy gepoot hebt, water geven, anders gaan ze dood. Ik moei in die winkel nog wat goedjies koop, onder ander een sakspieltjie, een stuk ruikende seep, een paar rolletjies gare en wat lekker goedjies voor myn kind, ik moet in dien winkel nog eenige kleinigheden koopen, zooals een zakspiegeltje, een stuk welriekende zeep, een paar klosjes garen, en een weinig lekkers voor myn kind.
Goe(d)koop, ook: veellicht.
Goeje weet! (verbastering van God weet het!), wie weet! het kan wel zijn!
Goeters, gedierte, enz. in kwaden zin (b.v. die hen is vol luise! die goeters loop so mar o'er die arme dier, die hen is vol luizen: men kan ze in menigte over het arme dier zien loopen).
Goetertjies, snuisterijen.
Goggabeessie, zeekere tor, waarmede men kinderen bangmaakt (een bangmaakding).
[p. 81]
Goi, gooien, beteekent ook wel spreken, b.v. Engels goi, Engelsch spreken. Vgl. slaan.
Goor, bedorven; enkel van bereide spijs gebruikt.
Gord, gordel.
Gorletbeker, lampetkan.
Gorment, goevernement.
Gormentskoerant, Staatskoerant.
Gormentskool, Staatsschool.
Gorretjes, kuiltjes in klamme zandplekken eener rivier.
Goudbeesie, soort beesie.