Blas zegt men van eene bleekgeele, meestal ziekelijke gelaatskleur.
Blauwduihe (blaauwe duigen), vaatduigen van eikenhout.
Blauwluis, soort hoenderluis.
Blauwskimmel, schimmelpaard, eenigzins donkerder van kleur dan witskimmel.
Blesmol, groote soort mol.
Blinde molletjie, blindemannetje (spel).
Blinde vlie(g), soort vlieg, welker beet een oogenblik groote pyn veroorzaakt; zy wordt van September tot Nieuwjaar gezien.
Blink, ook b.n., blinkend.
Blinkleer, verlakt leder. Blinkleerstewels, verlakte laarzen.
Blinklinne, soort voeringkatoen.
Bloed: uit bloed en mag hardloop, uit alle macht loopen.
Bloedeie (bloedeigen), eigen, naverwant (b.v. bloedeie neef, eigen neef).
Bloedfamilie, eigen of naverwante familie.
Bloedjong, jong of betrekkelyk jong, jonger dan men verwachtte (van menschen en dieren).
Bloedsiekte, ook geilsiekte genoemd: ziekte door volbloedigheid by het rundvee.
Bloedsop, soep van het bloed van pluimvee, ook swart suur geheeten.
Bloedstorting, bloedbraking.
Bloedweinig, zeer weinig.
Bloeisels, bloesem (van boomen en struiken).
Bloemaas, verbastering van blanc manger, soort spijs op vlade gelykende.
Bloesend, blozend. Het ww. overigens niet in gebruik. Men zegt daarvoor rood of skaam word.
Blok, ook: klomp. Zie hout skoen.
Blokskoen, skoen met dikke houten zool.
Blomme, bloeien (van boomen en struiken).
Bly (blyven, vgl. gé), ook wonen.
Bo (boven), en voor een klinker in de samenstelling boon (b.v. boonop, boonent, boveneinde). Dit woord heeft in dit ongelyke bergland een in Holland onbekend gebruik. Alles wat hooger op of naar de hoogere zijde van den grond geplaatst is, wordt gezegd bo of bokant te staan, zitten, liggen, enz., al is de afstand van andere voorwerpen ook niet grooter dan b.v. die tusschen de plaatsen aan een disch. Evenzoo met onder en onderkant in het tegenovergestelde. Bo is ook zooveel als boland (zie aldaar). De uitdrukkingen bo syn bier en bo syn te betekenen: dronken.
Bobaa(i)tje, zie baaitje.
Bobbejaan, baviaan, zich in de bergen ophoudende. Ook volgens het kindergeloof, een mensch voor zijne intrede in de wereld (vgl. berg toe moet gaan en bobbejaanvanger.)
Bobbejaanblom, soort veldbloem.
Bobbejaandans, zie haasie dassie.
Bobbejaanoor, soort veldbloem, van welker bol een pleister bereid wordt voor wonden en zweeren (vooral tegen roos).
Bobbejaanspinnekop, groote zwarte ruige, giftige spin.
Bobbejaanuintje, bloembol, waaruit de bobbejaanblom wast.
Bobbejaanvanger, vroedvrouw (vgl. bobbejaan).
Bobbejaanveldskoen, plant met 2 tot 6 platte op den grond liggende bladeren, welke den vorm van een veldschoenzool hebben.
Bobotie, zeker gerecht, van gemalen vleesch, eieren, melk, enz. bereid.
Boedel ohergé (overgeven), zich insolvent verklaren; ook: braken (vomeeren).
Boeg, van een paard, schouder.
Boeglam, geheel vermoeid (b.v. ik is boeglam gewerk; ik het my boeglam geloop).