|
|
|
| |
| | | |
De jeneverstruik in de Kempen en de naam Wechelderzande*
door Dr. J. Molemans en J. Burny
De jeneverboom (-struik) of jeneverbes(1), Juniperus
communis L., komt in België vooral voor in de Kempen, op de
Hoge Ardennen, in de kalkrijke delen van de Ardennen, de Famenne en van de
streek tussen Samber en Maas, en tenslotte ook in Belgisch Lotharingen(2).
In de Kempen, de Hoge Ardennen en Belgisch Lotharingen groeit de soort op zure
bodems. Binnen het Kempens district is de jeneverbes nu, samen met o.a. de rode
dopheide (Erica cinerea) nagenoeg volledig beperkt tot het
subdistrict van de Hoge Kempen (cf. 1). Tot in de negentiende eeuw kwam de
jeneverstruik op meerdere plaatsen voor in de Antwerpse Kempen(3). Dit moet ook later nog het geval geweest zijn op de bij onze
Kempen aansluitende zandgronden aan de Nederlandse provincie Noord-Brabant. Een
verspreidingskaart van de jeneverstruik is te vinden bij Van Ooststroom(4).
De jeneverstruik, die tot in het begin van de twintigste eeuw een gewone
verschijning op de heiden en de landduinen van de Kempen was, overleeft het
veranderde landgebruik niet; ze is volop aan het uitsterven en zal enkel stand
kunnen houden in één of twee speciaal ervoor opgerichte
natuurreservaten.
| |
1. De jeneverstruik in de Limburgse Kempen
| |
1.1. Het fysisch milieu
Het Kempisch plateau is een grote puinkegel, in de Mindelijstijd door de
Maas gesedimenteerd(5). Het daalt in
hoogte van ongeveer 100 m boven zeeniveau nabij | | | |

Recent genomen foto in het Heiderbos (As), het
enige natuurreservaat in de Kempen waar nog veel
jeneverbesstruiken staan en de enige plaats waar nog
spontaan generatieve verjonging van het bestand
optreedt.
Gellik tot ongeveer 50 m nabij Lommel. Het bestaat in
hoofdzaak uit grind en grof zand in de zuidhelft, uit zand in de
noordhelft, en is grotendeels bedekt met een dekzandlaagje van
niveo-eolische oorsprong. Veruit dominant op de Hoge Kempen zijn de
droge zand- en lemig-zandgronden met humus en/of ijzer B horizont (6). Na een
vegetatiearme periode in het Laatglaciaal en het Preboreaal is het
Kempisch Plateau gedurende het Borcaal, het Atlanticum en een deel van
het Subboreaal bedekt geweest met wouden, waarvan de samenstelling in
functie van het klimaat wat heeft geschommeld. In de loop van het
Subboreaal trad ten gevolge van de agro-pastorale activiteiten een
ontbossingsfase in, die in het Subatlanticum het ontstaan heeft gegeven
van één grote, nagenoeg boomloze vlakte,
gedomineerd door een dwergstruikenvegetatie: de heide (7). Vanaf het midden van de 19de
eeuw is het Plateau opnieuw, zij het kunstmatig, bebost door massale
aanplant van naaldhout, vooral grove den (Pinus
sylvestris). | | | | Heidelandschappen komen nu nog enkel voor
in de natuurreservaten en in de grote militaire domeinen.
| |
1.2. De droge heide en de landduinen, natuurlijke biotopen
van de jeneverstruik
De jeneverstruik kiemt het best op een onbeschaduwde, naakte en droge
bodem waarin de bessen bedolven raken: in stuifzandgebieden, in heiden
en graslanden waarin plaatselijk open vegetaties voorkomen, in rotsige
terreinen, op hellingen waar door erosie een constante pioniersituatie
ontstaat.
De documenten evenals de foto's genomen bij het begin van de 20ste eeuw
door J. Massart(8) bewijzen dat de jeneverstruik toen nog frekwent voorkwam
in de Hoge Kempen. De heide had tot dan een agro-pastorale functie: ze
leverde strooisel voor de potstal en was de weideplaats voor schapen en
hoornvee. Op de landschapsfoto's van Massart ziet men de jeneverstruik
welig tieren in twee verschillende biotopen: in stuifzanden en op de
droge heide. De landduinen van nu waren toen nog grotendeels echte
stuifzandgebieden; de landduinen die nog talrijk in de Limburgse Kempen
voorkomen, zijn bijna altijd met naaldhout beplant. Op de foto's is nog
duidelijk te zien hoe de heidevelden in Genk in het begin van deze eeuw
nog volledig in gebruik waren als leveranciers van strooisel voor de
potstal(9). Massart
schreef er dat overigens bij. Nergens ziet men een echt grote pol
struikheide, alle zijn kort gehouden; tussen de schrale heidevegetatie
merkt men de naakte grond. Ook het houden van schapen of ander vee op de
heide heeft voor de jeneverstruik een gunstig effect: de dieren kunnen
de zaden helpen verspreiden, maar ze kunnen ook plaatselijk zorgen voor
het constant kort en zelfs open houden van de vegetatie en het
intrappelen van de bessen.
De jeneverstruik was niet bestand tegen heidebranden. Gemeentelijke
ordonnantes bepaalden dan ook dat niemand op de heide mocht roken of
vuur maken. Had de heide gebrand, dan moest men ten minste zes jaar lang
wachten om op die delen ervan opnieuw vee te laten grazen. In dit
verband is de evolutie van het jeneverstruikenbestand in het reservaat
de Maten in Genk leerrijk. Tot in het midden van de jaren vijftig was de
soort er nog met verscheidene exemplaren vertegenwoordigd op het grote
landduingebied ten zuiden van de Streep en de | | | | Grote
Huiskenswijer. Tussen 1957 en 1963 brandde de heide er niet minder dan
vijf keer. Sedertdien is het jeneverbessenbestand in dat deel van het
reservaat tot één exemplaar herleid.
Hoewel de Belgische wet houdende gemeentelijke verplichting tot bebouwing
van ‘woeste gronden’ al van 1847 dateert, heeft het
nog vele decennia geduurd voor het oude landbouwkundig gebruik van de
heiden volledig wegviel. In het begin van deze eeuw waren er in de
Limburgse Kempen nog tientallen schaapskudden; een bewijs hiervoor
vormen alleen al de vele postkaarten, waarop soms kudden van circa 100
dieren. De achteruitgang van het aantal schapen was voor de situatie van
de jeneverstruik maar van secundair belang, zolang er nog massaal werd
geplagd. Het wegvallen van deze laatste traditionele agrarische
gebruiksvorm van de heide betekende meteen ook het begin van het einde
van het overal verspreid voorkomen van de jeneverstruiken op de heide.
Van dan af is steeds minder ruimte ecologisch geschikt geweest voor de
generatieve verjonging van de jeneverstruik. Het heide maaien is
gedurende de eerste twee decennia van deze eeuw op de overblijvende
heide blijven voortduren, waarna het tot in de jaren vijftig incidenteel
voorkwam. De massale bebossing van de heiden met naaldhout daarentegen
was vanaf de tweede helft van de 19de eeuw volop aan de gang. De
jeneverstruik heeft daarom het veranderde landgebruik in de Kempen niet
overleefd, behalve in enkele bij de ontginning gespaarde gebiedjes.
| |
1.3. Gegevens uit de bronnen
De oudst bekende gegevens betreffende het voorkomen van de jeneverstruik
op en rondom de Hoge Kempen dateren uit de zestiende eeuw. Remans(10) haalt een aantal Genker dorpskeuren uit de
16de-17de eeuw aan, waarin aan enkele houtsoorten op de gemeentelijke
heide, waaronder de jeneverstruik, bescherming werd verleend. De oudste
bepaling dateert van 1562(11), de tweede van 1653(12), terwijl dit ‘alt verbodt’ op 20 januari 1778 nog eens
werd herhaald. In 1562 werd de struik met haar huidige streeknaam vrekeleer (cf. 2.3) aangeduid, in 1653 als wechelteer (cf. 2.4); deze laatste naam is thans in
Genk onbekend.
Een derde naam voor de jeneverstruik treffen we aan in een tekst van
1766(13), waarin de burgemeesters van
Opglabbeek het feit aanklagen, dat de ingezetenen van het buurdorp As dagelijks op hun gemene gronden bekelaeren kappen en wegvaren; in As is bekelaar, dial. bèkelèèr (cf.
2.2) nog bekend.
| |
| | | |
1.4. De jeneverstruik en -bes in het dagelijks leven
Aan de jeneverbes worden een aantal culinaire, hygiënische en
magische eigenschappen toegeschreven, wat er ook toe geleid heeft dat
het planten van deze boom bij de huizen een oud en in de streek veel
toegepast gebruik is. Het is waargenomen in Hechtel, Helchteren, Koersel, Genk, Neerglabbeek, Zutendaal en elders; het is ook terecht
doorgevoerd in het Openluchtmuseum in Bokrijk
(bij de Wellenshoeve).
De blauwzwarte bes, in het Middelnederlands jeneverbesie, werd eertijds veel aangewend in de volksgeneeskunde,
zoals bij maagkwalen, diarree, blaas- en nieraandoeningen en
waterzucht(14). Uit de bessen
werd ook een balsemachtige, op terpentijn gelijkende olie gestookt, die
o.m. de Hasseltse jeneverstokers aanwendden om aan hun jenever een
typisch aroma te geven. Ook op het platteland waren er in de vorige eeuw
jeneverstokerijen, zoals in de Noordlimburgse gemeente Overpelt(15), waar de Jeneverbeslaan in een nieuwe wijk op de Houtmolenseheide nog aan
het voorkomen van de jeneverbes aldaar herinnert(16).
In Genk - en wellicht ook elders - werd van de jeneverbes gebruik gemaakt
voor het roken van ham. Vliebergh(17) meldt ook het gebruik van
jeneverstruiktakken bij het maken van bezems in Kiewit (tussen Hasselt
en Zonhoven).
De jeneverboom heeft blijkens archiefstukken(18) en naar door ons opgevangen getuigenissen, o.m.
in Genk en Zutendaal, van onze voorouders steeds veel aandacht gekregen.
Het smal vertikaal silhouet van de jeneverstruik was bij valavond een
angstaanjagende spookgestalte en gaf aanleiding tot menig
volksverhaal.
| |
1.5. De toekomst van de jeneverstruik op de Hoge
Kempen
De jeneverstruik heeft in de Limburgse Kempen eeuwenlang standgehouden,
maar door het grondig gewijzigde landgebruik (cf. 1.2) is de soort in
deze eeuw erg achteruitgegaan. Slechts in zeven van de zevenenveertig
gebieden waar de jeneverstruik nog voorkomt, zijn er meer dan 50 levende
exemplaren geteld. Enkel in het natuurreservaat Heiderbos in As, dat
speciaal met het oog op het behoud | | | | van het
jeneverbesstruweel door Waters en Bossen wordt beheerd, is er nog een
spontane generatieve verjonging te bespeuren(19); elders laten de toestand van de volwassen
bomen en het ontbreken van kiemplanten zien dat de jeneverstruik aan het
uitsterven is(20).
| |
2. De namen voor de jeneverstruik
| |
2.1. Jenever (boom, -struik)
De altijdgroene heester met stekelige naalden en blauwzwarte bessen, Juniperus communis L., is al in het Middelnederlands
bekend als geniver, genever, jeniever, jenever
‘jeneverstruik’. Het is een ontlening aan Oudfrans
geneivre, uit volkslatijn jeniperus voor Lat. juniperus(21). In de dialecten
leven evenwel, zoals verder blijkt, andere namen verder, die weliswaar
stelselmatig door jeneverbes, resp. -struik zullen verdrongen
worden.
| |
2.2. Bekel (boom, -bos) en bekelaar
Noord-Brabant kent voor de jeneverbes vooral bekel
(beikel) en voor de jeneverstruik bekelbos(22). Opgetekend werden bekel (Geldrop, Son, Wintelre), bikkel (Bakel, Deurne en Waalre), bikkels (Someren), bèkelèreknopkes (Eersel), bekelbes (Leende), bekelbos (Soerendonk) en pikkelbos (Gemert); Vierlingsbeek kent evenwel waggelen (cf. 2.4)(23). Heukels vermeldt bekelboom en -bos, met de vermelding
Oostbrabants(24).
Over de grens, in de Belgisch-Limburgse Kempen, komt de variant bekelaar (bèkelèèr)
voor, o.m. in Achel, As, Bree, Kaulille, Opglabbeek, Peer, Zonhoven, Hulst onder Tessenderlo en Lillo onder Houthalen(25). In Koersel (en wellicht ook in andere gemeenten uit
die regio) was bekelaar bekend, want in de Atlas der
Buurtwegen (1844) wordt onder no 69 de Beekelaerbergstraat vermeld. Ongeveer | | | |

Heidelandschap met jeneverbesstruiken uit 1904
(plaat 36 in MASSART 1912), thans ingenomen door de mijn
van Winterslag. De heide is zeer kort, kaalgevreten
en/of kaalgekapt. Het losse zand en het grind van het
Kempisch Plateau zijn tussen de struikjes te zien. Op de
achtergrond een groot landduin.
één kilometer ten oosten van deze
straat, die nu Stokstraat heet, staan nog enkele jeneverstruiken in de
beplante stuifzanden van de Koerselse Heide; volgens overleveringen van
oudere bewoners van 't Fonteintje in Koersel hebben daar eertijds veel
jeneverstruiken gestaan (26).
Bekelaar komt in Belgisch-Limburg ook voor ter
aanduiding van de hulst, zo in Heusden, Kaulille en Zolder; de
naam van de jeneverbes is blijkbaar overgedragen op de hulst, eveneens
met rode bessen(27).
| |
| | | |
2.3. Fleketeer en vrekeleer
In een artikel heeft Remans(28) uiteengezet dat in het Genks de jeneverstruik fleketeer(29) of vrekeleer heet; voor vrekeleer, variant die volgens hem (en terecht(30) ook in
de buurgemeente Zutendaal voorkomt, geeft hij
elders een citaat uit een dorpskeure van 1562 ten bewijze:
‘Nijmant magh op die gemeijnt houdt noch
hagen och vreckeler aeff houwen aen enich savel’(31).
In Genk is thans voornamelijk fleketeer bekend in de betekenis jeneverstruik(32). Voor Genk werd
evenwel ook de variant wechelteer opgetekend, zulks
uit een dorpskeure van 1653(33).
Fleketeer, aldus Remans, is eigenlijk de naam van de
vlierstruik, Oostmiddelnederlands fleteteer (met
dissimilatie fleketeer), naam die
werd overgedragen op de jeneverstruik. Voor de vlierstruik werd aldaar
holenteer (daarnaast ook Klotsenstruik) de gangbare naam.
| |
2.4. Wachelteer en wechelteer
In oostelijk Belgisch-Limburg, en daarbij aansluitend in
Nederlands-Limburg, kennen we voor de jeneverstruik wachtelteer, resp. wechelteer, o.m.
(eertijds) in Genk(34). Lanaken, Maasmechelen,
Rekem en omgeving(35) en Maastricht(36). Wachelteer kan men zien als een
samenstelling van wachel
‘jeneverbes’ en teer (Eng. tree) ‘boom’, zoals in heren-teer
= haagbeuk en holen-teer = vlierboom. Waarschijnlijker is dat we te doen
hebben met een afleiding met het suffix -aldra, dat
optreedt in boomnamen (cf. de plaatsnaam Appelterre)(37).
| | | |
In Sittard komt de variant Wacholder voor(38), die via het
Hoogduits is binnengedrongen. In het Rijnlands leven evenwel vormen
verder die vergelijkbaar zijn met wachelteer/wechelteer, nl. Wachelter, Wakelter,
Wächelter, Wäkelter e.a.(39). In
Hoogduits Wacholder is -elter
vervangen door -(h)older, wellicht met de gedachte aan
Holler ‘vlierstruik’; verder
ook nog door elementen als -dorn. - struk, enz.(40)
Voor Nederlands-Limburg werd meermaals wachelder
opgetekend(41), die o.i.
aansluit bij wachelteer en niet (met reductie van het
tweede lid) bij Hoogduits Wacholder.
Schuermans vermeldt als Limburgs wachtel ‘jeneverbes’ en wachtelteer ‘jeneverboom’, maar ook wachalder en wachholder, evenwel
zonder bewijsplaatsen(42). Paque neemt dit laatste
zonder meer over(43).
| |
3. De naam Wechelderzande
| |
3.1.
Van de nederzettingsnaam Wechelderzande, een
gemeente in de Antwerpse Noorderkempen, wordt in de door ons
geraadpleegde literatuur geen of een zeer onbevredigende verklaring
gegeven. Mansion(44) suggereert een mogelijk verband tussen
Wechel en wichelarij (toverij) en denkt hierbij
ook aan de gemeentenaam Wichelen (Dendermonde). Deze
verklaring is zonder meer uit te sluiten. Carnoy(45) ziet in -el de verdofte vorm van lo
‘bos’, en in het eerste lid weg
‘baan’, resp. wegge
‘wig’. Ook deze hypothese biedt weinig houvast,
zeker niet wat weg ‘baan’ betreft.
Aannemelijker is de verklaring ‘bos op een glooiing’,
met als tweede lid lo ‘bos’ en als
eerste het element dat we ook in Waaienberg en
Wenduine aantreffen: Indogermaans wegh-, waarvan Ndl. wig; met lange
vocaal wegh- in Oudhoogduits wagi
‘glooiend’(46).
| | | |
Het tweede lid is ongetwijfeld lo
‘bos’, zodat de naam Wechel
(jonger Wechelderzande) in relatie staat tot de vroegere bosbegroeiing,
zoals talrijke andere Kempische nederzettingsnamen. Wat het eerste lid
betreft, denken we concreet aan de jeneverboom, zoals onder 3.3
blijkt.
| |
3.2. Vermeldingen van de plaatsnaam Wechelderzande
| |
3.2.1.
Daar er voor de gemeente Wechelderzande geen toponymische studie
voorhanden is, dienen we ons materiaal uit diverse bronnen te
putten.
De oudst bekende vermelding blijkt 1187 Wechele te
zijn(47), hoewel niet vermeld in het
Toponymisch Woordenboek van Gysseling(48). Jongere attestaties zijn: 1418 Wechelderzande(49), 1444 Wecheldersande/Wicheldersande(50), 1836 Wechelderzande (volgens K.B. van
22.4.1836).
We beschikken ook over onuitgegeven anthroponymische studies van Lier
en Herentals, twee stadjes uit de Antwerpse Kempen. Voor
inwijkelingen uit Wechel(derzande) vinden we in de
registers van Lier o.m. genoteerd: 1377 Machtelt van Wechle; 1392 Mechiel van Wechele/Wechle;
1377 Kateline van Weechgele; 1394 Kateline van Wechle; 1457 Mert van der Bruggen van Wechelezande raymekere(51).
In de Herentalse registers staan genoteerd: 1296 Her Art van Wechgele; 1345 Gielijs van Wechle(52).
| |
3.2.2.
De oudst geattesteerde vorm is Wechel(e). Hiervan
is, met toevoeging van het element zand, een -er-afleiding gevormd: Wechelrezande/Wechelerzande, en met invoeging van -d-: Wechelderzande. Het tweede
lid staat in de verbogen vorm.
Het Zand is een gehucht van de gemeente
Wechelderzande, met als eerste vermelding: 1368 1 bloc aent Zant(53). Zand en het synonieme Zavel zijn in de Kempen gangbare namen voor hoger gelegen,
droge terreinen op zand- of zavelbodem. Wechelderzande is een
gemeente op droge tot matig droge zandgronden; circa 25% van de
oppervlakte (1.092 ha) wordt door bos (eertijds heide) ingenomen.
| | | |
In de volksmond is de samenstelling Wechelderzande
nog altijd niet gangbaar, wel Wechel (en
we̹χəl).
| |
3.3. Betekenisverklaring van Wechelderzande
Zoals uit de vermeldingen sub 3.2. blijkt, is Wechel(d)erzande een jongere variant van Wechele/Wechle; ook in de volksmond is het thans Wechel. Deze nederzettingsnaam, oorspronkelijk een
terreinnaam, bevat ongetwijfeld de naam van de jeneverbes, resp.
-struik. Een probleem is evenwel dat wachel/wechel
‘jeneverbes, - boom’ niet zonder meer als
terreinnaam (secundair als nederzettingsnaam) kan functioneren. Daarvoor
ontbreekt een element dat op begroeiing (voorkomen van) betrekking
heeft. We menen dan ook dat Wechel een verholen
samenstelling is van wechel ‘jeneverbes,
-boom’54
+ lo ‘bos op
zandbodem’. Daar het element lo in deze
positie normaal verdoft tot -el, is een ontwikkeling
van wechel-lo tot wechel zeer
aannemelijk.
Wechelderzande ligt op een verhevenheid die zelf
niet wordt bevloeid, maar waaruit enkele kleine beken ontspringen. Ten
oosten van de oude nederzetting zijn er omvangrijke dennenaanplantingen
(eertijds heide), en deze aanplantingen zetten zich verder op het hoger
liggende, droge gebied in noordelijke en noordoostelijke richting. Daar
bevinden zich overigens ook enkele droge heidepercelen en enkele
beplante landduinen. Het geheel moet tot vòòr de
dennenaanplanting een ideale groeiplaats voor de jeneverstruik gevormd
hebben. Ten westen en ten noordwesten van Wechelderzande lag tot voor
enkele decennia een uitgestrekt stuifzandgebied, de Bruulbergen55. Daar is de jeneverbes
waarschijnlijk in de eerste helft van de negentiende eeuw door Van
Haesendonck56 of een
tijdgenoot van hem aangetroffen; een takje ervan wordt bewaard in het
herbarium van de Nationale Plantentuin te Meise.
|
*Gegevens voor dit artikel werden ontleend aan J. BURNY, Het vroeger en huidig voorkomen van de Jeneverbes, Juniperus
communis L. op de Hoge Kempen (prov. Limburg, België).
Te verschijnen in Wielewaal, 4, 1985.
(1)Jeneverbes in de betekenis van jenever(bes)struik is goed
ingeburgerd en wordt ook door VAN DALE aanvaard. In de volksmond wordt
jeneverbes thans meer gehanteerd dan jeneverstruik (-boom); in de tekst
komen afwisselend jeneverstruik en -bes voor.
(2)E. VAN ROMPAEY en L. DELVOSALLE, Atlas van
de Belgische en Luxemburgse Flora. Pteridofyten en Spermatofyten. Meise
19792.
(3)Zie o.m. J. KICKX, Relation d'une promenade
botanique et agricole dans la Campine. Bruxelles, 1835. - E. PAQUE,
Catalogue des plantes plus au moins rares
observées aux environs de Turnhout. BULL. SOC. ROY. BOT.
BELG. XIX 1880, p. 7-25. - C. VAN HAESENDONCK, Florule des
environs de Westerloo. IBID. VII 1868; p. 275-311. - A. VERBIST,
Florule des environs de Hoogstraeten IBID. XL 1901, p.
32 e.v.
(4)J.J. VAN OOSTSTROOM, De
Jeneverbes-bladwesp, Monoctenus juniperti L. (Hym. Diprionidae).
NATURA LXXI 1974, p. 58-61.
(5)E. PAULISSEN, De morfologie en de kwartair-stratigrafie van de Maasvallei in
Belgisch-Limburg. Brussel, 1973.
(6)R. MARECHAL en R. TAVERNIER, Atlas
van België, blad 11 B.
Pedologie-Bodemassociaties. Brussel, 1971.
(7)A.V. MUNAUT, Recherches
palé-écologiques en Basse et
Moyenne-Belgique. Acta Geographica lovaniensia, Leuven, 1967.
(8)J. MASSART, Esquisse de la géographie botanique de la
Belgique. Rec. Inst. Bot. L. Errera, tome suppl. 7 bis.
Bruxelles, 1910. - ID., Les districts flandrien et
campinien, in: CH. BOMMER en J. MASSART, Les
aspects de la végétation en Belgique.
Bruxelles, 1912. Jardin botan. de l'Etat, 80 foto's groot
formaat.
(9)Onder potstaleconomie verstaat men
de vroegere landbouweconomie op de zandgronden van de Kempen,
oostelijk Nederland en het Noorden van West-Duitsland. Kenmerkend
ervoor is de oplossing van het mestprobleem: grote hoeveelheden
plaggen werden uit de uitgestrekte heide gehaald, aangerijkt in de
potstal, waarna het geheel op de akkers terechtkwam.
(10)A. REMANS, Over dorpskeuren van
Genk (16de-17de eeuw). LIMBURG, XLIII 1964, p. 259-277,
i.c. 274.
(11)Rijksarchief
Hasselt, Genk Schepenregister nr. 1, f o
72.
(12)Id., register
nr. 10, f o 7.
(13)Rijksarchief Hasselt,
Gemeentearchief AS nr. 19
(14)Zie bijv. L. VANDENBUSSCHE, P.
BRAECKMAN en S. TOP, Ziekten en remedies in de
volksgeneeskunde, Menen, 1973, p. 28.
(15)J.J. HANNES, Provincie Limburg 1842-1844. Uitgave van kadastrale
statistieken Brussel-Leuven, 1973, dl. II, p. 508. Deze
Overpeltse jeneverstokerij bevond zich op het herengoed het Hobos.
(16)J. MOLEMANS, Toponymie van Overpelt,
Gent, 1976, p. 183
(17)E.
VLIEBERGH, De Kempen in de 19e en in 't begin der 20e
eeuw. Ieper, 1908.
(19)R. VANHAEREN, De positie van de Juniperus communis L.
in het staatsnatuurreservaat Heiderbos te As. GROENE BAND,
XLI 1983, p. 1-21.
(20)De laatste exemplaren die in
bebouwd gebied in villatuinen of op sociale braak zijn blijven
staan, zullen het, dank zij de zorgen die er in sommige gevallen aan
besteed wordt, misschien individueel nog het langst standhouden. In
het natuurreservaat de Maten in Genk getuigt nog een enkele rechte
jeneverbesstruik van een verdwenen woonsite.
(21)J. DE VRIES. Nederlands Etymologisch
Woordenboek, Leiden, 1971, p. 286.
(22)A.P. DE BONT, Dialekt van
Kempenland, dl. II: Vocabularium, Assen, 1958, p.
60.
(23)W. ROUKENS,
enquêtes 1923-1937: Lijst 3, vraag 12
‘jeneverbes’. - Medegedeeld door Drs. P.
GOOSSENS uit Nijmegen, samensteller van het Limburgs
Woordenboek.
(24)H. HEUKELS, Woordenboek der Nederlandse volksnamen van planten
Amsterdam, 1907, p. 130. ANTON COOLEN heeft het in de roman
‘Kerstmis in de Kempen’ (blz. 78) over de donkere bikkelbossen.
(25)L. JANSSEN, Over Daverdellekens, Hanekeutels en
Onslievevrouwkenswas. Dialectische namen van Planten en vruchten
in Limburg, Hasselt 1983, p. 41-42.
(26)Meegedeeld door de
heer WILLY VANLOOK (Hazerik 32, Koersel), die al enige tijd tracht
de plaatselijke benaming van de jeneverstruik in Koersel te horen te
krijgen, wat hem tot dusver niet gelukt is.
(27)L. JANSSEN, o.c. 1983, p. 41
(28)A. REMANS, Flèketèr. HEIDEBLOEMKE XI, 1951-52, p.
16-21.
(29)In Genk-Termien
is er de Flekeleerstraat (L. WISSELS, Verklaring van de Genker straatnamen, Genk, 198l, p.
130).
(30)Onlangs gehoord door J. BURNY. - In Zutendaal, in het
gehucht Gewaai, is er een Flikkebergstraat; in
Oud-Waterschei (Genk) de Flikbergstraat. Een flik
of vlik is een heilap, een vlag; de naam is niet te interpreteren
als een verbastering van fleketeer.
(32)Ook vermeld in Limburgs Idioticon. Verzameling dialectwoorden
(‘Woordenzangen’), van 1885 tot 1902
verschenen in het tijdschrift ‘ 't Daghet in
den Oosten’. Tot woordenboek omgewerkt door M.
MAASSEN en J. GOOSSENS. Werken uitgegeven door de
Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie
(Vlaamse Afdeling) 14. Tongeren, 1975. - Op p. 76 staat vermeld fläkkenteer. Gehoord: Kempen. Men hoort
ook: fläkkeleer.
(35)E. PAQUE, De Vlaamsche volksnamen der
planten van België, Fransch-Vlaanderen,
Noord-Brabant, Hollandsch-Limburg enz. Bijvoegsel. Brussel,
1912, p. 147-148.
(36)H.J.E. ENDEPOLS, Woordenboek of
Diksjenaer van 't Mestreechs, Maastricht, 1951, p.
490.
(37)W. MEID, Germanische Sprachwissenschaft
III: Wortbildungslehre, Berlin, 1967, p. 106.
(38)P.J.G. SCHELBERG,
Woordenboek van het Sittards dialect,
Amsterdam, 1979 2, p. 482.
(39)Rheinisches Wörterbuch
(Bonn, 1928-71, dl. IX, kolom 160-62; H. DITTMAIER, Rheinische Flurnamen, Bonn, 1963, p. 328.
(40)Vgl. ook wachelbèrestroek (TH. VAN DE VOORT, Dialekt van de gemeente Meerlo-Wanssum, Amsterdam
1973, p. 321) en wachhelder-sjtroek (J.
JONGENEEL,... Dorpsspraak van Heerle, Heerlen
1884, p. 223).
(41)O.m. voor Amstenrade,
Borgharen, Houthem, Kerkrade, Nieuwenhagen, Stevensweert en Vlodrop
(Enquête W. Roukens - zie noot 23).
(42)L.W. SCHUERMANS, Algemeen Vlaamsch Idioticon, Leuven, 1865-1870, p.
840.
(43)E. PAQUE, o.c. 1912, 147-148.
(44)J. MANSION, De voornaamste bestanddelen der Vlaamsche
plaatsnamen. Nomina Geographica Flandrica. Studie III
Brussel, 1935, p. 172.
(45)A. CARNOY, Dictionnaire étymologique du nom des communes de
Belgique. Louvain, 1939, p. 626.
(46)Variant is
wek-, wak- in Lat. convexus
‘bolrond’, Oudindisch vakrá ‘gebogen, krom’
(Meegedeeld door Dr. M. Gysseling).
(47)J. MANSION, o.c. 1935, 172.
(48)M. GYSSELING, Toponymisch Woordenboek van België,
Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland
(vòòr 1226). Tongeren,
1960.
(49)A. KREGLINGER,
Mémoire historique et
étymologique sur les noms des communes de la
province d'Anvers. BULLETIN DE LA COMMISSION CENTRALE
DE STATISTIQUE, III, 1847, p. 209 e.v.
(50)J. VAN OLMEN, Wechelderzande. Toeristisch.
In: Vlaamse Toeristische Bibliotheek, nr. 69 (1966), p.
3.
(51)A.
FRANS, Bijdrage tot de studie van de persoonsnamen
te Lier in de 14de en 15de eeuw. Onuitgegeven
licentiaatsverhandeling. Leuven, 1967.
(52)J. DERCON, Bijdrage tot de studie van de persoonsnamen te Herentals in
de 14de en 15de eeuw. Onuitgegeven
licentiaatsverhandeling. Leuven,
1964.
(53)A.M. en J. HELSEN,
Gehuchtnamen in de Antwerpse Kempen.
Nomina Geographica Flandrica, Studie XIII, Leuven, 1978, p.
205.
54Het grondwoord wechel bevat wellicht een etymon dat we ook in wikkelen en wiek aantreffen, bij
Indogermaans weg- ‘binden’, de
takken aanduidend die bij het opzetten van woningen in vlechtwerk
gebruikt werden. Cf. J. DE VRIES, Nederlands
Etymologisch Woordenboek. Leiden, 1971, p. 183.
55Foto's hiervan in: J. HELSEN, Het
landschapsbeeld in de Antwerpsche Kempen. Antwerpen, 1943;
H. DELAUNOIS, Inventaris van de Landschappen, Provincie
Antwerpen. Brussel, 1960.
|
|