|
|
|
| |
| | | |
Naamgevingsfactoren in de Kempische toponymie, geïllustreerd aan
Opglabbeek
| |
0.
In een breed opgezette toponymische studie is veelal een afrondend hoofdstuk
voorbehouden voor een onderzoek naar de semantische velden: de
nederzettingsnamen, waternamen, namen voor bouw- en grasland (grondwoorden
en bepalende bestanddelen), namen voor onbebouwd land met daarbij
aansluitend de ontginningsactiviteit, huisen erfnamen en wegnamen. Duidelijk
blijkt dat er in de Kempen in vele gevallen een enge relatie bestaat tussen
naam en de aspecten bezit, bodemgesteldheid, begroeiing en reliëf. In dit
artikel willen wij eens van het klassieke patroon afstappen en het op een
andere manier aanpakken, in de hoop daardoor wat meer samenhang in de
semantische velden te brengen. Drie belangrijke aspecten vormen voor ons het
uitgangspunt: het fysisch landschap met de eventuele ingrepen van de mens
erop (het water, de opeenvolging loofbos-heide-dennenbos, de verwaaiingen),
de verhouding gemene en private gronden, en de genese van de gemeente. Een
aantal niet-relevante plaatsnamen zal in dit overzicht vanzelfsprekend niet
aan bod komen, of althans niet expliciet. Van belang is het immers in de
eerste plaats de grote lijnen in het naamgevingsproces te onderkennen.
| |
1. Enkele demografische gegevens
Opglabbeek is een Middenlimburgse gemeente
gelegen tegen Genk (Belg.-Limb.). In 1982 telde
de gemeente, die een oppervlakte van 2.498 ha heeft (tot het midden van
de vorige eeuw voor nagenoeg 60% heidegronden), 7.414 inwoners, een
opmerkelijke uitbreiding in vergelijking met de vorige vier eeuwen.
Een goederentelling van 1596(1) geeft voor Opglabbeek 43 woningen, wat met de pastorie en
kapelanie samen een inwonersaantal van circa 225 laat veronderstellen.
Ook het feit dat in 1603 41 gezinshoofden een plaats op de schans - het
gemeentelijke verdedigingswerk opgetrokken tijdens de Tachtigjarige
Oolog (1568-1648) - verwierven, | | | | bevestigt dat met de twee
geestelijken erbij de gemeente uit 43 gezinnen bestond. Een 225-tal
inwoners zijn voor die tijd aanvaardbaar, mede op basis van het
genealogisch onderzoek(2).
Een zekere bevolkingsafname tegen het einde van de 16de eeuw is niet
onwaarschijnlijk. Oorzaken hiervan moeten dan liggen in de teloorgang
van de textielnijverheid, die in de Kempen in de overgang van de
middeleeuwen naar de moderne tijden een betrekkelijke bloei kende, in de
pestepidemie die omstreeks 1578-1579 Opglabbeek en het hele Land van
Loon teisterde, maar vooral in de rampzalige gevolgen van de eerste
helft van de Tachtigjarige Oorlog. In een periode van dertig jaar
stapelden de moeilijkheden voor de gemeente zich op: de plunderingen
door het leger van de prins van Oranje (1568) en de godsdienstige
troebelen in deze periode, de nefaste gevolgen van het beleg van Maastricht (1579) en de vlucht van inwoners van
Opglabbeek naar naburige plaatsen, de zittingen van de Schepenbank van
Opglabbeek in de stad Bree (1583), de Spaanse
muiterijen (vooral tussen 1589-1607), een nieuwe brand in de gemeente en
het vertrek van inwoners naar Bree en Stokkem
(1590), en het Luikse proces over de betaling van de landtaksen, die
vermoedelijk de aanleiding tot de genoemde goederentelling van 1596
waren.
In 1688 telde de gemeente ongeveer 170 kommunikanten, in 1711 circa
200(3), wat omstreeks 240, resp. 280 inwoners
betekent. Dit laatste getal lijkt ons te hoog, ook omdat het
doopregister eerst vanaf het tweede decennium van de 18de eeuw een
aangroei van de geboorten aanwijst.
In 1796 bestond het landbouwersdorp uit 263 inwoners: 185 van 12 jaar of
ouder en 78 kinderen, verdeeld over 59 gezinnen(4). Een
gemiddeld gezin telde vier tot vijf leden.
In 1842-1844 telde de gemeente 99 woningen, een graan- en oliemolen en
een pastorie. Er werden zes kwaliteitsklassen genoteerd, afhankelijk | | | | van het bouwjaar, het materiaal, de grootte, enz.(5) Het gemiddeld
kadastraal inkomen bedroeg 16,30 Fr., een gering bedrag in vergelijking
met vele andere gemeenten waar het gemiddelde meer dan het dubbele van
dat in Opglabbeek bedroeg.
|
klasse
|
aantal huizen
|
kadastraal inkomen
|
| 1 |
1 |
51 Fr. |
| 2 |
3 |
39 |
| 3 |
11 |
30 |
| 4 |
28 |
18 |
| 5 |
46 |
12 |
| 6 |
10 |
6 |
Van de 105 woningen in 1845 stonden er 37 in het Dorp, 32 in Ophoven, 27
in Louwel, 5 op de Hoeve en 4 op de Broekkant.
| |
2. Het fysisch landschap
Het grootste deel van het grondgebied is gesitueerd op het Kempens
Plateau, met absolute hoogten tussen 85 m in het zuiden (de
Grote Heide) en 80 m in het noorden (de Grote
Heide en het Laar). Dit plateau werd
versneden door de Bosbeek, thans een 25-tal meter dieper gesitueerd. De
dalbodem van de Bosbeek is enorm breed ontwikkeld op de linkeroever. Een
rand van 10-35 m, met sterk variërende oriëntatie en gekenmerkt door
relatief zachte hellingen, vormt de overgang tussen het Kempens Plateau
en de dalbodem; deze rand bevindt zich op de overgang tussen het
dominerend weidegebied in de dalbodem van de Bosbeek en de akkers en
bossen op het Plateau(6).
| |
2.1. Het water
| |
2.1.1.
De dalbodem van de Bosbeek(7) is nog steeds een vochtig | | | |
gebied. Dit blijkt o.m. uit het bodemgebruik en de plaatsnamen,
uit de aanwezigheid van moerassige plekken, van moerasplanten in
de weiden, van bodems met venige A-horizonten en van
ontwateringsgrachten(8). Wat de plaatsnamen betreft
hunnen we wijzen op een aantal broeknamen, met
het bestanddeel broek dat, zoals bekend is,
primair ‘moeras’ betekent. Van noord tot zuid, parallel met de
Bosbeek, zijn dit:
| 1) | De Leisenbroeken (kadastraal A 4-36),
heide en moeras(9) tegen de Kattenbeek op de grens met Gruitrode. Het eerste lid is de
familienaam Leisen. |
| 2) | Het Louwelsbroek (kadastraal A 1-13,
37-39) tegen de nederzetting Louwel op de grens met
Gruitrode en Opoeteren. In de oudst
bekende vermeldingen is van de gehuchtnaam Louwel nog een
-er-afleiding gevormd, bijv. 1562 dat Louweler Brock(10). |
| 3) | De alluviale zone langs de Bosbeek bij de twee
Opglabbeekse watermolens, de Dorner- en Slagmolen, is zowel
bekend als Molenbroek (naar de ligging bij
de molens), Nielerbroek (grens-ligging met
Niel) als Oetersbroek. Deze laatste naam
is blijkens de bronnen de oudste, in 1526 vermeld als in geen Oteren(11), de datiefvorm van O(e)ter
(= Bosbeek). Te vermelden is dat Oetersbroek nog in de volksmond bekend is, hoewel de
naam vanaf de 18de eeuw niet meer in de bronnen voorkomt. |
| 4) | Het Groot Broek, Dorper- of Schansbroek (kadastraal A 530, 534, 880, 1136),
een moerasgebied van 54 ha, gelegen bij de Schans en tegen
de Broekkant, resp. het Dorp. Dorper- en
Schansbroek zijn later (18de-19de e.)
geattesteerd dan Groot Broek; in de
volksmond bekend als Dorperbroek. |
| 5) | De Beivaardebroeken (kadastraal A
1387-1439), een heide- en moerasterrein op de grens met Niel
en As, genoemd naar de ligging bij de Beivert, een brug op de Bosbeek(12). |
| | | | | | | |
Met Broek worden veelal drassige heidegronden
aangeduid. In de loop der tijden zijn een aantal broekgronden
door afwateringswerken hooilanden of beemden geworden.
Het moerassige karakter van de vlakte bij de Bosbeek was vroeger
nog meer uitgesproken, zoals o.m. kan worden afgelezen van de
Ferrariskaart (1771/1778) en uit de kadastrale legger (1844),
maar is sterk gereduceerd door een algemene verlaging van de
grondwatertafel in de streek tijdens de jaren zestig van deze
eeuw. Thans vertoont de grondwatertafel opnieuw de neiging tot
stijgen.
| |
2.1.2.
In Opglabbeek stroomden, afgezien van de Bosbeek, ten minste vier
beken, waarvan er twee droog zijn gevallen:
| 1) | De Kattenbeek, in de dalbodem van de
Bosbeek, voor het eerst vermeld in 1511(13), was een grensloop met de gemeente
Gruitrode. Thans staat deze beek droog. - Kat is vermoedelijk een wisselvorm van kade ‘aarden opworp’, waarbij kan gedoeld zijn op
de verhoogde bermen. |
| 2) | De Kleine Beek, ouder Rijt(14)
(Mnl. rijt ‘waterloop’). De naam Kleine Beek is zeker contrastief met (de
grote of brede) Bosbeek. Rijt is in de
Kempen zeer verspreid als waternaam, met in vele gevallen
ook een overdracht van de waternaam op een terrein en/of een
(meestal kleine) nederzetting(15). De Kleine Beek of Rijt loopt
thans nog doorheen Opglabbeek-Dorp, maar eertijds tot in het
gehucht Ophoven(16). |
| 3) | De Kreeftenbeek in het Dorperbroek, in
de dalbodem van de Bosbeek, is een jonge naam, voor het
eerst vermeld op de kaarten van het Militair Geografisch
Instituut. In de 16de-17de eeuw wordt ze in de bronnen
vermeld als Wijerbeek(17), wel een zinvollere naam
dan Kreeftenbeek, vermoedelijk een vervorming van een ander
etymon, dat we evenwel niet hebben kunnen achterhalen. Deze
beek, die doorheen een wijergebied naar de schans leidde,
bestaat niet meer.
|
| | | |
| Volgens de Ferrariskaart (1771/1778) lagen er
tussen de nederzetting de Hoeve en de Kleine Beek of Rijt
zeven wijers en een schans(18). In de vier
grootste wijers is telkens de naam Schansvijver(19) ingeschreven. De
oppervlakte van ieder van de drie grootste wijers bedroeg
volgens de kaart minimaal 10 ha, terwijl de kleinste wijer
nog een oppervlakte van één ha zou gehad hebben. Schanswijer of -vijver
hebben we evenwel niet uit de bronnen opgetekend, wel Schansbroek, naam voor het gebied waarin
de wijers gelokaliseerd zijn en identiek met Dorperbroek en Groot Broek(20). Hoewel de
topografische aanduidingen op de Ferrariskaart niet altijd
juist zijn, is dit gebied terecht als een wijerzone
gekarakteriseerd. Deze wijers werden ongetwijfeld door de
mens aangelegd, vermoedelijk door het afsluiten van
natuurlijke laagten die met bronwater gevuld waren, wat in
Opglabbeek al in het begin van
de 16de eeuw (maar wellicht eerder) moet gebeurd zijn, daar
de eerste vermelding van Wijerbeek, die
toch naar de Opglabbeekse wijers in het Dorperbroek
verwijst, uit 1531 dateert. In tegenstelling tot de
vennen(21), die
voor de viskweek ook ongeschikt zijn, zijn de wijers geen
gemeen maar privaat bezit(22). Verder treffen wij de wijers niet
op heidegronden aan, maar in broekgebieden, nl. in de |
| | | |
| Beivaardebroeken(23),
het Dorperbroek(24) en het
Louwelsbroek(25). |
| 4) | Een beek in de benedenloop van de grote vallei richting
As. Ook deze beek bestaat niet meer; ze liep doorheen een
hooilanden-terrein bekend als Beivaardebeemden (hooiland en heide, kadastraat A
1301-1386), gelegen tegen de Beivaardebroeken(26). |
Waar waterlopen zijn, treffen we ongetwijfeld ook oude namen voor
waterovergangen aan. Vanuit het Dorp vertrekken de Gebelsdijk of
Nielerweg en de Vasenstraat, die via twee voorden of
waterovergangen op de Bosbeek naar het buurdorp Niel leiden. De
ene voord, waarheen de Gebelsdijk of Nielerweg leidt, is de Brede Voord: 1511 Breijvoert(27) > 1529 Beijvort(28) > 1560 Beijvert(29). Een evolutie dus van Breijvoert tot Beijvert, met
dissimilatie, en verdoffing van het tweede bestanddeel. Hoewel
Beivert thans nog in de volksmond bekend
is, wordt deze voord ‘brug’ nu ook Kastersspek
genoemd, naar de ligging bij de Kastersbeemden; het tweede lid
is het bekende spek (spik),
een synoniem van schoor of vonder ‘brug’.
Deze brede voord was ongetwijfeld een nieuwe doorgang op de
Bosbeek, contrasterend met de Oude Voord(30) waarnaar de
Vasenstraat via de nederzetting de Hoeve leidt. Dat het
bestanddeel oud al in 1511 voorkomt, wijst
erop dat ook de Brede Voord of Beivert toen al
functioneel was. Eenmaal wordt de Oude Voord in de bronnen ook
Hornsspek genoemd: een spek ‘brug’ in een
horn ‘hoek’; in de volksmond thans Nielerspek,
een a.h.w. voor de hand liggende naam wegens de ligging tegen de
buurgemeente Niel.
Er waren natuurlijk niet alleen verbindingen met de buurgemeente
Niel, maar ook met de andere
buurgemeenten; voor de bruggen heeft dit niet tot naamgeving
geleid:
| - | De Diepestraat naar Opoeteren (Dorne)
via de Slagmolen op de Bosbeek. - Diep =
laag, i.c. doorheen een depressie waarin ook wijers liggen. |
| | | |
| - | De Heerdstraat naar Gruitrode via de
Kattenput, een bron waar de Kattenbeek ontspringt. - Heerd = herder. |
| - | De Molenstraat (vanuit Louwel) en de
Molenweg (vanuit Opglabbeek-Dorp) naar
Opoeteren (Dorne) via de
Dornermolen op de Bosbeek. |
| - | De Opoetersebaan(31), in het verlengde van de Hoogstraat, naar
Opoeteren via de Kattenbeek. |
Te vermelden zijn hier ook verbindingswegen met enkele andere
buurgemeenten maar via de heide:
| - | De Helchterensebaan via de Grote Heide
naar Wijshagen-Meeuwen en vandaar naar Helchteren. |
| - | De Kimpenstraat of Meeuwerbaan doorheen de heide het Laar naar
Meeuwen (via Gruitrode). |
| - | De Rooierweg via het Laar naar Rooi =
Gruitrode. |
| - | De Asserweg, ook Trichterweg(32)
genoemd, doorheen de Grote Heide naar As en vandaar naar
Maastricht. |
| - | De Zonhoverweg doorheen de Grote Heide
naar Houthalen (via Hengelhoef) en vandaar naar
Zonhoven. |
| |
2.1.3.
Ook de sites van Opglabbeek-Dorp en van de meeste gehuchten
bevestigen het algemeen lokalisatiepatroon van de Kempische
nederzettingen, nl. dat de kernen op de overgang tussen droge en
vochtige gronden werden aangelegd. Waar de mens ook verbleef,
steeds had hij water nodig, voor zichzelf, zijn vee en zijn
gewassen. In het alluvium was het overstromingsgevaar evenwel te
groot. Daarom treffen we de oude sites aan langs een beek op
iets hoger gelegen plaatsen op de valleiflank, ofwel in een
zijvallei. Op dit patroon zijn er ook voor Opglabbeek de
klassieke uitzonderingen, zoals verder blijkt.
| 1) | Woonkernen op de valleirand van de Bosbeek:
| a) | Het gehucht Louwel, S-N gericht
op de valleirand van de Bosbeek, vormt de overgang
tussen het Kempens Plateau en een grote vervlakking
in de Bosbeekvallei. |
| b) | Het gehucht Broekkant, een
uitbreiding bij Opglabbeek-Dorp, ligt naar de kant
of zijde van het Dorperbroek. |
|
| | | |
|
| c) | De Vinkenkant, een kleine
nederzetting met aanvankelijk slechts twee
winningen, is tevens een uitbreiding van
Opglabbeek-Dorp naar het Dorperbroek toe. |
In de nederzettingen Louwel, Broek- en Vinkenkant
dienden de bewoners zich zeer waarschijnlijk van bij de
aanvang van waterputten te bedienen. |
| 2) | Woonkernen op de valleirand van de Kleine Beek of Rijt:
| a) | Opglabbeek-Dorp. Op, zoals in
Ophoven, duidt op de iets
hogere ligging dan de nederzettingen op de
valleirand van de Bosbeek. |
| b) | Ophoven, letterlijk ‘de hoger
gelegen hoven (= winningen)’ is een naam die voor
zichzelf spreekt. Eertijds had de Kleine Beek nog
een permanente loop tot stroomopwaarts Ophoven,
zodat er ook daar nog beekwater voorhanden was. Het
gehucht bezat ook een - weliswaar klein -
hooilandgebied, tot 1700 vermeld als Ophovenderbroek(33). Na 1700 wordt dit
hooilandgebied niet meer vermeld, wat zeker te maken
heeft met het feit dat het bovenste deel van de
Kleine Beek of Rijt droog is gevallen. |
Merkwaardig is dat de zijvallei richting As, in
tegenstelling met het dal van de Kleine Beek of Rijt,
onbewoond is gebleven, wat ongetwijfeld is toe te schrijven
aan de afwezigheid van een belangrijke beek in deze tweede
vallei(34). |
| 3) | Uitzonderingen op de klassieke Kempense patronen:
| a) | De Hoeve, een afgezonderde
nederzetting, is volledig in de vochtige dalbodem
gesitueerd. |
| b) | Het Roeks- en Stegereinde, twee zuidelijke uitlopers van
het gehucht Ophoven naar de Grote Heide op het
Kempens Plateau. |
|
| |
2.2. Loofbos - heide - dennenbos
Wie van Kempische landschappen spreekt, denkt in de eerste plaats aan
uitgebreide heidevelden. Daarvan zijn er in de Kempen, ook in
Opglabbeek, slechts enkele schamele restanten overgebleven. Tot in
de 19de eeuw was het akkerland - een aaneensluitende gordel rondom
de woonkernen - volledig omgeven door weidse heidevelden, hier en
daar afgewisseld met kleine eikenbossen. Ook in de beekvalleien | | | | was er nagenoeg geen bos meer; wel onderbrak een klein
elzenbroek plaatselijk de valleigraslandjes.
Mettertijd had zich op de Kempense zandgronden een duurzaam evenwicht
ontwikkeld tussen de mens en zijn omgeving, in die zin dat hij zijn
milieu optimaal wist te benutten. Hij had zich namelijk volledig
aangepast en een gesloten landbouweconomie ontwikkeld die steunde op
heiden, schapen en stalmest. We spreken van potstaleconomie. Op het einde van de 18de eeuw, toen de
potstaleconomie op een hoogtepunt was, kan men op de Ferrariskaart
zeer goed zien - een aantal fouten en foutjes niet te na gesproken -
hoe nederzettingen, heidevelden, akker- en hooilanden ten opzichte
van elkaar lagen en hoe dat alles gestructureerd was.
Een verschil met het Subboreaal, 3.000 jaar eerder, is opvallend. De
nederzettingen lagen toen als kleine open plekken in het bos, in de
18de eeuw lagen ze omringd door heggen en houtwallen tegen een open
heide.
Het heidegewas wordt beschouwd als een semi-natuurlijke plantengroei,
die zich ten nadele van het natuurlijke bos (het linde-eikenbos)
heeft uitgebreid. Door gedetailleerd pollenonderzoek van fossiele
stuifmeelkorrels in de Kempen, uitgevoerd door A.V.
Munaut(35), is heel wat over de uitbreiding van de
heide bekend; we gaan hierop thans niet in extenso in.
De opeenvolging in vegetatie voor de zgn. vage gronden is steeds bos - heide - eventueel en heel recent dennenbos.
| |
2.2.1.
De opeenvolging loofbos - heide weerspiegelt
zich ook in de bodemprofielen en in een aantal plaatsnamen.
| |
1) Bodemprofielen
Onder loofbos ontwikkelt zich een ijzerpodzol, onder heide
een humuspodzol. Deze humuspodzol ontwikkelde zich dikwijls
in de ijzerpodzol die geleidelijk werd ‘opgevreten’
(geoblitereerd); zulke gesuperponeerde bodem noemt men een
humusijzerpodzol. Het type bodem dat we aantreffen leert ons
bijgevolg iets over de vegetatiesuccessie (steeds loofbos,
steeds heide of heide na loofbos), maar het leert ons ook
iets over de relatieve ouderdom van het oppervlak waarin de
bodems zijn gevormd. Zo was het mesolitisch site van | | | | Opglabbeek-Ruiterskuil bedekt door een
humus-ijzerpodzol(36): dit betekent dat tijdens en/of na de
occupatie op het site een bos groeide of ontwikkelde dat
later door de heide werd vervangen, thans bekend als Grote Heide.
| |
2) Plaatsnamen
Een heel pakket nederzettingsnamen maar ook terrein- en
perceelsnamen bevat o.m. de elementen hout
en lo, die beide ‘bos’ betekenen. Dit zou
kunnen betekenen dat er ook nog in de late middeleeuwen
aanzienlijk veel loofbos in de Kempen moet geweest zijn.
M.i. is deze zienswijze het gevolg van een te sterk geloof
in een vaste betekenis van toponymische bestanddelen; we
moeten rekening houden met semantische ontwikkelingen, bij
hout en lo bijv. van
hoog opgaand tot laagstammig bos(37). Vele vragen
zullen op dit vlak wel voor altijd onopgelost blijven; als
de geschreven bronnen beginnen (in het beste geval 13de-14de
eeuw), is de heide er al.
Het tweede lid van de Opglabbeekse gehuchtnaam Louwel(38) is de verdofte vorm van lo
‘bos’: dit bos moet een elzenbos geweest zijn, te situeren
bij het Louwelsbroek in de dalbodem van de Bosbeek. Andere
Opglabbeekse lo-namen betreffen percelen:
de Lobeemd(39) in de Beivaardebeemden, en de Lokamp(40), 4 ha 25 a (bouwland, heide en dennenbos) op het
Einderveld tegen de heide het Laar. We betwijfelen of lo in beide gevallen nog aan het vroegere
loofbos refereert; m.i. heeft lo hier
betrekking op laagstammig bos. Een interessant toponiem is
de Groenstraat, ook vermeld als Groenweg en als Lostraat(41). Lo en groen zijn hier
synoniemen! Deze weg leidt van het gehucht Ophoven naar de
Grote Heide, het vroegere loofbos. Als ‘groen’ hier als
‘bos’ mag geïnterpreteerd worden, vormt deze straatnaam een
merkwaardig relict.
| |
2.2.2.
Tot in de 19de eeuw was het akkerland volledig omgeven door
heidevelden: de Grote Heide (in 1850 ca. 1100
ha), het Laar (208 ha), | | | | de Hoeverheide (101 ha) en het Heike (14 ha); beide laatste natte heidegronden in de
Bosbeekvallei.
Zoals elders in de Kempen was ook in Opglabbeek Heide de gangbare naam geworden voor de open vlakten
begroeid met het heidekruid. Een uitzondering is de naam het Laar, waarvan de etymologie niet vaststaat.
Het hele heidecomplex werd - vooral op papier - ook Gemene Heide(42) en Gemeente(43) genoemd; gebruikelijker was wel Glabbekerheide(44), een nog in de volksmond levende naam.
In de heide treffen we een hele reeks gesloten laagten aan,
gaande van kommen met weinig dopheide(45), over kommen met uitsluitend dopheide tot de
prachtige vennen, kommen die permanent met water gevuld
zijn(46).
Het niveau van de algemene grondwatertafel in het Opglabbeekse
vennengebied bevindt zich circa 5 m onder de oppervlakte. De
oorzaak voor de aanwezigheid van water in de vennen - eertijds
wellicht nog grondwatervennen(47) - is het lokaal voorkomen van
een ondoordringbare laag, nl. een ijzeroerlaag (klip) of iron
pan, op geringe diepte onder de venbodem. Deze ijzeroerlaag
houdt plaatselijk het voedselarme regenwater op. Zulke vennen
zijn ongeschikt voor de viskweek(48), in tegenstelling met wijers(49).
Het feit dat er in de vennen een watervrije zone tussen het
venwater en de eigenlijke grondwatertafel voorkomt, was in
landbouwmiddens bekend. Tijdens Wereldoorlog II heeft men
getracht het Opglabbeekse Turfven droog te
leggen, met het doel het met rogge te te bezaaien. | | | |
Dit gebeurde door het graven van gaten in de bodem om het ven te
laten leeglopen. Nadien werden grachten gegraven - enkele zijn
nog zichtbaar - om de geplande drooglegging te bespoedigen. Dit
plan werd uiteindelijk niet gerealiseerd, maar men mag
veronderstellen dat de wateroppervlakte van dit ven werd
gereduceerd. Het plan voor drooglegging van het Turfven hoeft
ons niet te verwonderen; de vochtige heide was uiteraard
geschikter voor landbouw dan de droge heide.
| |
2.2.3.
Vanaf het einde van de 18de eeuw komt het bestanddeel bos voor in de betekenis dennenbos. De eerste dennenbossen in de Kempen werden
op het einde van de 18de eeuw aangeplant, gestimuleerd door het
Oostenrijks bewind. Dennenaanplanting werd toen als dé
ontginningsmethode voor de Kempen beschouwd. De eerste
Opglabbeekse dennenbossen zijn het Armenbos of
Groot Bos (vermeld in 1807) en het Kerkenbos of Nieuw Dennenbos
(vermeld in 1785), beide gelegen in de Ophovenderbossen tegen de
Grote Heide, evenals het Gemeentebos (eerst
vermeld in 1846 maar ook aangelegd op het einde van de 18de
eeuw). Uit de namen blijkt dat deze eerste aanplantingen op
kleine schaal(50) gebeurden op initiatief van de gemeente,
de Armentafel en de Kerkfabriek. Wat het Kerkenbos betreft maakt de kerkrekening van 1776 voor het
eerst gewag van dit dennenbos: kosten voor het omgrachten van
het stuk, aankoop van dennezaad e.d. In februari 1790 werd het
bos voor de eerste maal gesleund, wat 2.680 mutsaards opleverde,
verkocht tegen 1 gulden 15 stuivers per honderd.
Kort na deze proefaanplantingen volgde een aanzienlijke bebossing
van twee heideterreinen die vanaf 1844 bekend zijn als Ophovender-en Roekseinderbossen, naar hun ligging achter de
nederzettingen Ophoven en Roekseinde (subentiteit van Ophoven).
Het betrof geen bebossing van gemene gronden maar van
heidevelden in privaat bezit. Ook een aantal ingezetenen zijn
dus in het begin van de 19de eeuw tot bebossing van
heidepercelen overgegaan.
Een derde fase in de bebossing van heidegronden had plaats na
1847, toen een wet de ontginning van alle zogenaamde woeste
gronden verplicht maakte. Zo werd de uitgestrekte Grote Heide in
Opglabbeek a.h.w. stelselmatig
bebost, niet alleen door de gemeente maar ook door | | | |
partikulieren; om de gemeenteïnkomsten te vergroten bood het
gemeentebestuur immers regelmatig grote kavels uit de heide te
koop aan. Door de grote vraag naar mijnhout in het begin van
deze eeuw werd de bosbouw een bloeiende onderneming.
| |
2.3. Verwaaiingen
De duinen, ook zavelbergen(51) genoemd, ontstonden als gevolg
van verwaaiingen in periodes dat het zand bloot lag. Daar in de
Kempen de voorwaarden betreffende winderosie en erosiegevoelig
materiaal steeds aanwezig zijn, zullen er verwaaiingen optreden
telkens als het beschermend plantendek ontbreekt. Het ontbreken van
een vegetatiedek kan het gevolg zijn van natuurlijke degradatie (de
Laat-glaciale duinen, 15.000 tot 10.000 jaar geleden) of van
menselijk ingrijpen (de middeleeuwse duinen).
Achter Opglabbeek-Louwel op de grens met Gruitrode strekt zich een duinmassief van 5 à 6 km lengte en
500 m breedte uit, dat in historische tijden o.i.v. ZW-winden is
opgebouwd. Hoewel dit duinmassief slechts voor een klein gedeelte op
het grondgebied van Opglabbeek ligt, is al het duinzand vanaf het
grondgebied van Opglabbeek opgewaaid. Vóór de aanplantingen van
dennenbossen was het duinmassief nog vrijwel integraal actief. Thans
zijn de vegetatieloze delen van het massief nog aan actieve
windwerking onderhevig.
In het noorden van het gehucht Louwel, op de grens met Gruitrode en
tegen het genoemd duingebied, ligt het goed Berger, een naam die voor zichzelf spreekt, want het is een
-er-afleiding van berg
‘zavelberg’. In de oudst bekende vermeldingen duidt een
voorzetselconstructie duidelijk op de ligging tegen de zavelbergen
of duinen: 1533 den Hoff aen die Berghe(52); 1581 den Hoff aen
die Berge tot Louwel, reeng. dije
Savelberge(53). Recenter is de
-er-afleiding: 1667 den Bergher
Hoeff(54); 1754 te Berger(55).
Het herkomstgebied van de grote massa van duinzanden achter
Opglabbeek-Louwel dienen we te zoeken in het akkergebied van
Opglabbeek. Naarmate de Opglabbeekse akkeroppervlakte in oostelijke
| | | | richting toeneemt, worden de duinen in het
noordelijk verlengde van dit akkercomplex het hoogst. De oorzaken
van deze verzwaaiingen zijn het gevolg van overbegrazing, van
uitputting van de gronden, van een te frekwent plaggen(56) en van
een onoordeelkundige uitbreiding van het akkerareaal. Wat dit
laatste betreft kunnen we erop wijzen dat heel wat bouwlandterreinen
blijkens hun naam (bijv. Nieuwe Kamp, Vreeveld) en
hun site, met name een concentrische uitbreiding naar de heide toe
(het opvallendst in het Ophovender- en Einderveld), ontginningen uit de late middeleeuwen
maar mogelijk ook recenter zijn.
Het historisch duinmassief achter Opglabbeek-Louwel is vergelijkbaar
met de stuifzandmassieven in de Veluwe, volgens Koster voor het merendeel ontstaan na 1150 à 1250(57).
Deze conclusie bevestigt de mening van Slicher van
Bath(58),
volgens wie de 12de, 13de en de eerste helft van de 14de eeuw door
een spectaculaire bevolkingsaangroei en grote ontginningsactiviteit
werden gekenmerkt. Deze visie zouden we voor Opglabbeek maar al te
graag bevestigd willen zien, maar daarvoor ontbreken de bronnen, op
één uitzondering. Blijkens twee oorkonden die op het Rijksarchief in
Hasselt berusten, kregen de ingezetenen van Opglabbeek van hun
grondheer (de graaf van Loon) de toelating om resp. 100 en 120
bunders (samen ca. 200 ha) vroonte of gemene grond te ontginnen, dit
op 14 februari 1341 en op 28 mei 1353. In de oorkonde d.d. 14
februari 1341 wordt deze vroonte die Burct
genoemd, een collectief van burk of berk: berkenbos; in de tweede
oorkonde Bern- en Boernhese. Wat
deze tweede naam betreft is het eerste lid vermoedelijk de stam van
Mnl. bernen (bornen) ‘branden,
van land: afbranden’, en het tweede lid hees
| | | | ‘struikgewas, kreupelhout’. Beide namen leven niet meer
verder, zodat we deze terreinen niet hebben kunnen identificeren,
wat zeer jammer is in het perspectief van de relatie ontginning -
zandverstuiving.
| |
3. Gemene versus private gronden
De heide- en broekgronden vormden een open landschap, al kon het
gemeentebestuur delen ervan tijdelijk palen of afsluiten, o.m. om een
overdreven heide maaien en plaggen tegen te gaan.
In tegenstelling met de gemene gronden waren alle private gronden in
levend hout geheind. Op het jaar- of voogdgeding, telkens in de maand
januari, als de jaarkeuren werden bekrachtigd, werden de ingezetenen
eraan herhinnerd dat zij hun landerijen dienden te heinen of tevreden.
In 1563 bleven veel Opglabbekenaren in gebreke tegenover de bepaling dat
alle onderdanen van de Schepenbank hun landerijen solden
opgraven (= in houtwallen leggen), stoppen ende
vreen (= afsluiten), ende ynen hecken ende
specken (= bruggetjes voor het vee) hanghen solden
binnen XIIII daghen(59). Op gevrede gronden
mocht niemand schapen hoeden, heide maaien, heide of gras steken en mest
rapen. In 1566 werd Hub. Gommers gedaagd, omdat hij op gevrede of
afgesloten heide had gemaaid; hierop stond een boete van 5 1/2 stuivers,
en het dubbele als de overtreding 's nachts gebeurde(60).
De meeste landerijen waren individueel geheind (de kampen en huisvelden bij de woningen en de kampen in veldcomplexen), ofwel collectief (het
grootste deel van het Einderveld en het Hoogveld,
beide achter de nederzetting Louwel tegen de heide het Laar). De
individueel geheinde percelen zijn eerder blokvormig, de collectief
geheinde daarentegen strookvormig. Opvallend zijn vooral de vele kampen
in het bouwlandgebied rond de nederzetting Ophoven (Kimpenveld, Lang Veld, Ophovenderveld, Roekseinderveld en Stegereinderveld), wat wijst op een intense
ontginningsactiviteit in dit gebied. Ook de hooilanden waren geheind, al
zijn de houtwallen hier minder individueel opvallend; eerder werden
grotere terreinen afgesloten. Dé gangbare benaming voor alluviaal land
was beemd, dial. bampt, waarvan de
grondbetekenis afgesloten ruimte is, in mindere mate en secundair broek, dat eigenlijk moeras betekent.
| | | |
Buiten Kamp en Beemd wijzen de
elementen van een aantal toponiemen duidelijk op geheind land, zoals Heg(ge)par (Mnl. parre, perre
‘besloten ruimte’), Meer (bij meren
‘palen, heinen’) en Vreeheide of Vreeveld (Mnl. vrede ‘omheining, besloten
ruimte’ bij vreden ‘afsluiten, omheinen’).
Het heinen van de landerijen had een symbolisch-juridische functie: kocht
b.v. iemand een stuk heidegrond, dan was het zijn eerste plicht het stuk
in een houtwal te leggen, ten teken van privatisering. Daarnaast hadden
de houtwallen ook een praktische functie: winderosie tegengaan en
houtvoorziening.
Het gros van de samenstellingen zijn van het type fn. + beemd, kamp,
enz.: Bampsbeemd, Drogenbroek, Biersdries, Engelenhaag,
Aartshouw, Branskamp, e.a. Bezitsaffirmatie is dus veruit
dominant.
| |
4. Genese van de gemeente
| |
4.1. Het individuele erf als
basiscomponent
Het individuele erf, eertijds een volledig door houtwallen besloten
en daardoor afgezonderd domeintje, is de primaire nederzettingsvorm.
In de 16de eeuw telde Opglabbeek iets minder dan 50 erven; van de
17de tot de 19de eeuw zou dit aantal geleidelijk toenemen tot 114,
voornamelijk als gevolg van erfdelingen, met het gevolg dat deze
erven ook in oppervlakte verminderden.
We spreken dus best niet van huizen of boerderijen, eerder van erven;
een wellicht nog betere term is nederzettingen, wat met taalkundige
argumenten te ondersteunen is. Voor dit laatste is er voor Opglabbeek - en ook andere gemeenten in
oostelijk Limburg - de gelukkige omstandigheid, dat de individuele
erven vrijwel alle een naam dragen: wat de 16de-eeuwse laag betreft
zijn deze erfnamen voor meer dan 80% afgeleid van familienamen (type
Engelen, Martens), de namen van de families
die deze erven toen bezaten. Enkele erfnamen zijn van geografische
aard, nl. -s- en -er-afleidingen
van de grondwoorden bampt ‘beemd’ (Bamps), beek
(Beeks), berg (Berger),
broek (Broeker) en steeg (Steger); deze namen vertellen ons iets over het site van de
vijf erven(61).
| | | |
Uit de bronnen blijkt dat deze erfnamen tot omstreeks 1800
verbindbaar zijn met de voorzetsels te/tot, evtl.
op, net zoals de gehuchtnamen. Na 1800 treedt
geleilijk het vertrouwelijke bij meer op.
| |
4.2. De primaire gehuchten
| |
4.2.1. De scheperijen
Zoals bekend behielden de oude buurtschappen of kwartieren binnen
de latere gemeente (en parochie) een grote zelfstandigheid, wat
tot uiting kwam op bestuurlijk gebied (vertegenwoordigd door een
burgemeester), financieel gebied (inning van de grondbelasting)
en economisch gebied (de beschikking over een weideplaats of
-gang).
De indeling in scheperijen(62) was economisch en
berustte op een rationeel gebruik van de voorhanden zijnde
weideplaatsen voor schapen en hoornvee; deze weideplaatsen waren
tot in de eerste decennia van deze eeuw in de Kempen de
heidevelden. Synoniemen van scheperij zijn heerdgang(63), heer(d)wagen(64) en heerdschap(65), waarin telkens als eerste lid heerd, in de Kempen de gangbare naam voor (koe-,
schaaps-) herder naast schaper, dial. scheper. In samenstellingen met heerd wordt de d veelal
uitgestoten(66).
In de Opglabbeekse bronnen wordt tot op het einde van de 16de
eeuw melding gemaakt van drie scheperijen, nl. Dorp, Louwel en Ophoven. Dit zijn tevens de oudste of
primaire nederzettingen (cf. 4.2.2); jongere of secundaire
nederzettingen (cf. 4.3) werden bij een bestaande scheperij of
heerdgang gevoegd(67). In 1551 wordt pro memorie vermeld
dat de scheperijen in Opglabbeek een traditie van meer dan 340
jaar zijn, zodat we hieruit kunnen afleiden dat ze al in de 13de
eeuw bestonden.
Uit een fragment van de Opglabbeekse schepenrollen (1551-1553)
blijkt dat alle erfhouders die onder één scheperij hoorden, de
(wellicht door hen aangestelde) scheper gemeenschappelijk
dienden te onder- | | | | houden. Omdat Lenart Hermans onder
‘den Dorpper scheperyen’ hoorde en zijn schapen ‘alle tyt met
den Dorperen scheeperyen gegangen hebben’, eisten de naburen van
de scheperij het Dorp van Lenart Hermans ‘gheborsschap’. Dit
gebuurschap(68) hield de
verplichting in de buurtschapsherder loon en voedsel te
verstrekken samen met de andere naburen. De momber(69) van de
naburen van de scheperij Louwel eiste in 1563 van Jacob Leyssen,
ingezetene van Louwel, 27 stuivers omdat deze hem ‘ghen
geborsschap en heeft willen halden’(70), eraan toevoegend dat hun
scheper ‘een ghemeynnen schepper vanden ganssen naboren tot
Louwel was’(71).
Tot omstreeks 1600 mocht niemand een eigen herder in dienst
nemen, wat in de loop van de 17de eeuw wel het geval was. Vóór
de 17de eeuw werden ook meer schapen gehouden dan nadien, wat
verband houdt met een relatieve bloei van de lakennijverheid,
die door de 80-jarige Oorlog evenwel teloorging.
| |
4.2.2. De nederzettingen
De kernnederzettingen binnen een Kempense gemeente vallen samen
met de scheperijen zoals in Opglabbeek, elders met de
heerdgangen of -wagens zoals bijv. in Zonhoven(72).
| |
A. Opglabbeek-dorp
De nederzettingen Neerglabbeek(73) en Opglabbeek, die tijdens het Ancien Régime een
schepenbank vormden, zijn blijkens hun naam genoemd naar de
ligging bij een ‘glanzende, glinsterende beek’ (= de
Bosbeek). Opglabbeek-Dorp ligt evenwel, evenals het gehucht
Ophoven, in het dal van de Kleine Beek of Rijt, iets hoger
(vandaar op-) dan bijv. de nederzetting
Louwel (in de dalbodem van de Bosbeek).
| | | |
De oudst bekende vermelding die op beide Glabbeken slaat, is:
1219 ... ius patronatus ecclesiarum tam inferioris quam
superioris ville que dicitur Glatbeke(74). In latere vermeldingen: 1) de
geassimileerde vorm Glabbeek, 2) en met
toevoeging van de onderscheidende bestanddelen op = hoger vs. neer = lager: Op- en Neerglabbeek.
Opglabbeek wordt in de bronnen dikwijls als Glabbeek vermeld; ook in de volksmond is
het [γlabək], terwijl het onderscheidend bestanddeel van
Neerglabbeek nooit werd (wordt) weggelaten.
De Bos- of Molenbeek
heette eerder 1) Glabbeek en 2) Oeter/*Askā. Beide laatste namen zijn
formeel de oudste(75). Zowel Glabbeek (Neeren
Opglabbeek), Oeter (Neer- en Opoeteren)
als *Askā (As)
werden overgedragen op nederzettingen en hielden op te
functioneren als waternamen.
| |
B. Louwel
De oudst bekende vermelding van deze oude nederzetting is:
1295 in loco qui dicitur Loule(76). Nadien vrijwel steeds Louwel, in de volksmond [en lø̣wəl].
Formeel is Louwel een tweeledige naam, waarvan het tweede lid
-el de verdofte vorm is van lo ‘bos, eigenlijk: open plaats in een
bos’ (Du. Lichtung, Fra. clairière), zoals in overtalrijke
Kempense nederzettingsnamen (type Eksel,
Lommel e.a.). Bedoeld is hier een
elzenbos in de Bosbeekvallei.
Het eerste lid louw is vermoedelijk
Nederlands luw en lij(77), Middelnederlands luw
‘beschut tegen de wind’. De betekenis van Louwel is dan te omschrijven als ‘beschutte
(zonnige) plaats of woning(en) in een open plaats van het
bos’, circa 15 m lager dan het Plateau en 5 m hoger dan de
Bosbeekvallei.
| |
C. Ophoven
De oudst bekende vermelding is: 1549 tot
Ophoven(78). Ook nadien steeds Ophoven,
soms Ophoeven.
Ophoven, in de volksmond [en ǫphy̅əvə], is
een samenstelling van op ‘hoger gelegen’
(zoals in Opglabbeek) en hoven, datief meervoud | | | | van hof ‘woning, boerderij’. Zoals
Opglabbeek-Dorp bevindt het site van deze nederzetting zich
in het dal van de Kleine Beek of Rijt. Aan de westzijde
wordt het begrensd door het Ophovenderveld, een bouwlandterrein, en daarachter de
Ophovenderbossen, een heide- en
dennengebied. Verder situeert zich de Grote
Heide, het hoogste gebied binnen de gemeente.
| |
4.3. Jongere of secundaire nederzettingen,
resp. uitbreidingen
Een aantal nederzettingen bestempelen we als secundair, wat daarom
niet wil zeggen: ‘zeer’ jong of recent. In principe kunnen ze al uit
de late middeleeuwen dateren. Wel beschouwen we ze als jonger en dus
secundair ten opzichte van de drie kerngehuchten Opglabbeek-Dorp,
Louwel en Ophoven. Op deze secundaire status wijzen een drietal
factoren:
| 1) | Naar hun site blijken deze nederzettingen, behalve Hoeve, uitbreidingen of uitlopers van
kerngehuchten te zijn: Broekkant en Vinkeneinde of -kant bij het
Dorp, Roeks- en Stegereinde
bij Ophoven. De nederzetting Hoeve komt in
geïsoleerde positie voor. |
| 2) | Het lokaliserend voorzetsel bij deze nederzettingsnamen is
steeds op, terwijl ze ook met het lidwoord
verbonden worden: op de Broekkant, op de
Hoeve, enz. De namen van de kernnederzettingen anderzijds
worden verbonden met in (historisch ook met
tot en te) en hebben
geen lidwoord: in Louwel, in Opglabbeek, in
Ophoven. Hier hanteren we dus linguïstische criteria om
oudere van jongere nederzettingsnamen te onderscheiden(79). |
| 3) | Namen op -einde en -kant
zijn zeer jong geattesteerd. Vgl. volgend tabelletje op basis
van de eerste vermeldingen:
| Opglabbeek |
1219 |
Hoeve |
1549 |
| Louwel |
1295 |
Stegereinde |
1673 |
| Ophoven |
1549 |
Vinkenkant |
1695 |
| Broek(kant) |
1549 |
Roekseinde |
1844 |
De kerngehuchten worden het eerst in de bronnen
vermeld. Nochtans is het verband tussen het ontstaan van een
nederzetting en de eerste vermelding in de bronnen zeer
betrekkelijk. De redenen hiervoor zijn: |
| | | |
|
| - | Het ontbreken van (doorlopende) bronnen vóór 1500.
Gelukkig zijn er voor Opglabbeek enkele charters in het archief van de
abdij van Averbode, waardoor we op het spoor van de
13de-eeuwse vermeldingen voor Opglabbeek en Louwel zijn
gekomen. |
| - | Ook in de bronnen na 1500 worden bestaande
nederzettingen soms vrij laat voor het eerst vermeld,
zoals Roeks- en Stegereinde en Vinkenkant. Het eerste
lid is hier telkens een erfnaam die zeker al omstreeks
1500 bestond. |
Als we tot een opsplitsing in primaire en secundaire
nederzettingen komen, gebeurt dit in se niet op grond van
bronvermeldingen. Drie andere criteria zijn veel belangrijker:
historisch-economische (indeling in scheperijen), geografische
(hun site) en taalkundige (gebruik van voorzetsel en
lidwoord). Is er een hypothetische datering voor deze
secundaire nederzettingen? Naar onze mening zijn ze grotendeels
in verband te brengen met een bevolkingstoename gepaard met een
ontginningsactiviteit in de 12de-14de eeuw die ook tot
verwaaiingen heeft geleid, maar daarover hebben we het eerder
gehad(80). |
| |
A. Broekkant
In de 16de eeuw vier winningen (Beeks, Broeker,
Gommers en Ooms), gelegen langs de
Broekkanterstraat naar de zijde van het
Dorperbroek, een moerasgebied van 54 ha,
ook vermeld als Groot Broek en Schansbroek.
Twee van de genoemde erven hebben een naam die in relatie staat
tot de ligging tegen het broek aan de Kleine Beek, nl. Beeks, een -s-afleiding van
beek (= Kleine Beek), en Broeker, een -er-afleiding van broek (= Dorperbroek c.s.).
Aanvankelijk wordt deze kleine nederzetting, een uitbreiding van
Opglabbeek-Dorp, omschreven als op het
Broek(81).
Broekkant [ǫpə 'brōkānt] wordt eerst in de
19de-eeuwse bronnen vermeld.
| |
B. Hoeve
Deze nederzetting, volledig in de vochtige dalbodem gesitueerd,
vormt een uitzondering op het Opglabbeeks en Kempens
nederzettingspatroon | | | | (d.i. tussen de droge en
vochtige gronden). De oudst bekende vermelding dateert uit 1549:
Huijss ende hooff geleghen opghen Hooffe(82). Nadien Hoeve (Hoef), in de volksmond [ǫpə hōf] maar ook [ǫpə
'hōfkan̅t], deze laatste formatie analoog naar Broek-, Steger-
en Vinken-kant.
In de 16de eeuw lagen hier slechts twee winningen, nl. Bamps, een -s-afleiding van
bamp(t) = beemd (naar de ligging tegen een
hooiland-terrein aan de Bosbeek), en Hoeve
(Hoef), de basisnederzetting. Wellicht
heeft er vóór de 16de eeuw al een deling plaatsgehad.
Zoals nog uit 19de-eeuws kaartmateriaal blijkt, was de Hoeve een
vrijwel afgezonderde nederzetting tussen gemene gronden (het Dorperbroek en de Hoeverheide), ten oosten grenzend aan de Bosbeekvallei (de
Ouwerdebeemden). Op deze geïsoleerde positie wijzen ook
vermeldingen m.b.t. het erf de Hoeve, bijv.
1671 hoeff (= hier ‘hof, winning’) genaempt de
Hoeve ‘rontsom in de gemeijnte gelegen’(83).
Hoeve, vanaf de 16de eeuw enkel bekend in de
betekenis van boerderij, heeft hier nog de oorspronkelijke
betekenis van oppervlaktemaat, Oudnederlands *hova, Middelnederlands hoeve, hove, hoef
(in het Latijn mansus). Een hoeve was de
oppervlakte land nodig voor een kolonist (één gezin). De
gezamenlijke oppervlakte van de twee erven Hoeve en Bamps bedroeg op het einde van
de 18de eeuw 25 bunders 395 roeden of ca. 21,5 ha (1 bunder =
voor Opglabbeek 84 a 48 ca); deze 21,5 ha oppervlakte komt
nagenoeg overeen met een laatmiddeleeuwse hova of mansus,
waarvan de oppervlakte evenwel van streek tot streek kan
verschillen, o.m. bepaald door de kwaliteit van de grond.
De Opglabbeekse Hoeve is qua ligging en grootte nagenoeg
vergelijkbaar met die onder Wijchmaal
in Noord-Limburg(84). Beide
nederzettingen zijn ook nooit het bezit geweest van een abdij of
klooster, wat elders in de Limburgse Kempen wel het geval was:
de Hoef in Hechtel
(abdij van Averbode), de Hoeven in Overpelt (abdij van Floreffe), de Grote Hoef in Lommel
(abdij van Averbode), Hengel- en Kelchterhoef in Houthalen
(abdij van Floreffe)(85).
| |
| | | |
C. Roekseinde
Roekseinde [ǫpt 'rōksẹn] is als zodanig eerst
vermeld op kadastrale documenten, voor het eerst in 1844. Deze
entiteit is een zuidwestelijke uitloper van het kerngehucht
Ophoven en telde aanvankelijk (volgens gegevens uit het begin
van de 16de eeuw) zeven winningen, waarvan de namen van
familienamen zijn afgeleid: het Jannis, het
Kuipers, het Martens, het Oijen, het Roeks, het
Schrijvers en het Teeuwis.
De nederzetting ligt tegen het Roekseinderveld
(akkerland, vnl. kampen), waarachter de Roekseinderbossen (heidevelden en
dennen-aanplantingen), het geheel vrijwel afgezonderd in de
heide.
Roekseinde betekent letterlijk: ligging op het
einde ‘uiteinde’ van (het erf) het Roeks; het meest zuidelijk gelegen erf is
evenwel het Teeuwis, maar het
Roeks was wel het grootste (21 bunders).
| |
D. Stegereinde
Deze zuidoostelijke uitloper van Ophoven telt vier erven (het Hermans, het Klissen, het Schas en het Steger), gelegen aan het Stegereinderveld tegen de heide. Analoog met
Roekseinde is ook deze subentiteit genoemd naar een
grenssituatie tegen de heide, mat als eerste lid de erfnaam Steger, een -er-afleiding
van steeg ‘smalle weg’; dit goed is al vermeld
in het begin van de 16de eeuw.
De oudst genoteerde vermelding van deze entiteit is: 1673 goet
int Steger Eijnd gelegen(86). In de volksmond [ǫpt 'stẹ̄γərẹn].
Thans horen wij ook wel eens Stegerkant, met
het produktieve element -kant.
| |
E. Vinkenkant
De oudste vermelding is een -einde-naam: 1695
Coussen goet gelegen opt Vincken Eijnde(87). Gangbaar in de volksmond is thans evenwel Vinkenkant [ǫpə 'veŋkəkānt].
Deze uitbreiding van Opglabbeek-Dorp telt twee erven: het Koesen en het Vinken,
beide begin 16de eeuw vermeld.
| |
4.4. Het dorp en de gemeente
Zoals de meeste Kempense gemeenten behoort Opglabbeek tot het type
van de kerspelen(88): het Dorp bij de parochiekerk en daarrond
| | | | - soms op een grote afstand - de overige gehuchten
die samen met de dorpskern de gemeente en de parochie vormen.
Dorp wordt de jongste tijd niet goed onderscheiden
van gemeente en parochie, wat
ten zeerste verwarrend is, want deze drie termen doelen telkens op
iets heel anders. Het Dorp in de Kempen is de plaats bij de
parochiekerk, meestal met de woningen rondom een plein, waarin al
dan niet een waterpoel. Frankomanen spreken altijd over een
‘Frankische driehoek’, als ze het over een Kempens dorpsplein
hebben. Dat plein is niet altijd driehoekig, en als het driehoekig
is, heeft dit meer te maken met de wegenaanleg dan met de Franken.
Waar men ook over de zgn. ‘Frankische driehoek’ spreekt of schrijft,
een afdoende verklaring wordt nooit gegeven(89).
De term gemeente staat in secundaire relatie tot
nederzetting. Historisch heeft gemeente twee
specifieke betenissen, die thans in de Kempen onbekend zijn:
| 1) | Het gemeenschappelijk grondbezit, m.a.w. alle broek- en
heide-gronden, ook wegen die geen privaat bezit waren. In die
zin identiek met Aard en Vroonte. |
| 2) | Alle ingezetenen van een woongemeenschap (vgl. ‘gemeente’ bij
de hervormden). Tijdens het jaargeding of op tijdstippen dat
belangrijke beslissingen dienden genomen te worden, vergaderde
‘de gemeente’ 's zondags na de hoogmis op het kerkhof of in de
school; zo'n Kempense gemeente bestond in de praktijk evenwel
alleen uit de gezinshoofden of hun meerderjarige
vervangers. |
Thans is een gemeente het kleinste bestuurlijk
onderdeel van een staat, en overdrachtelijk het grondgebied ervan.
Door fusie-operaties kunnen zich op dit vlak allerlei vreemde
wijzigingen voordoen. De eerste fusie-operatie, niet van gemeenten
maar van geïsoleerde nederzettingen, had plaats in de 7de-8ste eeuw
(evtl. iets later) tijdens de parochiënstichting, waarbij we kunnen
veronderstellen dat de Kerk een centraliserende rol heeft gespeeld.
Een aantal tot dan toe zelfstandige entiteiten - soms twee of drie,
soms ook zes of zelfs meer - werden a.h.w. gefusioneerd tot één
parochie, o.m. om de parochiepriester via de tienden een behoorlijk
inkomen te bezorgen. Wat de parochie en | | | | gemeente Opglabbeek betreft werd het een samenvoeging
van de nederzettingen Louwel, Ophoven en Opglabbeek (het Dorp), drie gehuchten, d.w.z.
‘groepen of verzamelingen hoven of erven’(90); deze erven hebben we de
basisnederzettingen genoemd. In de 12de-14de eeuw heeft er, zoals
eerder werd uiteengezet, een vrij dynamische ontwikkeling
plaatsgehad, zodat het aantal individuele erven toenam waardoor zich
ook secundaire nederzettingen konden ontwikkelen. Van de 15de tot
het einde van de 18de eeuw kende Opglabbeek een zeer geleidelijke
toename van het inwonersaantal (van ca. 200 tot 263 in 1796),
terwijl de oppervlakte van het cultuurland in die periode nagenoeg
ongewijzigd bleef; dit betekent dat de opbrengst van het akkerareaal
- dank zij de bemesting - lichtjes was verbeterd.
Bij recente fusie-operaties is het voor sommigen een belangrijke
kwestie welke naam de fusiegemeente zal krijgen. Toen Opglabbeek, Ophoven en Louwel in de
7de-8ste eeuw één gemeente en parochie gingen vormen, was er
eigenlijk geen gemeentenaam. Dat werd toen eenvoudig opgelost,
hoewel ‘oplossen’ hier geen gelukkig werkwoord is, want het gebeurde
o.i. spontaan en dit in alle Kempense gemeenten: de naam van de
nederzetting waar de kerk kwam - in dit geval Opglabbeek - ging als gemeentenaam functioneren, terwijl
de eigenlijke nederzetting Opglabbeek het Dorp
werd.
Eksel
J. Molemans
|
(1)Rijksarchief
Hasselt (RAH), Opglabbeek Schepenbank, Losse stukken bundel
5.
(2)J.
Molemans en J. Mertens, Opglabbeek - een
rijk verleden ( Opglabbeek, 1984), dl. VI. - Ook
opgenomen in de reeks Nomina Geographica Flandrica, Studiën en
monografieën uitgegeven door het Instituut voor Naamkunde in Leuven,
onder de titel: Toponymie van Opglabbeek, met geografisch,
historisch en genealogisch onderzoek.
(3)RAH, Aartsdiakonale visitaties d.d.
1688 en 1711.
(4)RAH, Bevolkingstelling 1796. - Deze telling werd
ondertekend door (municipaal) agent Joannes Lemkens, die evenwel een
verkeerde optelling van het aantal inwoners maakte.
(5)J.J. Hannes, Provincie
Limburg. Uitgave van kadastrale statistieken 1842-1844 ( Leuven-Brussel, 1973), blz. 483.
(6)Zie hierover uitgebreid
E. Paulissen, Het fysisch kader van
Opglabbeek, in: J. Molemans en J.
Mertens, Opglabbeek - een rijk verleden, o.c. 1984, blz.
29-56.
(7)Hoewel
iedereen in de regio over Bosbeek spreekt,
heb ik deze naam in geen enkele bron ontmoet. De oudste
namen voor deze beek zijn Glabbeek, Oeter
en As, die evenwel als nederzettingsnamen
zijn gaan functioneren. Formeel ouder dan Glabbeek zijn Oeter
(overgedragen op de nederzettingen Neer-
en Opoeteren) en * Askāa
(overgedragen op de nederzetting As).
Buiten Bosbeek is ook Molenbeek zeer gangbaar, te verklaren door het
groot aantal molens die op deze beek liggen (lagen).
Daarnaast hebben we in de bronnen nog andere namen ontmoet,
die evenwel nooit gangbaar werden, zoals Brede
Beek, Grote Beek en Maalbeek.
(8)Bij de
Opglabbeekse Dornermolen bijv. de Loosbeek
( loos bij het ww. lozen ‘afwateren’).
(9)De werkelijkheid
zoals die hier en ook in verdere voorbeelden wordt
omschreven, is die blijkens de kadastrale legger uit
1844.
(10)RAH, Opglabbeek Schepenbank 1, f o 206.
(11)RAH, Opglabbeek Schepenbank 1, f o
2.
(13)1511 dij Cattenbeeck
(Rijksarchief Luik, Chambre des Comptes 947, f o 122 v o).
(14)1568 die Rijt (RAH, Opglabbeek Schepenbank 1, f o 55 v o).
(15)Zie
hierover J. Molemans, Profiel van de
Kempische toponymie. Naamkunde 9
(1977), blz. 15.
(17)1531 die Wijerbeeck (RAH,
Opglabbeek Schepenbank 1, f o 29 v o).
(18)In
vrijwel iedere gemeente van de Luikse of Limburgse
Kempen waren er één of meer schansen, opgetrokken op
gemeenschapsgronden in of bij een depressie en gelijkend
op stadjes in minivorm met watergracht en ophaalbrug.
Hun ontstaan (einde 16de-begin 17de e.) was te ‘wijten’
aan de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) met zijn
oncontroleerbare legerbenden, en aan de neutraliteit van
het prinsbisdom Luik. Cf. J.
Molemans, De Tachtigjarige Oorlog en het
plaatselijk verweer in de Limburgse Kempen, in:
Hulde-album Dr. F. Van Vinckenroye ( Hasselt, 1985), blz. 227-243.
(19)Vanaf de
18de eeuw treedt vijver als concurrent
van wijer op.
(22)Vandaar
zijn de meeste opgetekende wijernamen voor Opglabbeek,
zoals trouwens ook elders, samenstellingen met als
eerste lid een familienaam: Dries-, Hoeven-, Joorkens-,
Joosten-, Kremers-, Krijns-, Rutten-, Teeuwis-,
Vinkenwijer(ke). Verder: Bosserwijer, Dorpwijer, Smal
Wijerke. De prins-bisschop van Luik bezat tijdens
het Ancien Régime zeven wijers in Opglabbeek, waaronder
de Bosserwijer (86 a), de Dorpwijer bij de pastorie (65
a 10 ca) en het Hoolven (7 ha 38 a). Opmerkelijk is de
naam Hool ven voor een viswijer: 1692
den ‘wijer’ genaempt het Hoelvenne (RAH, Opglabbeek
Schepenbank 7, f o 354). Het was wel
degelijk een wijer en geen heideven! Vier van de zeven
bisschoppelijke wijers hebben we niet kunnen
lokaliseren.
(23)Krijnswijerke (18 a 40 ca), Teeuwiswijerke (43 a 80 ca).
(24)Bosserwijer (86 a), Hoevenwijer (83 a 50 ca), Joostenwijer (1 ha 63 a), Vinkenwijerke (68 a 80 ca).
(25)Drieswijer (60 a), Ruttenwijer (47 a 60 ca).
(27)Rijksarchief
Luik, Chambre des Comptes 947, f o 134
v o.
(28)RAH, Opglabbeek
Schepenbank 1, f o 19.
(30)1511 in geen
Aeuvoert (Rijksarchief Luik, Chambre des Comptes 947,
f o 120).
(31)Baan is een Brabantisme
dat voor het eerste in de Atlas der Buurtwegen (1845)
opduikt; ouderen kennen hiervoor weg.
(32)Opglabbeek
en andere gemeenten in de regio kennen geen Diester-, wel Trichterwegen;
het verkeer was er dus gericht op Maastricht en niet op
Diest. - In Opglabbeek-Dorp is er ook het Maaseikerstraatje: vandaar kon men via de
Opoeterseweg naar Opoeteren richting Maaseik.
(33)1577 eenen bampt opt Ophovender
Broock (RAH, Opglabbeek Schepenbank 1,
f o 149 v o).
(35)A.V.
Munaut, Recherches paléo-écologiques en Basse et Moyenne
Belgique. Acta Geographica Lovaniensia 6
(1967), 191 blz.
(36)P.M. Vermeersch, A.V. Munaut en E. Paulissen, Fouilles d'un site du
Tardenoisier final à Opglabbeek-Ruiterskuil (Limbourg
Beige). Quartär 25 (1974), blz.
85-104.
(37)Ook toponymische bestanddelen als kamp en veld kenden een
semantische ontwikkeling, nl. van open vlakte
(onontgonnen gebied) tot bouwland.
(39)1543
den Loebampt in die Beijvort (RAH,
Opglabbeek Schepenbank 1, f o
85).
(40)1549 den Loije Camp (Rijksarchief Luik,
Chambre des Comptes 948, f o
66).
(41)1546 eijnen
camp gelegen aen geen Groen Straet
(RAH, Opglabbeek Schepenbank 1, f o
95 v o)./ 1597 dije Loe
Straet oft Gronen Wech (Id., f o 249 v o).
(42)1554 dije Ghemeijn Heij (RAH, Opglabbeek
Schepenbank 1, f o 136 v o).
(43)1511 dij Gemeijnt
(Rijksarchief Luik, Chambre des Comptes 947, f o 125).
(44)1779
de Gelabeecker Heijde (RAH, Opglabbeek
Schepenbank 4, f o 208 v o).
(45)Op de droogste heidegronden vinden we uitsluitend
struikheide (Calluna Vulgaris). In de iets vochtige gronden
komen struikheide en de rossig bloeiende gewone dopheide
(Erica Tetralix) in wisselende verhoudingen voor. Naarmate
de laagte vochtiger wordt, wordt ook de dopheide
belangrijker om uiteindelijk in de natte laagten dominant te
worden.
(46)Op de Opglabbeekse Grote
Heide liggen de volgende vennen dicht bij elkaar: Echelsven, Maasven, Schaapsven, Turfven,
met daarbij ook nog de Ruiterskuil. In het
Louwelsbroek: Diepven en Hoolven. - Alle gemeenschappelijk bezit, behalve
het Hoolven, tijdens het Ancien Régime een
prins-bisschoppelijke wijer.
(47)Men mag
aannemen dat 10.000 tot 13.000 jaar geleden de algemene
waterspiegel in de omgeving van de vennen een 4-tal meter
hoger stond dan thans.
(48)Toch
blijkt het Hoolven een viswijer te zijn
geweest: gelegen in het Louwelsbroek was het
grondwaterven.
(49)Cf. 2.1.2 sub 3. Zie evtl. J.
Molemans, Wijers en heidevennen en hun relatie tot
de visteelt, meer bepaald in Zonhoven. Limburg 62 (1983), blz. 1-8.
(50)Het Armenbos of Groot
Bos had een oppervlakte van 2 ha 91 a 90 ca, het Kerkenbos
of Nieuw Dennenbos 3 ha 3 a 40 ca, en het Gemeentebos 5 ha
52 a 70 ca.
(51)Bijv. voor
Opglabbeek: 1581 dije Savelberge (RAH,
Opglabbeek Schepenbank 1, f o 184 v o).
(52)RAH, Opglabbeek Schepenbank 1, f o 49.
(56)In de 16de eeuw en ook later werden delen uit het
gemeentelijk heide- en broekgebied tijdelijk gevreed en daardoor
ontoegankelijk gemaakt. Dit gebeurde ook elders in de Kempen,
uitsluitend om een ravage van de heide tegen te gaan. De
Opglabbeekse keuren uit 1598 verbieden zelfs het plaggen:
‘Nyemans en sal hey oft graes myt schuppen affsteecken ende in
syn stellige vaeren oft myst (= mest) dar aff maken, op 3 alden
groot’ (RAH, Opglabbeek Schepenbank 1, f o
3). De keuren uit 1598 vermelden tevens dat de
Opglabbekenaren konden opgeroepen worden om ‘lanx der gemeynt te
stoppen ende te vreeden’ (elders ook: de zavel stoppen), wat
erop wijst dat men actieve verwaaiingen wilde tegengaan,
vermoedelijk door het aanleggen van houtwallen.
(57)E.A. Koster, De
stuifzanden van de Veluwe, een fysisch-geografische studie. Publ. Fys. Geogr. en Bodemk. Labor. van de
Universiteit van Amsterdam 27 (1978), 195 blz.
(58)B.H. Slicher
van Bath, De agrarische geschiedenis van West-Europa
(Aula 32). Utrecht-Antwerpen, 1960.
(59)RAH, Opglabbeek
Schepenbank, Losse stukken bundel 5.
(61)J.
Molemans, Erfnamen functioneler dan familienamen in
oostelijk Belgisch-Limburg. Naamkunde 16
(1984), blz. 249-260.
(62)Schaperij resp. scheperij zijn niet opgetekend in het Woordenboek der
Nederlandse taal, wel scheperen ‘de
schapen laten weiden’ (Twente).
(63)Heerdgang, Middelnederlands hert ganc, is een samenstelling van heerd ‘herder’ en gang ‘het
trekken, het gaan’.
(64)Wagen heeft een identieke betekenis als gang (in heerdgang).
(65)Middelnederlands herd(e)schap is een collectief: de (gezamenlijke)
herders.
(66)Zo gaan de
Opglabbeekse Heerstraat en de Zonhovense
Herestraat terug op Heerdstraat: weg waarlangs de herder het vee naar
de heide leidde.
(67)Zie hierover J. Molemans, Kempische buurtschappenen
hun benaming. Limburg 52 (1973), blz.
255-265, vnl. 257-263. - Id., Profiel van
de Kempische toponymie. Naamkunde 9
(1977), blz. 6-9.
(68)Gebuurschap: 1) buren, 2) buurt.
(69)Bedoeld is de burgemeester die Louwel in het
beleid van de gemeente vertegenwoordigde.
(70)RAH, Opglabbeek Schepenbank 10, f o 130
v o.
(71)Op het jaargeding van
1598 werd volgend artikel ‘ter memorie’ ingeschreven:
‘Verdragen der nabuer dat man gebuerschap halden sal. Soe
wye gebrueklek (= in gebreke) bevonden wort, sullen der
burgemeysters mytten reecht straffen’ (RAH, Opglabbeek
Schepenbank 1, f o 2).
(72)J.
Molemans en J. Mertens,
Historisch-naamkundige studie van Zonhoven ( Zonhoven, 1982), blz. 206-207.
(73)Neerglabbeek ligt evenwel op de
valleiwand van de Itter en niet van de Bosbeek (=
Glabbeek, Oeter).
(74)Archief van de abdij van Averbode,
charter nr. 434.
(76)Archief van de abdij van Averbode,
charter nr. 434.
(77)Vgl. lijzijde = zijde van een schip onder de
wind.
(78)Rijksarchief
Luik, Chambre des Comptes 948, f o
63.
(79)Cf. J. Molemans,
Intern- en extern-lokaliserende voorzetsels bij Limburgse
toponiemen. Naamkunde 4 (1972), blz.
163-208.
(80)Cf. 2.3
(Verwaaiingen).
(81)1549 huijss ende hooff
gelegen op dat Broock (Rijksarchief Luik,
Chambre des Comptes 948, f o 63).
(82)Rijksarchief Luik, Chambre des Comptes
948, f o 63 v o.
(83)RAH, Opglabbeek Schepenbank 2, f o 214.
(84)J.
Molemans, Toponymie van Wijchmaal. Naamkunde 10 (1978), blz. 298-299.
(85)Zie over deze
nederzettingen verder: J. Molemans,
Profiel van de Kempische toponymie, o.c. 1977, blz.
10-11.
(86)RAH, Opglabbeek Schepenbank 2, f o 216.
(88)Ontwikkeld uit ker kspelen (vgl. kermis uit ker kmis).
(89)Zie mijn bezwaren tegen deze Frankomanie in: De
stand van het toponymisch onderzoek in de Kempen en de eigen
inbreng van de toponymie bij de Kempische landschaps- en
bewoningsgeschiedenis. Brabants Heem 26
(1974), blz. 112-123, i.c. blz. 118-119.
(90)Gehucht, Mnl. gehochte/gehofte, is een collectivum van hof.
|
|