auteur: J. Molemans
bron:
J. Molemans (red.), Referaten rond het thema
‘dialectwoordenboeken’ (Mededelingen van de Vereniging voor Limburgse
Dialect- en Naamkunde, Nr. 20). Hasselt 1981
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads
©
2006 dbnl / José Cajot, Frans Claes, Xavier Staelens, Gilles Jaspars, erven Pieter Goossens, erven A. Stevens & erven J. Molemans

i.s.m.
|
|
| |
| | | |
In memoriam Désiré Fagot [door A. Stevens]
In het Tiense ziekenhuis, waar hij sedert enkele dagen ter verzorging van een
hartinsufficiëntie was opgenomen, ontviel ons vrij onverwacht op 23 maart jl.
Désiré Fagot, een trouw lid van het bestuur van
de Vereniging voor Limburgse Dialect- en Naamkunde. Dis, zoals vrienden en
kennissen hem vertrouwelijk noemden, werd op 24 augustus 1914 te Stokkem (gem. Dilsen) geboren
als zoon van de tolbeambte Léon Fagot uit Korbeek-Dijle
(gem. Bertem bij Leuven) en
Mathilde Bergs uit Stokkem. Dis had nog twee broers, Léon en Tony en één zuster,
Hilde. Tot zijn 13de jaar volgde hij de lessen van meester Thijskens aan de
lagere school te Stokkem. Toen zijn ouders in 1927 naar Merksem (Antwerpen) verhuisden, werd hij leerling van het
Sint-Jan-Berchmanscollege op de Meer. Hij moest er een jaar overdoen omdat hij
te Stokkem onvoldoende Frans geleerd had om de gedeeltelijk in die taal gegeven
lessen met vrucht te kunnen volgen. Dis bleef in die school tot op de Poësis,
maar werd dat jaar van de school verwijderd omdat hij agenda's van de A.K.V.S.
verspreid had. Het A.K.V.S. of Alg. Kath. Vl. Studentenverbond was een
leerlingen en studentenorganisatie die het gezag van de geestelijke overheid in
Vlaamse aangelegenheden niet wou aanvaarden en daarom door de schooloverheid
verboden werd. Als gunst stond men hem toe de lessen in het St.-Lievenscollege
te gaan volgen, maar dat wou Dis niet en hij ging dan naar de Katholieke
Normaalschool, een pedagogische academie waar regenten, d.w.z. leraren voor de
lagere cyclus van het middelbaar onderwijs, gevormd worden. In die tijd vulde
hij de vooral in de Normaalschool verspreide enquête-lijsten van wijlen Prof.
L. Grootaers van Leuven
in: hij deed dat voor het dialect van Stokkem, waar hij de mooiste en meest
onbezorgde jaren van zijn leven had doorgebracht. De wetenschappelijke
belangstelling voor zijn Stokkems moeder-dialect was gewekt en toen hij in 1938
zijn diploma van regent behaalde, trad hij in contact met de Gentse dialectoloog
Prof. E. Blanquaert. Na zijn militaire dienst werd
hij tot leraar aangesteld aan de Vak- en Nijverheidsschool te Antwerpen-Borgerhout. In 1943 trouwde Dis met een Gentse jongedame,
Magda Van Speybroeck; ze is hem zijn hele leven een trouwe steun en een
liefdevolle echtgenote geweest: drie kinderen: Jan (1944), Walter (1945) en
Titia (1949) zagen achtereenvolgens het levenslicht.
Dis had echter door dat jammerlijk A.K.V.S.-incident uit zijn collagetijd geen
bewijs van volledige humaniorastudiën kunnen bekomen: in 1948 behaalde hij het
voor de Centrale Examencommissie. Tussen 1950 en 1954 legde hij alle
universi- | | | | taire examens voor dezalfde commissie af en behaalde zo
het licentiaat in de letteren en wijsbegeerte, afdeling Germaanse Filologie.
Zijn proefschrift handelde over de verschillen tussen het door Smout beschreven
Antwerps van 1905 en dat van de vijftiger jaren van dezelfde eeuw.
In 1956 legde hij het examen af als geaggregeerde voor het Middelbaar Onderwijs
van de hogere cyclus en vanaf 1957 werd hij leraar Nederlands-Engels aan de
Rijkstuinbouwschool te Melle in Oost-Vlaanderen. Een
jaar later ging hij over naar de Provinciale Normaalschool van de Provincie
Brabant, een pedagogische academie of kweekschool te Tienen, waar hij Engels en Duits heeft onderwezen in het zgn.
‘Regentaat’ en zich inspande om zich samen met zijn collega's in een ‘Algemeen
Verbond van Regentaatsleraren’ te organiseren.
In september 1979 werd hij op rust gesteld. Lang heeft hij van zijn pensioen niet
kunnen genieten.
Dis Fagot heeft een gevuld en verdienstelijk leven gehad. Buiten zijn
gezinsverplichtingen die hij getrouw en liefdevol nakwam en zijn ambtsbezigheden
die hij nauwgezet vervulde was zijn hart verdeeld tussen de bezorgdheid om de
culturele en politieke ontvoogding van zijn volk en de belangstelling voor
bepaalde problemen van cultuurhistorische en filologische aard.
Betreffende het eerste kunnen we kort zijn. Dis was actief in het
Verbond der Vlaamse Academici, een vereniging van universitair
afgestudeerden, en speelde als raadsman in het Overlegcentrum van
Vlaamse verenigingen een niet onaanzienlijke rol. Sinds 1958 woonde hij
op het Tiense platteland achtereenvolgens te Bunsbeek
en te Roosbeek en in die ietwat achtergebleven streek
was hij vooral dan in de zestiger jaren actief in het ‘Vlaams
Comité Hagelend’, dat culturele lezingen en voordrachten organiseerde
en aan niet-partijgebonden bewustmaking deed. Wie zijn ontroerende en
indrukwekkende teraardebestelling heeft bijgewoond weet dat hij in die streek en
overal in het Vlaamse land vele vrienden telde. Uit het in ‘Vivat
Academie’ (het contactblad van het V.V.A., nr. 31, sept. '80)
verschenen In Memoriam citeren we: ‘Zijn beeld verschijnt voor onze geest
onuitwisbaar getekend door zijn in-goede karakter, zijn zachte glimlach, zijn
milde humor, zijn sierlijke taal, zijn fijnzinnig humanisme, zijn geduldig puren
naar de diepte der dingen en de juiste, rechtvaardige voorstelling van de
feiten. Hij kende geen haat, alleen liefde en vriendschap en (...) was eeuwig
jong, eeuwig student.’ (Einde citaat).
In momenten van verpozing had Dis Fagot ook wel belangstelling voor talrijke
cultuurhistorische en filologische problemen. Men kan echter niet zeggen dat
onderwijsproblematiek hem uitermate geboeid heeft; buiten zijn niet
gepubliceerde Cursus Engelse Taal- en Letterkunde kennen we
van hem enkel een drietal boekbesprekingen betreffende Duitse
leer- en leesboeken van H. GRIESBACH en D. | | | | SCHULZ, verschenen in
Contact
, het tijdschrift van de Prov. Normaalschool Tienen (1961) . Jaren
vroeger, omstreeks 1946, waren van hem bij Jozef van In te Lier ‘
Uitspraakwenken voor den Antwerpenaar
’ verschenen onder de schuilnaam Dis van Tilke (zijn moeder heette
Mathilde), een brochure in de aard van Shepherds
‘Van Taol naar Taal’ en een voorloper van een reeks werkjes
met raadgevingen betreffende correcties op lokale uitspraak en woordgebruik.
Minder geweten is dat het hoofdstuk betreffende de fonetische transcriptie in
J. GOOSSENAERTS ‘
Taal van en om het landbouwbedrijf in het Noordwesten van de
Kempen
’ grotendeels van zijn hand is. Ook het persklaar maken van de bijdrage
van de even te voren verongelukte jonge filoloog J. VAN
CLEEMPUT voor het
Album Edgard Blancquaert
(1958) hoort onder de rubriek ‘Vriendendiensten’ thuis.
Van zijn hand is eveneens het in
Taal en Tongval
X (1958) verschenen ‘
In Memoriam J. van Cleemput
’. Bij deze jonge filoloog bewonderde Dis vooral ‘het op het preciese
gerichte streven’ en het perfectionisme, twee eigenschappen die hem zelf
onbewust sierden.
In Taal en Tongval, jg. 1956 was van Dis reeds een bijdrage
verschenen over ‘
Een dialectisch getinte tekst uit de 17de eeuw
’, tekst die hij na een diepgaand taalhistorisch en geschiedkunsig
onderzoek te Stokkem wist te lokaliseren. Interessant
in dit artikel is vooral de constatatie dat die in deze tekst
negenmaal voorkomt als nominatief van het persoonlijk pronomen 2de pers. enk. en
dit na 1664. ‘Op te merken’, schrijft de auteur, en dit is een belangrijke
vaststelling voor de historische dialectologen, ‘dat dich, de
accusatief, geen enkele maal in nominatieffunctie voorkomt’ en dit in
tegenstelling met het tegenwoordig gebruik in de dialecten van de Maaskant
tussen Maastricht en Maaseik, waaruit zou kunnen geconcludeerd worden dat het
gebruik van de vorm dich in nominatieffunctie relatief jong
zou kunnen zijn aan de Maaskant.
In het ‘Jan Goossenaertsnummer’ van
Wetenschappelijke Tijdingen
, verschenen in 1957, staat D. Fagot's bijdrage ‘
Een taaie dialectgrens
’, een opmerkelijk artikel dat de opvallende verschillen tussen het
dialect van Stokkem-Centrum en dat van het gehucht De
Booien vastlegt en verklaart: de Booien was van het stadje Stokkem
afgesloten door de hoofdvloed van de Maas tot 1643, het lag op een eiland tussen
drie Maastakken in. Het artikel is stilistisch aangenamen lektuur, goed
gedocumenteerd en van schetsen en tabellen voorzien en noteert in het geval van
de contaminatievormen tussen bis en tot,
opvallend voor die tijd (!), verschillen tussen informanten die tot een andere
sociale klasse behoren.
| | | |
Het in 1973 voor het ‘
Album Willem Pee
’ geschreven artikel ‘
En nog drie oude soldatenbrieven
’ ontleedt grondig drie door de Leuvense ‘conscrit’ Jan Wuyts in 1813 uit Mainz en Bunzlau in Pruisen geschreven
soldatenbrieven. Dis Fagot ontdekt wel veel
Zuidbrabantse trekjes, maar praktisch weinig of niets lokaal-Leuvens: hij
concludeert dat dergelijke brieven een taaltoestand
weerspiegelen, maar dat ze vrij waardeloos zijn voor de dialectstudie.
In 1956 had Dis een reis gemaakt naar Salzburg in Oostenrijk en gedurende zijn
verblijf aldaar intrigeerde het hem dat de beiaard van deze stad door de
Antwerpse klokkengieter Melchior de Haze was gegoten tussen 1688 en 1695: hij
besloot de zaak nader te onderzoeken en het gevolg was een reeks van zeven
uitvoerige en belangrijke artikels en studies over dat onderwerp.
In het Tijdschrift voor Geschiedenis en Folklore verscheen in
1957 ‘De beiaard van Salzburg en onze Brabantse Vaklieden’.
Een jaar later zag ‘War das Salzburger Glockenspiel einmal für
Breda bestimmt?’ het licht in Mitteillungen der
Gesellschaft für Salzburger Landeskunde, terwijl eveneens in 1958 Dis
zich in het Tijdschrift der stad Antwerpen afvroeg: ‘De Beiaard van Salzburg, een Antwerps kunstwerk?’
In Album Edgard Blancquaert verscheen hetzelfde jaar ‘
Beiaard
’, een taalkundige bijdrage waarin hij de etymologie van dit zeldzame
woord verklaart als een afleiding op -aard, -erd (ouder -er?) bij het frekwentatieve werkwoord beieren, dat bij beien = slaan zou behoren.
Een jaar later, in 1959, verschijnen ‘Enkele Documenten over de
beiaard van Tienen’ in het Tijdschrift van de Dienst voor
geschiedkundige en folkloristische Opzoekingen der provincie Brabant
(nr. 142), een 57 blz. tellende studie, waarin de auteur de omstandigheden
beschrijft waarin Melchior de Hazes schoonzoon Jeroom Godfried Lenaerts in 1709
over het leveren van een door eerstgenoemde vervaardigde beiaard aan de stad
Tienen onderhandelt. Tienen kocht de beiaard van de
beroemde gieter, maar stond het stuk met een aanzienlijke winst aan Brussel af, zonder het één ogenblik in de stad te hebben
gehad. De tegenwoordig in de St.-Germanuskerk hangende stadsbeiaard werd in 1716
te Antwerpen door G. Witlockx gegoten. Zo was Dis dus
een beiaardhistoricus geworden. Hij verzorgde in het Nationale
Biografische Woordenboek van de Koninklijke Vlaamse Academie van België
(deel 2, 1966) ae biografie van Melchior de Haze, brons- en klokkengieter,
contrewaerdijn van de Munte (1632-1697) en publiceerde in het februarinummer van
1970 in het Vlaams Muziektijdschrift een lange bijdrage gewijd
aan de ‘Ontwikkeling van de Beiaard in de Nederlanden’, waarin
we onder vele andere wetenswaardigheden het verschil leren kennen tussen drie
aanslagwijzen: het kleppen, het beieren en het luiden, evenals het feit dat het
Vlaamse land niet minder dan 1720 beiaarden telt.
| | | |
Dis Fagot had nog gehoopt na zijn pensionering de tijd te krijgen om ten minste
twee dingen tot een goed einde te brengen: het eerste was een artikel te
schrijven over D'ARCY, de auteur van een
Nederlands-Frans en Frans-Nederlands vertalend woordenboek uit het begin van de
17de eeuw. In het exemplaar dat Dis van dit woordenboek bezat kwam een opmerking
van de auteur voor die Dis intrigeerde: de vorige uitgaven zouden zonder het
medeweten van de auteur gepubliceerd zijn. Dis Fagot was de mening toegedaan dat
het werk van deze lexicograaf over het algemeen onderschat wordt.
Het tweede project betrof de woordenschat van het Stokkems dialect. Bij het ouder
worden kwamen jeugdherinneringen met meer aandrang voor zijn geest zweven: Dis
was begonnen het Stokkems dialectmateriaal aan te vullen dat hij in de loop der
jaren verzameld en op fiches gebracht had. Zijn bedoeling was dit materiaal tot
een Stokkems Idioticon of misschien zelfs tot een Stokkems Woordenboek uit te
bouwen. Het heeft echter niet mogen zijn! Zijn echtgenote, Mevrouw Fagot, heeft
vijf dozen met steekkaarten aan onze vereniging overgemaakt en we zijn er haar
dankbaar voor: misschien vindt iemand van ons of een jongere Stokkemnaar de moed
dit kostbare materiaal aan te vullen en om te bouwen tot een persklare studie.
We treuren allen om Dis' vroegtijdig overlijden en zijn ontroerd door zijn
vriendschap en zijn inzet op zovele gebieden, ontgoocheld om zijn heengaan en om
wat hij ons nog had kunnen schenken, wrakkig omdat een zo begaafd man zijn
werkkracht en zijn filologische en taalwetenschappelijke creativiteit niet ten
volle heeft kunnen uitleven, mede omdat hij - wellicht terecht - in geweten
meende dat zijn inzet ten bate van zijn gemeenschap belangrijker was dan het
getal van zijn cultuurhistorische en filologische publicaties. We blijven hem
alleszins dankbaar gedenken zowel voor het ene als voor het andere. God vordere
je, Dis, ‘aan geen zij’ - aan de overkant - in het enige, eeuwige vaderland.
André Stevens
|
|
|