auteur: J. Molemans
bron:
J. Molemans (red.), Referaten gehouden op het zevende congres van de
Vereniging voor Limburgse Dialect- en Naamkunde (Mededelingen van de
Vereniging voor Limburgse Dialect- en Naamkunde, Nr. 23). Hasselt 1982
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads
©
2006 dbnl / J. Mertens, J. van Loon & erven J. Molemans

i.s.m.
|
|
| |
| | | |
Historisch-geografische schets van de Belgisch-Limburgse
familienamen [door Jozef van Loon]
De bedoeling van mijn uiteenzetting is tweeërlei: enerzijds de typische kenmerken
aan te geven waardoor de Limburgse familienamen zich als geheel van andere
onderscheiden, anderzijds vast te stellen welke regionale onderverdelingen in
het Limburgs zelf kunnen worden waargenomen(1).
Het succes van zulk onderzoek hangt volledig af van de methode waarmee men het
aanvat.
Eerst en vooral: op welk materiaal dient men zich te baseren? Hedendaags
materiaal als kiezerslijsten, lijsten van de burgerlijke stand bieden wel
volledige overzichten, maar bevatten te veel niet autochtoon Limburgse namen en
geven door veelvuldige migratie niet meer de oorspronkelijke toestand weer;
telefoonboeken kennen hetzelfde nadeel en vormen meestal een te kleine en dan
nog vertekende steekproef. Om die redenen heb ik me bij mijn kartografisch werk
in hoofdzaak gebaseerd op de parochieregisters, die ons voor de periode van ca.
1600-1800 een overvloed aan gegevens verstrekken en bovendien door de bestaande
naamklappers gemakkelijk toegankelijk zijn. Vooraf dient nog gezegd te worden
dat ik om materiële redenen mijn onderzoek heb moeten beperken tot het Limburg
van ‘herwaarts over’, Belgisch-Limburg. Men mag echter aannemen dat de hier
geformuleerde conclusies ook geldigheid zullen bezitten voor Nederlands-Limburg.
De volgende methodologische vraag is dan wat men nu precies in kaart gaat
brengen. Het aantal tegenstellingen waarop men stoot is immers legio. Men denke
aan naamparen als Huyben/Houben, Struyf/Strauven, Bruyns/Brauns, Spruyt/Sprauten
(Montenaken b.v.), Huygen/Hougen (Kuringen); aan Dreesen, Theelen, Geelen in
Noord- Limburg tegenover Driessen, Thielen, Gielen elders; aan Moesen, Closen,
Voesen, Joecken in Zuid-Limburg tegenover Maesen, Claesen, Vaesen, Jaecken in
het noorden. Of men denke aan de tegenstelling tussen Zuidlimburgs Briers
tegenover Noordlimburgs Brouwers, Verstegen tegenover Verstraeten. Met de
kartografische uitwerking van zulke tegenstellingen bestrijkt men echter niet de
totaliteit der Limburgse familienamen. Bovendien gaat het daarbij in de eerste
plaats niet om naamkundig maar om meer dialectgeografisch onderzoek. Men zou de
aandacht daarom kunnen richten op het in kaart brengen van individuele namen.
Bepaalde namen zijn namelijk typisch lokaal of regionaal. Om een greep te doen
uit de Limburgse kernnamen:
| | | |
Stas (Alken, Bilzen), Nouwen
(Grote- Brogel, Peer,
Ellikom), Kemps/Kimps (Halen, Tessenderlo), Ceyssens (Bverlo, Heusden, Koersel), Degreef (Broekom),
Rampen (Borgloon, Guigoven),
Boutsen (Dilsen), Lucas (Elen), Philippens (Gruitrode), Peten (Oostham, Wijchmaal), Boyen
(Meeuwen), Musschen (Meeuwen), Caels/Caelen (Lummen, Tessenderlo), Nassen (Bilzen), Wilsens (Peer,
Herk-de-Stad), Vaesen (Stokkem), Glazemakers (Montenaken), Arien
(Tessenderlo), Tits (Aalst bij Sint-Truiden), Raedschelders (Maaseik). Het
ware te wensen dat we ooit eens zouden beschikken over zo'n atlas van de
Limburgse kernnamen. Toch bereikt ook die werkwijze niet het door ons gestelde
doel. Slechts een kleine minderheid aan familienamen komt daarvoor in
aanmerking. Bovendien verzamelt men aldus een aantal erg disparate kaartbeelden
waaruit geen algemene karakteristieken van de Limburgse familienamen zijn af te
leiden.
Daarin slaagt men wel door de aandacht toe te stpitsen op zgn. morfologische
kenmerken. Dat zijn vormelementen die een bepaalde plaatsnaam, beroepsnaam,
voornaam tot een familienaam helpen vormen. Door middel van morfemen heeft men
in het verleden uit de voornaam Jan familienamen afgeleid als Jans, Jansen,
Janssens; uit een toponiem Brug toenamen als Brugmans, Bruggen, Vanderbruggen,
Terbruggen, enz. Aangezien alle familienamen zulke morfemen bevatten en het
aantal morfemen eindig is, kan men hopen op relatief eenvoudige wijze tot een
compleet geografisch overzicht van de Limburgse toenaamgeving te komen.
Bovendien worden vergelijkbare dingen in kaart gebracht, zodat men kan
verwachten dat aldus een samenhangend geheel, een taalkundig systeem aan het
licht komt. Die methode wordt in de taalkunde structuurgeografie genoemd. De
diverse dialectlijnen die aldus op de kaart verschijnen, zouden dus geen
onsamenhangende, los van elkaar ontstane verschijnselen aanduiden, maar
onderling afhankelijk zijn en in feite een gemeenschappelijke oorsprong hebben.
Voor structuurgeografen zijn dergelijke kaarten daarom niet zomaar een soort van
fotografische opname of loutere copie van de feiten, maar bieden zij door hun
systeemkarakters tegelijk ook een verklaring.
Wanneer we nu de overzichtskaart van de Limburgse naammorfemen bekijken, is van
een samenhang praktisch niets te merken. De naamisomorfen gaan blijkbaar alle
eigengereid hun eigen gangen zonder op een opvallende wijze overeenkomsten of
parallellismen met andere te vertonen.
M.a.w. hoe compleet de kaart ook is en hoezeer ze ook aan de voorwaarden van | | | | een structuurkaart voldoet, verklaren doet zij niets. Zoals uit
mijn onderzoek is gebleken, is zulks te wijten aan het ahistorische karakter van
de kaart. In de moderne synchrone dialectgeografie worden telkens nog levende
dialectverschijnselen gecarteerd, terwijl onze kaart in feite een verzameling is
van niet meer levende taalverschijnselen die op een verschillend moment in de
loop van de geschiedenis zijn versteend. Een verklaring van taalverschijnselen
aan de hand van het kaartbeeld is bijgevolg slechts mogelijk, wanneer we de
verschijnselen nog in vivo kunnen waarnemen. Dat betekent dat we voor
naamkaarten een voortdurend beroep moeten doen op historisch- archivalisch
materiaal, waarbij we voor het ene verschijnsel naar de twaalfde eeuw
terugmoeten, voor andere dan weer naar de 18de, enz.
Men begrijpt aldus hoe mijn oorspronkelijk onderzoek naar de geografie van
familienamen ten slotte is uitgegroeid tot een complete geschiedenis van de
Limburgse toenaamgeving. Wat nu volgt, zal dan ook meer een historische dan een
geografische schets zijn. Bij de uitwerking ervan zullen we de klassieke
indeling volgen in patroniemen, bijstellingen en toponiemen.
| |
1. Patroniemen
Patroniemen zijn toenamen afgeleid uit vaders- of moedersnamen. Zij komen in
het Limburgs steeds in de genitief voor, dat is dus met de uitgangen -s of -en: Jans,
Peeters, Ceyssens (uit Vincentius),
Moesen (uit Thomas), Caris (uit
Macharius), Heyligen, Helven (uit
Heylwich), Linsen (uit Laurentius), Leunis (uit Appolonius), Stas (uit Eustachius).
Dat betekent echter niet dat dit steeds zo is geweest en evenmin dat zij alle
ook in dezelfde tijd geslachtsnaam of erfelijk zijn geworden.
In bronnen van vóór 1350 (b.v. de oudste registers van Oudenbiezen) zijn
genitiefpatronen praktisch nog onbestaande. Patroniemen uit die tijd
vertonen steeds nog het achtervoegsel -sone (dat is
blijven leven in Hollandse en Zeeuwse namen op -sen) en
konden daardoor niet erfelijk worden. Omstreeks 1350 verandert dat
ingrijpend. De oude vormen Johansson, Petersson, Ruttenson verdwijnen plotseling en
maken plaats voor genitieven: Johans, Peters, Rutten. De oorzaken zijn te zoeken in een
toenemende dwang om een toenaam aan te nemen die niet meer in de eerste
plaats de filiatie met het individu van de stamvader aangaf, maar wel de
collectiviteit van het gezin of het erf, waartoe men behoorde(2). Die gezins- | | | | namen
waren echter nog geen geslachtsnamen, nog niet erfelijk, maar bleven
verspringen van generatie tot generatie en van gezin tot gezin.
Daarin komt reeds in de 14de eeuw gedeeltelijk verandering. Van de hogere
standen was namelijk het gebruik binnengedrongen de oudste zoon of de
stamhouder dezelfde voornaam als die van de vader te geven. De zoon nam
echter niet alleen de voornaam maar vaak ook het patroniem van zijn vader
over zodat dat erfelijk werd, zij het althans in de hoofdlinie; in de
zijlinies bleven de patroniemen aanvankelijk wisselen.
Onder invloed van andere naamcategorieën die reeds vroeger erfelijk konden
worden (Becker, Straetman, Van den Velde), of ook van andere dialecten als
het Brabants werd de druk steeds groter om vaste, niet meer verspringende
geslachtsnamen aan te nemen. Daarbij stelt men in Limburg belangrijke
geografische verschillen vast. In West-Limburg (grosso modo westelijk van de
lijn Hasselt-Borgloon) zijn de meeste patroniemen omstreeks 1500 reeds vast
en erfelijk. In Oost-Limburg bestonden vóór die tijd ook al enige
vadersnamen, maar het gebruik was er geenszins algemeen. Nog tot in de 18e
eeuw stelt men verspringing van patroniemen vast. Het is die tegenstelling
die verantwoordelijk is voor namen als Gilissen, Nelissen, Nijssen, Maessen,
Vaessen enz., die we in westelijk Limburg niet in die
vorm aantreffen. De toevoeging van -en als genitiefmorfeem
bij deze namen dateert namelijk pas van rond 1500-1600, maar dan alleszins
niet bij al deze namen gelijktijdig. De nieuwe en-genitief
heeft zich het snelst ingeburgerd bij korte, eenlettergrepige namen op s (Claes, Thijs, Nijs, Vaes, ook Joost b.v.), vervolgens
bij die op -is (Gilis, Nelis, Thewis ...), het laatst bij
namen zonder s-uitgang en met vrij hoge frequentie (Aert,
Dirck, Merck ...).
| | | |
Namen die vóór ca. 1550 erfelijk zijn geworden, zullen over het algemeen
(tenzij door systeemdwang) dat achtervoegsel dus niet vertonen. Namen als
Gilissen, Mercken, Thijsen c.s. zijn daarentegen pas na die tijd erfelijk
geworden.
Op het hier geschetste systeem zijn hier en daar ook afwijkingen te vinden.
Daarmee komen we echter terecht in de geschiedenis van particuliere
familienamen en in de genealogie. Ik som enkele van die afwijkingen op:
| 1) | Vrijwel alle voornamen op -is hebben in Oost-
Limburg familienamen op -issen opgeleverd. Er is op
zijn minst één uitzondering, t.w. Caris (uit
Macharius; o.m. in Rosmeer en Kessenich). Aangezien de familienaam niet Carissen luidt,
veronderstel ik dat hij reeds voor 1550 een erfelijke geslachtsnaam was
geworden(3). |
| 2) | Vrijwel alle Limburgse namen op -issen zijn
drielettergrepig: Gilissen, Thewissen, Nelissen, Gorissen, Gonnissen,
Jorissen, enz. Er is alvast één opvallende uitzondering: de familienaam
Cornelissen (Gerdingen, Kortessem, Mal, ook elders). Het
zou me daarom niet verbazen, mocht blijken dat we hier voor migranten
uit b.v. Noord-Brabant staan. |
| | | |
| 3) | Alle Limburgse patroniemen staan normalerwijs in de genitief, hetzij
met s-hetzij met en-uitgang. Eén
naam vormt daarop een uitzondering: de naam Janssen. Normaal moet de
voornaam Jan of Johan in het Limburgs tot het patroniem Jans leiden, en
dat is inderdaad ook de vorm die we in heel Zuid-Limburg vinden. In
Noord-Limburg vinden we daarentegen de vorm Janssen, een naam die een
sterke verwantschap vertoont met ons uit het Hollands, het Noordbrabants
en het Zeeuws bekende namen als Willemsen, Pietersen, Gerritsen, Bastiaensen, Berendsen. Dat Hollandse sen is het historisch produkt van een evolutie uit
Middelnederlands sone, dat in het Limburgs reeds
omstreeks 1350 verdwenen was. Gezien de geografische beperktheid van het
Limburgse Jansen tot Noord-Limburg, ligt het voor de hand daarbij aan
migratie uit Nederland te denken. |
| |
2. De tegenstelling Boons/Boonen, Cools/Coolen
Een bijzonderheid van Limburgse familienamen is het veelvuldig voorkomen van
namen op -en. Zoals in vorig hoofdstuk gezien, zijn
sommige van die gevallen tamelijk recent (Maesen, Gilissen, Moonen). Dat
geldt echter niet voor alle. De en-genitief kwam in het
Oud- en Middelnederlands reeds voor als de enige uitgang bij zwakke namen:
Rutte, Vranke, Cole, Hughe, Bolle, enz. In het Vlaams en het Brabants
daarentegen kregen deze zwakke namen in de genitief i.p.v. -en de uitgang - s. Aan de grens tussen Limburg en
Brabant treft men aldus tal van familienamen aan die in morfologisch opzicht
met elkaar contrasteren: Cools in Vlaanderen en Brabant, Colen in Limburg,
Ruts tegenover Rutten, Boons tegenover Boonen, Gijbs tegenover Gijben,
Huyghs tegenover Huyghen, Huybs tegenover Huyben, Ghijs tegenover Ghijsen,
Crets tegenover Creten, Heyns tegenover Heynen, Cnops tegenover Knaepen
(bijnaam), enz. De scheidingslijn is met oude documenten nog zo nauwkeurig
te trekken, dat men er niet hoeft aan te twijfelen dat namen als Coels in
Heusden, Boons in Kwaadmechelen, Caels in Zelem, Wuyts in
Tessenderlo gemigreerde namen zijn uit het
hertogdom Brabant.
De scheidingslijn tussen en- en s-namen
heeft niet altijd bestaan. De uitgang -en is ooit algemeen
geweest over het hele Nederlandse taalgebied. Omstreeks 1100, voor
taalkundigen is dat al een ‘archeologische’ periode, hebben het Vlaams en
het Brabants de -en door een -s
vervangen. De oorzaak van die vernieuwing is te zoeken in een nieuwe
betekenis die de besproken namen toen hebben gekregen, concreter gezegd in
het opkomen van familienamen of namen met een collectieve betekenis. Het
Limburgs is met de meeste andere dialecten aan | | | | de oude en-uitgang trouw gebleven en heeft hem zelfs vanaf de 16e
eeuw uitgebreid tot namen waar hij oorspronkelijk niet thuishoorde (Maesen, Gilissen e.d.).
| |
3. Apposities
Met apposities of bijstellingen zijn namen bedoeld die in dezelfde naamval
staan als de voornaam, b.v. Jan de Bakker, Jan Hasevoet, Johan Bieseman,
Johan de Groot, enz. Het zijn in meerderheid beroepsnamen en bijnamen.
Typisch Limburgs is dat al deze namen - net als de patroniemen - in de
genitief staan: Beckers, Hasevoets, Biesemans, Schroten ... De schaarse
Limburgse namen die dat kenmerk niet vertonen, komen ofwel uit de vreemde of
zijn pas heel recent gevormd. Zo zijn namen als Degreef in Broekom of
Deraeve in Zonhoven zeker niet oorspronkelijk
Limburgs. Andere als Poel, Put, Schuer zijn wel autochtoon Limburgs, maar
hebben geen s- of en-uitgang gekregen
omdat ze tot in de 18e eeuw nog een voorzetsel hadden en in feite tot dan
herkomstnamen waren (Vandepoel, Vandeput, Inschuer). Bij dergelijke namen
was genitivering (tenzij door systeemdwang als in Vanswartenbroeckx of Deconinckx) niet mogelijk.
Hoe is het Limburgs nu aan zijn typische genitiefnamen gekomen? Net zoals bij
de patroniemen stellen we vast dat genitieven als Beckers, Biesemans,
Schroten tot ongeveer 1350 nog volledig onbekend waren. Tot ca. 1350 vinden
we uitsluitend namen als Johan der Becker of Johan Becker, Johan Bieseman,
Johan der Grote, enz. Van die tijd af beginnen dan de eerste genitieven op
te komen, echter niet bij alle namen en niet in alle dialecten tegelijk. We
dienen vooreerst twee soorten van genitiefnamen te onderscheiden.
a) De eerste soort genitiveringen is precies op dezelfde wijze tot stand
gekomen als bij de patroniemen. Boven zagen we dat de zoon van een Willem
het genitief-patroon Willems kreeg (Willem → zoon: Johan Willems). Nu waren
er in het dorp ook mensen die niet onder hun voornaam maar veeleer onder hun
titel bekend stonden: de meier, de pape, de heer, de schout, de prochiaen
... Kinderen van zulke prominente personen of van andere opvallende figuren
kregen dan de toenaam Des Meiers, Des Papen, Sgreven, Sheeren, enz. (zie ook
noot 2).
| | | |
Dit soort genitiveringen heeft voornamelijk plaatsgevonden van ca. 1350 tot
1450 en dat gelijktijdig over heel Limburg.
b) Dat lag echter geheel anders bij de tweede soort genitiveringen, die het
merendeel van de nu zo typisch Limburgse genitiefnamen heeft opgeleverd. Zij
kwam voor bij toenamen van gewone lui en heeft veel meer tijd in beslag
genomen dan de eerste. Zij heeft zich ook niet gelijktijdig over heel
Limburg voltrokken, maar heeft als een golfbeweging van west naar oost ten
slotte heel Limburg veroverd. Hoe dat in de tijd is gebeurd, valt het best
na te gaan met de namen op - mans.
Families uit Midden-Limburg die steeds Becker, Hoefman, Hoelsteen e.d. hadden
geheten, gaan vanaf omstreeks 1450 plotseling over op de genitief (Beckers, Hoefmans, Hoelsteens).
Morfeemwijzigingen gaan doorgaans ook met betekeniswijzigingen gepaard. Dat
was ook hier het geval. Door een genitiefuitgang toe te voegen, gaf men
vermoedelijk te kennen dat de naam als een collectivum moest worden
begrepen, enigszins te vergelijken met een partitieve genitief (‘een stuk
broods’). Het verschil tussen de nog niet gegenitiveerde naam - die ook al
familienaam was - en de gegenitiveerde is waarschijnlijk als volgt te
interpreteren: Gherit Hoelsteen = Gherit (ook) Hoelsteen geheten, Peter
Hoelsteens = Peter van de Hoelsteens.
| |
4. Lidwoordnamen
Limburgse namen onderscheiden zich van Vlaamse en Brabantse door een
systematisch ontbreken van het lidwoord. Namen als Degreef, De Groot, De
Smet, De Brier zijn dus niet oorspronkelijk Limburgs. De oorzaken van die
tegenstelling gaan zeer ver in het verleden terug. De grondoorzaak is te
zoeken in de verschillende vorm die het lidwoord in de Nederlandse dialecten
bezat. In het Vlaams en het Brabants werd in het Middelnederlands gebruik
gemaakt van de verdofte vorm ‘de’, terwijl het Limburgs lang is blijven
vasthouden aan het lidwoord ‘der’. Tussen beide vormen bestond niet enkel
een verschil in vorm maar tevens in betekenis. Het Vlaams-Brabantse ‘de’ had
enkel de functie van lidwoord, het Limburgse ‘der’ had bovendien (als in het
Duits) nog een licht aanwijzende betekenis. Voor de familienamen had dat
verstrekkende gevolgen.
| | | |
Wanneer we in oude Vlaamse en Brabantse teksten lidwoordnamen ontmoeten als
Aert de Beckere, Willem de Smet e.d., weten we niet of de genoemde personen
nog echt bakker of smid waren, de naam kon in zijn geheel - met behoud van
het lidwoord - op de volgende generaties worden overgezet. De nog
aanwijzende bijbetekenis van het Limburgse ‘der’ hield echter in dat namen
als Aert der Becker, Johan der Smeet nog naar reëel uitgeoefende beroepen
verwezen. Zulke namen waren vanzelfsprekend niet zonder meer overzetbaar op
volgende generaties. Daartoe moest eerst en vooral het lidwoord verdwijnen:
Aert Becker, Willem Smeet e.d. Later werden die vormen dan algemeen
gegenitiveerd (cf. 3 b).
Nochtans zijn onder de huidige Limburgse familienamen niet weinige waar toch
een spoor van lidwoord optreedt: Smeyers, Schreven (des Greven), Schroten (des Groten), Slangen (des Langen), Spapen (des
Papen), Schroyen (des Roden). Het behoud van het lidwoord
is enkel maar te verklaren door een genitivering in de eerste generatie (cf.
3 a). De stamvader van deze geslachten heette omstreeks 1350-1450 kortweg
‘der meier’, ‘der grote’, enz., met weglating van de voornaam. Zijn directe
afstammelingen kregen dan onmiddellijk de genitiefnaam Smeyers, Schroten
enz. toegevoegd.
| |
5. Toponymische Toenamen
De laatste categorie namen die we te behandelen hebben, zijn toenamen
afgeleid van plaatsnamen: Versteegen, Vanderstraeten, Indecleef, Opdenakker,
enz. Ook daar zijn een paar merkwaardige verdelingen vast te stellen.
| 1. | Er is vooreerst een geografische tegenstelling te merken tussen namen
met Ver- en Vander-. Namen ingeleid
met Ver- als Vermeulen, Vervoort, Verstappen,
Verlinden, Verpoorten, Vereyken, Vermaesen, Versteegen zijn
Noordlimburgs, hun varianten met Vander-
(Vandermeulen, Vandervoort, Vanderstappen, Vanderlinden) zijn Midden- en
Zuidlimburgs. Op de interessante gevolgtrekkingen die uit die
vaststelling in demografisch opzicht kunnen getrokken worden, kunnen we
hier niet ingaan. Wat ons hier interesseert, is hoe het verschijnsel is ontstaan.
|
| | | |
| Zoals we reeds bij andere tegenstellingen hebben gezien
(Ruts/Cools, Gilis/Gilissen), is ook de tegenstelling Ver- en Vander- niet van alle tijden.
Omstreeks 1500-1550 was hier van enige scheiding tussen Noord- en
Zuid-Limburg nog niets te merken. De enige toen bestaande vormen waren
die met Vander-. In de 16e en 17e eeuw evolueerden zij
dan naar Ver- in het noorden. Voor één keer heeft deze
tegenstelling nu eens niets te maken met betekenisverschillen. In feite
gaat het dus ook niet om een morfologisch verschijnsel. De ontwikkeling
van Ver- uit Vander- is een gewoon
proces van verdoffing, afslijting en samentrekking en dus eigenlijk een
klankevolutie. In de noordelijke dialecten is de aanloop Vander- mettertijd geheel toonloos geworden, de a werd genasaleerd en verdoft, de twee lettergrepen werden
samengetrokken. In het zuiden is dat dus niet gebeurd. Hoe dat precies
kon, is een vraag waarvan ik het antwoord liever aan bevoegde
dialectologen overlaat. Ik meen voorshands wel enig verband te zien met
een ongeveer gelijklopende verdeling tussen elkaar en
elkander. Elkander lijkt me
eerder Zuidlimburgs te zijn, de daaruit ontstane samentrekking elkaar is noordelijk. Afgaande op die verschillen
vermoed ik dat tussen Noord- en Zuid-Limburg verschillen bestaan wat de
woordaccentuering (dynamisch accent) en de woordmelodie betreft. Die
verschijnselen zijn echter in de dialectologie compleet onontgonnen
terrein. Dialectgeografisch is misschien niet zonder belang dat de ver/vander-lijn de enige isoglosse
op onze kaarten is die een horizontaal verloop kent. Het is vooralsnog
te vroeg daar algemene conclusies aan te verbinden, maar kan die
vaststelling niet suggereren dat isoglossen die betrekking hebben op
betekenis (in ons geval de morfemen -s en -en) een zelfde (i.c. vertikale) gerichtheid vertonen,
terwijl isoglossen van een andere orde (i.c. ver/vander) zich totaal onafhankelijk kunnen gedragen? |
| 2. | De Ver/Vander-tegenstelling is
niet typisch Limburgs te noemen. Men vindt ze ook in andere Nederlandse
dialecten terug. Een verschijnsel bij de herkomstnamen dat wel typisch
Limburgs is, heeft betrekking op de gebruikte voorzetsels. In Vlaanderen
en Brabant zijn slechts twee voorzetsels in gebruik: vooral Van en in mindere mate Uit (Uyttebroeck,
Uytterhoeven, Uyttersprot, Uyttendale). In Limburg worden naast die twee
nog een reeks andere gebruikt: Op (Opdenakker,
Opdekamp, Opteind), In (Indesteghe, Indecleef,
Ingenhous, Indeherberge, Intschuer), Aan (Aandekerk,
Aengenent, Aengevelt). Te (Terhaeg, Terwingen). |
| | | |
Deze Limburgse voorzetselnamen zijn niet gelijkmatig over de provincie
verdeeld. Naar de Maaskant toe wordt hun aantal groter. Waarom nu zijn
dergelijke namen zo frequent in Oost-Limburg en waarom ontbreken ze totaal
(althans nu) in Vlaanderen en Brabant?
Vooraleer een antwoord te kunnen geven op die vraag is het belangrijk in te
zien dat tussen beide klassen van voorzetsels betekenisverschillen bestaan.
De voorzetsels Van en Uit drukken de
herkomst uit, In, Aan, Op en Te zijn daarentegen lokaliserende of
situerende voorzetsels.
De naam Jan van Peer gaf dus aan dat de drager uit Peer afkomstig was maar er
niet meer hoefde te wonen. Jan Aandekerk betekende daarentegen dat de man
nog bij de kerk woonde.
Waarom nu heeft de (Oost)limburgse naamgeving die toestand - die wellicht
ooit overal heeft bestaan - gehandhaafd, terwijl het Vlaams en het Brabants
enkel nog voorzetsels van herkomst kennen?
De oplossing dient weer eens gezocht te worden in het vastworden van
familienamen. Zoals de der-namen (Aert der Becker), konden ook voorzetselnamen met in, aan, op en te niet
zonder meer op volgende generaties worden overgezet. De zoon van Jan van
Peer kon Van Peer blijven heten, ook al was zijn vader en niet hijzelf de
uitwijkeling. De kinderen van Jan Indeherberge konden de toenaam van hun
vader niet klakkeloos overnemen, tenzij ze in de herberg bleven wonen.
Om die reden zijn ons uit Vlaanderen en Brabant namen met In-, Aan-, Op- onbekend. Van in de
Middeleeuwen bestond daar namelijk een dwingende gewoonte onveranderlijke
geslachtsnamen aan te nemen, die niet meer van generatie tot generatie
versprongen. In Limburg, vooral in Oost- Limburg dan, was dat niet het
geval. Wel bestond ook daar de gewoonte een toenaam te voeren, maar
blijkbaar hoefde die tot diep in de 18e eeuw niet meteen vast te zijn. De
kinderen van Jan Indeherberge namen dus andere toenamen aan wanneer zij
elders gingen wonen, b.v. een patroniem (Jans), een
bijnaam of de naam van een schoonvader bij wie ze inwoonden.
| | | |
Deze interpretatie strookt volledig met wat we eerder hebben vastgesteld
i.v.m. patroniemen als Gilissen, Moesen, Mercken. Ook die zijn pas in de 16e
eeuw of nog later kunnen ontstaan.
Men kan zich ten slotte afvragen hoe desondanks toch zovele namen met In, Op, Aan en Te geslachtsnaam zijn kunnen worden.
Er is reden om te veronderstellen dat dit niet in de volksmond is gebeurd,
maar aan een overheidsingrijpen in de 17e en 18e eeuw (men denke aan de
plicht van de pastoors om parochieregisters bij te houden) moet worden
toegeschreven.
Hiermee is mijn overzicht over de Limburgse toenaamgeving afgerond. Dat
betekent uiteraard niet dat daarmee alles over dit onderwerp gezegd is.
Vooral van de genealogen verwacht ik dat zij het hier ontworpen abstracte
kader met concrete details zullen aanvullen en ook voortdurend in vraag
zullen stellen. Graag zou ik met hen daarover van gedachten blijven
wisselen.
Ten slotte nog een zaak die in mijn betoog niet helemaal uit de verf is
gekomen. De processen die ik hier heb trachten te beschrijven, hebben
betrekking op taalmateriaal dat in zijn geheel door overheidsingrijpen
omstreeks 1800 definitief vast is komen te liggen. In de volksmond zijn die
processen echter blijven voortleven tot op de huidige dag. Ook die verdienen
in feite even zeer onze aandacht als de officieel geworden familienamen. Ik
zou mijn bijdrage dan ook willen besluiten met een oproep aan alle
geïnteresseerden om voor hun dialect af dialectgebied na te gaan welke types
en geografische verdelingen bij de huidige toenaamgeving nog in gebruik
zijn. Op die manier kunnen we misschien ooit nog eens achterhalen hoe en
wanneer dialectnamen als ‘Jan van Piet van Sus’ de oudere
genitiefpatroniemen zijn gaan aflossen, of hoe de tegenstelling tussen types
als Torekens Jos en Jos van de Toren
(Zuid- tegenover Noordlimburgs?) moet worden verklaard. Misschien is mijn
oproep voor de Limburgse Vereniging voor Dialect- en Naamkunde de aanleiding
om daarover eens een enquête te organiseren?
JOZEF VAN LOON
|
(1)De
geïnteresseerde lezer wordt voor meer details verwezen naar mijn boek
Morfeemgeschiedenis en - geografie van de Nederlandse familienamen
(Kortemark-Handzame 1981) en mijn artikel Morfeemgeografie van de
Nederlandse herkomstnamen ( Naamkunde 1980, pp.
137-174).
(2)De zgn. genitiefpatroniemen verdienen eigenlijk terechter
de benaming ‘gezinsnamen’ of ‘huisnamen’. Met een ‘genitiefpatroniem’
kon namelijk iedereen worden aangeduid die als inwonende (echtgenote,
kleinkinderen, knechten, meiden) onder het gezag van de pater familias
stond, niet enkel de kinderen.
(3)Bij de korte, eenlettergrepige
namen die - en hebben gekregen (Vaessen, Dreesen,
Mercken), is het kaartvlak niet zo homogeen verdeeld als bij de is-en issen- namen. In het
Oostlimburgse en-gebied komen naast namen als
Thijssen, Nijsen, Dircken ook de varianten Thys, Nijs, Dierckx e.d.
voor. Ik vermoed daarom dat issen-namen vaker met
en-uitgang optreden dan de andere namen onder
invloed van systeemdwang, doordat hun onderlinge formele gelijkenis
groter is (steeds tweelettergrepig, eindigend op sonant + i + s).
|
|