|
|
|
| |
| | | |
Hoofdstuk 10 Pionier van de natuurkundedidactiek
‘Leraren vormen een conservatieve massa, die de ontwikkeling van
het onderwijs tegengaat.’
| |
De kritiek op het bestaande onderwijs
Minnaert had de belangstelling voor het onderwijs met de paplepel
binnengekregen. Zijn peetoom zei het Erasmus na1 dat opvoeding de mens
harmonisch moest vormen: ‘Door onkunde kan men de kostbaarste stof
bederven, terwijl uit een waardeloze ertsklomp door smelten, hameren en
drijven een onsterfelijk meesterstuk wordt gewrocht.’ Er was indertijd
al veel kritiek op de geheugendril, op de prestatiegerichtheid, op de
geringe aandacht voor de vorming van de persoonlijkheid en de opvoeding
tot zelfwerkzaamheid. Vader Minnaert had die gebreken opgesomd in zijn
commentaren op de onderwijzers van Marcel. Uit de Verenigde Staten
kwamen impulsen om het onderwijs te baseren op praktische
scholing wat wel paste bij de pioniersgeest2
in dat land en de sociaal bewogen Kerschensteiner pleitte in Duitsland
voor een Arbeitsschule. Veel auteurs benadrukten de
rechten van het kind en vonden dat opvoeders meer moesten
begeleiden.3
Mevrouw Ehrenfest-Afanasjeva had Minnaerts liefde voor de didactiek
aangewakkerd.4 Zij had in Leiden een groep gevormd,
die bij haar thuis debatteerde over haar ‘stamboom’ van meetkundige
stellingen. Minnaert schreef achteraf: ‘Deze nieuwe aanpak van de
elementaire wiskunde greep ons onmiddellijk aan: hier was een
belangwekkend logisch vraagstuk om over na te denken, maar hier lag
tevens de sleutel om het schoolprogramma te vereenvoudigen.’ Er was een
vonk overgesprongen: ‘Ik herinner mij nog hoe het aanvankelijk als | | | | heiligschennis in mijn oren klonk, toen ik haar hoorde
beweren dat de logische methode van Euclides van psychologisch standpunt bezien als heel slecht moet worden
beschouwd, omdat de leerling in het begin helemaal niet gissen kan waar
men naar toe wil. Ik geloof dat we toen begrepen dat een oorspronkelijke
gedachte op didactisch gebied even belangrijk kan zijn als een
wetenschappelijke ontdekking.’
Als docent aan de Hogeschool had hij de studenten laten experimenteren om
hun zelfwerkzaamheid te vergroten. Hij had het natuurkundeonderwijs
begeleid, dat enkele docenten op kweekscholen hadden uitgevoerd. Hij las
de publicaties op didactisch gebied en ontdekte dat de Duitse pedagoog
Kerschensteiner een connectie had gemaakt tussen de gymnasiale opleiding
en de natuurkundedidactiek. Hij schreef toen:5 ‘Van didactisch standpunt is het bijzonder
merkwaardig te zien in welke mate het onderwijs der antieke talen tot
een esthetisch genot te maken is, tot levende schoonheid. Juist in de
laatste dagen las ik Wesen und Wert des
naturwissenschaftlichen Unterrichts, en vond tot mijn vreugde
dat de man der Arbeitsschule ook ten volle het nut der
antieke talen waardeert.’
Minnaert wilde zijn didactische idealen realiseren. Hij had als kind de
bloempjes leren determineren, had zich op chemische materialen
uitgeleefd, had de samenhang in de aard van het landschap leren
begrijpen, had bij dag en bij nacht op de hemel gelet en was doorkneed
in proeven met elektromagnetische en optische hulpmiddelen. Als er
iemand ideaal was toegerust een pionier in de natuurkundedidactiek te
worden, dan was het Minnaert.
| |
Minnaert en de nieuwe opvoeding
Na de Wereldoorlog kreeg de beweging voor de vernieuwing van de opvoeding
een impuls. Er kwam een zwaar accent te liggen op samenwerking en
wederzijdse hulp van de kinderen, op het streven naar vrede, opdat de
mensheid zich niet opnieuw in de afgrond zou storten. Dat kwam tot
uitdrukking in termen zoals Education in the New Era
en Reformpädagogik. De oprichting van de New Education Fellowship (nef) betekende
een doorbraak. Anders dan de internationale organisaties van wetenschap
beschikte de nef over een Franse, een Engelse én een
Duitse afdeling. Haar congressen trokken de aandacht: het | | | | deelnemertal groeide van 500 in 1925 te Heidelberg tot 1200 twee jaar
later in Locarno. De nef wilde het zelfstandig denken
stimuleren ‘in plaats zich te laten meeslepen door massa-emoties’. De
wereldvrede kon behouden blijven als de opvoeding voortaan in het teken
zou staan van samenwerking tussen de volkeren.6 De nef fungeerde ‘als
vliegwiel in een wereldwijd innovatieproces op het gebied van opvoeding
en onderwijs’.
Haar Nederlandse voorlieden, zoals Kees Boeke, Beatrice Cadbury, Cor
Bruijn, Felix Ortt, Lodewijk van Mierop, Tatyana Ehrenfest-Afanasjeva en
Marcel Minnaert, hadden een levensbeschouwing gemeen waarin vegetarisme,
geheelonthouding, niet-roken, rein leven en pacifisme een sleutelrol
speelden. In 1913 was in Soest de ‘humanitaire’ Engendaalschool
opgericht, die mede gebaseerd was op de levensbeschouwing van de
schrijver-pedagoog Lev Tolstoi.7 Minnaert had naast de Engendaalschool gewoond, terwijl
Boeke en Cadbury in 1926, vlak bij het huis van de Minnaerts in
Bilthoven, met hun vier dochters De Werkplaats waren
begonnen.
In 1926 ontstond een Nederlandse afdeling van de nef:
De Nieuwe Opvoeding. Van de twaalf Nederlandse nef-scholen waren er negen Montessoriaans. Algemene
pedagogische kenmerken waren de vrijheid van beweging van het kind, de
‘leider als helper’, de zelfontworpen ‘leermiddelen’, het inspelen op de
‘stadia van ontwikkeling van het kind’, de tijdboekhouding en de
schoolwandeling. Op De Werkplaats heetten de
leerlingen ‘werkers’ en de leerkrachten ‘medewerkers’. Veel onderwijzers
werkten onbezoldigd. De kinderen kregen alle aandacht en dat sprak
ouders aan. Soms verhuisden mensen om hun kinderen op deze scholen te
doen, vaak kwamen de kinderen van ver lopen.8 De positie van de
medewerkers was dubbelzinnig. Aan de ene kant moesten zij zich
terughoudend opstellen om de eigen ontwikkeling van het kind mogelijk te
maken. Aan de andere kant moesten zij een sturende rol spelen, als ze
niet door de nationale chauvinismen overspoeld wilden worden.
Op de eerste jaarvergadering van november 1927 was behalve Kees Boeke de
Duitse dr Elisabeth Rotten van de Internationale Raad
aanwezig. Volgens het verslag bezocht zij9 de ‘opleidingscursus van de vereniging waar
zij onder meer lessen bijwoonde van dr M.G.J. Minnaert die in het teken
stonden van Natuurkunde en zelfwerkzaamheid door
leerlingen’.
| | | |
Aan deze beweging had Minnaert inderdaad bijgedragen10 met zijn Natuurkunde
in leerlingenproeven. In september 1923 had hij de bioloog
Cesar De Bruyker11 geschreven dat hij dit boek had
voltooid: ‘De hele stapel paperassen hedenochtend naar de uitgever
verzonden (Noordhoff); de 136 zelfgemaakte tekeningen en foto's hebben
heel wat werk gekost; maar nu is dat alles achter de rug.’ Hij had
daarmee het eerste boek over leerlingenproeven
geschreven in het Nederlandse taalgebied.
Het boek begon met zijn Credo:12 ‘Er was eens een tijd, toen men aan de
kinderen de natuur leerde kennen uit tekeningetjes op het bord of in een
boek: dat was de natuurkunde met krijt en spons.
Daarna kwam een tijdperk, waarin als voornaamste eigenschap van goed
onderwijs de aanschouwelijkheid werd geprezen. De leraar voert voor de
klas een proef uit en alle kinderen mogen die bewonderen, zo goed en zo
kwaad als dat van ver mogelijk is; soms zie je een lichtlijn verlopen of
gaat er een belletje aan het rinkelen, andere malen is 't een mooi
vuurverschijnsel of een knaleffect. Hoe dat fraais echter ontstaat is
voor veel kinderen een raadsel: ze kijken naar deze kijkproef als naar een plaatje - zij het dan een bewegend
plaatje! Sedert Ligthart, Kerschensteiner en Montessori is de leuze van
de school geworden: zelfwerkzaamheid! En een schaar
geestdriftige mannen en vrouwen hebben met opofferende toewijding dit
beginsel verkondigd, toegepast en uitgewerkt. In dit teken
ontwikkelde zich de natuurkundige leerlingenproef.’
Minnaert bedankte zijn vriendinnen in Soest, die jarenlang op de zondagse
bijeenkomsten de wording van dit boek hadden gestimuleerd: ‘Gij hebt
tijd en arbeid gegeven; met roerende opoffering kocht gij van eigen
penningen de nodige hulpmiddelen; in uwe vriendelijke, eenvoudige
Engendaalschool is thans aangetoond hoe men met geringe middelen toch
een voortreffelijk onderwijs der natuurkunde kan verwezenlijken.’ Hij
schuwde zelf het handwerk niet. Oud-leerlingen van 192013
konden getuigen hoe Minnaert, gewapend met draadjes en batterijen,
natuurkundeles gaf en hoe hij bij de uitleg van de mechanica de wip op
het schoolplein benutte als balans.
De drie lokalen waren uitgerust voor twaalf leerlingen. Minnaert: ‘De
klas, die ik mij aldus werkend voorstel, bestaat uit hoogstens 20 tot 25
leerlingen. Met een groter aantal kan men geen goede uitslagen | | | | verkrijgen, - voor de natuurkunde evenmin als voor de
andere vakken.’
| |
Natuurkunde in leerlingenproeven
Het boek was ‘een veilige gids bij het zoeken van nieuwe wegen voor ons
volksonderwijs’.14 Het was bestemd ‘voor de hoogste
klassen der lagere school, voor kweekscholen, landbouw-, huishoud-,
ambachts- en avondscholen en voor privaatonderwijs’, maar kon evengoed
van nut zijn voor de lagere klassen van lycea, gymnasia, hbs en Vlaamse athenea. Hij sprak een hartelijk woord tot ‘de
jongens en meisjes die houden van natuurkunde, die
door eigen knutselen en proeven nemen, willen aanvullen wat op school
wordt geleerd. Ik houd van hen, ik weet hoe ze door hun huisgenoten
worden uitgelachen en naar de zolder worden verbannen; hoe dapper ze
sparen om zich toestelletjes te kopen; hoe menigmaal ze raad moeten
halen uit verouderde, onbenullige boekjes; maar ook hoe hun ogen
schitteren in de vreugde van het eerste succes, dat alle moeite en alle
getob doet vergeten! Ik houd van jullie, jonge ontdekkers!’
Minnaert liet zien hoe hardnekkige verzamel- en handenarbeid met de hulp
van lokale timmerwerklieden en enkele handige ouders een waar
instrumentarium van natuurkundige materialen kon opleveren. Het sparen
van metalen plaatjes, brillenglazen, magneetjes, spijkers, touw,
spiraalveren, eindjes kaars, spiegeltjes, sigarendoosjes, naalden,
kartons en kurken bracht een wonder teweeg: ‘Al die waardeloze dingen
veranderen in allernuttigste hulpmiddelen zodra ze hun plaats in de kast
hebben gevonden.’ Uit zijn proeven blijkt dat er ook reageerbuizen,
bekerglazen, glasbuis, kolfjes en rubberen slangen nodig waren. Gratis
waren die niet, maar de kosten waren inderdaad gering.
Minnaert hanteerde vier uitgangspunten voor zijn didactiek. In de eerste plaats is vakonderwijs alleen zinvol als het
wordt verbonden met het echte leven.15 De buitenschoolse
ervaringen zijn zowel uitgangspunt als eindpunt: ‘De ontwikkeling van de
natuurkundige begrippen bij het kind grijpt plaats langs dezelfde wegen
die de mensheid heeft gevolgd in de loop der eeuwen.16 Wij moeten de overheid ervan overtuigen,
dat natuurkunde niet te onderwijzen is met boeken. Als | | | | wij
over de levende natuur willen spreken op de lagere school, moeten wij
onderdelen van die natuur in de klas hebben: planten, een aquarium, enz.
Evenzo moet de natuurkundige de voornaamste fysische verschijnselen in
de klas kunnen vertonen.’ Natuurkunde valt evenmin te onderwijzen met
computers, kan hier na een kleine eeuw aan worden toegevoegd.
In de tweede plaats droeg hij, nog onkundig van het
werk van Piaget, ontwikkelingspsychologische argumenten aan, die voor
vroegtijdig natuuronderwijs pleiten. Het kind is bezig met het
verzamelen van een schat aan herinneringsmateriaal en kan daaruit later
putten. Het jonge kind houdt ervan proeven te nemen: ‘Ik heb een
jongetje van zes jaar een uur lang zien onderzoeken wat de kleinste
helling was die men aan een karton geven moest om er een potlood af te
doen rollen. Twee kleine meisjes speelden even geduldig op een balkon
met een ineen gefrommelde krant, gehangen aan het uiteinde van een lang
touw, en onderzochten daarbij de gedempte slinger- en valbewegingen.
Zouden de meeste kinderspelen wel iets anders zijn dan uitmuntende
reeksen natuurkundige proeven?’
In de derde plaats introduceerde hij nieuwe
onderwijsvormen uit Engeland, Duitsland en Amerika zoals de gelijktijdige leerlingenproef. De kinderen voerden die twee
aan twee uit met hun eigen toestel. Kropotkins visie op de evolutie
zweefde Minnaert voor de geest: die stimuleerde coöperatie en wederkerig hulpbetoon. Ideaal en didactiek vielen
samen: ‘Zo groeit vanzelf de lust tot samenwerking dat edel, echt
menselijk gevoel, van zulke onschatbare waarde voor het leven en de
maatschappij.’ De klas wordt een eenheid, die samen zoekt, werkt en
besluit! Gelukkige vondsten van een leerling komen aan alle anderen ten
goede, evengoed als begane vergissingen: ‘De vergelijking der uitkomsten
geeft vertrouwen en brengt het begrip en de schatting der
waarnemingsfouten bij; het maken van klassengemiddelden verbetert
aanzienlijk de uitkomsten, en geeft ieder het besef zijner
verantwoordelijkheid. Tenslotte trekt de leraar uit het gezamenlijke
werk de besluiten waar het om te doen is.’
In de vierde plaats verbond hij de cognitieve met de
affectieve en de motorische vorming. De natuurkundeles betekende veel
meer dan het formuleren van een wetmatigheid. Het vak speelde zich niet
louter in de hersenen af, maar ook in het samenwerken, het zagen van
hout, het inrichten van een proef en het praten over de waarnemingen met
de | | | | partner en de klas. Minnaert: ‘Het kind moet zelf
rechtstreeks in aanraking komen met de natuur; het wil niet alleen de
dingen zien, goed zien, maar het wil ze voelen, ruiken,
horen van nabij; ‘zijn’ proef moet het worden! Dan pas wordt de
spierzin geoefend, het belangrijkste onzer zintuigen en in duizenden
nieuwe ervaringen leren wij hoe onze bewegingen inwerken op de dingen om
ons heen. Daarom moet iedere leerling zijn eigen toestelletje hebben,
waar hij aan bouwen en wijzigen kan volgens het spel zijner verbeelding
en de eis van zijn gezond verstand; een toestel waar hij metingen mee
kan uitvoeren, opdat de cijfers voor hem leven zouden krijgen. Zo kan
iedere les een heerlijk uur worden van ontdekkingsvreugde.’
Minnaert introduceerde de huisproef: ‘Waarom zou men
niet nu en dan heuse proeven thuis of waarnemingen in de vrije natuur
laten uitvoeren? Er zijn proeven genoeg waarvoor men de hulpmiddelen in
ieder huisgezin aantreft; en ik zie er ook niet tegen op desnoods een
duurder instrument (thermometer) aan de kinderen voor een dag te lenen.
De ondervinding heeft mij bewezen dat zulke oefeningen zeer in de smaak
vallen.’
| |
Een ‘gezamenlijke’ leerlingenproef
In Minnaerts boek passeren de onderwerpen in de klassieke volgorde:
mechanica van vaste stoffen, vloeistoffen en lucht, warmte, licht,
geluid en elektriciteit. Zoals Van Genderen in een terugblik
constateert,17
schreef Minnaert alsof hij de leerlingen aansprak. De proeven zijn
soms18 origineel en
spectaculair, hij zal er zijn Tom Tit op hebben
nageslagen zoals bij de zwaartepuntgrappen rond ‘het ei dat altijd
rechtop komt te staan’ en het ijzerdraadje met door de kinderen gekleide
ballen dat met behulp van een spijker moeiteloos op de vinger

Ledige eierschaal, onderin gevuld met
klei.
Een lichaam met laaggelegen zwaartepunt blijft
vanzelf in evenwicht.
| | | | blijft staan. Een voorbeeld uit het boek geeft een idee van
Minnaerts stijl en aanpak.
De onderwijzer stelt een ‘gezamenlijke leerlingenproef’ voor met
klassikale verwerking. Eerdere proeven hebben de thermometer ingeleid.
De kinderen meten de temperatuur van lucht en water:19 ‘Een mooie herfstdag
bijvoorbeeld is zeer geschikt voor deze metingen. De luchttemperatuur
waarnemen is nog niet zo heel eenvoudig. Bepaal die altijd in de
schaduw; zorg dat de thermometer goed droog is, pak hem dan stevig bij
zijn boveneind en zwaai hem twee minuten lang heen en weer. Dán pas ben
je zeker dat hij de ware temperatuur van de lucht zelf heeft aangenomen.
Tiende graad aflezen!
Alle twee uren, tussen de lessen, gaan we even in de heerlijke frisse
buitenlucht en nemen de temperatuur op van de lucht in de schaduw; 24
uur lang moeten we waarnemen! Voor vanavond en morgenochtend krijgen
jullie de thermometer mee naar huis; wie is van plan laat op te blijven?
Wie wil vroeg opstaan? Alles ter ere der wetenschap! Tussen middernacht
en 6 u. 's morgens laten jullie 't maar zo; ik zelf zal te 3 u. 's
morgens nog een waarneming doen.
De kinderen maken een fraai tabelletje, tekenen alles nauwkeurig aan,
worden nieuwsgierig om te weten wat de thermometer 't volgend uur zal
aanwijzen! Na een dag, een nacht en nog een dag gaan wij al onze
getallen door een tekening voorstellen. De achtereenvolgende ruitjes van
ons millimeterpapier stellen de uren voor; bij ieder uur teken je met
een lijntje hoe hoog de kwikzuil van de thermometer toen stond. Daar
waar wij uren hebben overgeslagen zonder waar te nemen, moet je ook
ruitjes open laten.’

Gang der luchttemperatuur gedurende een etmaal. d =
dag, n = nacht
| | | |
Datzelfde gebeurt met water in de buurt: een rivier, kanaal, desnoods een
regenton in de schaduw. Het verschil tussen de twee grafieken laat de
conclusie toe: ‘Blijkbaar is water moeilijk te verwarmen en moeilijk af
te koelen.’
Het boek overschreed moeiteloos de barrières tussen de vakken. De
optische onderwerpen veronderstelden de biologische behandeling van ‘het
oog’ en de elektrische cellen hadden een weinig scheikunde nodig. De
behandeling van de elektromagnetische bel en van het morsealfabet
eindigt met de climax: Bezoek aan het
telegraafkantoor. Roldoorbrekend waren zijn foto's van
experimenterende meisjes.20 Een meisje hanteerde de kleurenschijf
die een verhaal over het zonnespectrum begeleidde! Twintig jaar later
verscheen er in Nederland een reeks boeken met titels zoals Jongens en Natuurkunde; tachtig jaar later heette een Vlaams
tv-programma Jongens en Wetenschap.
In de geest van Kerschensteiner wees Minnaert achteloos op de ‘vlot te
lezen’ Griekse tekst over de bal van Heron21! Inventief waren zijn kartonnen modellen
van zuigpomp en stoommachine zeker.22 Hij beschouwde als niet-chemicus het
bruinsteen in een batterij als overbodig en het geleidende grafiet als
het werkzame bestanddeel.23 Maar anders dan de propagandisten van de snelle veroudering
menen, blijft dit boek boeien en verbazen, van generatie op
generatie.24
| |
Empirische en epistemische aanpak:
Minnaert versus Dijksterhuis
In 1924 publiceerde Ehrenfest-Afanasjeva haar visie op het
meetkundeonderwijs aan ‘niet-wiskundigen’. Zij verving de axiomatiek en
de inprenting door zelfwerkzaamheid én het intuïtieve vermogen uit
meetkundige afbeeldingen stellingen af te lezen.25 Minnaert
stond met zijn pleidooi voor leerlingenproeven niet
alleen: vooraanstaande fysici, chemici en astronomen zoals Ehrenfest,
Kohnstamm, Pannekoek, Kruyt, Zernike, Coster en Fokker waren van mening
dat het experiment en de zelfwerkzaamheid een grotere rol moesten spelen
in het natuurkundeonderwijs.
Medio 1923 had de Nederlandse Natuurkundige Vereniging
(nnv) een Adres gezonden naar
het Ministerie inzake Laboratoriumuren voor
| | | | leraren in de natuurkunde.26 Leraren
dienden extra uren te krijgen vanwege de ‘tijdrovende moeite en zorg,
die buiten de lesuren vereist worden om het experiment in de les tot
zijn recht te laten komen’. In 1927 kwam een onderwijsstudiecommissie van de nnv tot
stand van zes leraren en schooldirecteuren onder aanvoering van de
Delftse hoogleraar A.D. Fokker.27 Op 20 april werden hun Stellingen
besproken op een volle bijeenkomst van leden, belangstellenden en
onderwijsinspecteurs. Verschillende opvattingen passeerden de revue,
zoals die van Kerschensteiner die verlangde dat leerlingen zelfstandig
problemen zouden oplossen. De commissie wees dat af, ook voor de hbs: ‘De leerling moet geoefend worden in het doen
van eenvoudige waarnemingen en metingen; eerst daarna kan men hem
zelfstandig eenvoudige problemen doen oplossen, welke fase echter
waarschijnlijk aan de universiteit moet worden overgelaten.’ Minnaerts
revolutionaire voorstel laboratorium en leslokaal voortaan te laten
samenvallen28 werd verworpen vanwege de ‘praktische
bezwaren’. De aanwezige natuurkundeleraren waren het erover eens dat het
leerlingenpracticum een onderdeel van het programma moest worden. Het
zag er in deze kring goed uit voor het practicum.
Het tegenovergestelde streven boekte evenzeer succes. Een groep leraren
onder aanvoering van de wiskundigen Dijksterhuis en
Beth maakte zich sterk voor een deductief onderwijs in de wis- en
natuurkunde. Dijksterhuis maakte een onderscheid tussen empirisch weten op grond van ervaring en herinnering én epistemisch weten op grond van onderlinge samenhang
van feiten en abstracties. Het epistemisch onderwijs verplichtte de
leerling zich rekenschap te geven van de gebruikte termen, formules en
methoden en zou bij uitstek het selectiemiddel zijn voor de
universiteit. Het onderwijs moest juist niet proberen
aan te sluiten bij voorstellingen en intuïties over de natuur die de
leerling in het dagelijks leven had verworven.
Op de grens van wis- en natuurkunde vochten deze tegengestelde richtingen
om de zeggenschap over het nog zelfstandige vak mechanica.29 Moest
de inlijving van dit vak bij de epistemische wiskunde, een geliefd
exploratieveld van differentiaal- en integraalrekening, gehandhaafd
blijven óf hoorde het als ervaringsleer bij de natuurkunde? Er kwam een
compromis tot stand tussen de commissie-Beth en de commissie-Fokker: de
vier lesuren mechanica zouden verdeeld worden over de leraren
natuurkunde en wiskunde:30 De Groningse na- | | | | tuurkundige
D. Coster legde dit op 19 mei 1928 aan de leden van de nnv voor: ‘De Utrechtse natuurkundigen L.S. Ornstein en M.
Minnaert zetten definitief kwaad bloed door tegen het advies van de
commissie-Fokker in voor de inlijving van de hele mechanica te pleiten.’
Het bestuur van de nnv nam dit principiële standpunt
over: de mechanica diende als een experimenteel-fysische discipline te
worden onderwezen.
De leden van de commissie-Beth waren aanwezig. Minnaert daagde hen
uit:31 ‘Als men vraagt wat van meer belang is, de
natuurkundige inhoud of de wiskundige formulering, dan zal men wellicht
zeggen, dat de leerlingen het best de wiskundige formulering kunnen
reproduceren. Dat leren ze uit hun hoofd. Maar vraagt men, wat hun later
is bijgebleven, dan blijkt dat juist de natuurkundige inhoud te zijn.’
De vergadering verscheurde het compromis en volgde het bestuur met vijf
stemmen tegen (de commissie-Beth) en zes blanco (de commissie-Fokker).
Het werd een Pyrrhusoverwinning, waarvoor Fokker tevoren gewaarschuwd
had.32
De nnv schreef een Adres naar de
Minister, waarin zij33 het eens niet wilde hebben
over de ‘overgrote klassen en het overgroot aantal lesuren der leraren’.
Sommige formuleringen moeten van de hand van Minnaert geweest zijn. De
leermethode moest rekening houden met de hoofdeis van modern onderwijs:
de zelfwerkzaamheid. Het praktisch onderwijs moest een geheel vormen met
de les. De mechanica moest worden wat zij overal en te allen tijde was
geweest: onderdeel en een der grondslagen van de natuurkunde. De
historische ontwikkeling had ertoe geleid dat de mechanica door de
wiskundeleraar werd gedoceerd: ‘In het onderwijs behoren, zoals bij alle
natuurwetenschappelijk onderwijs, deductie en inductie elkaar af te
wisselen. Brengt men te veel de axiomatische, abstracte zijde naar
voren, dan begaat men tevens de pedagogische fout, dat men niet
aansluiting zoekt bij datgene wat de leerlingen het naaste ligt,
namelijk de ervaring.’
Minnaert haalde in een onderwijsblad uit naar Dijksterhuis:34 ‘De wiskundigen, die de
mechanica als afzonderlijk vak willen handhaven, hoort men dikwijls
betogen, dat de mechanica toch op een geheel andere basis berust dan de
natuurkunde en dat haar stellingen af te leiden zijn uit grondaxioma's
die ons door de rede zelf worden ingegeven. Niets is
onjuister en gevaarlijker dan deze bewering! De ‘beginse- | | | | len’ der mechanica zijn zo weinig vanzelfsprekend, dat ze
niet eens juist zijn! Het is niet waar, dat een snelheid u, samengesteld met een gelijkgerichte snelheid v, gelijk zou zijn aan een snelheid u + v; dat weten we uit de relativiteitsleer en de proef
van Michelson. Het is ook niet waar, dat de versnelling van een lichaam
evenredig is met de kracht die er op werkt; dit weten we uit de proeven
van Bucherer en anderen met snelle elektronen. De beginselen der
mechanica zijn dus stellig geen waarheden a priori.’
Minnaert vond dat Dijksterhuis' geest in de Middeleeuwen rondwaarde,
‘alsof men de natuur kon leren kennen door er alleen over te
theoretiseren, op de wijze van Hegel die in zijn jeugd a priori
beproefde te bewijzen dat er maar zeven planeten “konden” zijn.’ Hij
verzuchtte: ‘Het is alsof men les wilde geven in een vreemde taal door
alleen woordenlijsten en grammatica te laten leren.’ Zijn polemische
stijl werd er niet milder op. De fysicus, en latere Nobelprijswinnaar,
F. Zernike sloot zich bij hem aan.35 De natuurkunde liep
achter bij het onderwijs in de scheikunde en biologie, dat ‘veel
moderner, veel levendiger, is dan dat in natuurkunde’. De lectoren en
hoogleraren die zich in de discussie mengden wisten nog waarover zij het
hadden, omdat ze als gecommitteerden optraden bij de mondelinge
eindexamens.
De nnv stelde een tweede studiecommissie in onder
leiding van de leraren Reindersma en Denier van der Gon met als
universitaire docenten H.C. Burger, Zernike en Minnaert. Haar rapport
verscheen in 1936 onder de titel Natuurkundige proeven voor
leerlingen. Het was een verzameling van 60 proeven met een
aparte bundel voor de leerlingen. Een jaar later verscheen een tweede
bundel met 69 proeven. De teksten waren afstandelijk en de tekeningen
zagen er té verzorgd uit. De docenten konden te rade gaan bij het
professionele tijdschrift Faraday, dat zich aan de
proefneming zou wijden.
| |
De Utrechtse lerarenopleiding
De pennenstrijd was dankzij Minnaert ongewoon scherp geweest. De
overwinning was geheel aan de wiskundigen en de traditioneel ingestelde
natuurkundeleraren. De richting-Beth vertegenwoordigde een
verpletterende meerderheid van de docenten. Dus kregen de critici niets
in plaats van twee uur mechanica. Minnaert vluchtte vooruit. | | | | Net als in het Vlaanderen van voorjaar 1914, toen hij nog slechts heil
verwachtte van frisse krachten die de verhoudingen wilden omverwerpen,
verwachtte hij ook nu niets meer van de docenten in het bestaande
onderwijs. Eind jaren twintig nam hij in Utrecht de onbezoldigde
colleges didactiek en pedagogiek van de natuurkunde
over van de thermodynamicus Ph. Kohnstamm, die als pedagoog in Amsterdam
werd benoemd. In 1930 beval de faculteit Minnaert bij de Minister aan
als privaatdocent in de didactiek en methodiek der
natuurwetenschappen. De toevoeging ‘methodiek’ en de weglating
van ‘pedagogiek’ waren beide van Minnaerts hand. Volgens het
collegedictaat van U. Keller36 begon Minnaert zijn
college met de stelling: ‘Leraren vormen een conservatieve massa, die de
ontwikkeling van het onderwijs tegengaat.’ Dat was zijn conclusie uit de
nederlaag tegen Dijksterhuis cum suis. Zo'n elitaire
opstelling jegens de vakmensen zal, alle goede bedoelingen ten spijt,
niet bevorderlijk zijn geweest voor het creëren van een draagvlak voor
vernieuwingen.
Tijdens Ornsteins rectoraat van begin jaren dertig ontstond in Utrecht
een samenwerkingsverband tussen de faculteit letteren en wijsbegeerte én
de faculteit wis-, natuur- en sterrenkunde om een lerarenopleiding in
het leven te roepen.37
Op instigatie van Minnaert functioneerde medio jaren dertig een
opleiding ‘didactiek voor leraars’, die bestond uit een college
‘didactiek en methodiek’ van de gekozen natuurwetenschap én een college
pedagogiek. De studenten moesten drie maanden hospiteren gedurende twee
schooltijden per week, waarbij het practicum een centrale plaats innam.
Er was een commissie ingesteld van hoogleraren wiskunde, natuurkunde,
scheikunde, dierkunde en plantkunde waarin de didactiekdocenten een
adviserende stem hadden. De voorzitter van de commissie en twee
studentvertegenwoordigers vormden een ‘bureau’ dat de stages
administreerde. Dat was pionierswerk.38 De participatie van studenten verraadt Minnaerts
signatuur.
Zijn boeiende didactiekcollege trok veel studenten. Hij legde nadruk op
de vormende waarde van het vak: het overdragen van attitudes en normen
zoals ‘de waarde van de waarheid’, ‘het vertrouwen in de rede’, ‘de
eerbied voor de causaliteit’, ‘de eerbied voor de arbeid’, ‘gevoel voor
verantwoordelijkheid’ bij leerlingenproeven, ‘handigheid in het omgaan
met materialen’ en ‘schoonheidsgevoel’. Hij waarschuwde dat overdracht
naar andere levensterreinen niet vanzelfsprekend was. | | | | Het
leeuwendeel van zijn college bestond uit het demonstreren, het leiden
van leerlingenpractica, het begeleiden van didactisch profijtelijke
werkvormen, het analyseren en structureren van een les. Hij leerde
experimenteren in de vrije natuur: ‘De wetten van de natuurkunde gelden
ook buiten de school!’ Hij behandelde boeken en vaktijdschriften, legde
de relatie met de wiskunde, besprak grensgebieden met de chemie,
astronomie, mechanica en meteorologie en introduceerde historische en
filosofische werken.
Hij verwees overigens niet naar het college algemene pedagogiek van de pedagoog M.J. Langeveld.
Zijn afwijzende houding jegens de geesteswetenschappen was dus niet
veranderd. Omgekeerd verwees Langeveld wel naar Minnaert. De astronoom
H.C. van der Hulst39 herinnerde zich dat Langeveld op basis van het werk
van de psycholoog Ludwig Klages voorbeelden gaf bij de lerarentypen:
‘Een zo'n type werd gekenmerkt door die Wille zur
Verständlichkeit der Welt. Hij zei: ‘Dat is nou Minnaert’: die
absolute wens de wereld te begrijpen en die afwijzing van alles dat naar
het mystieke zweemt.’
Ornstein en Minnaert hadden samengewerkt bij het realiseren van de Utrechtse lerarenopleiding. Ornstein schreef achteraf
trots:40 ‘Jaren werd overwogen,
plannen en wetten volgden elkaar, maar het sterke leven, dat onze
Universiteit gelukkig bezit, bracht deze nieuwe loot voort en met de
gewaardeerde hulp van docenten van het middelbaar en hoger onderwijs is
deze opleiding tot stand gekomen en zal zij groeien tot nut van onze
studenten en van de jeugd der scholen.’ Het blad Vernieuwing wijdde een themanummer aan de opleiding en liet
Minnaert aan het woord.41
Die betoogde dat de universitair opgeleide leraar niet akkoord kon gaan
met de geijkte schoolwetenschap, maar zich bezighield met de didactische
vertaling van nieuwe inzichten: ‘Hij voelt zich
bezield met de geestdrift van de hervormer, het leven dat voor hem ligt
wordt rijk aan inhoud en waard dat hij zich eraan wijdt.’ Het bezoek aan
de beste hospiteerscholen moest de aanstaande leraar confronteren met de
‘onvergetelijke indruk’ van modern onderwijs. De instroom van nieuwe
mensen moest de sleur van de oude garde doorbreken: ‘Ik verlang dat hij
dit ideale beeld voor zich zal zien, nog voor hij zijn loopbaan
aanvangt; als een zonnige gave van zijn jeugd zal hij het ontvangen, in
de periode van zijn leven waarin hij het vatbaarst is voor alle idealen.
Gebrek aan bezieling is gevaarlijker dan onervarenheid!’ | | | | Tenslotte ging de echte bezieling volgens Minnaert uit van de
didactiek van het vak: ‘Men boeit de studenten het meest, als men direct
het centrale, praktische probleem aanpakt: ‘hoe zal ik mijn wetenschap
aan de leerlingen meedelen?’ Daarvan uitgaande moeten
wij ons tot de algemenere pedagogische en psychologische vraagstukken
verheffen. Deze weg behoedt ons het best voor het abstracte
theoretiseren, waardoor de oudere, brave ‘opvoedkunde’ zozeer in
diskrediet is gekomen.’
Elke zin drukte Minnaerts afkeer uit van het bestaande onderwijs waarin
de epistemische aanpak van de Dijksterhuizen de dienst
bleef uitmaken.
|
1Gillis D. Minnaert, 1913-1914, I, 56.
2Romein, 1967, 808. Ellen Key speelt weer een rol.
3Kruithof, 1982, schetst de
uitgangspunten van Pestalozzi, Fröbel, Kerschensteiner, Montessori
en Dewey.
4Lezing Universiteit en Didactiek van 14 oktober 1961.
Archief-Sterrenkunde.
5Minnaert aan Burgers, 17 juni 1921. In de jaren vijftig kwam hij
daarop terug in een radiodebat met de klassicus C. Spoelder: hij
vond toen dat een klassieke opleiding de leerling te veel en onnodig
belastte en te ver van ‘het volle leven’ stond. Hij pleitte voor een
school ‘op de grondslag van natuurwetenschap en nieuwe kunst’ een school die een hoger stadium zou kunnen zijn
van de klassieke opleiding. AVRO, maart 1951; discussieleider P.H.
Ritter jr koos de zijde van C. Spoelder, die de gymnasiale opleiding
verdedigde.
8Interview met Hans Littooij, zoon van de administrateur van Chreestarchia.
9Verslag
bij Morsch, 1984.
11Brief aan De Bruyker, 18
september 1923. Archief-AMVC.
13Interviews met Hans Littooij en Nanda Ortt.
14Minnaert, 1924, Voorwoord.
15Citaten
aaneengeschoven uit de inleidende pagina's.
16Vóór de Zwitser J. Piaget hanteerde Minnaert de notie
van de ontwikkelingspsychologie. Diens werk kwam eind jaren twintig
in omloop. Betwijfeld moet worden of Minnaert, met zijn bedenkingen
tegen de geesteswetenschappen, pedagogische standaardwerken zoals
The Language and Thought of the Child (1923)
en The Origins of Intelligence in Children (1936)
ooit gelezen heeft.
20Minnaert, 1924, 81, 134, 137. Er zijn drie foto's met meisjes en er
is er een met jongens.
22Minnaert,
1924, 73, 104.
24Een eerste recensie van J.M.
Telders in het Daltonnummer van Volksonderwijs, 12 juni 1924.
25T. Ehrenfest-Afanasjeva, 1924. Klomp, 1997, 166.
26Adres van 1923 naar de Minister van O K &
W, ondertekend door J.M. Burgers en P.H. van Cittert.
28Minnaert op 20 april 1927 op
bijeenkomst NNV. Verslag in Physica.
29Klomp, 1997, 180-217, D. De grote strijd om de mechanica.
30Klomp, 1997, 187. Dirk
Coster was inderdaad Minnaerts vriend van Christiaan
Huygens.
31Verslag in Physica 8,
1928, 173.
32Fokker had zijn confrater Ornstein in
een brief van 12 juni 1928 geschreven dat die wel gelijk had.
Hijzelf kon ‘niet het meerdere eisen waar ik het mindere goed
gevonden heb’. Hij waarschuwde echter voor ‘een algemeen verzet van
leraars die zich en hun vak bedreigd voelen’. Klomp, 1997,
255.
33Adres van
NNV aan Minister, 11 juli 1928, Physica 8, 1928, 183.
34Minnaert, (1928d). Berkel, 1997, 142-150. Mijn
cursivering. Met Dijksterhuis had Minnaert gemeen dat hij aandacht
vroeg voor de leraarsopleiding: ze stonden niet altijd tegenover
elkaar. Dijksterhuis had in 1925 voor het Nederlands
Natuur- en Geneeskundige Congres een rede over het
leraarschap gehouden die integraal in de Handelingen was afgedrukt.
35Zernike, F.,
Het oude en het nieuwe mechanica-onderwijs,
Weekblad 25, 1928-1929, 901.
36Collegedictaat U.
Keller. Archief-Universiteitsmuseum.
38Heijmans,
1994, 133. Ornstein was rector in 1931-1932 toen hiermee een begin
was gemaakt.
39Interview met H.C. van der
Hulst.
40Ornstein, rede over de
leraarsopleiding in Utrecht, 1939.
|
|