Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 1


auteur: P.C. Molhuysen en P.J. Blok


bron: P.C. Molhuysen en P.J. Blok (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 1. A.W. Sijthoff, Leiden 1911


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Andreae, Tobias (1)]

ANDREAE (Tobias) (1), geb. te Braunfels in het graafschap Solms 19 Aug. 1604, gest. te Groningen 17 Oct. 1676, zoon van den hofprediker en superintendant Tobias A. en Margaretha Fischer, oudste dochter van Joh. Piscator, hoogleeraar in de theologie te Herborn, studeerde in zijn geboorteplaats onder Joh. Ever. Zaunschlifer, doorliep in vijf jaren de latijnsche school te Herborn en wijdde twee jaren aan de philosophie bij zijn oom Piscator en Joh. Hendr. Alstedius. Gedurende zes of zeven jaren studeerde hij vervolgens de philosophie en medicijnen te Bremen onder Gerard de Neufville, wiens onderricht nu en dan afweek van de destijds in de scholen gehuldigde leerstellingen, en gaf en zelf particuliere lessen. In 1628 in zijn vaderland teruggekeerd, bezocht hij de universiteiten van Marburg en Keulen en op aanraden van Henr. Alting ook Groningen, waar hij wederom bijzondere lessen in alle deelen der philosophie gaf en belast werd met de opvoeding van Alting's drie zonen. Door dezen bekwam hij na de voltooiing daarvan eenzelfde betrekking bij den 14-jarigen hertog van Landsberg, den lateren keurvorst Frederik V, met wien A. het hof der Oranjes bezocht en 15 Nov. 1632 te

[p. 133]

Leiden als student wordt ingeschreven. Nogmaals, doch alleen, op 26 Mei 1633 ingeschreven als stud. phil., zal hij daar van Schooten, Golius en Burgersdijk hebben gehoord. 17 Febr. 1635 werd hij als opvolger van Jan. Gebhard te Groningen benoemd tot hoogleeraar in de geschiedenis en het grieksch, welken post hij slechts een half jaar heeft verlaten voor een bezoek aan Lodewijk de Geer in Zweden, wiens dochter Elisabeth hij 26 Mei 1643 te Amsterdam had gehuwd, daardoor de schoonbroeder wordend o.a. van Adriaan Trip. Het reeds te Bremen ontvangen onderwijs had A. ontvankelijk gemaakt voor de philosophie van Descartes, die zich weldra, Jan. 1644, ook te Groningen moest beklagen over de Admiranda methodus (Ultraj. 1643) van Mart. Schoock. Hoewel A. slechts éénmaal hebbende ontmoet, verzocht Descartes hem 27 Mei 1644 in zijne afwezigheid te willen inlichten over de handelingen van dezen en Gisb. Voet. Zijn, na het door de rechters, waaronder Maresius en A., ten gunste van Descartes op 20 Apr. 1645 gewezen vonnis, slechts twee brieven aan A. van den wijsgeer dd. 26 Mei en 16 Juli 1645, naar inhoud bekend, A.'s blijvende gezindheid kan worden afgeleid uit de omstandigheid, dat hij zijn vroegeren bremer studiegenoot Joh. Clauberg, nu hoogleeraar te Herborn, tot het Cartesianisme bracht, onder de leiding, in 1648, van hun later gemeenschappelijken vriend Joh. de Raey. Na Descartes' dood verdedigde hij diens Notae in programmate quodam (Amst. 1648) tegen den afvalligen Regius en werd over zijn wijsbegeerte, evenals Clauberg, in een heftigen strijd gewikkeld met den regent van het leidsche Staten-college Jac. Revius. Ook in zijne laatste jaren onderwees A. in druk bezochte private lessen de cartesiaansche grondbeginselen. Rector is hij geweest in 1640, toen hij de onder te noemen lijkrede hield, in 1649, 59 en 67. Met ijver nam hij van 1640 tot 8 Dec. 1668 den post van bibliothecaris waar. In 1669 kwam hij voor op de voordracht tot hoogleeraar te Franeker. Van de uit zijn huwelijk gesp roten 5 zonen en 4 dochters waren vijf kinderen reeds bij den dood zijner vrouw op 25 Aug. 1659 overleden. Zijn portret aet. 41, gesneden door S. van Lamsweerde met onderschrift van J.F. Gronovius is in de ondergenoemde Effigies. A. stond ook, althans in 1651, in briefwisseling met Coccejus..

Behalve verschillende theses, waaronder de Triumviratu, gaf A. uit: Henricus Nassovius sive oratio in excessum ill. et gen. D. Comitis Henric. Nassovii (Gron. 1640); Brevis replicatio reposita Brevi explicationi mentis humanae ... D. Henrici Regii (Amst. 1653) en de Assertio methodi Cartesianae opposita Jac. Revii ... praefatae methodi Cartesianae considerationi theologicae quam vocat I (Gron. 1653), II (ib. 1654), beantwoord door Revius' Καϱτησιομανία I (Lugd. Bat. 1654) II, (ib. 1655) en Ψυχοϑεομαχία (ib. 1654).

Zie: Effigies et Vitae Profess. Groning. (Gron. 1654) 124; J. Mensinga, Oratio in decessum Tob. Andreae (Gron. 1676); Boeles, Levenssch. Groninger proff., 23 achter Jonckbloet, Gedenkboek der hoogeschool (Gron. 1864); Sepp, Godgeleerd onderwijs II (Leid. 1874) 361 v.v.; Posthumus Meyjes, Jac. Revius (Diss. Amst. 1895) 172 e.v., 204; Oeuvres de Descartes IV (Par. 1899) 78, 123, 155, 195, 214, 245-47, 437; V (ib. 1903) 228; VIII (ib. 1905) 224 e.v., 370; Duker, Gisb. Voetius II (Leiden 1907) 175 e.v., 186.

de Waard