Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 2


auteur: P.C. Molhuysen en P.J. Blok


bron: P.C. Molhuysen en P.J. Blok (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 2. A.W. Sijthoff, Leiden 1912


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Taurinus, Jacobus]

TAURINUS (Jacobus), Jacobus van Toor, in 1576 geb., 22 Sept. 1618 overl., was zoon van den schiedamschen predikant Petrus Taurinus. Hij studeerde te Leiden (waarschijnlijk is hij de Jacobus Petri, Schiedamensis, 12 April 1595 ingeschreven) en werd een der geleerdste predikanten van zijn tijd. Met Gerard Vossius en Hugo de Groot schijnt hij reeds in zijn studietijd aanraking te hebben gehad. Hij predikte eerst in 't Woud bij Delft, werd in 1601 naar Delftshaven en in 1605 naar Utrecht beroepen. Ofschoon de gemeente er door Wtenbogaert geordend was, wachtte hem daar een zware taak. Vooral in Johannes Speenhoven vond hij een geestverwant ambtgenoot. Ook de waalsche predikant Carolus Niellius stond aan zijn zijde. De lastgeving der eerste utrechtsche Synode in 1606 tot invoering van de kerkelijke organisatie in het Sticht werd door Taurinus met eenige andere gedeputeerden uitgevoerd. In de stadsgemeente was zijn invloed overwegend. Waarschijnlijk heeft hij met zijn vriend Dirk Rafelsz. Camphuysen, destijds lector aan de Hieronymusschool te Utrecht, het grootste aandeel gehad in de totstandkoming van den oudsten liederbundel voor de prot. godsdienstoefeningen hier te lande. Deze bundel Hymne ofte Loff-sangen verscheen in 1615, werd door den kerkelijken strijd nooit ingevoerd en is nu uiterst zeldzaam geworden. Hij deed veel voor godsdienstig, zedelijk en maatschappelijk leven, voor het onderwijs ook der lagere klassen. Hij voegde zich in 1610 met zijne ambtgenooten Car. Rijckewaert en Speenhoven bij de onderteekenaars der Remonstrantie en was weldra de leider der remonstrantsche partij in het Sticht,

[p. 1413]

waartoe alle vijf utrechtsche predikanten behoorden. Ofschoon de leerstellige en politieke verdeeldheid vooral sinds 1610 ook in Utrecht zich deed gelden, streefde Taurinus met kracht en succes naar eenheid en verzoening. De stadsregeering steunde hem daarin krachtig. In de Synode van 1612 werd door zijn invloed de kerkorde van het Sticht vastgesteld, en daarmede het beginsel der verdraagzaamheid, dat in Holland niet tot zijn recht kon komen, zonder strijd in toepassing gebracht. Hij deelde voortaan geheel in den strijd en den nood der Remonstranten. Anoniem schreef hij het vlugschrift de Brandclock, en, onder den schuilnaam Geeraard van Vriburgh, de Cleynen Weghwijzer. Verscheidene andere gaf hij uit met zijnen naam. In het centrum van het Calvinisme, Amsterdam, zweepte men het grauw tegen hem op, zoodat het hem in 1614 bij een kort verblijf aldaar op straat aanrandde. In schotschriften werd hij beschimpt. Plancius hekelde hem op den kansel. Hij werd voor den ‘Utrechtschen stier’ gescholden. In 1616 verscheen van zijn hand een belangrijk en lijvig werk over De onderlinghe verdraagsaamheydt, een breede studie over het standpunt en het recht der Remonstranten. Van historisch belang is ook zijn studie Nasporingh (1617), waarin de kerkelijke politiek van prins Willem I grondig wordt behandeld. Maar geen geschrift heeft zulk een politieke beteekenis gehad als zijn anoniem verweer tegen de rede van den engelschen gezant Carleton waarin deze namens den Koning partij trok voor de Calvinisten, onder den titel Weeghschael in 1617 verschenen en overal gelezen. Het is geen pamflet, maar een grondig, ernstig pleidooi van groote kracht. Maar Carleton beschouwde het als een beleediging den Koning aangedaan, wiens dwalingen zoo openlijk werden aangetoond. De kentering in de politiek en de naderende ondergang zijner partij maakte allengs zijn toon scherper. Hij verborg zich toen achter den schuilnaam Theophilus Phileleutherus. Talrijke pamfletten werden nu vooral tegen hem gericht. De staatsgreep van Maurits en de gewelddadige omkeer in heel het land was ook voor de Remonstranten te Utrecht noodlottig. De nieuwe regeering stond de Nationale Synode toe, die de Remonstranten in de laatste jaren slechts hadden getracht tegen te houden, omdat het een partijrechtbank dreigde te worden. Taurinus had zich bij het optreden van Maurits te Utrecht met Ledenbergh naar Gouda begeven, keerde wel terug, maar vluchtte, toen hij van Oldenbarnevelts gevangenneming hoorde, 3 Sept. uit de stad naar Zalt-Bommel, rechtvaardigde zich in geschriften en verklaarde zich bereid onder belofte van vrijgeleide voor den rechter te verschijnen.

Intusschen was bekend geworden dat hij de schrijver van de Weeghschael was. Hij werd afgezet en ingedaagd; zijne vrouw, Beatrix van Wijngaerde, bleef nauwelijks voor den honger bewaard. Taurinus trok naar Antwerpen, waar hij ernstig ziek werd. Stervend verklaarde hij, dat hij alleen de schrijver van de Weeghschael was. Hij stierf 22 Sept. 1618, getroost in zijn geloof, in de armen van zijn vriend Wtenbogaert, die hem in een schoonen brief waardig herdacht (Brieven van versch. vermaerde en geleerde mannen 11).

Zijn portret is gegraveerd door H. Bary.

Vgl.: H.C. Rogge, Jac. Taurinus in Archief voor Ned. kerkgesch. 1888, 105; dez., Bibl. van Remonstrantsche Geschriften, in voce.

Groenewegen