Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 3


auteur: P.C. Molhuysen en P.J. Blok


bron: P.C. Molhuysen en P.J. Blok (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 3. A.W. Sijthoff, Leiden 1914


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Beelthouwer, Jan Pietersz.]

BEELTHOUWER (Jan Pietersz.), Beeldhouwer of Beeldthouwer, omstreeks 1603 waarschijnlijk te Enkhuizen geboren en, naar zijn beroep ‘Beelthouwer’ genoemd, overl. omstr. 1665. Van eenvoudige afkomst, was hij een man van ontwikkeling, die Latijn, Grieksch en Hebreeuwsch kende. Hij heeft zich naam gemaakt als ijverig en vurig Collegiant met libertijnsche opvattingen, die steeds en overal ‘naar het ware geloof’ zocht. Om zijn kettersche begrippen werd hij in 1656 van de kerk afgesneden en door het enkhuizer stadsbestuur uit de stad gebannen. Hij vertrok naar Amsterdam, waar de kerkeraad van Enkhuizen den predikant Rulaeus reeds gewaarschuwd had, die verdere maatregelen wist te doen nemen met het gevolg dat burgemeesteren hem een scherpe berisping toedienden, maar hem overigens met rust lieten. Meermalen gaf hij later het kerkbestuur ergernis wegens zijn vrijmoedig optreden o.a. tegen Ds. Homma, zijn ouden tegenstander, en zijn gewaagde traktaten, maar zóóveel wisten ze nimmer tot zijn nadeel bij te brengen dat hem ergers geschiedde. Reeds vroeger moet hij zich in Amsterdam opgehouden hebben; in 1644 en 45 verscheen hij meermalen in de portugeesche synode aldaar - waar ook Spinoza hem hoorde - om, gewapend met den hebreeuwschen Bijbel, tegen de joodsche godgeleerden te disputeeren, gelijk hij zelf verhaalt in zijn: Schildt der Christenen, tegen alle on- Christenen, waarvan de eerste druk in 1660, de tweede te Amst. in 1671 in zijn verzamelde werken verscheen. Strijdlustig als hij was, bestreed hij andersdenkenden van elke richting; zoo het geruchtmakende werk van den Cartesiaan Lod. Meyer, Philosophia S. Scripturae Interpres, in 1666 anoniem te Eleutheropolis uitgegeven (andere dr. 1673, 1676 (?) en 1776), waartegen hij de goddelijke waarde van den Bijbel verdedigde in zijn: Antwoort op het Boeck, genaemt d' Uyl-

[p. 79]

leghster der H. Schrifture, dat hij onderteekende ‘In Amsterdam, 16 Maert 1667,’ in welk jaar het ook voor 't eerst uitkwam; later werd het in zijn verzamelde werken herdrukt. Toen van Spinoza's vriend Adriaan Koerbagh Een Bloemhof van allerley lieflijkheid zonder verdriet in 1668 verscheen, een woordenboekje, waarin de schrijver gelegenheid vond zijn op wijsgeerig en theologisch gebied afwijkende opinies te verkondigen, schreef B. een weerlegging die echter alleen in handschrift bleef, daar de overheid het geraden vond, die niet in druk te doen verschijnen: hij verwierf zich echter voor zijn ijver den dank der regeering. Merkwaardig is zijn aanval op Vondel's Adam in Ballingschap (1663) in zijn kort hekelspel: Adams Antwoordt tegen Joost van den Vondel over Adam in Ballingschap (in 1664 te Amst. in 4o. uitgeg., in 1671 in 8o. herdr.), waarin hij o.a. over de leer van den val en de erfzonde van het gewone zeer afwijkende leerstellingen verkondigde, waarvan hij later echter schijnt te zijn teruggekomen.

Ook als dichter kennen we hem. Behalve dat meerdere zijner werkjes berijmd verschenen, weten we ook dat hij behoorde tot den dichterlijken kring die ten huize van Jan Zoet in de Haarlemmerstraat bijeenkwam, wier werk bewaard is in den bundel Parnassus aan 't IJ, of Konstschoole ter deugd. (Amsteld. 1663). Meer dan één antwoord treffen we er in aan van zijn hand. In plano verschenen er twee vredesgedichten van hem, op dien in 1648: De Fama singht het Voor-gesangh, over de Vrede ... z.p.e.j. (Pamflet Knuttel no. 5752) en op dien van 1667: Dancksegginghe aen Godt Almachtigh, over de Victorieuse Vrede ... verklaert in Breda den 24 Aug. 1667 (Amst. 1667) (Tiele, no. 5541). In 1671 moet hij reeds overleden zijn, vandaar dat van hem geen lijkdicht op Jan Zoet voorkomt. Waarschijnlijk valt zijn sterfjaar omstreeks 1665. In 1671 verschijnen: Alle de Wercken van zalr Jan Pietersz. Beelthouwer, in sijn leven beschreven (Amst. 1671) waarin: De hooghste en laetste bedenckinge over Godt, en Goddelijcke Saken, reeds in 1661 in 't licht gegeven, waarin hij een soort mystiek pantheisme verdedigt, Adams Antwoordt tegen Joost van den Vondel, Dialogus ... over Godt, Godsdienst, en H. Schrifture, tusschen een Theologant en Philosooph ... En Antwoort op de Vrage die eenige Predikanten ... mij voorstelden, hoe na, ofte verre dese hedendaegsche Joden met de Christenen over-een-komen en verschelen, voor 't eerst in 1664 verschenen, de 2de druk van zijn Schildt der Christenen tegen alle on-christenen en zijn Antwoort op het Boeck, genaemt de Philosophie d' Uytleghster der H. Schrifture.

Zie: H.L. Benthem, Holländischer Kirchund Schulen Staat (Franckf.-Leipz. 1698) I, 900; K.O. Meinsma, Spinoza en zijn kring ('s Grav. 1896) pass.; C.B. Hylkema, Reformateurs I (1900) 158, 180.

Ruys