Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 4


auteur: P.C. Molhuysen en P.J. Blok


bron: P.C. Molhuysen en P.J. Blok (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 4. A.W. Sijthoff, Leiden 1918


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Heurnius, Johannes]

HEURNIUS (Johannes), van Heurne of van Horne), geb. 4 Febr. 1543 te Utrecht, overl. te Leiden 11 Aug. 1601, kwam voort uit een bekend en aanzienlijk geslacht. Zijn vader was Otto van Heurne, zijn moeder Geertruida van Velzen. H. ontving te Utrecht les in Grieksch en Latijn van Georgius Macropedius, rector van het St. Hieronymus-collegie, en van Arnoldus Eijckius. Op 18-jarigen leeftijd vertrok hij naar Leuven, waar hij studeerde in de geneeskunde, philosophie en mathesis. Na twee-jarig verblijf aldaar ten huize van Cornelius Gemma Frisius, ging hij naar Parijs, waar hij drie jaar bleef en onderricht ontving van Ludovicus Duretus en Petrus Ramus. Te Parijs woonde hij verscheidene steensnijdingen bij, door Laurentius Col odaeus verricht. Van Parijs vertrok hij naar Padua, waar hij met Pieter van Foreest bevriend geraakte, en de lessen volgde van Capivaccio, Mercurialis, Hieronymus Fabric us ab Aquapendente. In 1571 behaalde hij te Pavia den doctorsgraad, waarna hij twee jaar lijfarts werd van den jongen François Perrenot, zoon van Thomas,

[p. 746]

heer van Granvelle en Chantonay, graaf van Cantecroix, broeder van kardinaal Granvelle. Waarschijnlijk om godsdienstige redenen - zijn overgang tot het Calvinisme - keerde hij daarna weer naar zijn vader and en wel naar Utrecht terug (1573), waar hij spoedig een goede en voorname praktijk zich verwierf en huwde met Christina Beiers (overl. in 1603), eveneens uit een oude patricische familie, bij wie hij zeven zoons en vier dochters kreeg.

Hij bleef te Utrecht tot 1581, toen hem een hoogleeraarsplaats te Leiden werd aangeboden (9 Sept.). 7 Nov. opende hij zijn colleges over de Institutiones Medicae.

In 1583, 84, 92, 93, 99 en 1600 was hij rector magnificus. Te Leiden was hij v.n.l. bevriend met Franciscus Junius, Hugo Donellus en Justus Lipsius. In 1588 werd hem op eervolle en voordeelige voorwaarden een leerstoel te Franeker aangeboden, welk aanbod hij evenwel afsloeg. Hij stierf 11 Aug. 1601 aan nier- en blaassteen, na twee jaren door deze kwaal te zijn geplaagd. Van H. was als practicus zeer gezien en de geneesheer van vele bekende personen, allereerst van de prinsen Willem I en Maurits, verder van prinses Emilia, gehuwd met Prins Emanuel van Portugal. Behalve om zijn bekwaamheden wordt hij ook om zijn zachtmoedig en vriendelijk karakter door zijn tijdgenooten geroemd. Zijn academische lessen, wier duidelijkheid wordt geprezen, zijn in zijn Opera omnia verzameld en omvatten de gehee e geneeskunde dier dagen, behalve de anatomie e.a. hulpwetenschappen. Verder bevatten de Opera nog commentaren op Hippocrates, van wien hij een groot vereerder was, op wiens autoriteit hij zich blijkans op elke bladzijde beroept. Ook Galenus achtte hij hoog, minder gunstig dacht hij over de Arabieren. Zijn werken geven evenwel weinig wat op eigen waarneming berust, en in de kunst van oorspronkelijk en onafhankelijk waarnemen had van H. het blijkbaar niet ver gebracht. Bekend is zijn verlicht advies over de waarde der z.g. waterproef bij heksenprocessen (Opera II, 132).

Zijn geschilderd portret door een onbekende op de Univ. Bibl. Leiden. Th. Matham, W. Swanenburg e.a. graveerden zijn portret.

Zie: J.E. Kroon, Bijdragen tot de geschiedenis van het geneeskundig onderwijs aan de Leidsche Universiteit (1575-1625) met bibliographie; Molhuysen, Bronnen gesch. Leidsche Hoogeschool I, reg.; van Leersum in Ned. Tijdschr. voor Geneesk. 1916, II, 963, 964.

Baumann