Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 4


auteur: P.C. Molhuysen en P.J. Blok


bron: P.C. Molhuysen en P.J. Blok (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 4. A.W. Sijthoff, Leiden 1918


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Swinden, Jean Henri van]

SWINDEN (Jean Henri van), geb. te 's Gravenhage 8 Juni 1746, overl. te Amsterdam 9 Mrt. 1823, zoon van den advokaat Philippe van Swinden, en Anna Maria Tollosan, legde zich als jongeling onder de leiding van zijn vader en van zijn leermeester Glasius op het Latijn en Fransch en onder die van een ander onderwijzer, J.J. Blasière, op de wis- en sterrenkunde toe.

Hij werd in 1763 student te Leiden, waar hij bij zijne grootmoeder in huis woonde en waar zijne studiën geleid werden door zijn oom Mr. Pieter Tollosan. Hij muntte uit door liefde tot de studie vooral van de wis- en natuurkunde; hoewel hij in den aanvang, als zijn vader, in de rechten studeerde, verliet hij dit vak spoedig voor zijne lievelingsstudie. In het bijzonder had hij veel te danken aan J.T. Hennert, toen privaat-docent te Leiden. In 1766 verwierf hij den doctorstitel in de philosophie, en in Dec. van hetzelfde jaar, dus op 20-jar. leeftijd, werd hij de opvolger van A. Brugmans (II kol. 263), hoogleeraar in de wijsbegeerte, redeneerkunde en bespiegelende wijsbegeerte (ook bovennatuurkunde genoemd) te Franeker. Hij aanvaardde dit ambt 18 Febr. 1767 met eene redevoering over de oorzaken der fouten in zaken van wijsbegeerte. Hier beoefende hij bovendien de magneetkracht, de electriciteit en de meteorologie.

[p. 1290]

Hij verkreeg in 1777 eene gouden medaille voor eene zeer uitvoerige beantwoording eener prijsvraag, uitgeschreven door de Parijsche academie van wetenschappen over de veranderlijkheid der magneetnaalden. Met hem verkreeg de beroemde C.A. de Coulomb eenzelfde medaille. In 1780 werd hij eveneens met de gouden medaille bekroond voor de beantwoording eener prijsvraag, uitgeschreven door de keurvorstelijke academie te München over de overeenkomst tusschen magnetisme en electriciteit. Zijn antwoord is zeer merkwaardig; de analogie van een magneet en eene solenoïde was hem nog niet bekend, maar hij vergelijkt vooral het ‘dierlijk magnetisme’ van Mesmer enz. met de electriciteit.

In 1780 gaf hij eene beschrijving van het beroemde planetarium, vervaardigd door den wolwever Eise Eisinga te Franeker, uit.

In 1785 werd hij tot hoogleeraar in de wijsbegeerte, natuur-, wis- en sterrenkunde aan het athenaeum te Amsterdam benoemd. Hij aanvaardde dit professoraat met eene redevoering over de natuurkundige hypothesen, op welke het stelsel van Newton berust.

Zoowel in 1795 als in 1808 werd hij tot hoogleeraar te Leiden benoemd; hij weigerde de eerste maal, de tweede maal kwam de toenmalige koning Lodweijk terug op zijn besluit.

Talloos waren de werkzaamheden, te Amsterdam door van Swinden verricht, en de door hem uitgegeven publicatiën. Hij was de ziel der maatschappij Felix Meritis, waar hij meer dan 100 voordrachten heeft gehouden. Ook tal van nuttige instellingen kwamen door zijn initiatief of met zijne medewerking tot stand, o.a. de kweekschool voor de Zeevaart, en het blindeninstituut.

Hij was lid van eene commissie, door het admiraliteits-college te Amsterdam ingesteld ter verbetering van de publicatiën ten behoeve van de zeevarenden. Deze commissie, of eigenlijk van Swinden in samenwerking met zijn leerling P. Nieuwland, schreef in 1787 een almanak ten dienste der zeelieden en eene verhandeling over het bepalen van de geographische lengte op zee. Ook in deze qualiteit schreef hij in 1796 eene verhandeling over octanten en sextanten.

In 1795 werd hij voorzitter eener commissie, belast met de telling der inwoners van Amsterdam. Onder zijn invloed liep dit werk verwonderlijk vlug van stapel. In zijn rapport hieromtrent is ook sprake van sterftetafels en van de leer der levensverzekering. Later, in 1798, gaf hij als voorzitter van de commissie van geneeskundig toevoorzicht te Amsterdam in het 34e rapport dier commissie beschouwingen over volkstellingen en het samenstellen van sterftetafels. Ook later polemiseerde hij hierover, o.a. met den hoogleeraar Kluit.

Van Juli 1798 tot Oct. 1799 was hij met prof. Aeneae naar Parijs afgevaardigd om aan de conferentiën tot hervorming der maten en gewichten en de vaststelling van het metriek stelsel deel te nemen. Van Swinden werd met de Fransche geleerden Tralles, Delambre en Legendre benoemd in de commissie tot vaststelling van de grootte van den omtrek der aarde, van welke de meter (op welken het geheele stelsel gegrond is) een veertigmillioenste deel zou bedragen. Zij berekenden alle driehoeken der verrichte triangulatiën, uit welke de lengte van den meridiaanboog, die den grondslag voor die van den meter zou zijn, berekend moest worden. Wegens zijne groote kennis der Fransche taal werd hem het opstellen van twee rapporten der commissie opgedragen, namelijk eerst dat der wis- en natuurkundige

[p. 1291]

afdeeling en later dat van alle vereenigde afdeelingen, dat 19 Juni 1799 werd uitgebracht. Deze commissie heeft de beschaafde wereld zeer aan zich verplicht door het ontwerpen van een eenvoudig stelsel van maten en gewichten, dat, behalve door Groot-Britannië en de Vereenigde Staten, thans door alle beschaafde natiën is aangenomen.

In 1800 werd hij benoemd tot lid van het Uitvoerend Bewind der Bataafsche Republiek. Hij verkreeg ten behoeve van de waarneming dezer betrekking verlof als hoogleeraar, doch trad in 1802 als lid van genoemd bewind af en aanvaardde toen zijn professoraat weder, dat hij verder tot zijn overlijden bekleedde.

In 1807 werd hem door koning Lodewijk eene politieke betrekking aangeboden, voor welke hij bedankte. Wel nam hij het voorzitterschap aan van het Comité central van den waterstaat, door den Koning 21 Jan. 1809 ingesteld. Hij was bij de eerste benoeming het eenige niet tot het vak van den waterstaat behoorende lid. Als zoodanig heeft hij eenige bemoeiing met den watersnood van 1809 en de toen genomen maatregelen gehad.

Koning Willem I benoemde hem tot Staatsraad in buitengewonen dienst.

Eene ziekte van enkele dagen maakte een einde aan zijn werkzaam leven.

Hij was lid van tallooze binnen- en buitenlandsche geleerde genootschappen. Van de Hollandsche maatschappij der wetenschappen te Haarlem werd hij reeds in 1769 lid.

Van Swinden huwde in 1768 te Franeker Sara RiboulIeau, geboren in 1741, bij wie hij een zoon, die op 35-jarigen leeftijd vòòr zijn vader overleed en die een zoon en eene dochter naliet, en drie dochters had. Eene der laatsten huwde prof. G. Vrolik (III koI. 1366). Zijne echtgenoote overleefde hem.

Zijn portret is gegraveerd door P. Velijn, R. Vinkeles, Chrétien, J.E. Marcus; gelithographeerd door J. Plugger, en W.C. Chimaer van Oudendorp.

Zijn portret (steendruk) komt voor tegenover blz. 179 van de ‘Bouwstoffen van de geschiedenis van de levensverzekeringen en lijfrenten in Nederland’, bewerkt door de Directie van de Algemeene Levensverzekering-maatschappij te Amsterdam (1897).

Zijne belangrijkste geschriften zijn: Oratio de philosophia Newtoniana, habita 7 Juni 1779 (Franeker 1779); Beschrijving van het bewegelijk hemelsgestel van Eise Eisinga (Franeker 1780, 2e uitg. id. 1824, 3e uitg. Schoonhoven 1851); Grondbeginselen der meetkunde (Amst. 1790, 2e uitg. id. 1816); Volmaakte maten en gewigten (2 dln., Amst. 1802); Lessen over het planetarium, tellurium en lunarium van Hartog van Louw (Amst. 1803); Over het bepalen der lengte op zee (Amst. 1809); Onderricht over de Fransche en Hollandsche munten en derzelver vergelijking (Amst. 1819).

Ramaer