|
|
|
| |
[Zijpp, Atse Wytses van der]
ZIJPP (Atse Wytses van der), geb. 1725, overl. 1808, bekend liefdeprediker der doopsgezinden te Warns bij Stavoren, die van 1750 tot 1808 den dienst waarnam. De familie nam, na Bonapartes besluit omtrent de achternamen, haren naam aan naar het beekje dat uit den heuvel langs hare hofstede zijpt, de ‘Ziepe’. 's Mans voorganger, de ijverige Jan Cornelis, had veertig jaren lang, op het laatst geholpen door zijn zoon Joltje, voor de gemeente de preek gelezen, nu werden, 1750, tot den predikdienst verkozen Atse Wytses met nog twee anderen, ofschoon Atse, de ‘jong feint’, nog jong en onervaren was en geen preekvoorraad bezat. Die twee anderen bleken ras hun plicht slecht te vervullen, waarop de kerkeraad Febr. 1754 besloot, dat Atse (bij keuze,
| | | | want ook Joltje Jansz. durfde de helft der beurten wel aan) de helft der beurten zou vervullen voor ƒ 120 per jaar, aldus dat Atse de ‘pluriteit’ kreeg, d.w.z. dat hij, in onderscheiding van andere preekers, die hun beurt alleen vervulden als zij lust hadden, ‘de’ leeraar zou zijn, bij contract gehouden om de veertien dagen zijn taak te vervullen. Atse verklaarde het verzoek aan te nemen ‘om door Gods meedegaanden zeegen en gesontheit onze gemeente nae zijn vermogen met zijn Leer te stigten en bij te staan’. Hij beviel zóó goed, dat men hem ook van Stavoren uit aanbiedingen deed, zoodat de gemeente vreesde hem te verliezen, wat groote schade zijn zou, gemerkt Roelof Sjoerds van Drachten, dien hij bij zich aan huis opleidde, maar weinig vorderde en hem dus in geen geval zou kunnen opvolgen. Atse had - het was 1764 - in zijn 14-jarigen dienst nu zooveel preeken geschreven, dat hij thans wel drie vierden van het jaar dorst vullen. Ook nam hij zich voor de oude ‘Molkwerumer preek’ van 1704, in afschrift in het kerkeraadskastje, te gebruiken, wat hij ook heeft gedaan en wel, blijkens zijn eigen aanteekening 1771, 1773, 1777, 1786, telkens in de vermaning te Warns. Het was een geliefde preek ‘over de nootsaacklijckheid der vergeving uyt Mateus 6’. Atse vroeg echter wat hooger belooning, want de boerderij zou hij nu aan de knechts moeten overlaten. Hij nam nl. die boerderij bij zijn predikwerk waar en placht onder het melken zijne preeken nog eens te repeteeren, ‘er grommele ze bei him sels op’. Hij las ze dus niet. Bovendien zou hij ook gaan catechiseeren. Hij kreeg toen ƒ 200 en Joltje voor de overige drie maanden ƒ 67. Tot hulp in den drukken
tijd van
| | | | de avondmaalsweek, als er acht keer preek was in vier dagen, zou een buitenleeraar worden gevraagd. Want in die week der ‘christelijke eenigheit’, Jan. of Febr., als het zeevolk thuis was, was er doop en avondmaal en hadden dienaren en oudsten het ook druk met gezellige bijeenkomsten, waarom de hervormden smalend spraken van de ‘menniste fretwieke’. Toen in 1775 Joltje wegens verval van krachten zijn laatste preek hield, werd Atse de eenige spreker in de vermaning. Zijn gezag was groot, ook omdat hij een achtenswaardig man was, zóó, dat hij ook voorzitter was der Zuiderklasse (eene vereeniging van gemeenten in Z. Friesland) ja zelfs, toen de Staten in Franeker een doopsgezind hoogleeraar tot opleiding van predikers wilden benoemen, werd uitgenoodigd aan die benoeming mede te werken. Tot zijn drie en tachtigste jaar preekte hij, tot nog elf dagen vóór zijn dood, een der laatsten van die doopsgezinde leekepredikers, die naar het beginsel van het algemeen priesterschap der geloovigen optraden en arbeidden. Zijn ambtgenoot Djurke Zaakes Veenstra van Akkrum herdacht hem in een goed bedoeld lofdicht. Stellig was hij een verstandig en bezadigd man, hoog geacht, waardig vertegenwoordiger van den stand van ongestudeerd predikant, door de Hervormde kerk reeds spoedig verboden, bij de doopsgezinden tot het begin der 19de eeuw in eere. Na Atse sloot Wouter Martens Maakal, zeekapitein in ruste, de rij der liefdepreekers.
Zie: G.E. Frerichs in Doopsg. Bijdr. 1874, 96, 113; H. Bakels in idem 1900, 42 vlg., 60; dez. in idem 1901, 94, 96-116.
L. Knappert |
|
|