Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 7


auteur: P.J. Blok en P.C. Molhuysen


bron: P.C. Molhuysen en P.J. Blok (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 7. A.W. Sijthoff, Leiden 1927


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Budach, Johan Godfried]

BUDACH (Johan Godfried), geb. te Frankfort a.d. Oder 1 Januari 1750, overl. te Ternate 3 Aug. 1800. Hij trad in dienst der O.I. Comp., werd 1776 boekhouder en negotie-overdrager te Makassar, in 1781 onderkoopman en plaatselijk secretaris, in 1789 secretaris van politie en van 1792 tot 1794 opperkoopman en secunde. In 1794 werd hij extraordin. raad van Indië, directeur der Molukken en gouverneur van Ternate. Beroemd is zijn verdediging van het eiland tegen de Engelschen. De eerste opeisching van Ternate geschiedde in 1797; de tweede in 1798, de derde in 1799 en de laatste in 1801, toen de kolonie verraderlijk werd overgegeven en gouverneur Cranssen, die Budach was opgevolgd, werd gevangen genomen.

Budach's dapper gedrag en zijn nagedachtenis werd in Nov. 1802 van regeeringswege openlijk geëerd door de uitreiking van een gouden eerepenning aan zijn weduwe op de paradeplaats te Semarang. Zijn zoon ontving bij diezelfde gelegenheid voor zijn gedrag een zilveren penning (het zal dezelfde penning zijn dien Teenstra, bl. 62,

[p. 227]

beschrijft als vervaardigd door J.G. Holtzhey).

Budach huwde te Makassar 15 Juni 1776 met Rosa Margaretha Burghgraef, geb. te Makassar in 1755, overl. te Semarang in Juni 1815, dochter van Simon en van Wilhemina van Diepenbroeck. Behalve twee dochters sproot uit dit huwelijk een zoon: Simon Godfried B. (1777-1831), lid van den Raad van Justitie te Semarang, wiens nazaten nog in Indië voortleven.

Zie: L.P. de Boer in Navorscher LXIV (1915), 70, 71; Leupe in Tijdschr. Kon. Instit. N.R. VIII, 262; Wapenheraut VI, 252-54 (kinderen), 395, VII, 132, 133, 515; Mdbl. Ned. Leeuw XXII, 94 (wapenbord), XXIII, 235, XXV, 74, XXVII, 62; M.D. Teenstra, Bekn. Besch. Ned. overz. bezittingen, II, 612.

Regt