|
|
|
| |
[Starter, Jan Janszoon]
STARTER (Jan Janszoon), geb. te Londen 1593 of 1594, overl. midden Sept. 1626 op de grenzen van Hongarije. De familienaam schijnt oorspronkelijk Startut te luiden; in Holland komt voor Jan Jansz. een enkele maal Startert voor (zie Oud-Holland XXII, 42). Zijn ouders waren vermoedelijk John Startut, wever, en Alice
| | | |
Robynson op St. Bride's, te Londen. Dezen trouwden 18 Nov. 1592. Zijn geboortejaar wordt vastgesteld door het portret vóór in zijn Friesche Lusthof van 1621, waarbij te lezen staat Anglo-Brittanus, aet. 27. Men heeft zijn ouders tot de dissenters gerekend, die in 1607 wegens verdrukking in Engeland, naar Holland trokken. Zeker weten wij dit niet. Hij had een broer Frans, die in den Haag in 1623 trouwt met een vrouw uit Vianen. Jan S. is lang de intieme vriend van Breero geweest; hij moet dus eenige jaren in Amsterdam hebben gewoond. Men nam aan, dat hij in 1612 lid van de Kamer In Liefde bloeiende werd; ook dit weten we niet zeker. Wel is het waarschijnlijk, dat hij daar in 1612 Teeuwis de Boer van Sam. Coster heeft zien opvoeren.
In 1614 is hij boekverkooper in Leeuwarden bij het marktplein de Brol, waar hij de engelsche bijbel als uithangteeken had. 14 Aug. 1614 trouwde hij een meisje uit Leeuwarden, Nieske Hendricxdochter. Misschien maakte hij nog in Amsterdam zijn oudst bekend gedicht, Klagte van Cupido, dat in 1615 werd opgenomen in den liederbundel Apollo of Ghesang der Musen, waarvan men Breero als den verzamelaar beschouwt. Dat hij Amsterdam niet vergat, blijkt uit een bijdrage in een bundel Nieuwjaarsliederen, die de Academie in 1618 uitgaf. Het is geteekend met de spreuk ‘Leer Volmaeckt Natuer’. Later teekende hij met ‘Gonst baerd Nijd’.
De zaken in Leeuwarden schijnen aanvankelijk goed gegaan te zijn. Drusius, hoogleeraar in de oostersche talen, Bouricius, een jurist, Winsemius, de historicus, gaven boeken bij hem uit. Friesche graveurs als van Geilkercken en Feddes hun prenten. De laatste o.a. een groot portret van Willem Lodewijk.
Na 1616 begint hij ook met gelegenheidsgedichten voor het huwelijk van voorname leeuwarder families in deftige alexandrijnen, die nu en dan met een vroolijker rhythme afwisselen. Zoo o.a. een gedicht bij het huwelijk van Lucia van Eisinga met den Deen Erich Brahe. Zulke dingen waren wel besteld werk. Hij zorgde er voor, dat zijn zangen goed gedocumenteerd waren, wat getuigt van historischen zin.
Daarnaast maakte hij meestal vroolijke liederen en gedichten, waarvan hij er eenige toevoegde aan den tweeden druk van Boudewijn Jansen Wellens' Verscheyden vrolycke Lieden, Vermaeckelijcke Bruyloftsghedichten ende Sonnetten (1616). Ook buiten Leeuwarden werden zijn huwelijkszangen gevraagd en hij hief desverlangd ook klaagzangen aan, o.a. bij den dood van de vrouw van Sibrandt van Burmania.
Waarschijnlijk in 1618 richtte hij een rederijkerskamer op te Leeuwarden onder de spreuk ‘Och mocht het rysen’. Bij de terugkomst van Willem Lodewijk in 1618 uit den Haag in Leeuwarden zong de jonge Kamer een welkomstgroet. Op deze Kamer werden zijn eigen stukken vertoond. Hij schreef twee tragi-comedies in 1618, Timbre de Cardone, waarvoor de stof is ontleend aan de hollandsche vertaling der Histoires Tragiques van Belleforest (III, 18de hist.), die weer teruggaan op Bandello. Vandaar dat zijn stuk overeenkomst vertoont met Much ado about nothing van Shakespeare, die dezelfde stof gebruikte. Er bestaat ook altijd nog mogelijkheid, dat hij het stuk hier door engelsche comedianten heeft zien opvoeren. Het stuk heeft een tusschenspel, de zotte klucht van een advocaat en een boer, waarin de boer plat Friesch spreekt. Zijn tweede stuk Darayde is ontleend aan de Amadisromans. Het heeft tot tusschenspel de klucht van Jan Soetekouw, die
| | | | uitmunt door een vermakelijken dialoog. Het moet zeer in den smaak gevallen zijn, want het werd 33 maal afzonderlijk uitgegeven. De beide tragicomedies zijn stellig niet minder van waarde dan het soortgelijk werk bij Bredero.
8 Jan. 1619 besloot de vroedschap van Leeuwarden ‘dat de Rhetoriques het ageren voortaan opgeseckt ofte verboden sall worden’. Reeds den volgenden dag werd Starter met zijn gezellen door Gedeputeerde Staten gelast het gebouw van het voormalige tuchthuis ‘door hen tot het gebruik van 't comedie-spelen ingenomen, op 't spoedigste te verlaten en ontleedigen van al hunne versierselen en gereedschappen’. Dat een en ander geschiedde onder den invloed van Bogerman is wel waarschijnlijk, maar niet bewezen.
Nog hetzelfde jaar trok Starter naar Amsterdam om namens de hoofden der Leeuwarder Kamer kleeren, spelen enz. aan Sam. Coster te verkoopen. Starter logeerde toen op den Nieuwendijk in de St. Jacobsschelp. Coster heeft inderdaad de boel gekocht voor 900 gulden (zie Oud-Holland XXII, 42), maar kon ten slotte niet betalen en moest weer voor een waarde van 400 gulden teruggeven. Coster heeft in Febr. 1621 de Darayde op de Academie opgevoerd.
31 Mei 1620 stierf Willem Lodewijk. Deze, aan wien hij meerdere gedichten gewijd had, schijnt zijn beschermer geweest te zijn. Starter schreef nog een Lijkklacht. Onmiddellijk na den dood van den stadhouder is hij naar Franeker vertrokken, waar hij zich op 22 Juni 1620 liet inschrijven als student in de rechten.
Tusschen Oct. 1619 en April 1620 maakte hij nog zeven groote bruiloftszangen. In 1618 kreeg hij 20 gulden van de Staten Generaal voor de opdracht van een redevoering van Marcus Anthonius de Dominis, die hij van het Engelsch in het Latijn had laten vertalen. Van dergelijk werk maakte hij een broodwinning.
Eind 1620 of begin 1621 had hij waarschijnlijk Franeker voor goed verlaten om vermoedelijk tot midden 1623 te Amsterdam te blijven. In zijn afwezigheid liet het gerecht van Franeker den achtergebleven boedel voor schuld verkoopen. De rekeningen voor bier en brandewijn waren zeer hoog.
In Amsterdam is bij hem het plan gerijpt tot een mooie uitgave van zijn verzamelde gedichten met prenten van Jan van de Velde en muziek van Jacques Vredeman. In den zomer van 1621 gaf Voscuyl te Amsterdam dien uit onder den titel Friesche Lusthof. In datzelfde jaar verscheen een bundel Lusthoofken, die door den dichter niet werd erkend.
Wij vinden in den Frieschen Lusthof zijn gelegenheidsverzen, maar daarin lag niet zijn groote kracht. Wel in zijn bruiloftszangen en minneliederen. In dit genre staat hij mee bovenaan in de 17de eeuw. Zij zijn vlot geschreven, zuiver van taal, geestig van klank en inhoud. Onder de boertige verzen munt uit de Menniste Vryagie en van Bomlaliere. Aardig is ook het Nieuw Lied tot lof van Friesland. Er zijn ook ernstige, droefgeestige liederen in den bundel. Men heeft aangetoond, dat verschillende van deze gedichten naar engelsche zijn nagevolgd. De bundel had succes. De moderne druk die van Vloten bezorgde is de tiende.
Zijn luchtige geest in zijn liederen werd aangevallen o.a. in de Klaghte van Jan Jansz. Starter gedaen als uyt het Graf over zijn dertel en ontuchtig Lied-boeck. Dit werd ten onrechte op Camphuyzen's naam gesteld en in diens werk uitgegeven. Ook verscheen een tegendicht tegen de Menniste Vryagie.
| | | |
Tot Starter's werk behoort nog de klucht van Melis Thijssen, een kluchtig samengezang van drie personagiën, en het gedicht De Nieuwe Kuiper, waarin hij het ambtsbejag geeselt. Bij de onvoltooide pastorale van Bredero Angeniet maakte hij de twee ontbrekende bedrijven. Ook hier wist hij uitstekend den toon van Breero te treffen. Dat hij in Amsterdam talrijke gegoede vrienden had, blijkt uit een aardig contract van 25 April 1622, waarin zij zich verbinden om de door hem gemaakte verzen geregeld behoorlijk te honoreeren. De bedoeling was blijkbaar hem financieel te steunen.
In April 1625 noemt hij zich Jean Starter Historie-schrijver van Zijne Princelijcke Excellentie de Grave van Mansvelt. Met dezen condottiere is hij naar Duitschland getrokken. 1 Jan 1626 bevond hij zich op het kasteel Lauenburg niet ver van Hamburg. Hij was toen bezig aan een groot werk De XII boecken Mansveldiados, waarin de heldendaden van den veldheer zouden worden verheerlijkt.
Uit een acte in de londensche archieven blijkt, dat Jan Starter is gestorven in het leger van Mansveld, toen dit over de grenzen van Hongarije trok. Van elders weten wij, dat dit geschiedde in het midden van September 1626. Hij wordt in deze acte genoemd ‘Commissary over the Strangers in the said Counts Company’.
Zijn miniatuur-portret, geschilderd door A. van Halen, is in het Rijksmuseum te Amsterdam; gravures door J. van de Velde en een onbekend kunstenaar; litho door P.W. v.d. Weyer.
Zie: J.J. Starters, Friesche Lusthof met inl. en aant. van J. van Vloten (Utrecht 1864); M.M. Kleerkooper, Bibliographie van Starter's werken, met inl. levensschets (den Haag 1911); deze is aangevuld door F. Buitenrust Hettema in Het Boek I (1912) en Leonard Willems in Versl. en Mededeelingen van de Kon. Vl. Academie 1922, p. 25; H.E. Moltzer, Starter's Tooneelspelen (in Studiën en Schetsen, Haarlem 1881, p. 157 vlg.); A. Bredius, Iets over Jan Jansz Starter in Oud Holland III, 54. Voor engelschen invloed op het werk van Starter: A.E.H. Swaen in Tijdschr. Ned. Letterk. XVI, 121, XXI, 149 en 186, XXIV, 301, XXV, 314, XXIX, 229 en M.M. Kleerkooper in Taal en Letteren XII, 421; J. de Witte van Sitters, Bron van Timbre de Cardone in Kunst en Letterbode 1856 no. 1 en Ned. Spectator 1874, 122; W. Eekhoff, Bloemlezing uit den Frieschen Lusthof (Leeuwarden 1862); Jan ten Brink in Gerbr. Adr. Bredero 2e druk II, 170 vlg.; G.W. Wolthuis, Twee onbekende ged. van Starter in Tijdschr. Mij. Ned. Letterk. XXXIX, 124; M.M. Kleerkooper, Starters laatste levensjaren in Taal en Letteren XIII, 49; G.H. Pannekoek, Een vergissing (Starter-Camphuysen) in Ned. Spectator 1906, 333.
Prinsen
|
|
|