|
|
|
| |
[Marck, Johannes van of a]
MARCK (Johannes van of a), geb. te Sneek 10 Jan. 1656 (oude stijl: 31 Dec. 1655), overl. te Leiden 30 Jan. 1731. Zijn ouders waren Willem à Marck, rector van de latijnsche school te Sneek, en Margaretha Cloppenburg. Zijn grootouders van moederszijde Johannes Cloppenburg en Elisabeth Wessels (zie het art. Joh. C. dl. I, kol. 613). Hij trouwde in 1677 met Helena Bukholt, een stiefdochter van Henricus Schotanus à Sterringa, en na haar dood (30 Mei 1686) met Catharina Ursinus, dochter van Johannes Ursinus, predikant te Rotterdam (zie Veeris en de Paauw, Vern. kerkel. alphabeth, Enkh. 1750, 220; Kerkelijk Handboek (1907), Bijl., 152; vgl. dl. III, kol. 1257-1259). Zijn moeder stierf 27 Juli 1656, zijn vader 16 Sept. 1667. Hij werd daarna opgevoed door de weduwe van Johannes Cloppenburg (overl. 30 Juli 1652), Elisabeth Wessels (ook Elisabeth Busch en Elisabeth Bessels genoemd) Als leerling van de latijnsche school te Sneek werd hij student te Franeker 10 Febr. 1670. Al spoedig hield hij ‘disputaties’ over physische onderwerpen als: ‘de loco’ en ‘de fontibus’, verdedigde hij ‘theses de sacramentis’, en schreef hij De peccato in Spiritum sanctum en De vita aeterna. Ook Balthasar Bekker (zie dl. I, kol. 277-279) was hier zijn leermeester; op diens aansporing studeerde hij ook te Leiden sedert Aug. 1673. Onder Frederik Spanheim verdedigde hij daar theses ‘de pane ἐπιου σίῳ’ en ‘de locis conventuum aetate apostolica’. Reeds op 19-jarigen leeftijd ontving hij toezegging van beroep naar Midlum van den frieschen edelman Johannes
à Goslinga (vergel. dl. VIII, 625). Proponent geworden 13 April 1675 is hij aldaar 9 Mei als predikant bevestigd en hield hij 13 Mei zijn intrede. Op 21-25 Juni d.a.v. legde hij de vereischte examens af voor promoties in de philosophie en de theologie; op 28 Juni werd hij doctor philosophiae op een Disputatio ad selectas quasdam positiones philosophicas, den volgenden dag doctor theologiae op een Disputatio de vero sensu loci Ezech. 20:25 (Fran. 1675). Deze buitengewone wetenschappelijke prestatie werd door de Gedeputeerde staten van Friesland vereerd met ƒ 500, ‘ten einde hij daerdoor meer ende meer mach worden gaende gemaeckt in sijne seer loffelijcke diligentie te continueren ende oock anderen opgeweckt desselfs voetstappen nae te speuren’ (10 Juli 1675). Om zijnentwil richtte men, uit vrees hem voor de provincie spoedig te verliezen, een derden leerstoel op te Franeker. Hij hield 15 Sept. 1676 zijn inaugureele Oratio de augmento scientiae theologicae. Als hoogleeraar behandelde hij de dogmatiek naar de beginselen van Samuel Maresius (zie dl. II, kol. 868-870). Ook de leerstukken der Roomschenen der Arminianen, de ‘casus conscientiae’ op het voetspoor van Amesius, de brieven aan de Romeinen en de Galaten, en de kerkgeschiedenis naar Spanheim's voorbeeld. In druk verscheen: De Sybillinis carminibus disputationes academicae duodecim; accedit breve examen dissertationis Gallicae de Sybillinis oraculis editae Parisiis a Johanne Crassetio (Fran. 1682). Jean Crasset, een Jezuïet, had namelijk een verhandeling uitgegeven:
| | | |
Sur les oracles des Sibylles (Paris 1678), welke herdrukt werd in 1683 met toevoeging van een Reponse à la critique de Marckius, welke laatste dit antwoord weerlegde in zijn Exercitationes juveniles XXVI .... (Gron. 1686).
In 1680 was à Marck reeds als hoogleeraar te Groningen benoemd. Hij bedankte toen. Maar nadat de invloed van de Coccejanen en de Cartesianen in Franeker toegenomen was, ging hij in 1682, andermaal naar Groningen geroepen, daarheen. Met een: Oratio de ficta Constantini donatione nam hij 1 Juni 1682 afscheid van Franeker; met een rede: De sopiendis in ecclesia litibus nam hij 20 Juni d.a.v. den leerstoel van Samuel Maresius in. Het volgende jaar bovendien geroepen om de kerkgeschiedenis te onderwijzen, leidde hij dezen arbeid in met een rede: De veterum et hodiernorum praecipue papistarum convenientia op 9 Mei 1683. Over de geschillen tusschen à Marck als Voetiaan (later sprak men van Voetianen in twee soorten: ‘Marckianen’ en ‘Brakelschen’, vgl. dl. IV, kol. 281-283) en Johannes Braun zie men ook: dl. VI, kol. 189-191. In deze jaren gaf hij uit Compendium theologiae Christianae didactico-elencticum (Gron. 1686; vermeerderd herdrukt Amst. 1690, 1722, 1727; uitgegeven door Willem van Irhoven, zie dl. VIII, kol. 904, Utr. 1742; Utr. 1772; vert. in het Ned., Rott. 1705); ook: Theologiae Christianae medulla didactico-elenctica ex majori opere secundum ejus capita et paragraphos expressa (Amst. 1690; vaak vermeerderd herdrukt en vertaald, en tot het einde der 18de eeuw als handboek aan nederlandsche academiën gebruikt). Hollandsche vertalingen van laatstgenoemd werk zijn getiteld: Het merg der Christene godgeleerdheit. Eindelijk verscheen hier: Analysis exegetica capitis LIII Jesaiae, in qua alia complura vaticinia de Messia illustrantur. Accedit mantissa observationum textualium (Gron. 1687), en Exercitationes miscellaneae sive selectarum disputationum atque orationum in academia Groningo-Omlandica habitarum fasciculus (Amst. 1690).
In 1689 vertrok hij als hoogleeraar naar Leiden. Op 5 Dec. hield hij zijn inaugureele Oratio de debita sacrarum Scripturarum veneratione. Na den dood van Spanheim onderwees hij behalve exegese ook kerkgeschiedenis, welke nieuwe taak hij inleidde met zijn Oratio de Christianismi propagati admirandis op 9 Jan. 1702. Johannes Wesselius hield de lijkrede op hem: Oratio funebris in obitum Joh. Marckii (Lugd. Bat. 1731), ook gedrukt in Dissertationes academicae van Wesselius. Johannes à Marck 's lijkrede op Nicolaas Arnoldi (zie dl. IV, kol. 62) is uitgegeven als: Oratio funebris in obitum viri perquam reverendi et celeberrimi Nicolai Arnoldi (Fran. 1680); die op Jacobus Trigland (zie dl. VI, kol. 1284) als: Oratio funebris in obitum reverendi doctissimi et celeberrimi viri Jacobi Triglandii, Jac. fil., Jac. nep .... 28 Sept. 1705 (Leid. 1705, ook gedrukt achter: Dissertationes theologicae et philosophicae van Trigland); die op Hermannus Witsius (zie dl. III, kol. 1445-1448) als: Oratio funebris in obitum Hermanni Witsii (Lugd. Bat. 1708). De laatste twee werken verschenen ook vertaald als: Lijkreden over den dood van Trigland (Leid. 1705) en Lijkreden over den dood van Witsius (Leid. 1708).
Van zijn vele overige uitgaven vermelden wij hier alleen dat hij den Pentateuch, het Hooglied, de 12 kleine Profeten en Openbaring commentarieerde en verscheidene verhandelingen aan de verklaring van bijbelplaatsen wijdde in verscheidene Exercitationes exegeticae. Een opgave van al zijn geschriften gaf hij zelf in Exaltationis Jesu Christi historia illustrata (Lugd. Bat. 1728).
| | | |
Zijn portret is gegraveerd door P. Tanje naar Court, door P. Schenk in zwarte kunst, door A. van Zijlvelt en een onbekend kunstenaar.
Zie: B. Glasius, Godgeleerd Nederland II ('s Hert. 1853), 433-437, III ('s Hert. 1856), 672; T.A. Romein, Naamlijst der predikanten .... in Friesland (Leeuw. 1886), 200; Kerkelijk Handboek (1911), Bijl., 169; Bibliotheca theologica et philosophica (Lugd. Bat., Burgersdijk en Niermans 1900), 394-396, 786 (no. 568-572); J. Reitsma, Gesch. van de Hervorming en de Herv. kerk, 3e dr. (Utr. 1916), 637; L. Knappert, Gesch. der Ned. Herv. kerk II (Amst. 1912), 7: W.B.S. Boeles, Friesland's hoogeschool .... II (Leeuw. 1879), 262-266; W.J.A. Jonckbloet, Gedenkboek der hoogeschool te Groningen (Gron. 1864), 89-97, Bijl., 48; M. Siegenbeek, Gesch. der leidsche hoogeschool .... II (Leid. 1832), 159; Noordbeek en Mourik, Naamrol der godgel. schrijvers, 4e dr. (Amst. [1752]), 42, 255, 512, Register; J.I. van Doorninck, Bibliotheek v. Ned. anonymen en pseudonymen ('s Gravenh. en Utr. [1870]), 203 (no. 1942); dez., Vermomde en naaml. schrijvers II (Leid. 1885), 262 (no. 1600); H.C. Rogge, Bibliotheek der Contra-remonstr. en geref. geschriften (Amst. 1865), 139; Visscher en van Langeraad, Biogr. Woordenb. van Protest. Godgel. in Ned. I (Utr. 1907), 258.
Knipscheer
|
|
|