Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 9


auteur: P.J. Blok en P.C. Molhuysen


bron: P.C. Molhuysen en P.J. Blok (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 9. A.W. Sijthoff, Leiden 1933


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Verheiden, Willem]

VERHEIDEN (Willem), geb. te Grave tusschen 9 Sept. 1568 en 1 Jan. 69, gesneuveld voor Hulst 9 Juli 1596. Zijn ouders behoorden tot den deftigen middenstand en wenschten hun zonen een geleerde opvoeding te geven, waarschijnlijk daartoe gedreven door het voorbeeld van Antonius en Igramus Gogava (beiden dl. VIII, kol. 621), de broers van Willems moeder, beiden geleerden van naam. In zijn geboortejaar had Grave veel te lijden van de ruwe behandeling der bezetting, die grootendeels uit Italianen bestond. Toen eenige officieren uit Mantua vernomen hadden, dat de vrouw van den burger Verheiden een zuster van den ook in Italië bekenden Antonius was, verbeterde hun lot aanmerkelijk. De vader werd door den afloop van den slag bij Mook zoo geschokt, dat hij nog in dezelfde maand April 1574 kwam te overlijden, een weduwe met 3 kinderen achterlatende, waarvan Jacob het oudste, Willem het jongste was. Op zijn 15de jaar kwam hij in Leiden, waar zijn oudste broer toen in de rechten studeerde. Hij bezocht er de latijnsche school, onderscheidde zich door zijn ijver en overwon zijn oorspronkelijken tegenzin in de oude talen, waarin hij weldra uitblonk. Vooral voor Cicero had hij groote bewondering. In 1585 tot de hoogeschool toegelaten, trok vooral de studie der wijsbegeerte hem aan; op raad van Jacob legde hij zich ook op de welsprekendheid toe en hield reeds op 17-jarigen leeftijd met toestemming van den rector magn. op den jaardag der

[p. 1190]

begrafenis van Prins Willem, den 3den Augustus, een openbare redevoering. Kort daarna werd hem verlof verleend de herinneringsrede van Leidens ontzet te houden, die in 2 uren v.m. het beleg en in 1 uur n.m. het ontzet behandelde. Hij behaalde hiermee veel bijval; Hugo Donellus (dl. I, kol. 729), de juridische hoogleeraar, spoorde hem aan op den ingeslagen weg met ijver voort te gaan. Cicero's De Oratore kende hij van buiten. Resultaat zijner philosofische studie was zijn openbare redevoering Over de noodzakelijkheid de wijsbegeerte met de welsprekendheid te verbinden. Daarin hekelde hij de taalgeleerden als lieden, die aan hun geen vruchten afwerpende taalkennis de voorkeur gaven boven de zoo krachtig werkende wijsbegeerte en eloquentia. Acht dagen later liet hij, iets dat te Leiden nog nooit gebeurd was, stellingen drukken, aanplakken en uitdeelen, waarin gehandeld werd over de eenige goede leerwijze. Hij won er de warme genegenheid mee van Adolf van Meetkerke (1528-91), den vroegeren president van den hove van Vlaanderen (dl. IV, kol. 963) en oud-leerling van zijn oom Antonius. Waarschijnlijk in hetzelfde jaar hield hij op den jaardag van den dood van Lodewijk van Nassau een herinneringsrede over dezen. Daarop die over Geveinsde of voorgewende Wijsbegeerte, waarin hij betoogde, dat de naam wijsgeer een ijdele klank was, als deze wetenschap zich niet door een zedelijk leven en voorbeeld deed kennen. In 1588 warende onderwerpen zijner redevoeringen: de afzwering van Philips en wederom het ontzet van Leiden. Die over den ondergang der armada verscheen in druk: In classem Xerxis Hispani oratio (1589), opgedragen aan koningin Elizabeth van Engeland.

In 1589 verhuisden zijn moeder en zijn broeder Jacob uit Dordrecht, waarheen zij gegaan waren, toen hun het leven in Grave ondraaglijk geworden was, naar Leiden. Hij volgde toen de colleges over de theologie, waarbij vooral het vloeiend Latijn van den professor hem aantrok. Echter kwam zijn vroegere zucht om daadwerkelijk het zwaard op te nemen voor het bedreigde vaderland weer boven. In zijn Oratio ad novos Batavos.... enz. (1587), waarin hij het nieuwe geslacht geeselde, dat den voorvaderlijken eenvoud verzaakte, schemerde trouwens dat verlangen al door. Nog liet hij er zich door zijn broer van afbrengen en liet zich overhalen een reis door vreemde landen te ondernemen met Venetië als einddoel. In Maart 1590 vertrokken de broeders naar Heidelberg, nadat hij nog vooraf voor professoren en studenten in een later gedrukte afscheidsrede niet de vraag had kunnen weerhouden, of er door den strijd voor het vaderland of door geleerdheid de meeste roem te behalen was. Over zee naar Hamburg en van daar over Kassel en Frankfort bereikten zij Heidelberg. Na verkregen verlof sprak hij daar over Het waardigste voorwerp van des menschen streven en leverde het betoog, dat dit niet anders zijn kon dan de verdediging der vrijheid des vaderlands, welk onderwerp nog nader in een serie openbare lessen werd uitgewerkt. In Bazel ondervonden zij warme vriendschap van Amerbachius en Grynaeus. Zijn lezingen maakten hem daar in korten tijd zeer bemind, zoodat men hem zelfs verzocht den toen vacanten leerstoel in het Grieksch te willen bezetten. Dit aanbod sloeg hij af. Toen hij te verstaan gaf dat een tegemoetkoming in de kosten der reis hem niet onwelkom zou zijn, werd daaraan gaarne voldaan. Den hier doorgebrachten tijd van 6 weken besteedde hij aan tekstverbeteringen van Caesars geschriften door vergelijking der daar aanwezige handschriften. Deze Romein, in wien hij een verwanten geest voelde, werd nu zijn studieobject.

[p. 1191]

Ook de omgang met, fransche officieren, die vaak in Bazel vertoefden, trok hem aan. Na een reis over Zürich, Chur, Brescia en Verona naderden zij het einddoel Venetië. De gevraagde vergunning in het openbaar te mogen spreken werd hem verleend, mits vooraf de lezing aan curatoren voorgelegd werd. De rede besprak De opkomst en de ondergang der grootste rijken (9 Sept. 1590). Zijn herkomst had hij verborgen achter den gelatiniseerden naam Campanus. Reeds den volgenden dag werd hij echter gewaarschuwd op zijn hoede te wezen. Er schenen zware verdenkingen tegen hen gerezen te zijn; wellicht hield men hen voor Franschen, misschien oefende de spaansche ambassadeur zijn invloed tegen hen uit. Het werd hun in Venetië te benauwd; zij slopen in het duister de stad uit en rustten niet vóór ze met geforceerde dagmarschen over Triëst en door Tirol eindelijk in Chur tot verademing kwamen. In Heidelberg overwinterden zij bij hun welwillende vrienden, waarna zij in den loop van 1591 weer in Holland terug waren. Van daar stak Willem naar Engeland over, waar hij in Oxford een rede hield over een plaats uit Caesar. Het bleef bij deze eene rede, ondanks de uiterst vriendelijke ontvangst, die hem van de meest vooraanstaande mannen ten deel viel. Ook bij de Koningin werd hij toegelaten. Uit Engeland teruggekeerd en in Zeeland aan wal gestapt, genoot hij te Bergen op Zoom gastvrijheid bij Gerlach Pyrling, een aanzienlijk landsman uit Grave, wien hij zijn voornemen te kennen gaf in krijgsdienst te treden. Verschrikt trachtte deze hem hiervan terug te houden. In 1591 in den militairen dienst opgenomen, werd hij in het volgende jaar tot vaandrig bevorderd; eenige jaren later tot luitenant. In dien rang is hij gesneuveld bij de belegering van Hulst, toen de vijand een aanval deed op onze schans ‘de kleine raap’. Manmoedig trok hij met een te kleine bende de Spanjaarden te gemoet. Als altijd de voorste in het gevecht viel hij op het veld van eer en stierf aldus den door hem zoo bewonderden heldendood.

Van hem is nog uitgekomen als krachtig protest tegen den spaanschen vredehandel Nootelycke consideratien die alle goede liefhebbers des Vaderlants behooren rypelyck te overwegen op ten voorgeslagen tractate van peys met den Spaengiaerden (1587, herdr. 1588 en later), een fransche vertaling alsook een in het Hoogduitsch volgde.

Zijn broeder Jacob is later rector geworden van de latijnsche school te Nijmegen. Werken, van zijn hand verschenen, zijn: Praestantiun aliquot theologorum qui romanum antichristum praecipue oppugnarunt, effigies, quibus addita elogia ('s Gravenh. 1602) en: De jure belli belgici adversus Philippum .... (Hag. Com. 1596). Het eerstgenoemde werk, dat ook in het Nederl. verscheen als Afbeeldingen van sommighe in Godts Woort ervarene Mannen enz. ('s Grav. 1603), bevat in het bijschrift op Marnix van St. Aldegonde de bekende zinsnede over diens verondersteld auteurschap van het Wilhelmuslied. Voorts: Vita Guillelmi Verheiden Belgae, cui accessit ejusdem de ortu et occasu maximorum imperiorum oratio Veneta (den Haag 1598). In 1617 gaf hij nog Orationes duae uit, waarvan de eerste de rede was door zijn broeder Willem gehouden ter gedachtenis van prins Willem van Oranje.

Zie: C.J. Wenckebach Het leven van Willem Verheiden, beschr. door zijn broer Jacob Verheiden ('s Gravenh. 1842); Scheltema, Onoverw. vloot; Knuttel, Cat. v. Pamfl. 816-819, 859, 954, 967, 2318; aanteekeningen van J.G.E. Bartelds.

Kossmann