De Middelnederlandsche dramatische poëzie


auteur: Henri Ernest Moltzer


bron: Henri Ernest Moltzer, De Middelnederlandsche dramatische poëzie. J.B. Wolters, Groningen 1875 


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. π2]

AAN

 

MATTHIAS DE VRIES

 

TOEGEWIJD.

[p. I]

Inleiding.

‘Wir sitzen jetzt mitten in der von unseren Vorfahren gepflanzten Frucht und genieszen ihre Errungenschaften, aber Wenige gedenken des schweren Weges auf dem sie sich führerlos durchgerungen, und nur der Historiker nimmt darauf Bedacht. Wir setzen uns ruhig vor die Bühne, lassen den Vorhang aufrollen, die Dekorationen wechseln, die Götter verschwinden und kommen, die Helden sich streiten und morden, aber an die tausendjährige Mühe, die es gekostet, dasz wir heut zu Tage Alles so schön und täuschend wahr genieszen, daran wird gewöhnlich nicht gedacht.’ Dr. holland.

In de helaas niet te grooten schat van Mnl. drama's onderscheiden wij tweeërlei stukken, kerkelijke (geestelijke) en wereldlijke spelen. Over beide soorten wensch ik een en ander, meer van historischen en vergelijkenden dan van aesthetischen aard, te doen volgen.

§ 1.
Kerkelijk (geestelijk) drama.
Mysterie en Mirakelspel.

Er wordt gewis eene buitengewone mate van scherpzinnigheid vereischt om, met Jubinal bv., de continuiteit van het antieke drama gedurende de middeleeuwen te kunnen aannemen, en de geestelijke spelen van de 12e eeuw en volgende als eene - zij het dan al min of meer - kennelijke voortzetting van de oude tragedie, als schakels van eene en dezelfde keten aan te merken. ‘Selon moi - schrijft hij - la naissance de notre theâtre ne date, ni des mystères representés pour la première fois, en 1402, dans l'hôtel de la Trinité par les Confrères de la Passion; ni des réjouissances qui eurent lieu, en 1389, à

[p. II]

l'entreé de la reine Isabeau de Bavière dans Paris; ni même des divertissements mimiques donnés, en 1313, aux fêtes de la Pentecôte par ordre de Philippe-le-Bel, en présence d'Edouard II, roi d'Angleterre, pour célébrer la reception, comme chevalier, du jeune Louis, alors roi de Navarre et depuis roi de France sous le nom de le Hutin.

‘Je me trompe fort, ou, quelle qu'ait été sa forme, quelles que soient les modifications qu'il ait subies, l'élément dramatique n'a jamais cessé d'exister; il n'y a jamais pu avoir solution de continuité complète dans la marche de l'intelligence humaine,’ enz.1) Vernuftig moge de combinatie wezen, waardoor de vermeende aaneenschakeling wordt aangetoond, het neemt niet weg, dat het betoog eerder leidt tot volstrekte ontkenning van eenig het minste verband, van zelfs de geringste verwantschap tusschen antiek en middeleeuwsch drama dan de aannemelijkheid van een dergelijk gevoelen bevordert. De bekende gedichten, die als bewijsstukken dienst moeten doen, als de fragmenten van Ezechiel's Uittocht uit Egypte (2e eeuw2)), de Querulus en het Ludus Septem Sapientium (3e eeuw), de Lijdende Kristus - van Gregorius van Nazianzus? - (4e eeuw), en hetgeen meer wordt opgesomd door Gervinus3), verliezen, dunkt mij, al aanstonds veel van hun betoogkracht, omdat het volstrekt niet vaststaat, dat ze werkelijk zijn opgevoerd. Wat den Lijdenden Kristus b.v. aangaat, ‘zur Aufführung war es nicht bestimmt’, zegt Hase4), ‘sondern für die Schule’, en wie het stuk, cento uit regels van Euripides, kent, zal hem dat gereedelijk toestemmen. Ook bleef stellig, om wederom de woorden van dien schrijver te bezigen, - ‘die Gelehrsamkeit dieser Komödien (van Hroswitha, 10e eeuw) hinter Klostermauern verschränkt’5): immers, zoo er al een daarvan ten tooneele is gebracht, was het naar alle waarschijnlijkheid niet voor de 16e

[p. III]

eeuw, toen het middeleeuwsche drama reeds had uitgebloeid. Doch, gesteld dat ze waren opgevoerd, dan zou ik nog niet durven te spreken van die drama's als van stukken ‘qui lient le théâtre païen an théâtre moderne’: verre van daar. En niet uitsluitend, omdat wij kiem en groei van het moderne drama uitnemend zonder het antieke kunnen begrijpen en als spontaan verschijnsel verklaren, maar vooral, omdat daarin, voor zoover mij bekend is, geen schijn of schaduw, geen zweem van classieke kleur en tint (v.d. dan ook de ontstentenis van reizangen) te bespeuren valt, en wel noch van het levend classicisme der oudheid noch van het doode der middeleeuwen1). Er is meer. Hetgeen bij aanneming van eene andere onderstelling alleszins natuurlijk is, namelijk dat de nieuwere dramatiek na hare geboorte langzaam en geleidelijk in ontwikkeling voortschrijdt, van stap tot stap als het ware, en, bij aanvang - vooral ook in het technische - uiterst onhandig en onbeholpen, gaandeweg minder primitief wordt, dat blijft duister en raadselachtig, zoo men in dezen aan continuiteit gelooft. Een buitengewoon continuum overigens voorwaar, dat zelfs van naam verandert, dat niet eens den door tijd en overlevering geijkten term van tragedie en comedie en fabula behoudt, trouwens die ook niet meer begrijpt, maar die van misterium of mysterium aanneemt. ‘Au dixième siècle les théâtres littéraires étaient depuis long-temps fermés’, die stelling van Du Méril2) maak ik tot de mijne; in de plaats der ludi scenici van weleer zouden de ludi sanctiores treden.

Ook zal bezwaarlijk iemand lichtgeloovig genoeg wezen, om klakkeloos over te nemen hetgeen als van een hoogepriesterlijken drievoet Boileau3) verkondigt:

 
Chez nos devots aïeux le théâtre abhorré
 
Fut long-temps dans la France un plaisir ignoré.
 
De pélérins, dit-on, une troupe grossiere
 
En public à Paris y monta la premiere;
[p. IV]
 
Et sottement zélée en sa simplicité,
 
Joua les Saints, la Vierge, et Dieu, par piété.
 
Le savoir, à la fin dissipant l'ignorance,
 
Fit voir de ce projet la dévote imprudence.
 
On chassa ces docteurs prêchant sans mission;
 
On vit renaître Hector, Andromaque, Ilion.

Wij zullen hem, trots zijn toelichtend nootje bij pélérins: ‘leurs pièces sont imprimeés’, niet gelooven, al schrijven velen hem noch steeds onbedachtzaam na. En evenmin met Wackernagel1) ‘das den Krieg bloss nachahmende Spiel des Waffentanzes’ aanmerken als ‘den ersten rohen Keim der späteren Dramatik’, en alzoo de geschiedenis van het middeleeuwsch drama aanvangen met het vierentwintigste hoofdstuk van Tacitus' Germania aan te halen. Freytag2) wel is waar maakt van die ‘nudorum juvenum saltationes inter tela opposita’ ook gewag, maar toch niet meer dan in 't voorbijgaan. Indien het bedoelde hoofdstuk van Tacitus benevens de andere plaatsen, uit hem door Freytag aangetogen, al iets verklaren, is het hoogstens de verwijderde, geenszins de naaste oorzaak van 't ontstaan der mysteriën, meen ik.

Deze is dan ook stellig elders te zoeken3). En wel, - hoe vreemd het klinke, daar immers nog kort geleden in Duitschland juist een tooneel als de avondmaals-scène der Maria Stuart placht te worden weggelaten, en alles wat de kerk betrof van de planken werd geweerd - in de kerk, in den middeleeuwschen eeredienst. Overtuigend is het bewezen o.a. door Mone4), Du Méril, Hase, Klein5), Reidt6), en in het helderst licht

[p. V]

gesteld door de HH. Gallée1) en Wybrands (Aem. W.)2), naar wier geschriften, waarin almede tal van werken ter zake dienende worden aangehaald, ik hier meen te mogen verwijzen, en waarvan ik de lezing bij het volgende veronderstel.

Voor mijn doel is het genoeg te herinneren, dat de oorsprong der mysteriën te zoeken is in het liturgie-mysterie, meer bijzonder in hetgeen op de hoogtijden der kerk binnen de muren van het godshuis plaats greep. ‘Die vor dem Messaltar die Opfersendung Christi immer wieder, als erneut, vergegenwärtigende Liturgie, das zwischen Priester und Gemeinde sich vollbringende Mysterium, wird aus der Tiefe seines speculativen Geheimsinnes heraustreten, und sich schaubildlich zu den geschichtlichen Lebens- und Leidensmomenten des Heilands, zu einem wirklichen, und innerhalb der Kirche, dargestellten Schauspiel entfalten, dessen dramatisches Personal dieselben Kirchenglieder bilden, welche in der Liturgie selbst zusammenwirken: Priester und Gremeinde’3). Om het mysterie der mis, het in- en uitgangspunt als 't ware van allen eeredienst, te verklaren door even boeiend als indrukwekkend onderwijs der geschiedenis van Jezus gelijk zulks de geestelijke gedichten en de predicatie ook plachten te doen4), daartoe werd de feeststof ter viering van geboorte en opstanding, ter herdenking van lijden en sterven des Heeren dialogisch en drastisch voorgedragen, aanschouwelijk voorgesteld; de bijbelsche geschiedenis desbetreffende eenvoudig vertoond, de daden nagedaan, de woorden nagesproken, de gesprekken nagevoerd ten aanzien en aanhooren van de heildorstige en kijkgrage gemeente5). Had de ritus der mis zelf reeds een dramatisch karakter zoowel door het gebaardenspel van den celebrant en het komen en gaan der ministranten als door de

[p. VI]

wisselzangen van priester en koor en de beurtzangen (strophe en antistrophe) van de twee deelen des koors1), evenzoo moesten onwillekeurig en onbewust de dumb-shows, de tableauxvivants, de stomme vertooningen, de pantomimische groepen, of hoe men ze noemen wil, van kerstnacht en opstandingsmorgen, in verband met beurt- en wisselzang en de hoogst noodige actie, - moesten, zeg ik, die plechtigheden tot leering en stichting allengs het eigenaardig kenmerk eener dramatische vertooning verkrijgen. Waar dialoog (recitatief) en handeling samengingen, daar was reeds iets van drama aanwezig. ‘En waar de actie bij het lied aangenomen was, daar was het mysterie-spel geboren, om in verloop van tijd door toevoeging van acterend personeel en tooneelmatige uitrusting van de plaats, waar de uitvoering ondernomen werd, zich van zelf tot het kerkelijk drama te ontwikkelen’2), Alzoo wortelt het mysterie, het middeleeuwsch tooneel in den eeredienst der kerk, te dien opzichte volmaakt gelijk aan het Grieksche3), en diende oorspronkelijk om te voorzien in de diep gevoelde behoefte van aanschouwelijk onderwijs.

Quo neque ab exordio ullum fere minus neque incrementis amplius: dat die kiem van dramatische vertooning eene zeer vruchtbare is geweest, is op te maken uit den schat van geestelijke of kerkelijke stukken, die ons resten en nog telken jare met nieuwe worden vermeerderd4). En vruchtbaar niet alleen

[p. VII]

met het oog op de hoeveelheid, ook met de gedachte aan de hoedanigheid: tot eene even sierlijke als reusachtige plant is de onoogelijke zaadkorrel opgegroeid. Doch langzaam en geleidelijk. Den gang van ontwikkeling, colossaal vooral in de 14e eeuw, zijn wij in staat gesteld door proeven uit verschillenden tijd nauwkeurig waar te nemen. Van de photografisch getrouwe reproductie der bijbelsche verhalen, binnen het kerkgebouw, door kerkelijke personen, in de taal der kerk, onder goedkeuring en bescherming der kerk zelve: van de kerkelijke taal en stijl en trant is namelijk gaandeweg afgeweken.

Het proza van den feesttekst wordt eerst begeleid door de poëzie van het feestvers, later zelf berijmd en in spraak en weerspraak omgezet1). Nevens het Latijn van de authentieke vertaling der Heilige Schrift treedt op eerst schoorvoetend als het ware, gelijk almede in de epistolae farsitae, allengs meer vrijmoedig2), eindelijk als alleenheerscheres: de volkstaal; terwijl intusschen, opmerkelijk genoeg, de zoog. Bühnenweisung vaak de eerste woorden van den Latijnschen tekst blijft inhouden, en ons - in 't voorbijgaan gezegd - als ‘overleefsel’ uit den tijd van oorsprong en wording tot staving der verklaring van de herkomst des kerkelijken drama's uitnemenden dienst doet3). Een verschijnsel, dat te minder bevreemding wekt, als wij bedenken, dat in de kerk ook het Latijnsche koraal vaak door gezang in de volkstaal vertolkt, en de tekst van de preek eerst in het Latijn en daarna in de landstaal werd afgelezen.

Dan, niet alleen werd de feeststof gewijzigd, de ongebonden in gebonden rede, de uitheemsche in de inheemsche taal overgegoten, zij onderging ook van lieverlede eene aanzienlijke uitbreiding. De tekst der evangeliën met bijbehoorende gebeden en gezangen, de oorspronkelijke grondstof, werd uitgewerkt en,

[p. VIII]

voornamelijk met tweeërlei bedoeling, uitgesponnen. Wel verre van de getrouwe afbeelding van het bijbelverhaal, de chronologisch en historisch juiste voorstelling der feiten (van de canonieke evangeliën) te blijven, werd de vertooning van lieverlede de echo van hetgeen de apocryfe boeken en de legende verhaalden, die - reidt1) merkt 't terecht op - ‘den Dichtern wegen ihres theilweise phantastischen Inhalts mehr zusagten als die canonischen Bücher.’ Maar ook de profetieën betreffende de geboorte, het lijden en sterven, de opstanding en de hemelvaart werden in herinnering gebracht, en min of meer breedvoerig medegedeeld; èn aan de kerkleer, de dogmatiek, wordt eene plaats ingeruimd, iets waartoe de allegorische personen moesten dienen2): de feeststof werd beschouwd en voorgesteld in het licht van de oud- en nieuw-testamentische geschiedenis en van de verdichting der legende, en dienstbaar gemaakt aan de bevordering der leering van de aanschouwers. Door toevoeging van de voorzeggingen der zieners en de leerstellingen der kerk bekwamen allengs de geestelijke vertooningen een uitgebreiden omvang en namen colossale proportiën aan, te aanzienlijker nademaal een en ander nog werd vermeerderd met de Sibyllijnsche3) en Vergiliaansche4) voorspellingen, en met de zoog. ‘déablerie’ (Teufelspiel) met hare comische en burlesque tooneelen, die ook steeds al grooter en grooter van afmeting werden5).

Heeft men goeden grond met Mone het zoog. ‘erzählende Schauspiel’, het dramatisch recitatief, als waarvan ons Monmerqué en Michel een kostbaar exemplaar uit de 12e eeuw bieden6) - aanvangende met de woorden ‘En ceste manère recitom La seinte resureccion’ -, aan te merken als prototype der latere mysteriën, dan loopen de uitersten (men denke aan

[p. IX]

de Chester, Coventry en Towneley mysteries1)), zeer zeker nog al uit elkaâr; en kunnen wij in de mysteriën van later tijd, bestaande uit 4200 a 6500 verzen, vereischende voor de opvoering een getal van 40, 163 a 265 man2), en vaak 2 a 3 dagen durende, den oorspronkelijken kiem nauwelijks terugvinden en herkennen, maar - toch ook evenmin voorbijzien.

Neque incrementis amplius: ik durf het gerust te herhalen. Er is meer. Ook al waren ons, hetgeen evenwel niet het geval is, alle bijzonderheden de mise-en-scène betreffende volmaakt onbekend, wij zouden goeden grond hebben voor de onderstelling, dat ze aanvankelijk hoogst eenvoudig moet zijn geweest, immers in alle opzichten overeenkomstig de heilige plaats, het huis Gods, waar de vertooning werd gegeven. ‘La foi se suffisait à elle-même, et faisait tous les frais de leurs divertissements’, zegt Du Méril, en bovendien men wist:

 
Of holy wrytte this game xal bene
 
And of no fablys be no way.

Het is natuurlijk, dat, al bleef voorloopig de kerk de plaats van opvoering, ‘diese dramatische Erbauung und Andacht sich nicht immer und überall hielt in ihrer unschuldigen Einfachheit’3); dat, toen leering en stichting niet langer hoofddoel bleven, en de vertooning wat meer werd dan de mise-en-scène van de liturgie, ook de behoefte ontstond aan meer onbeholpen toestel dan bv. die van 't Miraculum Resurrectionis B. Lazari wordt voorgeschreven4), waar van de verbeelding der toeschouwers wel wat veel werd gevergd, de behoefte namelijk aan hetgeen hen lokken en bekoren kon.

En evenals de plaats van vertooning aanvankelijk geen andere was en kon en mocht zijn dan de kerk, zoo werd de vertooning ook oorspronkelijk door geen andere personen opgevoerd dan kerkelijke ambtenaren, diakenen bv. en mindere klerken, monachi en popellus (koorknapen), en was er natuurlijk geen sprake van, dat

[p. X]

‘homines vagi’, joculatores1) en dergelijke lieden optraden. Doch naarmate de voorstelling haar zuiver liturgisch karakter verloor, en, vooral door eene telkens breedere plaats in te ruimen aan, als ik zoo zeggen mag, wereldlijke, profane elementen2), in doel en strekking al minder en minder godsdienstig werd, behoefden niet langer kerkelijke ambtenaren en bedienden uitsluitend de spelers te blijven3). En te minder behoefde dat, nademaal ook de taal der stukken gaandeweg had opgehouden die der kerk te wezen. Alles kreeg allengs eene meer en meer wereldlijke kleur; het in oorsprong zuiver kerkelijk drama wordt zoo al niet geheellijk dan toch grootendeels geseculariseerd, zoo zeer, dat het niet bevreemdt, als wij het mysterie uit de kerk zien overgaan naar het kerkhof4), vandaar naar het spilhof, den spilberg, de spila- of spilistat, eindelijk naar het spila- of spilihûs, met andere woorden naar de open lucht5), met de noodige tooneeltoestel; noch als van de ‘debita devotio et reverentia’, waarmede weleer de geloovige schare de gewijde geheimenissen placht te zien ontvouwen, niet veel meer te ontdekken valt, zoodat dan ook vaak zelfs de buitensporige uitgelatenheid en onstichtelijke dolheid moest worden gebreideld door allerlei verbodsbepalingen tegen al te dwaze episoden en al te koddige intermezzo's en al te profane handelingen6), en gedurende de opvoering een nadrukkelijk en veelmalen herhaald ‘silete’ noodig werd om de luidruchtige menigte tot stilte te manen7).

Doch, en dit is van aanbelang, al veranderde het liturgisch,

[p. XI]

het kerkelijk drama aanmerkelijk van vorm en inhoud, van mise-en-scène en acteurs, van plaats en publiek; al werd het letterlijk op straat gezet, en zelfs uit het heiligdom verbannen, indien het zich al te wereldsch tooide en der geestelijkheid tot eene ergernis en eene dwaasheid werd; al ontaardde het mysterie van zijn oorsprong en ontgroeide 't der voogdij van de kerk: ook het geseculariseerde mysterie blijft tot zekere hoogte mysterie. En dat is niet alleen blijkbaar door uiterlijkheden als bv. dat kerkelijke personen aan de opvoering op kerkhof of marktplein hunne medewerking niet onttrokken; dat koorknapen de rol van engelen op zich bleven nemen; dat de voorstelling met een

 
Or, levez sus.
 
Disons: ‘Te Deum laudamus’,

of iets dergelijks werd besloten, en zoo meer: benevens aan het geraamte blijft er in de behandelingswijs der stof zeer veel traditioneels, dat op de herkomst wijst1).

En ongeveer hetzelfde geldt m.i. van de zoog. mirakelspelen (miracle-plays), die van de mysteriën alleen hierin onderscheiden zijn, dat zij hun inhoud hoofdzakelijk aan het boek der Heiligen-legenden en der kerkelijke hymnen ontleenen, zij het dan al dat eenige processie - en dit moet zeer dikwijls het geval zijn geweest - aanleiding werd eener dramatische voorstelling of niet2). Onderscheidene mirakelspelen danken wijders hun oorsprong, zou ik meenen, aan de zoog. Epistolae farsitae (Epîtres farcies), d.i. - volgens Jubinal - ‘chants alternatifs du peuple et du clergé, lesquels s'exprimaient l'un en latin, l'autre en langue vulgaire’3).

Mogen de medegedeelde beschouwingen betreffende de wording en ontwikkeling der geestelijke drama's, mysteriën en mirakelspelen, strekken, om over den bouw en het samenstel

[p. XII]

van hetgeen daarvan in onze middeleeuwsche letteren over is eenig licht te verspreiden, en alzoo in de op het eerste lezen zoo zonderlinge en raadselachtige, grillige en onsamenhangende, stellig zeer vreemde1) voortbrengselen, eene chaotische massa gelijkende en schijnbaar Alles durch einander Mäusedreck und Koriander, te doen ontdekken - hetgeen Warton2) er niet in ziet - aanleg en plan, orde en samenhang. Mogen ze iets bijdragen ter verklaring en waardeering van onze stukken, het Paaschspel (Bijlage, bl. 496,3)), de Maria Bliscap en het Spel van den Sacramente van der Nyeuwervaert, drie typen als het ware, elk een verschillend onderwerp behandelende niet alleen en afkomstig uit verschillenden tijd, maar, en dit is van meer belang, elk eene bepaalde phase van ontwikkeling des kerkelijken tooneels vertegenwoordigend, en elk eene eigenaardige wijze van behandeling vertoonend. Mogen ze strekken om de vergelijking der drie spelen onderling zoowel als met Mystères, Schauspiele, Mysteries en Devoziones te vergemakkelijken, en op het spoor te komen der bronnen of wel der origineelen van onze stukken.

Daartoe over elk der drie een enkel woord. Allereerst over het Paaschspel, verreweg het antiekste der drie. Wat bouw en samenstel aangaat, wordt het al spoedig openbaar, dat de historisch-dogmatische inleiding, zeer kort, met hare allegorieën (vs. 96 vlgg.) en profetieën (vs. 200 vlgg.); verder de breede ontwikkeling en uitwerking der gedachte, dat Jezus is ‘der werelde loisere’ (vs. 301), de ‘kuoninc van himelrichen’ (vs. 339), ‘zu troiste gesant’ (vs. 606), die zal ‘sitzen up den trone’ (vs. 725), ‘ende urdeil geven vuer die doit sin ende leven’ (vs. 727); de episode betreffende Maria Magdalena4),

[p. XIII]

die ‘der su(o)nden genade vint’ (vs. 1048); de opwekking van Lazarus door hem, die immers is ‘dat uperstentinisse’ (vs. 1140); de beraadslagingen der Joodsche Grooten over hun toeleg om Jezus te vangen en te dooden; de komst van Gabriel, in één woord, aanloop, beloop, episode, verloop (uit andere mysteriën gemakkelijk aan te vullen), - dat het al moet strekken om op het feit der opstanding het licht te doen vallen van de bijbelsche geschiedenis en de gewijde overlevering, van voorzegging en kerkleer.

Iets dergelijks geldt van De eerste Bliscap van Maria, waarin eerst eene uitvoerige inleiding de oorzaak van Adam's val en vloek, het werk van Lucifer en zijne duivelen; de daardoor over hem en zijne afkomelingen ontstane ellende en ballingschap beide op aarde en in de hel, waar zij zijn ‘in bitteren sere’ (vs. 875); en het bedrijf der helsche geesten ter uitbreiding van het rijk der duisternis, dat tot hunne blijdschap steeds in zielental toeneemt, - waarin dat alles in het licht wordt gesteld, en zoodoende alvast, ook in verband met gedane toezeggingen aan Seth en de oud-testamentische vaders behoorlijk gemotiveerd de volheid des tijds en de wenschelijkheid der komst van een verlosser. Daarop ontvouwt een allegorisch tusschenspel hetgeen er voorvalt in den raad Grods, waar de zaak des menschen door Ontfermicheit en Vrede en Waerheit tegen Gerechticheit wordt bepleit, en dan God, de Soen Gods en de Heilige Geest gehoord, besluit zijn zoon te zonden om ‘met sinen bloede haers te plien, die nu sijn ter hellen binnen’ (vs. 1441 vlg.). Vervolgens stelt Maria-Bliscap voor, hoe aan dat besluit uitvoering wordt gegeven door de menschwording des Zoons Gods; en worden de wonderdadige geboorte van Maria (dochter van Joachem en Anna), hare hooge deugd, haar huwelijk met Jozef, eindelijk de blijde boodschap, dat ‘die gracie Gods haer heeft omvaen’ en ‘hi wilt hem rusten in haren pleyne’, dat zij zal worden moeder en blijven maagd en ‘natuerlic een kint sal baren’, nam. Jezus, medegedeeld.

Spelen in Maria-Bliscap profetie en allegorie en diablerie eene

[p. XIV]

groote rol, veel grooter dan in het Paaschspel: is daarvoor, ook in tegenstelling hiermede, benevens in het oude en nieuwe testament een goede greep gedaan in de apocryfen en de Marialegende, het Spel van den Sacramente van der Nyeuwervaert is een uitnemend vertegenwoordiger der zoog. mirakelspelen. Hemelsbreed verschillend van het Paaschspel, waaruit ons als het ware de kerklucht nog tegenwaait, en dat blijkens zijn beminnelijken eenvoud en aantrekkelijke naïveteit en ongekunstelden spreektrant kennelijk uitsluitend is aangelegd op de stichting der geloovigen, dan ook nog zuiver liturgisch is; verre ook afstaande van Maria-Bliscap, dat met zijn catechetisch onderricht, zijn dogmatische ontvouwing, zijn zelfs alles behalve schalksche, eerder deftige en plechtige diablerie, hoofdzakelijk tot leering en onderwijzing strekken moet, bovendien in zeer geprononceerden preektoon, ja bijna kanselarijstijl, zonder eenige de minste kleur of tint1) is gedicht, is het Spel van den Sacramente van geheel ander gehalte dan die twee. Maar dubbel merkwaardig, ik zeg het mijn vriend Verwijs na2), ‘wegens het half geestelijke half wereldlijke karakter’: niet kerkelijk, niet geestelijk, eerder romantisch dan religieus is de inhoud, als die immers in weinig meer bestaat dan in eene aaneenschakeling der wonderen en lotgevallen van het Heilige Sacrament, afgewisseld door de duivelskunstenarijen en bedriegerijen en snorkerijen van de twee helsche geesten Sondich Becoren en Belet van Dueghden. En de tooneelen, waarin de duivels eene rol spelen, zijn in hooge mate koddig en vermakelijk; stellig meer burlesque dan comisch, mogen ze niettemin ‘tot de best geslaagde gerekend worden’: ik stem het gereedelijk toe. Het overige is inderdaad niet veel meer dan de berijming van den tekst3): ‘Dit is hoe dat theilich weerdige sacrament vander Nyeuwervaert vonden waert ende een deel van sijne miraculen.’ Waren de wonderverhalen er niet in, men zou wanen eene of andere klucht te lezen, zoo ‘goed is de volkstoon getroffen.’ In tijd en plaats van bewerking mogen het Sacramentsspel en Maria-Bliscap niet veel verder van elkander verwijderd

[p. XV]

zijn dan de ruimte van vijftig jaar en den afstand van Breda tot Antwerpen, in karakter loopen zij verbazend uiteen. Met blijkbare voorliefde zijn door den dichter de duivelsscenes bewerkt, en, wel verre van zooals in Maria-Bliscap in allen deele te zijn gemotiveerd, te pas en te onpas ingelascht1): het stuk is kennelijk gemaakt niet tot stichting, gelijk het Paaschspel, niet tot leering, gelijk Maria-Bliscap, maar tot genoegen van het publiek, dat ook gewis meer schik heeft gehad in de luimige scherts der ‘duvelrye’ dan in de wonderen en teekenen van het Heilige Sacrament. Van de wijze van doen, - van de methode zou ik zeggen, als 't niet te stelselmatig klonk, - die werd toegepast om het kerkelijk drama te seculariseeren, uitbreiding namelijk en vermeerdering der zoog. profane partijen, is het Spel van den Sacramente een uitnemende kenbron.

Ik sprak boven van de vergelijking van onze geestelijke spelen met uitheemsche lettervruchten van dezelfde soort, als bij uitstek dienstig tot 't opsporen van bron of origineel. En dan treft ons al aanstonds zoo menig punt van overeenkomst, dat het Paaschspel, de Maria-Bliscap en het Sacrament vertoonen met Fransche, Duitsche, Engelsche en Italiaansche mysteriën en mirakelspelen.

Bij hetgeen ten opzichte van het Paaschspel in verband met het Utrechtsche Antiphonarium reeds is gedaan door den Hr. Gallée, ten opzichte van Maria-Bliscap in verband met een Engelsch mysterie (door Hone in substantie medegedeeld) en Der Sündenfall (door Schönemann uitgegeven) door hem en den Hr. Wybrands, die het bovendien met 't spel van Guillaume Herman, dat van Langton, dat van Conradus Schryrensis, en een Italiaansch mysterie van Belcari vergelijkt, wensch ik nog een en ander te voegen.

Allerbelangrijkst is het zoowel het Paaschspel (P.) als de Maria-Bliscap (M.B.) te vergelijken met het Mysterium Resurrectionis D.N. Jhesu Christi (12e eeuw)2); met Christi Leiden (12e eeuw)3), en vooral met het Mystère de la Nativité du Christ (mede allicht afkomstig uit de 12e eeuw, voorkomend in een

[p. XVI]

HS. van de 13e)1), die over groote gedeelten van de geschiedenis van Jezus loopen; en ook met stukjes gelijk de Herodes sive Magorum adoratio2) en het Mystère de l'Adoration des Mages, de Interfectio Puerorum3), het Miraculum Resurrectionis B. Lazari4), vooral ook met de m.i. door Du Méril (bl. 179) -, in tegenstelling van Wright (bl. 57, verg. bl. 60) en Michel5), die het in het Mysterium Fatuarum Virginum hebben ingelascht, - ten onrechte als zelfstandig stuk uitgegeven Mystère des Prophètes du Christ, - al welke stukken kleine gedeelten en bijzonderheden uitwerken. Inderdaad, de vergelijking van P. en M.B. met stukken, als door Mone, Du Méril, Jubinal, Ebert, enz. enz. worden medegedeeld, loont de moeite dubbel en meer dan dubbel. Wij geraken dan tot de uitkomst, dat er in P. en M.B. bijna niets voorkomt, of wij vinden het in de Duitsche, Fransche, Engelsche en Italiaansche stukken van kerkelijk karakter terug.

Een paar punten slechts. Wat de in P. en M.B. voorkomende profeten en profetieën aangaat, bv. Vergilius, verg. P. vs. 230 vlgg. en vs. 433 vlgg. met Les vierges sages et folles6), bl. 9; Ysaias, verg. P. vs. 222 en vs. 433, M.B. vs. 818 en vs. 888 met Les vierges enz., bl. 7, met Kindheit Jesu7), vs. 137 vlgg.; Balam, verg. P. vs. 204 en Kindheit Jesu, vs. 17 vlgg.; David, verg. M.B., vs. 869 en vs. 905 en Kindheit Jesu, vs. 47 vlgg.; Seth, verg. M.B. vs. 694 vlgg. en La Nativité de N.S. Jésus-Christ8), bl. 17 vlgg. en De resurrectione9),

[p. XVII]

vs. 337 vlgg. Over den Dooper, P. vs. 640 verg. Osterspiel, Leben Jesu, bij Mone, I, bl. 72 vlgg., vs. 94 vlgg.; over Elisabeth, M.B. vs. 2182 verg. Nativité, bl. 48; over de drie jongelingen van M.B. vs. 1981 vlgg. zie t.a.pl., bl. 36; over de ‘bloeiende roede’ van vs. 1960 vlgg. verg. de daarbij behoorende historie Kindheit Jesu, vs. 293 vlgg.:

 
Do batewir mit flisse got,
 
Das uns sin hailig gebott
 
Er wisti, was wir taetin
 
Dâr nâch nâch sinan raetin
 
Laiten wir XII ruetan dar
 
In den tempel und namen war,
 
Wes ruete boer lôb und bluot,
 
Der solt niemen die magte guot,
 
Wan so wurd offenbaere,
 
Das es gottes wille waere;

eene zaak, waarover almede in Nativité, bl. 21, en in het Mystère de la Nativité du Christ1), bl. 190; over de gelofte van kuischheid van de heilige maagd, M.B. vs. 1931 vlgg. zie Kindheit Jesu, vs. 281 vlgg.; over het ‘gereetscap’ M.B. vs. 2101 zie Nativité, bl. 40; over de boodschap van Grabriel aan Maria, P. vs. 254 vlgg., M.B. vs. 2156 vlgg., zie Kindheit Jesu, vs. 325 vlgg. en Nativité, bl. 71 vlgg.; over de drie koningen, P. vs. 338 vlgg., zie Kindheit Jesu, vs. 506 vlgg.2), en vooral met betrekking tot vs. 356 vlgg. en 480 vlgg. bij Mone vs. 516 en 826, al is dan onze bode geen ‘Schalksnarr’ (bl. 173, noot),3). Over de Rachel van P. vs. 522 vlgg. verg. Rachel bij Du Méril, bl. 171 vlg. De beschrijving van de bruiloft te Kana, P. vs. 760 vlgg., laat zich zeer goed vergelijken met de des betreffende scene van Leben Jesu, vs. 17 vlgg.: tot zelfs de naam van den gastheer komt overeen (vs. 754 en vs. 34), maar vooral springt de gelijkheid in het oog van P. vs. 772-75:

 
Architriclin (spricht):
 
Dis win dunckit mir der beste,
 
Went hene up dat leste
[p. XVIII]
 
Gehalden hait sinen vru(o)nden,
 
Inde wilt dit zeigen hie vorkunden.

en vs. 35-40:

 
Allez diz lant hat einen siden,
 
Den hastu hie vermiden,
 
Man git zu erste den besten win,
 
So die lute dan drunken sin,
 
So ist in zu(o) dem dranke gach;
 
Nu(o) sezzes du(o) den beszern nach.

Verder biedt de scene in Symon's huis (P. vs. 914 vlgg.) groote overeenkomst met die in 't Mystère de Résurrection du Lazare (bij Du Méril, bl. 213), bl. 214 (verg. bij Wright, bl. 46). Wat Lazarus zelven betreft, P. vs. 1070 vlgg., verg. Leben Jesu, vs. 458 vlgg.1); P. vs. 1092-66:

 
Die suchde sal wesen sunder noit
 
Sine sal nit dragen zu der doit,
 
Mer an ime sal sin gemeert
 
Godis name ende ouch geert;

verg. L.J., vs. 467 vlg.:

 
Der sichedage bringet nit den dot,
 
Doch wirt do von gelobet got;

P. vs. 1140 vlgg., verg. L.J. vs. 498 (‘Ich bin die ufirstende und das leben’); P. vs. 1182 vlgg., verg. L.J. vs. 511 vlgg.; vooral P. vs. 1171 vlgg., verg. Passionsspiel2) vs. 1265 vlgg.; P. vs. 1178 vlgg., verg. Pass. spiel vs. 1295 vlgg. en bij Jubinal, II, bl. 139 van La passion de notre Seigneur, bij Du Méril, bl. 135 van 't Mystère de la Passion, alwaar de zaak nog meer in bijzonderheden wordt verhaald. Voor de Maria-Magdalena-scene, P. vs. 776 vlgg., verwijs ik naar Leben Jesu, vs. 156 vlgg. en het zoo even aangehaalde mysterie bij Jubinal (II, bl. 139), bl. 145 vlgg.3). Eindelijk laten zich de voorspelling der steeniging, P. vs. 1058 vlgg., en die bij Mone, II, bl. 233, vs. 1235 vlgg.; het halen van den ezel, P. vs. 1212 vlgg. en dat bij Mone, t.a.pl., vs. 1533 vlgg.; de man, die ‘dreit

[p. XIX]

ein legellen an der hant vol wassers’, P. vs. 1390 vlg., en die van het L.J. vs. 75 met zijn ‘crugelin bit wazzer’ en van het Passionsspiel vs. 1730, met zijn ‘grossen kruog mit wasser’; de aanstelling van Petrus en Andreas tot ‘vitschere der lude’ (P. vs. 715) zeer goed vergelijken met die bij Mone in L.J., vs. 76 vlgg.:

 
‘Peter und Andreas komment
 
Und volgent mir, ir sollent
 
Stellen nach luden uwer garn,
 
Und lazent das vischen varn,
 
Ir sollent der lute vischer wesen,
 
Wie sie zuo der selen genesen.’

Wat ten slotte de allegorische figuren betreft (P. vs. 96 vlgg., M.B. vs. 1001 vlgg.), sla men op Klein, IV, I, bl. 107 en bl. 203 vlg., en Roquefort1), bl. 267 vlg.; en over Ecclesia (P. vs. 200, verg. Passionsspiel bij Mone (II, bl. 150 vlgg.) vs. 3545 vlgg., alwaar een dialoog tusschen Christiana en Judaea) verg. Jubinal, II, bl. 258 (alwaar een gesprek tusschen Sainte Eglize, Vielle loy en Synagogue)2).

Tot gelijke uitkomst geraken wij bij de vergelijking van onze Mnl. stukken met de Devoziones, Rappresentaziones, Storia's, Esempio's, Festa's, Misterio's en hoe de Italiaansche mysteriën verder mogen heeten, waarvan Klein den inhoud (IV, bl. 157, 196 vlgg., verg. bl. 230 vlgg.), mededeelt3), en met de Engelsche Mysteries4).

En wat betreft het Spel van den Sacramente van der Nyeuwervaert, meer bijzonder de diablerie: wie met de Duitsche maar vooral met de Engelsche en Fransche ‘duvelryen’ heeft kennis gemaakt, zal geen oogenblik aarzelen Sondich Becoren en Belet van Dueghden broertjes te noemen van Funckeldune, Krumnase; Tutivillus, Rybald; Tout-li-faut, Courte-oreille, Soul-d'ouvrer, Sote-trongne enz. enz., en het overigens met de

[p. XX]

spelen van de H. Catherina, de H. Dorothea, Theophilus, Het Heilige Kruis (Helena), den H. George, Pausin Johanna enz. enz. op eene lijn te stellen1).

Is een blik op den oorsprong en de ontwikkeling van het geestelijk drama uitermate geschikt om bouw en samenstel der stukken te begrijpen, de vergelijking van het Maastrichtsche Paaschspel, de Eerste Bliscap van Maria en het Sacramentsspel onderling en met voortbrengselen van vreemden bodem leidt ons tot het resultaat, dat alle mysteriën, evenals de mirakelspelen, sprekend op elkaar gelijken en menigen familietrek gemeen hebben, vaak zelfs tot elkaar schijnen te staan als copie en origineel.

Immers, hoe ook vermeerderd met allerlei, vaak zeer heterogene bestanddeelen, hoe ook verschikt naar verschillend inzicht, blijft de grondstof van de canonieke en apocryfe evangeliën en de andere oud- en nieuwtestamentische geschriften toch immer duidelijk te onderkennen; bij de grootst mogelijke verscheidenheid gaat de overeenstemming, bij dikwerf aanmerkelijk onderscheid de gelijkenis nooit geheel te loor. Op mysteriën van verschillende natiën moge de nationale stempel zijn gedrukt, soms zelfs de locale2) - de Fransche en Italiaansche3) zien er anders uit dan de Duitsche en deze dan de Engelsche zoog. Collectiv-mysteriën -: meer dan één enkelen trek voorwaar hebben ze alle gemeen, als naar een en hetzelfde prototype zijn ze alle gebeeld. De dichters der geestelijke drama's zich levendig bewust, dat ze op de eer van vinding geen de minste, op die van schikking hoogstens eenige aanspraak konden maken, verzwijgen in den regel dan ook hun naam. De stof der mysteriën is in zekeren zin gemeengoed, als geput uit eene en dezelfde bron, gemeen eigendom, evenals die der meeste zoogenaamde mirakelspelen: het een zoowel als het ander is vaak luttel meer

[p. XXI]

dan eene berijmde paraphrase van het bijbelwoord of de vita sanctorum, soms nog daarenboven onhandig verwaterd, ‘das umgekehrte Wunder von Kana’ zou Hase zeggen. Vandaar dan ook, dat volgens denzelfden ‘die Mysterien des Mittelalters gerade in ihrem höchsten Gegenstande eintönig den biblischen Inhalt wiederholend nur durch die massenhafte Zusammenfassung und durch das Herbeiziehn alttestamentlicher Vorbilder die freie Dichtung einigermassen ersetzten’1).

De vergelijking, zeide ik, kon ook strekken om op het spoor te komen der bronnen van onze stukken: daarover thans een en ander. Is de bron of het origineel van onze stukken gevonden? Of zijn zij alle drie oorspronkelijk? De grondstof, de canonieke evangeliën, schemert overal door, ook in ons Paaschspel en in Maria-Bliscap: het is ons hier en daar bij de lezing, of wij de vulgaat onder de oogen hebben, of althans het Utrechtsch Antiphonarium of eenig Office de la Résurrection, des Pasteurs of des. Mages. Insgelijks de inhoud der apocryfe evangeliën2): ook zelfs voor hen, die ze alleen uit eenig Leven van Jezus, of b.v. uit den Leekenspiegel kent, moet de treffende overeenkomst een gegrond vermoeden opleveren aangaande den oorsprong van zoo menige bijzonderheid onzer Mnl. kerkelijke (geestelijke) drama's. Slechts een paar punten, kleinigheden maar van groote betoogkracht, stip ik aan. Men legge M.B. vs. 1958 vlgg.:

 
Dingele.
 
‘Her biscop, hoort de redene mijn:
 
Alle, die van Davits geslachte sijn,
 
Die bringen droege roeden, sonder vernoyen,
 
Ende de wiens dat daer sal bloyen
 
Sal Maria hebben in hoeden
 
Te huwelike; wilt u hier met spoeden’,

naast Voor-Evangelie3), Cap. VIII en IX; Maria's Geboorte, Cap. VII; Pseudo-Mattheus, Cap. VIII, en men zal hier alles terugvinden wat daar wordt verhaald, verg. vooral vs. 2069 vlgg. met

[p. XXII]

Maria's Geboorte, Cap. VIII, begin; M.B. vs. 1620, alwaar wordt gezegd aan Joachem door den engel:

 
‘Ten tekene, dat u God sal gestaden,
 
Soe sal u comen te gemoete
 
U wijf, bevreed van allen quaden,
 
Ende sal u bieden hoefsche groete
 
Ter guldender porten om stwifels boete’,

naast Maria's Geboorte, Cap. III, alwaar: ‘En dit zal u het teeken zijn van wat ik u aankondig: “Wanneer gij te Jeruzalem bij de gouden poort zult komen, zal Anna, uwe vrouw, u te gemoet treden, die, nog bekommerd wegens uw wegblijven, zich dan zal verheugen, wanneer zij u ziet”’; M.B., vs. 1923 vlgg. naast Maria's Geboorte, Cap. VII, Pseudo-Mattheus, Cap. VIII; M.B., vs. 2120 vlgg., alwaar na 't huwelijk van Maria en Joseph de laatste zegt:

 
‘In Gods namen si.
 
Maria, laet ons gaen gereetscap maken,
 
Soet ons betaemt, van allen saken:
 
Ick wil gaen trecken ongelet
 
Te Bethleem waert’,

naast Maria's Geboorte, Cap. VIII: ‘nadat dus de verloving volgens de bestaande gewoonte had plaats gehad, keerde hij zelf (Josef) naar de stad Bethlehem terug, om zijne woning gereed te maken en het noodige voor de bruiloft in gereedheid te brengen; M.B., vs. 1776 vlgg. naast Pseudo-Mattheus, Cap. IV; M.B., vs. 1796 naast Pseudo-Mattheus, C. VIII; ook de ‘orlementen’ M.B., vs. 1822 vinden we aldaar terug. En is ook zelfs Satan niet reeds in De Nederdaling ter Helle, Cap. IV, evenals in de verhalen en drama's der middeleeuwen ‘een voorwerp meer van spot en verachting dan van vrees’, zoodat de Vorst der Onderwereld kwalijk ernstig tot hem kan spreken?1) Verg. ook P., vs. 558 vlgg., met Het Evangelie der Kindsheid, Cap. I; en over den persoon van St. Dummois vs. 1112 zie het laatst aangehaalde Evangelie, Cap. XXIII, alwaar Dumachus; Gedenkstukken van Pilatus, Cap. IX, alwaar Dusmas; Verhaal van Jozef van Arimathea, C. III, alwaar Demas.

[p. XXIII]

Het aangevoerde zij voldoende. De vraag is, of 't Paaschspel en Maria Bliscap rechtstreeks, onmiddellijk uit de canonieke en apocryfe evangeliën of althans uit eenig officie zijn voortgesproten, dan wel of ze de copie van eenig voorbeeld, de vertolking van eenig origineel moeten heeten. Want dat ook op het gebied van 't geestelijk drama evenals op dat van de romantische poëzie aan overneming en omwerking mag worden geloofd; dat ‘nachdem, gelijk Reidt1) zegt, durch gegenseitigen Austausch die kleineren Kirchenstücke Gemeingut Aller geworden, was waren, so dass man unbedenklich aus denselben entlehnte, was man für immer brauchen konnte’, van navolging en vertaling mag worden gesproken, bewijst ten overvloede de Towneley-collectie, waarin blijkbaar meer dan een tooneel is opgenomen van Fransche herkomst2), en zoo menig Duitsch stuk, dat door ettelijke woordvormen3) en toespelingen4) en dezen en genen duivelsnaam zijn Fransche afkomst verraadt.

Onwillekeurig zien wij uit naar eenig Fransch origineel of voorbeeld, want de onderstelling heeft goeden grond, dat in Frankrijk zoowel de mysteriën als de mirakelspelen het eerst zijn ontkiemd5): is er eenig Fransch voorbeeld of origineel aan te wijzen van ons Maastrichtsch Paaschspel? Zacher6) liet er zich indertijd niet over uit; Jonckbloet7) roert de kwestie niet aan; Mone is op dit punt zeer positief. Nog niet zoo zeer I, bl. 195, alwaar: ‘In dem französischen Schauspiel der Passion bei Jubinal (mystères du 15e siècle 2, 258 flg.) bildet die Gegenstellung des alten und neuen Testamentes einen wirklichen Theil des Dramas, indem die Kirche, das alte Gesetz und die Synagoge als allegorische Personen auftreten und mit einander

[p. XXIV]

reden- Dieser Gegenstand wurde auch bei den Franzosen in besonderen Gedichten behandelt, wovon Jubinal (Seite 404 flg.) ein Beispiel gibt. Aus dem Französischen ging diese Personificirung in das niederrheinische Schauspiel über, denn in dem Osterspiel bij Haupt 2, 309 (ons Paaschspel) ist die ecclesia als Person aufgeführt’; als wel meer bepaald II, bl. 164: ‘In dem folgenden Stücke treten die christliche Kirche und die Synagoge (Christiana und Judäa) als redende und handelnde Personen auf, das erste Beispiel in einem teutschen Drama. Das weist nach Frankreich und in der Passion bei Jubinal (2, 258) erscheinen die sainte églize, vieille loy und die synagogue als handelnde Personen und zwar an derselben Stelle des Dramas wie im Teutschen, nämlich nach der Bekehrung des Longinus. Dieser Zusammenhang in einem speciellen Punkte spricht für die Verwandschaft der dramatischen Dichtkunst beider Völker. Und es steht dieses Beispiel nicht allein, sondern kommt auch vor in dem Frankfurter Stücke (zie I, bl. 195) und in dem Maestrichter, die beide auch in andern Zügen auf französische Muster zurück weisen.’

‘Das weist nach Frankreich’, als waaruit hij meent dat de bedoelde allegorische figuren zoowel in het Passiespel (van de tweede helft der 15e eeuw) en het Frankfurter stuk van 14981) als in ons Paaschspel zouden zijn gekomen, iets dat door Klein niet wordt weersproken2).

Ook ‘in andern Zügen’: inderdaad, dat is zoo. Ik wil niet wijzen op de namen Architriclin (vs. 771), Cherubin (vs. 92), Yve (vs. 56), die - en Yve volgens Mone meer bepaald - een Fransch voorbeeld doen vermoeden, maar liever de aandacht vestigen op den ongewonen vorm van den naam Sent Dummois (vs. 1112), die ongetwijfeld uitheemsch klinkt. Voorts komt 't Mone voor, dat vs. 1054, waar Jezus tot zijne apostelen spreekt:

 
‘Ir heren, laist uns up staen,
 
Dat dunkit mich wale gedaen,
 
Inde laist uns gaen in dat lant,
 
Dat Judea is genant’, -
[p. XXV]

dat daarvan de woorden ‘Ir heren’ Franschen oorsprong verraden, en onmiddellijk doen denken aan het ‘beauls seigneurs’1), waarmede Jezus de soldaten, die hem komen vangen, en Pilatus de Joden aanspreekt2). Doch er is meer. Ik bedoel de allegorische figuren Intfarmeherthigeit (Intbarmicheit) en Wairheit (bl. 499 vlgg.). Het is namelijk een feit, dat volgens Godofredus, Abt van St. Alban († 1146), de Trouvère Guillaume Herman (1127-1170) op last van den Prior van Kenilworth in het Noord-fransch eene theologische moraliteit of drame théologique heeft gedicht op de tekstwoorden van Psalm 85, vs. 11: ‘De goedertierenheid en waarheid zullen elkander ontmoeten, de geregtigheid en vrede zullen elkander kussen’3); eene moraliteit, die later is nagevolgd door Etienne Langton, later Kardinaal van St. Chrisogan, enz. enz...... maar wat bewijst een en ander? Hoogstens dunkt mij, dat het Maastrichtsche Paaschspel - evenals trouwens alle geestelijke drama's, die op Nederduitschen bodem zijn gewassen - almede getuigt, dat onze Mnl. mysteriën niet zijn vrij gebleven van Franschen invloed, en deze invloed ook daarin zich reeds in de 14e eeuw, zooal niet vroeger, heeft doen gevoelen: uit enkele gegevens evenwel te besluiten, dat ons Paaschspel de vertolking van een Fransch origineel of de copie van een Fransch voorbeeld zou wezen, durf ik vooralsnog niet, omdat, ten eerste, bij de overeenkomst van de kerkelijke en geestelijke stukken in 't algemeen zulk eene gevolgtrekking zeer gewaagd blijft, en, ten tweede, mij geen mysterie bekend is, dat haar wettigt. En de taal van het spel geeft er zeer zeker allerminst recht toe: woorden toch als creaturen (vs. 39), oriente (vs. 444), disputiren (vs. 570), probiren (vs. 571), orniren (vs. 825), ghebenediet (vs. 933), martilien (vs. 1395), zouden, ook al kwamen ze in grooter aantal voor, weinig of niets bewijzen.

[p. XXVI]

Ongeveer hetzelfde geldt van de Eerste Bliscap van Maria1). Van wege den tijd, waarin het is gedicht, zou ik den moed missen uit de taal eenige gevolgtrekking hoegenaamd af te leiden. Er zijn gewis veel basterdwoorden van Fransche herkomst in2), maar daaronder, benevens enkele die in andere Mnl. stukken zeer gewoon zijn, zeer vele, die in de 15e eeuw, de eeuw immers der Boergoensche bastaardij, algemeen gangbare munt waren3). Ook zou ik ongaarne overijld besluiten tot een Fransch origineel van M.B. op grond van de oorspronkelijk, naar het schijnt, Fransche gewoonte, om den laatsten regel van hetgeen de eene persoon spreekt te laten rijmen op den eersten van 'tgeen de volgende zegt, b.v. vs. 1720 vlgg.:

 
Dander Priester.
 
Keren, lieve, hoe soo?
 
Joachem, dats ons lief om horen!
 
Joachem.
 
Noyt scoender kint en was geboren, enz.;

noch op grond van de halve eindverzen des eenen gevolgd door de halve aanvangsverzen des anderen, te zamen één vers uitmakend dat rijmt op 't naast voorgaande, b.v. vs. 1730 vlgg.:

[p. XXVII]
 
Een Priester.
 
Welk tijt was des kints geboerte,
 
Joachem vrient, doets ons gewach:
 
Dit horen wi gheerne.
 
Joachem.
 
Den VIIIn dach
 
Van September dat kint lofsam
 
Van harer moeder ter werelt quam, enz.:

alle twee middelen door de Franschen toegepast, om aan het geheugen der acteurs te gemoet te komen1). En de diablerie van M.B. is ook lang niet jolig, niet uiig genoeg voor eene copie van een Fransch voorbeeld: als ik bedenk, hoe geheel anders de ‘duvelryen’ zijn in de mystères der 15e eeuw, hoe zelfs in de gelijktijdige Duitsche stukken2) het comisch element meer en meer op voorbeeld van de Franschen was uitgebreid, kan ik aan een Fransch origineel niet gelooven. Evenmin bewijst m.i. vs. 49 vlgg. heel veel:

 
‘Niet min wie laten overlien
 
Lucifers val met sijnre partien,
 
Die hen bi hoverdien gesciet’,

zegt de dichter; hij moet alzoo ‘klaarblijkelijk een stuk hebben gekend, waarin de val van Lucifer voorkwam’, beweert de Hr. Gallée3). Doch, kan met die woorden niet even goed worden gedoeld op de allen en algemeen bekende, wellicht honderdmaal te Brussel vertoonde diablerie? Ik waag het daarom niet eene hypothese te stellen.

En hoe te denken over de verwantschap van M.B. met den Sündenfall en het Ancient Mysterie (Hone)?4) Ik vind geen vrijheid haar aan te nemen: bij aanmerkelijke verschilpunten hebben M.B. en Sündenfall, dunkt me, niets gemeen, dat caracteristiek mag heeten, en, alleen en uitsluitend daarin en nergens anders gevonden, ja als het ware privaat eigendom van hen tweeën, het eerste gedeelte van M.B. tot ‘vrije navolging van een zelfde origineel’ als waarnaar Sündenfall is bewerkt doet stempelen. Ook zou ik op grond van de ‘sommige gelijkluidende uitdrukkingen’ daartoe

[p. XXVIII]

niet willen concludeeren. Desgelijks wat het Ancient Mysterie (Hone) betreft, waarmede de Hr. Gallée meent, dat het tweede gedeelte van M.B. in betrekking staat. Want vanwaar de overeenkomst in de Joachim-scènes? Immers van de apocryfen1)? En in de Jozef-scènes, meer bijzonder wat aangaat

 
‘It is a straunge thynge, and old man to take a younge wyff’,

en de bekende voorwaarde van den ouden Jozef in het Engelsche stuk, daarin zie ik geen overeenkomst hoegenaamd met het Mnl. drama; doch, ook al bestond ze werkelijk, dan nog bewees het m.i. luttel of niets, omdat alweder de grondstof in de apocryfen is te zoeken2). En zoo vinden wij de passage over Justicia et Pax in Psalm 85, vs. 11; de Gabriel-Maria-scène almede in de genoemde Evangeliën3); de zaak der ‘seste maent’ (sexte monyth’) in Lucas I, vs. 364). Ik kan om een en ander de conclusie van den Hr. Gallée: ‘Dit is echter zeker, dat men van de Eerste Bliscap van Maria niet kan zeggen, hetgeen Willems er van zeide, dat het stuk oorspronkelijk schijnt. Misschien is het er evenzoo mede gelegen als met het Duitsche, en is ook het Engelsche van een zelfde origineel afkomstig als de beide andere; misschien is het de vrij trouwe navolging van dat gedeelte der M. Bl. dat voornamelijk op Maria zelve betrekking had, waarom men al het andere heeft achterwege gelaten’: die conclusie, zeg ik, niet onderschrijven, zelfs niet met het ‘misschien’ erbij, en spreek liever een non liquet uit. Ook is mij mijn eigen denkbeeld, dat de dichter van M.B. den Leeken spiegel kon hebben gebruikt, na vergelijking van beide, volstrekt onhoudbaar gebleken.

Gemakkelijker is het, de bron van het Spel van der Nyeuwervaart op het spoor te komen. In het archief van de St. Barbara-kerk te Breda berust een HS., inhoudende o.a.: ‘Dit is hoe dat theilich weerdige Sacrament vander Nyeuwervaert vonden waert ende een deel van syne miraculen’: van dien inhoud is

[p. XXIX]

ons spel de gedramatiseerde voorstelling. Wat den tekst betreft - de diablerie uitgezonderd -, die is hier en daar weinig meer dan de berijming van het proza, soms verkort en versmald, soms verlengd en verbreed, ook wel de eigenste woorden van de legende getrouwelijk weergegeven. Van geen enkel mirakel is melding gemaakt in het spel, of 't wordt omstandig, met opgave natuurlijk van al de caritates in tarwe en zilver, die er het zalig gevolg van waren, verhaald in de waarachtige historie van het heilig sacrament. In het miraculeuse van het spel ligt dan ook geenszins de verdienste van den dichter Smeken: veelmeer in de ‘duvelrye.’ Met grooten tact heeft toch de dichter weten partij te trekken van de woorden der legende: ‘Item in den yersten, doen dit heilighe Sacrament vonden waert ende syn miraculen openbaerde, ende van verre vele pelgrimmen dat versochten, soe dat het tot Ludick vernomen waert. Ende die prelaten daertoe eenen advocaet schicten, die welcke meester Macharius hiet, dat hij ter Nyeuvaert soude trecken, om tondervynden die waerheit van tgene dat men verre ende wyde sey van den heyligen Sacramente’1), gelijk hij zelf getuigt in Dyerste Prologhe (bl. 420 mijner uitgave, vs. 43 vlgg):

 
Duvelrye sal comen in ons spel,
 
Hoe dat inden boec soe niet en staet,
 
Maer ghy mueght bevroeden wel,
 
Dat de duvels mesten in alle quaet.
 
Om dueght te beletten es al haer daet,
 
In smenschen qualijcvaert zy oic verbliden,
 
Des zy dit sacrament benyden.
 
 
 
Tes goet te bevroeden, vrienden getrouwe,
 
Dat hem de vianden (duivelen) inne bliesen,
 
Dat hy tsacrament proeven souwe,
 
Op dat hy sin ziele mocht verliesen,
 
Uut gevoelen dat wy verkiesen
 
Hier inne duvelye te settene,
 
Om alle swaerheit te belettene.’

Alzoo waren het niet de prelaten, die schuldig stonden: helsche en duivelsche ingeving was het geweest, waardoor

[p. XXX]

Macharius zich had geleend tot het onderzoek des heiligen sacraments, dat hem overigens alles behalve goed was bekomen1). Van de helsche en duivelsche ingeving te hebben besloten tot helsche en duivelsche ingevers, en deze aanschouwelijk te hebben voorgesteld in hun vermakelijke ondeugendheid en boosaardige schalkschheid, en ze niet redeneerend en bespiegelend in den trant der Rederijkers, maar handelend en zich bewegend te hebben doen optreden, daarin schuilt het geheim van Smeken's kunst en de aantrekkelijkheid van het stuk. De dichter heeft zijne stof, zoo dor en droog, weten te malen met frissche kleuren en in zijne figuren weten te blazen den adem des levens.

 

Zeer kort kan ik zijn over den tijd van vervaardiging der besproken stukken.

In 1842 schreef Zacher2), dat z.i. het Haagsche HS., afkomstig uit het Slawanten-klooster bij Maastricht3), dateerde van het einde der 14e eeuw, en de daarin vervatte stukken, het Paaschspel zoowel als de sermoenen, wel een vijftig jaar ouder, alzoo van het tijdvak 1330-50, konden wezen. Ik geloof niet, dat er veel bezwaar bestaat tegen zijn gevoelen, noch op grond van uitwendige noch van inwendige bewijzen. Want dat de Maria-Magdalena-scène in het Paaschspel wat meer uitgewerkt is dan in het bij Mone4) voorkomende Osterspiel uit een HS. van St. Gallen, insgelijks uit de 14e eeuw, is hierom van minder bezwaar, omdat ‘es scheint, dasz mit dem Anfang des vierzehnten Jahrhunderts die dramatische Dichtung eine bedeutende und ziemlich rassche Entwicklung erhielt, deren Verlauf man nicht genau nachweisen kann, weil es an hinlänglichen Beispielen fehlt’5). Bovendien, van wege zijn eenvoud en soberheid; zijn bijna volslagen gemis van wereldlijke, profane elementen; zijn weinig uitgesponnen allegorieën, profetieën en diablerieën: in één woord, zijne zeer sterk geprononceerde kerkkleur, zoude ik het Paaschspel eerder naar het begin der veertiende eeuw

[p. XXXI]

willen opschuiven dan terugtrekken naar het einde daarvan, vooral, indien ik het vergelijk met het Passionsspiel bij Mone1), waarvan de codex is van de 15e eeuw. Vergeleken ook met Christi Leiden, door Hoffman uitgegeven naar een Hs. van de 13e eeuw2) en met het Osterspiel van denzelfden uit het jaar 14723) is ons Paaschspel m.i. uitnemend op zijne plaats in het tweede vierendeel der veertiende eeuw.

De Maria-Bliscap, afkomstig van de Brusselsche Kamer Het Korenbloemken (een Kersouwe, zooals Mone meent, was er te Brussel niet) is in het jaar 1444 gespeeld volgens Willems4) ‘ter gelegenheid der verloving van den jongen graef van Charolois, zoon van Philips den Goeden, aen Catherina, dochter des konings van Frankrijk, of misschien ook ter gelegenheid der kermis van Onze-Lieve-Vrouwe van den Zavel, die aldaer steeds met ongemeenen luister gevierd is.’ Terecht merkt de Hr. Gallée5) op, dat er vs. 10 van Charloot's ‘vrouw’ sprake is, dus Karel, of liever Kareltje (geboren 1432), reeds getrouwd was. Nu is hij, ‘voor de eerste reize, nog maar een kind, in 't jaar 1439 verbonden geweest aan Katharina, Dochter van Koning Karel den VII van Frankrijk, die, zonder kinderen na te laaten, op den agtentwintigsten van Hooimaand des jaars 1446 overleeden was’6): de naam Charloot en de bijvoeging ‘onsen jongen here’ doen, dunkt mij, denken aan het tijdstip van dit zijn eerste huwelijk (1439-46), eerder dan aan dat van zijn tweede (1454-65)7) of van zijn derde (1468)8). Maar, al is er nu weinig twijfel aan, of wij hebben het stuk over zooals het tusschen de jaren 1439 en 1446 is opgevoerd (blijkens vs. 8 vlgg.), nu rest nog de vraag, of het ook binnen dat tijdsverloop zal zijn gedicht. En dan meen ik stellig van wel, op grond van vs. 29 vlgg. van Dierste Prologhe, waaruit, in verband met vs. 2207 van De naprologhe:

[p. XXXII]
 
‘Wij doen u duegdelic bekinnen
 
Dat wi, en God wilt, tander jare
 
U dander bliscap selen beginnen,
 
Ende vort van jaer te jare met minnen
 
Ooc dander bringen int oppenbare:
 
Tot sevene lanc, verstaet int clare,’

waaruit, zeg ik, veilig mag worden afgeleid, dat hier sprake is van eene eerste opvoering: immers de geheele serie der Bliscapen (7 in getal) wordt kennelijk als iets nieuws aangekondigd (verg. vs. 41 vlgg.)? Dat verder het al ter eere van Onze-Lieve-Vrouwe van den Zavel (en niet ter eere van Charloot) geschiedde, bewijzen vss. 34, 2201 en 2214.

‘Op bevel van den magistraet,’ Willems zegt het terecht (zie vs. 43), zouden er nog 6 Bliscapen volgen; en dan wellicht de Zeven Droefheden van Maria1), die de Magistraat van Brussel in 1448 ‘bij een reglement had voorgeschreven, dat men op den kermisdag van O.L.V. na den ommegang, ten twee ure des namiddags, ter groote markt aldaer zoude vertoonen?’ Mogen wij wellicht besluiten tot het jaar 1441 voor de zeven Bliscapen waarop dan na de zevende (1448) de Droefheden kunnen zijn gevolgd? Wat ervan zij: tot 1444 te besluiten op grond van hetgeen in de Stadsrekeningen van Audenaerde op dit jaar geboekt staat2) zoude ik niet durven, evenmin als ik het bestaan van ons stuk reeds in het jaar 14293) zou willen aannemen, omdat er in dezelfde rekeningen op dat jaar ook zoo iets van een Bliscap wordt gezegd4).

[p. XXXIII]

Het Spel van den Sacramente vander Nyeuwervaert is vervaardigd door zekeren Smeken, van eene Bredasche familie1), en in ieder geval tusschen 1475 en 1500, zooals door den Hr. Verwijs (bl. V zijner uitgave) is betoogd; en ‘het is zeer waarschijnlijk, dat dit omstreeks 1500 is geschied, kort voor de opvoering ten tooneele’, voegt hij er bij2).’

Wat den tekst der drie genoemde stukken betreft, slechts een enkel woord. Dien van het Paaschspel (uitgave Zacher) heb ik getrouw gecollationneerd met den Haagschen codex en van elke, ook de geringste, afwijking, behoorlijk rekenschap gegeven; o.a. de ietwat vreemde schrijfwijze reithe, sathe enz. behouden op grond van Mone's opmerking, zie bl. 498, 63 (alwaar men gelieve te lezen voor naht: nath).

Voor Maria-Bliscap heb ik mij met de uitgave van Willems moeten vergenoegen (zie boven bl. xxxii, noot 4), en dan ook zijn tekst (Belg. Mus. IX, bl. 59-138) overgenomen3).

[p. XXXIV]

Het Sacramentsspel ben ik weer zoo gelukkig geweest te kunnen vergelijken met het Hs., door Hermans bl. 94 zijner uitgave beschreven, maar heb overigens tot grondslag genomen den door den Hr. Verwijs uitnemend bezorgden tekst met nauwkeurige opgave van varia lectio1).

Aan den Hr. Dr. M.F.A.G. Campbell, bibliothecaris der Koninklijke Bibliotheek te 's Hage, betuig ik mijn besten dank voor het Hs. van 't Paaschspel, en aan den Hr. J.A. van der Burgh te Breda voor de beleefdheid, waarmede hij mij het, door den Hoogeerw. Hr. P.J. Werden, R.C. Kanunnik en Pastoor der St. Barbara-Kerk, welwillend ten gebruike afgestaan, Hs. van 't Sacramentspel heeft doen toekomen.

§ II.
Wereldlijk drama.
Abele spelen, Sotterniën, Cluyten.

Is het tot recht verstand der geestelijke drama's zoowel mysteriën als mirakelspelen, volstrekt noodzakelijk den oorsprong en de ontwikkeling van het kerkelijk tooneel te kennen, hetzelfde is geenszins van toepassing op de abele spelen en sotterniën en cluyten. Ik zoude dan ook veilig hebben kunnen volstaan met aangaande dat punt te verwijzen naar hetgeen ik in mijn Academisch Proefschrift (1862) schreef, ware het niet dat tegen het daarin ontwikkeld gevoelen onlangs bedenkingen van verschillende aard en zwaarte waren in het midden gebracht zoowel door den Hr. Gallée2) als door den Hr. Wybrands3). Het zij me daarom

[p. XXXV]

vergund die kwestie met een enkel woord te bespreken. Ik had gewezen ten eerste op de omstandigheid, dat de homines vagi, zangers en sprekers, in de 13e en 14e eeuw, het heen en weer reizen en trekken als 't ware moede, hun woelig en avontuurlijk leven vaarwel zeiden, zich gingen vestigen in de steden en aan hare bewoners het burgerrecht kwamen vragen; dat de ‘zwervende kunst’, weleer het ‘schaduwbeeld van den ridder’, door adel en geestelijkheid aan haar lot overgelaten, door de poorters welwillend ontvangen, eene rustplaats vond bij hare zusters, de kunsten des vredes, die haar wisten te eeren en te waardeeren1). Ten tweede op den invloed, dien het stadsleven op die zangers en sprekers, allengs organen der volkslitteratuur geworden, moest oefenen; een invloed, die o.a. hierin bestond, dat ze, evenals de opifices tot collegia (Kaufmanns- und Handwerksgilden), zich desgelijks zullen hebben vereenigd tot gezelschappen met volmaakt hetzelfde doel als alle andere, te weten: gemeenschappelijke beoefening en uitoefening hunner kunst bij zoo menige gelegenheid van feestelijke bijeenkomst of optocht als de middeleeuwen boden. Ten derde op de pièces dialogueés, welke, om de woorden van Roquefort te spreken, ‘les associations des ménéstriers qui, après d'être rassemblés, parcouroient les villes et les châteaux durent nécessairement introduire’2): van welke tweespraken het wederom zeer aannemelijk was, dat ze door twee dichters werden voorgedragen, die met hun beiden de twee in de pièce voorkomende personen voorstelden door gebaar en woord. Het bleef wel is waar de vraag, of die tweespraken, die dialogen (waarvan we uit de 13e en 14e eeuw ettelijke exemplaren over hebben, zoodat we mogen stellen, dat ze eene dichtsoort waren die algemeen gangbaar en populair moet zijn geweest;) inderdaad zijn voorgedragen, en hoe dat te bewijzen was. Ik was van oordeel, dat enkele stadsrekeningen, waarin van twee zeggers en twee zangers en twee knechten, ‘die voir mijns heren tafel spraken’, melding werd gemaakt, en het analoge voorbeeld der Fransche dialogen de zaak in kwestie wel niet wiskunstig gestaafd maar

[p. XXXVI]

toch zeer waarschijnlijk maakten. Ten vierde had ik gewezen op de behoeften van de stadsbevolking, van het in tegenstelling van de ‘hörlustige Gesellschaft’ van den adel en de geestelijkheid ‘schaulustiges Volk’, aan plastische voorstellingen, die zij hoorende zien en ziende hooren konden; eene omstandigheid, die verklaarbaar maakt waarom levendige verhaaltjes, goede boerden, satirieke liedjes en meer bijzonder tweespraken zoo zeer in den smaak moesten vallen: ‘juist dat levendige, dat factische, dat gemeenzame, dat ongedwongene, evenzooveel kenmerken van den dialoog, trok de levenslustige en practische menigte aan en boeide haar.’ Eindelijk op de bijzonderheid, dat, gelijk verscheidene vastenavondspelen niets meer dan dialogen zijn, desgelijks vele dialogen inderdaad voor tooneelstukjes kunnen doorgaan, en alzoo de door twee personen voorgedragen dialoog reeds in zekeren zin dramatische voorstelling mag heeten; dat, indien, wat meer zegt, de overgang van twee- tot driespraak, die wel verre van colossaal zeer geleidelijk heeten mag, ook, alweder blijkens enkele rekeningen, schijnt te hebben plaats gegrepen, men zeer zeker al eenig recht krijgt van drama te spreken. Ten slotte herinnerde ik nog aan het conincspel, ten bewijze, dat de zin en smaak voor dramatische voorstellingen hier te lande in de 15e eeuw levendig was; aan de kerkelijke mysteriën als die ongetwijfeld een krachtigen stoot aan de ontwikkeling van ons wereldlijk tooneel hebben gegeven; en aan de ons overgebleven stukken zelven, die, nog in alle opzichten primitief, overal hun afkomst, den dialoog, kennelijk verraden.

Uit een en ander, met elkaar in verband beschouwd, meende ik den oorsprong van ons wereldlijk drama voldoende te hebben verklaard, en mitsdien het goed recht mijner hypothese voor bewezen te mogen houden.

Van mijne voorstelling verschilt die van den Hr. Gallée in zoover, dat hij voor de sotterniën en cluyten het zwaartepunt in de vastenavondgrappen en Meifeesten1), voor de abele spelen

[p. XXXVII]

daarentegen in de ‘gheselscappen vander conste’ plaatst. Ik zal mij niet afmaken van de vastenavondspelen met de bekende aardigheid (die trouwens ook niets bewijzen zonde) οὐδὲν πρὸς τὸν Διόνυσον, dat zij verre, en volstrekt niet ontkennen, dat de vele feesten, die door Dr. Holland worden opgesomd1), de kiemen niet alleen van dumb-shows en pageants in zich bevatteden, maar ook van dramatische vertooning en dramatische voorstelling, ja daartoe onwillekeurig en vanzelf moesten leiden: maar het blijft m.i. altijd één factor van de vele, die wij hebben in rekening te brengen. Van verschillende factoren, meen ik, is het wereldlijk drama het product, van verschillende omstandigheden het om zoo te zeggen logisch gevolg; en mijn bezwaar tegen de uiteenzetting van den Hr. Gallée bestaat dan ook hoofdzakelijk hierin, dat hij, gelijk Gervinus zou zeggen, er niet genoeg op bedacht is geweest om ‘die verschiedenen Momente gleichmäszig fest zu halten’2) en op de betoogkracht der analogie in dezen te veel heeft vertrouwd. Viel er in onze sotterniën evenals in de door Keller uitgegeven vastenavondspelen - ik zeg niet nog menige, zóó hoog stel ik mijn eisch niet eens, maar slechts - eenige de minste toespeling op den vastenavond te ontdekken; konden onze sotterniën worden gecaracteriseerd gelijk Ettmüller bv. de Fastnachtspiele kenschetst3); stond het Duitsche Fast-

[p. XXXVIII]

nachtspiel in de 15e eeuw vóór en zelfs nog onder Rosenplut niet achter bij onze kluchten, zooals Gervinus getuigt1): ik zoude met den Hr. Gallée kunnen meegaan, thans kan ik het met den besten wil van de wereld niet. Ook de tijd, de 14e eeuw, waaruit toch ongetwijfeld de sotterniën herkomstig zijn, is een bezwaar: ik twijfel aan de waarschijnlijkheid der bewering, dat in die eeuw onze stukken, aangenomen dat zij overigens met de Fastnachtspiele op een lijn konden worden gesteld, reeds zoo zeer alle schijn en schaduw van hun oorsprong zouden hebben kunnen verliezen, dat zij ons allicht eerder aan een kermisvoorstelling dan aan een vastenavondspel doen denken. Evenals het op bl. 285 mijner uitgave medegedeelde stukje een tafelspeelken van twee personagien om up der dry coninghen avond te spelen de aanleiding van zijn ontstaan op het voorhoofd draagt, zouden, dunkt mij, sotterniën van de 14e eeuw stellig in taal en trant nog hier en daar aan den vastenavond moeten herinneren. Het is om die reden, dat ik ook bij de verklaring van den oorsprong onzer sotheden en cluyten liever het zwaartepunt in de dialogen zoude leggen en in de sprekers, gelijk de schrijver zulks voor de abele spelen doet. En wij kunnen het te geruster, omdat de bedoelde stukjes inderdaad weinig meer zijn dan dialogen. ‘Zelden zijn het drie acteurs, die in hetzelfde tooneel met elkander spreken en handelen, meest slechts twee, zoodat een van beide verdwijnt als er een nieuwe acteur optreedt.’

‘La comédie au moyen âge se forma naturellement sans effort d'un double elémént, de la pantomime et du jeu-parti ou tenson’, zegt Lenient2); ik geloof dat het ook voor onze middeleeuwen geldt, en in de zoo even besproken voorstelling der feiten niet ten volle recht is gedaan aan den dialoog.

De Hr. Wybrands heeft ernstiger bezwaar, meer voorwaar dan een amendement; hij geeft eene geheel nieuwe oplossing der kwestie betreffende den oorsprong van ons wereldlijk drama. Ik begin met hem, wiens stuk van evenveel scherpzinnigheid als belezenheid getuigt, beleefd te herinneren een woord van Grimm3) over de studie der middeleeuwsche zaken: ‘ein Paar direct und

[p. XXXIX]

gerade aussagende Zeugnisse würden allerdings erst der Untersuchung einen Stempel aufdrücken ohne den gewisse Literatoren den Geist immer aus der Flasche entflogen wähnen, während ich mich nicht habe abhalten lassen aus Geruch und Geschmack des Inhalts seine Wahrheit zu prüfen, wohl bedenkend, dasz man bei Versendung eines frischen Trunks in alter Zeit nicht jedesmal auf dergleiches critisches Siegelwachs eingerichtet war’; en een van D'Israeli1): In the obscurity of the medieval period the literary antiquary has often to feel his way in the darkness, till among uncertain things he fancies that he grasps the palpable.’ En dan geef ik hem al aanstonds toe, dat de plaats uit Maerlant's Naturen Bloeme (III, vs. 2133 vlgg.):

 
‘Garrulus die dinct mi vele
 
Bedieden someghe menestrele,
 
Die altoes sijn onghestade,
 
Ende callen vro ende spade
 
Vele boerden ende vele loghen,
 
Ende conterfaiten dat si moghen
 
Beide ridders ende papen,
 
Porters, vrouwen ende knapen,
 
Daer si scone om sijn geplumet’,

niets bewijst voor tooneelmatige voordracht der sprekers, en de Hr. Wybrands alzoo groot gelijk heeft, een beroep daarop met eene exceptie van niet-ontvankelijkheid te begroeten. Doch, hij staat ook sceptisch tegenover de rekeningen, die ik als bewijzen had aangehaald der stelling, dat allerwaarschijnlijkst de dialogen waren voorgedragen door twee, de driespraken door drie, stukjes als de Vier heren Wenschen en derg. door vier sprekers; en is van oordeel, dat uit die posten niets hoegenaamd mag worden afgeleid. Ik stem volkomen toe: onmiddellijk stellig niet, maar in verband met de wetenschap, dat in de 13e en 14e eeuw de dialoog een zeer gewone en algemeene dichtvorm was, middellijk toch wèl, zou ik meenen. Indien wij de bedoelde rekeningposten leggen naast de dialogen, is het dan niet om met Roquefort te spreken ‘impossible de ne pas regarder comme faisant partie du theâtre (les) différentes pièces dialogueés’2)?

[p. XL]

Van Wijn zegt, dat men in de berijmde tweespraken eenigszins den geest ziet van de dramatische poëzie, die de Nederlanders moeten hebben gehad1): van tweespraak tot voordracht door twee personen te besluiten leek mij, met de desbetreffende posten voor me, alles behalve een salto mortale. Ik wijs nog op den naam Tafelspeelken2), dien een paar Mnl. kluchten dragen, en daarnevens op posten als deze: ‘Item (dingsd. na O.V. dag ter lichte) des selfs daechs savonds ghegheven den sprekers, die voer mijns heren tafel spraken, 13 s. gr;’ en ‘Item in de derde weke van Julio twee knechten, die voir mijns heren tafel spraken, 12 st.’3): posten, waaruit toch wel even goed mag worden afgeleid, dat die twee sprekers een dialoog voordroegen, als bij die, waarin sprake is van ‘Wigant ende sinen ghesellen, die songhen voer minen jonchere Jan’4), of van ‘eenen wive die op die ghisterne speelde, ende 2 ghesellen diere op songhen5), zal worden gedacht aan een duët. En zullen zoo Willem en de twee andere sprekers, die ‘met hen tsamen 4 gl.’ kregen6), niet zeer waarschijnlijk een driespraak; de ‘dichter ende sine ghesellen’, die ‘elx 1 gulden’7) bekwamen niet eene ‘boerte’ hebben gegeven als waartoe b.v. de twee ‘yerauden Crabbendijck ende Keyser beriepen’,8) en die zoude wiesen te Brussel? Ik wil er niet op aandringen, maar alleen vragen of de redactie van posten als deze: ‘een spreker’ bv., en dan - in dezelfde post - ‘item een spreker’ en wederom ‘item meester Willem’ en eindelijk ‘item noch een ander spreker’ tegenover posten als deze: ‘den dichter met sinen ghesellen’ of ‘dezen en dien met hen tsamen’ of, bedoel ik, de redactie der laatstaangehaalde posten niet aan samenwerking, aan gemeenschappelijk recitatief doet denken. Lezen wij het niet, om zoo te zeggen, tusschen de regels door? Verder dan het waarschijnlijkheidsbewijs kan ik het niet brengen, dat herhaal ik.

Doch, de Hr. Wybrands heeft nog eene bedenking van anderen aard. ‘Beschouwen wij nu de ons overgebleven dialogische gedichten zelven. Er is in alle tijden in proza en in dichtmaat

[p. XLI]

zóóveel in den vorm van samenspraak geschreven, zonder dat men het ooit bestemd heeft voor dialogische of dramatische voordracht, dat de vraag niet ongepast is, of hetzelfde niet van onze oude tweespraken enz. gelden zal. Er zijn van die dichtsoort genoeg staaltjes overgebleven, om over de soort zelve te oordeelen’1). Daarna neemt hij de dialogen in oogenschouw, en formuleert de conclusie in dezer voege: ‘Wil men nu beweren, dat dergelijke gedichten bestemd waren, om dramatisch, door twee personen te worden voorgedragen, dan heeft natuurlijk niemand het recht, dat onmogelijk te noemen; maar dat het zeer onwaarschijnlijk is, mogen wij, meen ik, uit den aard der ons bewaarde stukken opmaken’2). Doch, wie zal beweren, dat al die dialogen, waaronder er zijn, die, ik zeg het den Hr. Wybrands gaarne na, aan den Heidelbergschen Catechismus (altijd wat den vorm aangaat) doen denken, werkelijk zijn voorgedragen, alle zonder onderscheid?! Dan, eenige, gelijk ik in mijn Acad. Proefschrift heb gesteld3), toch gewis, bv. die van Scale ende Clerc, de Disputatie tusschen den Sone ende den Vader, die waarin Deen gheselle den anderen die wandelinghe calengiert en dergelijke: ik vraag of er iets tegen is, dit aan te nemen? De vereeniging der sprekers tot gezelschappen moest noodwendig (néeessairement zegt Roquefort) leiden tot vinding en verbreiding van de tweespraak: ligt het niet even nécessairement in den aard dier dichtsoort, dat ze door twee personen wordt voorgedragen? Even goed, dunkt mij, als de sotternie en de klucht, die, zooals ik reeds opmerkte, weinig meer dan twee- en driespraakjes zijn.

Tegenover mijne hypothese stelt hij dan verder - het zelfstandig ontstaan van ons wereldlijk tooneel als eene anomalie aanmerkende - de vraag: ‘maar is de meening verwerpelijk, dat ook ten onzent het wereldlijk drama op den bodem van 't kerkelijke ontkiemde?’ en antwoordt: ‘mij komt het voor, dat er nog wel iets te zeggen valt vóór die meening, zoowel met het oog op de letterkundige geschiedenis der geestelijke drama's zelven, als op hen die ze vertoonden4). Dan wijst hij 1o. op hot legenden-drama, meer bijzonder op het Jus de saint Nicholai van Bodel (13e eeuw); op het Miracle de Theophile van Rute-

[p. XLII]

beuf (13e eeuw); op de Miracles de Nostre-Dame; op Adam de la Halle's stukken1), en eindigt zijne beschrijving aldus: ‘zoowel het oude geestelijk-wereldlijk spel van St. Nicolaas als de stukken van Adam de la Halle wijzen op Atrecht. In die druk bezochte stad, oudtijds het lievelingsoord van weelde en vermaak, waar tornooien en andere feesten aan de orde van den dag waren en vaak (eene) menigte van vreemdelingen lokten2), was dus reeds het voorbeeld van een wereldlijk tooneel gegeven; te Rijssel, Valenciennes enz. werd in de eerste helft der veertiende eeuw een half geestelijk, half wereldlijk, ook wel soms een uitsluitend wereldlijk drama beoefend. Bedenkt men verder, dat er druk verkeer was tusschen Atrecht en de Vlaamsche steden Gent en Kortrijk3), en dat onze abele spelen in Vlaanderen schijnen ontstaan te zijn, dan ligt het vermoeden voor de hand, dat het voorbeeld van Frankrijk hier van invloed is geweest, dat, in navolging van het daar gegeven voorbeeld, ook in Vlaanderen een wereldlijk tooneel ontstond, zelfs al zijn misschien onze abele spelen oorspronkelijke stukken’4). In de 2o. plaats acht hij het ontstaan van het wereldlijk drama op geestelijken bodem waarschijnlijk met het oog op hen, die zich aan de opvoering der geestelijke stukken wijdden. ‘Ik meen namelijk, dat zij ook van ouds de vertooners van 't wereldlijk spel zijn geweest: dat er in de kringen van hen, die aanvankelijk als vertooners van 't geestelijk drama samenkwamen, spoedig ook het wereldlijke beoefend werd’5).

Om met het tweede punt te beginnen, wensch ik te vragen, wanneer in Vlaanderen niet-kerkelijke personen aan de opvoering der geestelijke stukken komen mededoen: immers eerst in de vijftiende eeuw, meen ik, en op zijn allervroegst tegen het einde der veertiende? En dan nog: is, zonder verdere gegevens, het omgekeerde a priori niet even aannemelijk, namelijk, dat in de kringen van hen, die aanvankelijk als vertooners van het wereldlijk drama samenkomen, allengs ook het geestelijk drama, langzamerhand van de kerk geëmancipeerd, zal zijn opgevoerd? Ik zou uit de

[p. XLIII]

omstandigheid, dat, nà de geboorte van ons wereldlijk drama, de gezellen van der kunste zoowel wereldlijke als geestelijke drama's opvoeren, inderdaad niets durven af te leiden opzichtelijk de prioriteit van het een of het ander.

Van oneindig meer gewicht althans acht ik de andere bedenking, en wil wel bekennen, dat de Hr. Wybrands me bijna had bewogen over te stappen tot zijn gevoelen, ware het niet geweest, dat ik enkele bezwaren had, die 't mij ook vooralsnog onmogelijk maken. Ik wil de namen abel spel en sotternie en cluyte, waarvan de eerste voor zoover mij bekend in Frankrijk niet bestond, de tweede iets anders1) schijnt te hebben beteekend, niet releveeren, eene bijzonderheid overigens m.i. meer afdoende dan de gelijkheid van naam der vertooners2); er evenmin op wijzen, dat de proloog van onze stukken ja wel een kerkelijk kleurtje vertoont3), maar dit zeer weinig te beduiden heeft om reden dat hij zulks gemeen heeft met zooveel andere zuiver wereldlijke en zelfs wereldsche gedichten, die insgelijks aanvangen of eindigen met een stichtelijken aanroep of zegenwensch, zonder dat daaruit eenige de minste gevolgtrekking mag worden gemaakt, - maar liever vragen, of er in Frankrijk, waar vrij zeker de mysteriën het eerst ontstaan en het geestelijk tooneel het vroegst geseculariseerd is4), reeds in de veertiende eeuw stukken worden aangetroffen, die met de onze vergeleken den toets kunnen doorstaan. Ernstige stukken bedoel ik van dien tijd, Fransche abele spelen, die 1o van hun oorsprong zoo luttel verraden, dat er, behalve den proloog dan altijd, geen enkel ‘rudimentair’ overblijfsel ook voor het scherpst gewapend oog te bespeuren valt; die 2o zoo zuiver romantisch zijn, dat er - en dit geldt ook van Winter ende Somer - onder hunne dramatische figuren geen allegorische persoonsverbeeldingen, geen ‘zinnekens’ worden geteld. Luimige stukjes van dien tijd, Fransche sotterniën en cluyten, die zoo weinig diablerische elementen in zich bevatten, dat de ‘duvel’ er gelijk in de onze maar hoogst zelden of geheel niet in optreedt5).

[p. XLIV]

Onze stukken vormen in het répertoire der middeleeuwen vooralsnog eene uitzondering, het is niet tegen te spreken, maar dat rechtvaardigt alvast, meen ik, de aanneming eener exceptioneele oorzaak van wording: van anomalie kan m.i. dan alleen sprake wezen, als er een regel bestaat, en zulk een regel nu is er zoo weinig, dat ook Warton (III, bl. 37) gewaagt van ‘ideas of a regular drama much sooner than the mysteries, which being confined to scripture stories or rather the legendary miracles of sainted martyrs and the no less ideal personifications of the Christian virtues were not calculated to make so quick and easy a transition to the representations of real life and rational action.’

De weg, dien het Engelsche drama, van mysterie door moralplay tot interlude, heeft afgelegd, is glooiend en geleidelijk maar, men zal het mij toestemmen, alles behalve normatief; doch in Frankrijk (want daaruit meent de Hr. W., dat onze stukken herkomstig zullen zijn) reeds in de dertiende eeuw een uit het mysterie gesproten wereldlijk tooneel te durven veronderstellen, zóó zuiver wereldlijk als de Esmoreit, Gloriant en Lanseloet, daartoe behoort, zonder de noodige gegevens, grooter moed dan ik bezit. Waren onze stukken inderdaad van Franschen oorsprong, dan nam ik liever mijne toevlucht tot de hypothese, dat in Frankrijk nevens het kerkelijk al zeer vroeg bv. in de 12e eeuw het wereldlijk tooneel zich heeft ontwikkeld en tot een vrij hoogen trap is gestegen; iets waarvan dan onze abele spelen als de vertalingen van Fransche origineelen het beste bewijs zouden kunnen wezen. Dan zoude verder de gevolgtrekking voor de hand liggen, dat de gezellen van der kunste, aan dramatische vertooning en voorstelling blijkens de rekeningen overigens gewend, hun eigen répertoire in de 14e eeuw met eenige Fransche stukken zullen hebben verrijkt. Doch ik wil me daarin niet verder verdiepen; moge de Hr. Wybrands de nauwgezetheid, waarmede ik zijne stellingen heb gewikt en gewogen, als een bewijs aanmerken van mijne ingenomenheid met zijn arbeid. Daarom nog een paar bijzonderheden en vragen.

Welk een colossale afstand van het Paaschspel en de Maria Bliscap tot onze abele spelen! De Hr. Wybrands zegt wel: ‘de eenige schrede, die te doen viel, was alleen deze, dat de hoofdpersoon geen Sint was, maar een Ridder, m.a.w. dat de intrigue

[p. XLV]

niet tot de kerkelijke, maar tot de wereldlijke populaire verhalen behoorde, niet tot hetgeen als ‘gewijde’ maar als ‘ongewijde’ geschiedenis gold’1): maar telt hij die schrede niet te gering, al is er bv. ook du sublime au ridicule dikwerf niet meer dan un pas? En hebben ook niet de Fransche min of meer wereldlijke stukken lang den naam van mystère2) behouden evenals de Duitsche kluchten dien van Fastnachtspiele? Is er bij ons eenig spoor van iets dergelijks te ontdekken? Ook zou ik denken, dat, ware werkelijk het Mnl. wereldlijk drama een vrucht van Franschen bodem geweest, de plant stellig evenzeer zoude zijn overgebracht naar Engeland en Duitschland, en aldaar inheemsch geworden waar zooveel Fransche gewassen in cultuur zijn gekomen. Ten slotte: met de Fransche stukken zelven, die als voorbeelden van wereldlijk tooneel moeten dienst doen, heb ik ook geen vrede. De mirakelspelen van St. Nikolaas en Theophilus zou ik hierom te minder naast onze spelen durven te leggen, omdat hunne hoofdfiguren, en dit geldt evenzeer de O.L.V.-mirakelspelen, immers heiligen zijn; vandaar dat dan ook Michel het Miracle de Theophile de gedramatiseerde geschiedenis van dien Sant noemt3), en, wat betreft dat van St. Nikolaas, het begin alleen reeds afdoende is ter classificatie van het stuk4):

 
‘Li preecieres (prêcheur).
 
Oiiés, oiiés, seigneur et dames,
 
Que Diex vous soit garans as ames
 
De votre preu ne vous anuit;
 
Nous volommes parler anuit
 
De Saint Nicolai, le confès (confesseur),
 
Qui tant biaus miracles a fais,’ etc. etc.

Edoch, De la Halle's stukken? Op Robin et Marion beroept zich de geleerde schrijver, meen ik, niet5), en met recht, maar wel op de Jeu du Mariage of de la Feuillie6) van het jaar

[p. XLVI]

1262 of 1263. Van dat spel nu zegt Monmerqué (bl. 26): ‘Le Jeu d'Adam est notre plus ancienne comedie’, het is zeker waar; doch een paar bladzijden vroeger van hetzelfde stuk (bl. 23): ‘Adam composa le Jeu du Mariage pour divertir ses amis d'Arras’: en ik moet bekennen, dat het laatste mij zeer waarschijnlijk voorkomt. Ook al geeft men Fuerison1) volkomen gelijk, dat ‘le Jeu d'Adam n'a plus rien de réligieux’, dan blijft er nog altijd eenige moeilijkheid over van wege hetgeen door Emile Morice wordt opgemerkt (bl. 9), als hij zegt: ‘Il n'est resté point de documents historiques attestant que ces pièces2) fussent representées, mais leur forme ne permet pas d'en douter’ (hij bedoelt den proloog)......; ‘tout semble indiquer que dirigée et exécutée par des trouvères et des jongleurs devant une société choisie et probablement dans l'enceinte d'un château, cette représentation n'admettait point un auditoire populaire’: dat onze stukken daarentegen voor een groot publiek werden gespeeld, daaraan kan op grond van plaatsen in de aan de abele spelen gehechte sotterniën geen twijfel mogelijk wezen. Ook gaat, meen ik, de vergelijking van De la Halle's stuk met onze drama's te minder op, dewijl het eene een comedie is, de andere daarentegen ernstige stukken zijn. Snellaert3) schrijft: ‘Wanneer men de aandacht van het monnikenleven naar de groote samenleving wendt, ziet men midden in de veertiende eeuw een verschijnsel in de nederlandsche letterkunde, dat tot nog toe bij geen ander hedendaagsch volk zoo uitgebreid is waargenomen: ik bedoel het bestaan van een eigenlijk gezegd tooneel, het opvoeren van treurspelen en kluchten, welke in dezelfde verhouding staan met de werken der classieke letterkunde als de historische- en de heldengedichten’: ik vind nog geen vrijheid, om, op grond van het betoog des heeren Wybrands (die overigens mijne voorzichtigheid zal weten te waardeeren als gevolg van zijn essay) door die woorden de pen te halen. Gaarne erken ik evenwel, dat, zoo er meer stukken uit de Fransche archieven worden opgedolven als dat waarvan Le Clerc4) spreekt, getiteld: Les enfants d'Aimeri de

[p. XLVII]

Narbonne, de stelling, dat aan ons de eer toekomt van in den nieuwen tijd het eerst een wereldlijk tooneel te hebben geschapen, zeer bedenkelijk wordt. Want het is de vraag, of Gaston Paris gelijk zal blijken te hebben als hij schrijft: ‘le seul essai dramatique qui se rattache à la légende de Charlemagne est le mystère de Berte aux grands pieds; mais le fils de Pépin et de Berte n'y paraît pas personnellement. Quelques aventures du cycle carolingien ont été dramatisées, mais on a précisément supprimé Charlemagne: tel est le miracle d'Amis et Amile. La seule chanson de geste qui semble avoir passé réellement au théâtre est Huon de Bordeaux; le Jeu de Huon de Bordeaux, tiré sans doute du roman en prose, se donnait en France au seizième siècle; il n'est pas parvenu jusqu' à nous. En général, on peut dire que le théâtre au moyen âge n'a rien emprunté à la matière de France.1).

Uit het aangevoerde vloeit voort, dat wij van onze vier abele spelen geen origineelen weten aan te wijzen: alleen blijft dus nog de vraag over of de in Esmoreit, Gloriant en Lanseloet (over Winter ende Somer later) behandelde stof eene schepping moet heeten van 's dichters eigene verbeelding, dan wel is geput uit den roman der Zeven wyse Meesters2), het boek De clericali disciplina, de Gesta Romanorum3), een of ander Mnl. ridderroman of eenige riddersproke. En dan moet het antwoord luiden, dat er in de genoemde verzamelingen (evenals trouwens in Boccaccio's Decamerone, grootendeels almede daaraan ontleend) menig verhaal voorkomt, waarvan het beloop en de verwikkeling en enkele sprekend gelijkende trekken aan onze spelen doen denken, maar niet een, indien ik me niet bedrieg, dat als de bron mag worden aangemerkt, waaruit ze zijn gesproten. Desgelijks wat onze ridderromans aangaat, waarop de Hr. Jonck-

[p. XLVIII]

bloet1) reeds heeft gewezen; en gewis zal elk bij de lezing onzer drama's zich allicht een of ander tooneeltje uit den Ferguet, den Walewein; de Borchgravinne van Vergi2) en andere riddersproken te binnen brengen. Maar toch ook weer aan geen dier vertellingen den titel toekennen, die aan enkele verhaaltjes uit de Gesta Romanorum en de Decamerone ten opzichte van King Lear en Merchant of Venice3) en Nathan der Weise enz. enz. toekomt, nam. dien van bron.

Liever nog dan op de bedoelde verzamelingen en stukken, wijs ik op de Fransche Chansons de Geste, behoorende tot den cyclus van den Chevalier au Cygne, onzen Zwaanridder4), zeer in trek sinds de 13e eeuw (van ongeveer 1268), een cyclus, die wordt genoemd ‘une grande collection de vers monorimes inspirés par les événements de la première croisade. On la désigne sous le nom général de roman du Chevalier au Cygne, et elle termine la série chronologique des chansons de geste antérieures au XIVe siècle’5). De collectie, natuurlijk wel bekend in Vlaanderen, al ware het alleen wegens de rol die de Vlaamsche Graaf Robert in die romans speelt, bevat 1o. Antioche; 2o. Jérusalem; 3o. Les chétifs; 4o. Hélias; 5o. Les enfances de Godefroi de Bouillon, alle behoorende tot de 13e eeuw; voorts uit de 14e eeuw, nieuwe redacties van die zeer gewilde en gezochte romans, verbeterd en bovendien vermeerderd6), benevens den Baudouin de Sebourg in Vlaanderen waarschijnlijk vervaardigd7).

Zoo doet het begin der analyse van Hélias: ‘Dans un pays voisin de la Hongrie, le roi Lothaire s'étant un jour égaré à la chasse, avait fait rencontre d'une dame ravissante de beauté, qui se nommait Elioxe, et qui consentit à devenir sa femme’8), onmiddellijk denken aan de bekende jachtscene van Lanseloet. En niet eveneens ‘la fiction des amours de Godefroi de Bouillon avec la belle Florie, fille de la vieille

[p. XLIX]

Calabre et soeur du brave Corbaran d'Holiferne’1) aan de amours van Gloriant en Florentijn? Immers ook zij was smoorlijk van hem, voordat ze hem ooit had gezien, evenals Florie van Godefroi, ofschoon ze toch was ‘jusqu'alors retenue dans le lointain pays d'Holiferne’?2) De verrader Robbrecht, die Esmoreit aan zijne moeder ontrukt, omdat hij ziet, dat zijne kansen op de troonsopvolging door de geboorte van dat knaapje zoo goed als verkeken zijn, is het evenbeeld van den verrader Gaufroi van wien de koningin Rose al spoedig kon voorspellen ‘qu'il songeait à perdre le petit Baudouin’3). Vervolgens staat ‘le jeune prince Sarrasin (Rouge-lion de Perse) brûlant de venger sur les chrétiens la mort de sou père’, die is gedood door Godfried van Bouillon, nevens den Roedelioen van ons abel spel Gloriant, wiens vader door Gloriant's oom Gheraert en wiens oom Eysenbaert door Gloriant's vader is gedood. En gelijk Ernout de Beauvais, verraden door Gaufroi, wordt gevoerd naar Abilant (waarheen later ook Esmeré, bl. 556), en ‘confié à la garde de la belle Elienor, soeur du Rouge-lion’4), desgelijks wordt de door Robbrecht verraden Esmoreit overgeleverd aan den machtigen koning van Damast, en ter opvoeding en verzorging toevertrouwd aan zijne dochter, de ‘jonghe vrouwe’ Damiet, die er evenmin bezwaar in zal zien Esmoreit, die na zijne ouders te hebben gevonden zich kerstenen laat, te huwen als Elienor (uit den Franschen roman) gemoedsbezwaren heeft, of Florentijn (uit Gloriant) ongenegen is van geloof te wisselen om Gloriant.

Wordt Esmoreit (uit 't stuk van dien naam) onmiddellijk herkend door zijne moeder aan den band, dien hij om het hoofd draagt, alzoo ook zal de Esmeré van den roman gemakkelijk door Elienor worden gekend: ‘vous reconnaîtrez facilement mon fils à “l'affiche” d'or que je lui passai autour du cou en lui recommandant de la garder à jamais’5). Van den anderen kant is Florentijn (uit den Gloriant) weer zeer goed te

[p. L]

vergelijken met Elienor, als die ook al weer doodelijk is van Esmeré, voordat ze hem ooit heeft gezien1). En eenmaal aan het vergelijken zal men wel geen bezwaar maken om de ‘figure’ van den Gloriant te leggen naast de ‘tablettes’ van Elienor uit den Baudouin, die haren Esmeré gaat zoeken, gelijk Damiet den haren2). Eindelijk komt er een Gloriant in den Baudouin voor, die trouwt met de dochter van Briguedent, koning van Afrika en van Cyprus3), waarbij ik dacht aan het Africa van Lanseloet, ofschoon dit wellicht wat te ver gezocht is; en een Esmeré, die met zijne Elienor achter de tralies wordt gezet (‘les deux époux, surpris un matin endormis et tendrement embrassés, sont saisis et conduits dans une obscure prison’, bl. 558) evenals Gloriant met zijne Florentijn.

En, indien wij onze vergelijking mogen uitstrekken tot de famille van den Baudouin de Sebourg, wil ik wijzen op de Florence de Rome4), waarin een Esmeré eene rol speelt, die een zoon is van een koning van Hongarije5), en wederom een jager in 't woud ‘de belle Florence’ vindt (bl. 341).

Ten slotte zij het me vergund nog de aandacht te vestigen op eene plaats uit den Ciperis de Vignevaux (14e eeuw), die tot denzelfden sagenkring of liever romancyclus behoort, en waarin een verrader voorkomt met name Robert6), genan alzoo van Robbrecht uit den Esmoreit; en op den Charles le Chauve7), waarin de lotgevallen van ‘Doraine, la reine d'Hongrie, dont les épreuves font rappeler à la fois l'histoire de Béatrix, mère du chevalier au Cygne, et celle de Rose, mère de Baudouin de Sebourg’ ons het beeld van Esmoreit's deerniswaardige moeder, ook koningin, voor den geest tooveren.

Verraden wordt Doraine door den laaghartigen Butor; gekerkerd; beroofd van haar kind, dat, te vondeling gelegd, wordt opgenomen door Guillaume d'Esturgon, die altijd aan het kruis op de borst van het jongske het koninklijk bloed herkent8);

 
‘La crois de vostre espaule si fait senefier
 
Que vous arez encor roiaume à justicier,
 
Et que vous serés rois, selon le mien cuidier,’
[p. LI]

zeide zijne dochter: is het niet opentop de koning van Damast en Esmoreit uit 't stuk van dezen naam? Er is meer. Het gevonden kind, Dieudonné genaamd, wordt grootgebracht met Guillaume's zoon Mancion en dochter Supplante; jongeling geworden verlieft hij op Supplante, en verdraagt om harentwil al den smaad en schimp van Mancion, die hem verwijt een ‘trouvé’, een ‘coistron’ te zijn1): is het niet wederom treffend gelijkend, bijna precies hetzelfde? Na veel lotwisselingen denkt Dieudonné aan niets anders ‘qu'à retrouver ses vrais parents’2), en gaat op reis: doet niet Esmoreit ook alzoo? Insgelijks is de naam Eysenbaert (Gloriant, vs. 481, 805) aan den bedoelden cyclus niet vreemd, komt bv. voor in den Hue Capet3), evenmin als die van Denemarken4).

Ik vraag, of de overeenkomst van den inhoud onzer abele spelen (Winter ende Somer uitgezonderd) met dien der romans van den cyclus des Zwaanridders louter toevallig kan worden genoemd. Mij dunkt van neen, en te minder, indien wij bedenken, hoe Oostersch alles, vooral in Esmoreit en Gloriant, gekleurd is, en waar de stukken spelen; hoe, tot kleinigheden toe, alles onwillekeurig dit of dat uit een dier Chansons de Geste te binnen brengt; zoo bv. de naam Floerant (Glor. vs. 731), die aan Florent (uit Florent et Octavian); Antiotse (vs. 808), die aan Antioche; Hongarije (Esm. vs. 193, 666, 780), die aan denzelfden honderdemalen voorkomenden naam doet denken; hoe eindelijk in onze stukken, vooral dan wederom in de twee laatstgenoemde, evenals in de romans van de famille Baudouin de Sebourg 't kristelijk en 't sarraceensch element zoo vijandig tegenover elkaar staan. Ik meen om een en ander veilig te mogen besluiten, dat de grondstof onzer abele spelen is ontleend aan die Fransche romans; en zeg ‘Fransche’, omdat ik immers alleen onderstellenderwijs van Mnl. vertalingen dier Chansons de Geste zou mogen spreken.

Wat overigens betreft het bij groote en treffende overeenkomst

[p. LII]

evenzeer aanmerkelijk verschil, in namen bv. en feiten, kan ik niet nalaten het goede woord van Dunlop1) aan te halen, door hem van de verhouding der contes en fabliaux tot de Cento Novelle Antiche geschreven: ‘Denn sowohl in der geschriebenen wie in der mündlichen Mittheilung geht eine Geschichte selten von Einem zum Andern über, ohne eine Verschönerung oder Veränderung zu erfahren.’ Doch genoeg, ik geloof in tegenstelling van den Hr. Serrure2), die beweert: ‘de stof van zijne abelspelen en boerden of sotternien is van eigene vinding; doch voor de eerste stukken ontleende hij de namen der helden aan in zijnen leeftijd bekende romanspersonaadjes’, te kunnen beweren, dat de stof der abele spelen niet is van de eigene vinding des kunstenaars, maar is ontleend aan de Fransche Chansons de Geste betreffende de lotgevallen der famille van den Zwaanridder.

De stof van Winter ende Somer is evenmin louter een gewrocht der verbeelding van den dichter. Integendeel, ze is eeuwen oud, en is onder de volkstammen van Dietschen bloede alom bekend en geliefd geweest, hetgeen haar dan ook eene eeuwige jeugd waarborgt. Is met het oog op het verleden volkomen waar wat Freytag zegt van den oud-germaanschen eeredienst, ‘ut antiqui cultus vestigia ubique paterent, nonnumquam vincerent’3), tot op den huidigen dag toe geldt met betrekking tot den symbolischen kampstrijd van Zomer en Winter zijn woord: ‘oppressus maiorum mos, neque vero deletus.’ Werd in de dagen van weleer allerwege in Germanië op verschillende wijs4) de zegepraal van Zomer ‘fronde et floribus ornatus’ als een ware Blumengraf of Majgrefve (Meigraaf) over Winter ‘vestibus pelliceis indutus’ jolig en vroolijk herdacht; de overwinnaar door de jubelende menigte met zang en dans verheerlijkt; het heuglijk feest met eet- en drinkgelagen gevierd: ‘die uralte idee eines kriegs oder streits zwischen beiden jahrsgewalten, aus dem der Sommer siegreich hervorgeht, in dem der Winter unterliegt’5), is nog niet uitgestorven, de goede oude zede

[p. LIII]

leeft nog voort. In 1844, verhaalt J. Grimm, hoorde Vader Rijn nog vaak het zegelied:

 
‘Trarira, der Sommer der ist da;
 
Wir wollen hinaus in Garten
 
Und wollen des Sommers warten.
 
Wir wollen hinter die Hecken
 
Und wollen den Sommer wecken.
 
Der Winter hats verloren,
 
Der Winter liegt gefangen,
 
Und wer nicht dazu kommt,
 
Den schlagen wir mit Stangen;’

en het schimpgedichtje:

 
Violen und die Blumen
 
Bringen uns den Sommer,
 
Der Sommer ist so keck
 
Und wirft den Winter in den Dreck’,

met het

 
‘Stab aus, stab aus,
 
Blas dem Winter die Augen aus!’

En werkelijk gingen dan soms de jongens en meisjes met witte stokken, houten gaffels en sabels op den vermeenden vijand los.... en

 
‘So treiben wir den Winter aus
 
Durch unsre Stadt zum Thor hinaus.’

De uitslag van den strijd was wel nimmer twijfelachtig. Tot bij 1870 hielden op Laetare de hoveniersgezellen te Nürnberg geregeld een optocht met de beeltenis van Winter, en zongen langs 's Heeren wegen:

 
‘Heint is Mittfasta, wul ist dos;
 
Wir trog'n den Tod ins Wassa, wul ist dos’, enz. enz.1),

een nagalm van het oude lentelied. En zullen wij in onze Pinksterbloem, thans wel is waar bedelaarster geworden, maar voorheen koningin geweest2), niet herkennen ‘die umziehende alte Göttin’ (Ostara), en in het gebel en gelui der straatjongens op

[p. LIV]

Luilak den commentaar vinden op den alouden tekst: ‘Und wollen den Sommer wecken’?1)

Die oude bekende en beminde feeststof is door den dichter der abele spelen mede gedramatiseerd; maar het symbool heeft plaats gemaakt voor de allegorie. De vergelijking van onzen Winter ende Somer met 't Kampfgespräch van Hans Sachs en de twee Neithartspile2) kan leeren, hoe hij zich van zijne taak heeft gekweten; ik wensch daarover niet in bijzonderheden te treden, maar liever te vragen, of ons spel oorspronkelijk is dan wel eene vertaling of omwerking of iets dergelijks. En dan moet het antwoord luiden, dat in geen geval de Conflictus Veris et Hiemis3) voor het origineel van ons drama kan doorgaan, als waartoe bij enkele punten van overeenkomst in beide stukken te veel verschil wordt waargenomen; het heeft er evenmin iets mede te maken als de door Hoffmann4) medegedeelde zang De morte cuculi. En eenig Fransch stuk van gelijken inhoud is mij onbekend. Het vermoeden schijnt daarom alleszins gewettigd, dat Winter ende Somer een oorspronkelijk stuk mag heeten.

Een enkel woord slechts over de sotterniën en cluyten en tafelspeelkens.

Verwant aan de sproke, meer bijzonder de boerde, zijn ze zeer zeker: men behoeft van de door Hoffmann von F.5) opgegevene, door Willems, Serrure, Verwijs en a. uitgegevene slechts ettelijke te lezen, om zich daarvan te overtuigen. En evenals zoo menige Mnl. sproke ons aan de Fransche contes en fabliaux doet denken, die Van Lacarise b.v. uit de Tien goede Boerden (bl. 19 vlgg.) aan Le Villain de Bailleul alias La femme qui fit croire à son mari qu'il était mort6); die van Een bispel van II clerken (aldaar, bl. 11 vlgg.) aan L'hôtel S. Martin alias

[p. LV]

Gombert (ook onze molenaar heet Gobert, vs. 48) alias L'Anneau1); die Van III ghesellen die den bake stalen (Belg. Mus. X, bl. 69 vlgg.) aan Des trois larrons alias De Haimet et de Bérard2), enz. enz.: evenals deze en gene letterlijk vertaald schijnen, is hetzelfde het geval met enkele van onze kluchtspelen vergeleken met de Fransche fabliaux. Van den oorsprong der stof van De Truwanten en De Hexe (bl. 210 en 183) - want De la vieille truande bij Barbazan, III, bl. 153 vlgg. is geheel iets anders en, moet ik zeggen, nog wel zoo koddig en vermakelijk, - is het me niet gelukt eenig het minste spoor te ontdekken; haar heeft de dichter alzoo ongetwijfeld uit het middeleeuwsche leven van dorper en poorter gegrepen. Van Drie daghe here (bl. 190) kan ik alleen zeggen, dat het zich zeer goed laat vergelijken met Moorkensvel3), evenals de Buskenblaser (bl. 126) met Meester Kackadoris ende een doof wijf met ayeren4). Aan Rubben (bl. 242) dacht ik een oogenblik bij de lezing van De la femme qui fit trois fois le tour des murs de l'église5) van Rutebeuf6), maar, ik geef oogenblikkelijk toe, dat de overeenkomst zich uitsluitend bepaalt tot de speling met het getal drie, alzoo uiterst gering moet heeten, zoodat ik ze nauwelijks naast elkaar durf te leggen. Meer punten van overeenkomst bieden Lippijn (bl. 60) met La culotte des Cordeliers7), La robe d'écarlate8), La Dame qui fit accroire à son mari qu' il avait rêvé alias Les cheveux coupés9) en Du Villain qui vit sa femme avec un ami10); en Playerwater (bl. 257) met Du pauvre Clerc11) en Aloul12), benevens met 't door Ulrici medege-

[p. LVI]

deelde Engelsche stuk get. The mery play between Johan the husbande, Tyb his wife, and Syr Jhan the preest1). Wat ik daareven zeide van Truwanten en Hexe geldt evenzeer van de bl. 285 en bl. 312 gegeven tafelspeelkens; wat het eerste aangaat, dat was bestemd voor den avond van Drie Koningen, en is weinig meer dan de rechtvaardiging en verklaring van het geschenk, dat twee der feestgenooten den boon-koning komen bieden, bestaande in een mispel als symbool der vijf koninklijke sieradiën ‘rechtveerdicheyt, wijsheyt, goedertierentheyt, voorsienicheyt en maecht’; het andere, zou mij niet verwonderen, is voor den vastenavond oorspronkelijk bestemd geweest. Eindelijk zal wel niemand de vermakelijke clute van Nu Noch (bl. 291) lezen zonder zich de zeer vermakelijke Avocat Patelin te herinneren met den ‘berger Agnelet, niais rusé qui, d'après l'avis de Patelin, ne répond que par un cri imité de ses moutons à toutes les questions du juge, et qui profitant outre mesure de la leçon, répond encore par le même cri à la requête de Patelin, quand celui- ci sollicite ses honoraires.’2). In ieder geval heeft Agnelet met zijn bée meer van den Nu-Noch-zegger dan de Engelschman met zijn in Des deux Anglais3).

Als wij bedenken, dat de fabliaux en sproken algemeen gangbare munt waren in de middeleeuwen, geheel Europa door bekend, kan het ons niet bevreemden, dat zoo menige Fransche farce, Engelsch interlude en Nederlandsche cluyte de dramatiseering is van zoo'n kluchtig verhaaltje of er althans sprekend op gelijkt.

 

Voor den tijd der vervaardiging van de abele spelen meen ik te kunnen verwijzen naar de Einleitung van Hoffmann von Fallersleben4) en mijn Academisch Proefschrift (bl. 95 vlgg.), en daarvoor alzoo de tweede helft der 14e eeuw, beter nog het vierde kwart er van, te mogen blijven houden, liever althans dan ze, gelijk den hr. Jonckbloet wil5) ‘omstreeks de helft der 14e eeuw’ te

[p. LVII]

stellen. En zulks, het worde in 't voorbijgaan opgemerkt, vooral om ‘die tappert’ van de Limburgsche kroniek en de ‘figure’ van Gloriant, niet (hier kom ik van terug) om het kaartspel, omdat alles, wat daarvan kan worden beweerd, uitsluitend kracht van bewijs zou kunnen hebben voor hetgeen door Hoffmann als de Inleiding tot de abele spelen en bijbehoorende sotterniën is aangemerkt, namelijk het gedicht get. Een beghinsel van allen spelen. Doch, in het Hulthemsche Handschrift staat dit stukje (waarin overigens 't kaartspel zeer zeker niet wordt genoemd onder de in zwang zijnde spelen van de 14e eeuw) volstrekt niet op eene plaats, die de onderstelling rechtvaardigt, dat het juist de Inleiding tot de tooneelstukken van dien codex zou zijn geweest. Het is namelijk te vinden tusschen de sotternie De Hexe (no. 206) en het gedicht Van Minnen (no. 208)1), dus de plaats bewijst alvast niets hoegenaamd; en bovendien, van wege de slotwoorden van het stukje (vs. 47 vlgg.):

 
‘God gheve dat elc goet gheselle
 
Sijn herte met eren in doochden stelle.
 
Men vint exempel harde vele,
 
Al eest dat se sotte spelen,
 
Daer subtijlheit leghet ane.
 
Nu hoort ende pijnt u te verstane’:

zou ik het eerder als Inleiding tot een of meer van de Exempelen willen beschouwen, die almede in het Hulth. Hs. in grooten getale worden aangetroffen2).

Tegen de opgegeven tijdsbepaling is het Hs. zeer zeker allerminst een bezwaar, aangezien dit naar alle waarschijnlijkheid uit de eerste jaren der 15e eeuw dagteekent3), evenmin als taal en stijl en trant van Esmoreit, Gloriant, Lanseloet en Winter zelven, welke integendeel ook die periode, om zoo te zeggen, aanwijzen als den tijd der vervaardiging.

Ook de sotterniën Lippijn, Buskenblaser, Hexe, Drie daghe here, De Truwanten en Rubben, als aaneengeschakeld en verbonden met de abele spelen, zijn natuurlijk van denzelfden tijd.

[p. LVIII]

De vraag rest, of der cluyte van Playerwater, voorkomende in een Hs. van de 15e eeuw (volgens Mone en haren uitgever P. Mertens afkomstig van de St. Lucas gilde te Antwerpen)1) insgelijks zulk een eerbiedwaardige ouderdom mag worden toegekend. Ik zoude meenen van neen op grond van de vele punten van verschil, die er tusschen deze cluyte en onze sotterniën vallen waar te nemen op het stuk van dictie en versbouw en berijming2), al hetwelk een jonger datum doet vermoeden. Ongaarne zoude ik evenwel volhouden, dat men alles te zamen genomen veilig mag besluiten, dat Playerwater inderdaad niet vroeger dan in het laatst der 15e eeuw is te stellen: ik zou, in tegenstelling van vroeger, thans liever concludeeren tot de helft der 15e eeuw3).

Uit denzelfden tijd als Playerwater meen ik, dat ook de clute van Nu Noch en de twee tafelspeelkens afkomstig zijn. Wel is waar is het Hs., waaruit Willems ze afschreef4), van de 16e eeuw, maar hij zelf getuigt, dat ze opgesteld schijnen omtrent het jaar 1500, of wellicht nog vroeger.’ Ik zou denken van vroeger: stellig althans is Nu Noch niet heel veel jonger dan Playerwater, maar, ik herhaal, de tijd kan, bij gebrek van stellige gegevens, niet anders dan bij benadering worden bepaald.

Het blijft de vraag, of de besproken tien kluchten de eenige zijn, die met den naam van Middelnederlandsch mogen prijken; of niet een stuk als b.v. Moorkensvel, gelijk de Hr. Van Vloten m.i. zeer terecht opmerkt, gewisselijk veel ouder is dan het jaar van uitgave (1600), evenals dat Van Meester Kackadoris ende een doof wijf met ayeren5) ongetwijfeld van vroeger datum is dan 1596: gelijk immers ook zoo menige tragedie van Shakspere eene omwerking is van een ouder stuk en ‘beaucoup de tragédies qu'on prend aujourd'hui pour d'anciens mystères transformés, n'ont point d'autre origine’ (nam. dan in het oude zoog. schooldrama). Dat er onder de esbattementen der Rederijkers jongere6)

[p. LIX]

redacties van oude sotterniën en cluyten schuilen, zal wel niemand betwijfelen.

Ten slotte nog een paar woorden over mijne tekstuitgave der abele spelen en kluchten.

Den tekst van de ernstige spelen en de zes eerste der navolgende vroolijke stukjes, reeds in 1838 afgedrukt in de Horae Belgicae, Pars V en VI, van Hoffmann heb ik nauwkeurig vergeleken met het Hulthemsche Handschrift, mij indertijd door de welwillende tusschenkomst van Z.E., den Minister van Buitenlandsche Zaken, Mr. J.P.J.A. Graaf Van Zuylen van Nyevelt, uit de Nationale Boekerij te Brussel eenigen tijd afgestaan. Het gevolg mijner collatie is, dat de nieuwe tekst er eenigszins anders, ik hoop ook beter, uitziet dan die van Hoffmann. Hem ‘schien für diese Schauspiele eine ältere Schreibung nothwendig, da auch sie gewiss um mehrere Jahrzehende älter sind als die Hs. selbst’, die, zooals ik zeide, uit de 15e eeuw afkomstig is: ik voor mij heb gemeend me zoo stipt mogelijk aan de schrijfwijze van den codex te moeten houden, en in den regel van iedere verandering, schrijffouten natuurlijk alleen uitgezonderd, rekenschap te moeten geven. Verbeteringen van kennelijke lapsus calami van den afschrijver des Hs. en uitlatingen gelijk Esmoreit (bl. 23) vs. 331: nu voor u; (bl. 56) vs. 960: dat ic voor dat u; Lippijn (bl. 63) vs. 30: goede voor goeder; Gloriant (bl. 79) vs. 86: waer sidi voor waer si; (bl. 80) vs. 106: langher niet voor niet l.n.; (bl. 90) vs. 329: of si u voor of si; (bl. 94) vs. 393: ure voor vro en wijf voor wijfs; (bl. 112) vs. 807: mijnder voor sijnder; (bl. 119) vs. 995: comen met groter voor comen groter; (bl. 121) vs. 1043: es in pinen voor es pinen; Drie daghe here (bl. 202) vs. 250: niet en vergheten voor niet vergheten; (bl. 204) vs. 295: moet u hier voor moet hier; Truwanten (bl. 213) vs. 53: Die broeder; Winter ende Somer (bl. 224) vs. 217: Clappaert; (bl. 235) vs. 470: dat hi alle voor dat alle; (bl. 241) vs. 621: dies voor die; Rubben (bl. 250) vs. 170 si voor ic, - dat een en ander heb ik stilzwijgend overgenomen en ingelascht. Hetzelfde geldt van Esmoreit (bl. 21) vs. 299 alwaar maer (‘Maer ic duchte dat mi mijn herte sal scoeren’); (bl. 27) vs. 396 alwaar noch (‘Ende ic te mijnder onscout noch moet comen’); (bl. 36) vs. 552 alwaar te (‘Te vele spreken en dooch emmer

[p. LX]

niet’); (bl. 45) vs. 732 alwaar ic (‘Want ic ewelijc al mijn leven), uit den tekst zijn gebannen op vonnis van mijn vriend De Vries, wien ik bij deze gelegenheid daarvoor evenals voor zijnen steeds welwillenden bijstand in den nood van bedorven plaatsen en cruces interpretum mijn besten dank betuig. Van andere niet noemenswaardige wijzigingen gelijk bv. Esmoreit (bl. 52) vs. 875 (niet voor nie); (bl. 57) vs. 968 (den voor desen); Gloriant (bl. 109) vs. 739 (insgelijks den voor desen); Buskenblaser (bl. 130) vs. 94 (nemmer voor nemmermeer) enz. enz. behoef ik wel niet te berichten.

Het spreekt verder van zelf, dat, waar in het Hs. al in den zin van alsof te lezen staat, gelijk bv. Lippijn (bl. 71) vs. 165, Gloriant (bl. 80) vs. 109 en (bl. 87) vs. 257, Buskenblaser (bl. 132) vs. 121, door mij niet in navolging van Hoffmann al met als is verwisseld; dat Esmoreit (bl. 60) vs. 1011 de lezing van het Hs. neve is behouden (verg. vs. 34 vlgg.); dat het vs. 1018 door Hoffmann uitgeworpen mergen is teruggeroepen; dat Truwanten (bl. 210) vs. 12: trijpsac in de plaats van crijpsac der vorige editie is gekomen en slavine vs. 45 (bl. 213) niet voor stamine van Hoffmann heeft moeten wijken, omdat er voor de van het Hs. afwijkende lezing geen enkele grond te vinden was. Voorts was het minder juist op vs. 209 (ed. Hoffm.) van Winter ende Somer (bij mij bl. 224) aan te teekenen1): ‘met fehlt’: want niet met ontbreekt, maar wel het woordeke dat Hoffmann meende te zien, omdat hij 't onontbeerlijk achtte en er trouwens ook zeer gemakkelijk in kon lezen, te weten niet: wij missen het echter te liever, omdat 't in het vers volstrekt niet op zijne plaats zou wezen. Bij nader inzien had ik de lezing van Hoffmann Lippijn (bl. 72) vs. 170: woudic ook liever niet opgenomen; het woddi d.i. woudt mij van het Hs. is stellig beter; evenmin als ik meer dweep met mijn verandering van lijdt in liden in Gloriant, vs. 331 (bl. 91).

Wat meer bijzonder het abel spel van Lanseloet van Denemerken betreft, was het mij zeer aangenaam daarvan de oudste en beste redactie te kunnen geven, en 't daardoor genietbaar te hebben gemaakt. Zooals het toch in Pars V en VI der Horae

[p. LXI]

is gegeven, - de tekst naar den Goudaschen druk van 1490/921), en variae lectiones uit het Hulth. HS., dat overigens eigenlijk een geheel afwijkenden tekst bevat, - was het niet te lezen: thans, nu het optreedt in zijn oorspronkelijk gewaad, zullen, ik twijfel er niet aan, de woorden van den proloog waarheid blijken:

 
‘Ic wane, dat ghi noit (gheen) spel van minnen
 
En hebt gehoert dies ghelike.’

De cluyte van Playerwater, in 1838 uitgegeven door Mertens, heb ik nauwkeurig vergeleken met den codex, en de verschillende lezingen (want er is geschrapt en veranderd en bijgevoegd) aan den voet der bladzijde medegedeeld. Het zij mij vergund hier mijn dank te brengen aan onzen Jan van Beers, wiens heusche welwillendheid me daartoe in staat stelde.

Met de twee tafelspeelkens en de cluyte van Nu Noch mocht ik niet zoo gelukkig zijn. Ik had in 1872 vermoed, dat het handschrift van die stukjes2) nog zou zijn in het bezit van de famille Serrure, - trouwens ook, zooals me later bij het doorzoeken van den Catalogue van Prof. Serrure's boekerij is gebleken, niet verkeerd vermoed3), - en me gewend tot den Hr. Mr. C.A. Serrure met beleefd verzoek om het HS. te mogen zien, desnoods ter plaatse waar het berustte. Mijne poging, evenals de vriendelijke tusschenkomst van een mijner kennissen, was vruchteloos; en nu, zooals me de auctionator, de Heer Olivier, de beleefdheid had dezer dagen te schrijven, ‘le no. 2978 (2e vente Serrure) a été acquis par le fils de M. Serrure’, heb ik geen moed eene nieuwe poging te wagen. Ik heb me daarom moeten tevreden stellen met de uitgave van Willems (Belg. Mus., II, bl. 102-134), en die tot grondslag der mijne gelegd.

Of wij recht hebben in tegenstelling van de abele spelen en sotterniën Playerwater eene ‘Brabantsche kluchte’ te noemen4) durf ik niet te beslissen. Wat de tafelspeelkens en Nu Noch

[p. LXII]

betreft, schrijft Willems: ‘Uit den inhoud blykt, dat zy in Vlaenderen opgesteld zyn, het derde (Man ende Wijf up zijn boersche, bl. 312 bij mij), waarschynlyk te Eecloo; want in hetzelve wordt gesproken van de kermis van Bentille (vs. 144), een gehucht van het dorp Sint-Jan-in-Eremo, op een groote uer afstands van Eeclo gelegen’ (t.a.pl.).

Ik eindig met den wensch, dat mijne aanteekeningen, voor dezen - ik ontveins 't me niet - wellicht even veel te lang als ze door genen te kort zullen worden gevonden, er toe zullen bijdragen, om, door wegneming van hetgeen voor den beoefenaar onzer Mnl. letterkunde vaak hinderpaal en struikelblok is, den toegang tot de schatkamer onzer middeleeuwsche poezie gemakkelijker te maken.

 

H.E. MOLTZER.

Groningen 1875, 31 Mei.