|
|
|
| | | | | |
Hoofdstuk 6
Het prentenboek in de
kinderboekenkritiek: de ontdekking van een traditie
| |
6.1. Inleiding
Uitgevers stellen het zeer op prijs wanneer een van hun boeken in de
dag- en weekbladpers als meesterwerk wordt onderkend. Het publiek op zijn beurt
wil graag zo vroeg mogelijk weten welke titel de belofte van een meesterwerk in
zich draagt. Maar volgens
Van Rees moet een literair werk voordat
het als meesterwerk in de canon is opgenomen, eerst ook de essayistische en de
academische literaire kritiek zijn gepasseerd.
1
Voor deze drieledige meesterproef kwam de kinderliteratuur heel lang
alleen al niet in aanmerking om de simpele reden dat de journalistieke kritiek
van het kinderboek als jonge loot aan de stam van de literaire kritiek geen
vervolg kreeg in de essayistische en academische kritiek. Zelfs is het alsof de
kinderboekenkritiek zich nog op de wijze van de Baron van Münchhausen aan de
haren uit het moeras omhoog moest trekken om de eigen literaire traditie te
kunnen ontdekken als maatstaf bij de beoordeling van het lopende aanbod. De
ontdekking van die traditie en de institutionalisering in diverse prijzen als
ijkpunt in de ontwikkeling van de jeugdliteratuur staan aan de basis van de
canonvorming in de recente kinderliteratuur en van het hinauflesen.
In dit hoofdstuk wordt de aandacht die het prentenboek krijgt van de
kinderboekenkritiek van twee dagbladen geanalyseerd in het licht van die eigen
traditie. Daartoe verdiepen we ons in § 6.2 in de distinctieve kenmerken van de
drie genoemde vormen van literaire kritiek en hun rol in de canonvorming.
Daarbij worden ook de parameters die voor de verdere analyses in dit hoofdstuk
relevant zijn, beschreven en toegelicht. In § 6.3 en § 6.4 worden
respectievelijk de recensies in De Volkskrant en NRC Handelsblad van 1970 tot 1990 verkend op een aantal aspecten:
allereerst de kwalitatieve en kwantitatieve aandacht voor het kinderboek in het
algemeen en het prentenboek in het bijzonder, vervolgens de ontwikkelingen in
die recensies en vooral de ontdekking van de eigen traditie, en tenslotte de
aandacht voor de leeftijdsdifferentiatie van de beoogde lezer in de culturele
context van beide bladen. Verder wordt nagegaan op welke wijze recensenten
| | | | gebruikmaken van verwijzingen naar auteurs, zowel contemporaine
als niet-contemporaine, aangevuld met gegevens over hun werkopvatting.
Aansluitend worden in § 6.5 de genoemde aspecten vanuit het oogpunt van
literaire canonvorming en het hinauflesen van de lezer in
beide bladen samengevat en vergeleken wat betreft aandacht voor het
prentenboek, meest besproken prentenboekenauteurs, ingebrachte literaire
traditie en invloed van de journalistieke kritiek op bekroonde boeken. In § 6.6
wordt het hoofdstuk met een discussie afgesloten.
| |
6.2. De literaire kritiek en het literaire
referentiekader
Volgens Van Rees verwijst de journalistieke kritiek in dag- en
weekbladen met de selectie en beoordeling van wat er in het lopende aanbod de
moeite waard is, zelden naar niet-contemporaine auteurs. Dit in tegenstelling
tot de essayistische kritiek in culturele tijdschriften, die zich behalve met
contemporaine auteurs ook met auteurs uit het verleden bezighoudt, en de
academische kritiek in wetenschappelijke tijdschriften, die zich richt op de
literatuurgeschiedenis en op auteurs die interessant zijn om poëticale of
methodologische redenen. Weliswaar beschouwt Van Rees deze drie takken van de
literaire kritiek als complementair, maar in de concentratie op wat de tand des
tijds heeft doorstaan, krijgt de journalistieke kritiek vooral de functie
toebedeeld van een eerste zeef en blijft de bijdrage aan de canonvorming
onderbelicht. Voor een plaats in de canon is herhaalde positieve aandacht in de
essayistische en academische kritiek voorwaardelijk. Daarbij wordt
consensusvorming opgevat als een institutioneel proces van orkestratie
2 en
niet als overeenstemming die over literaire innovatie wordt bereikt met de
literaire traditie als maatstaf, in de geest van Eliot.
3 Beide visies op de functie van de
literaire kritiek verschillen in een aantal opzichten van elkaar.
Van Rees en
Janssen laten in hun sociologische schildering
van de ‘institutionele spelregels’ de inhoud van de literatuur buiten
beschouwing. Critici bereiken consensus in ‘een proces van orkestratie als
volgen zij een onzichtbare partituur, zonder dat voor de resulterende har- | | | | monie
een verantwoordelijk dirigent aanwijsbaar is en zonder dat er veelvuldig sprake
is van verwijzingen naar elkaars werk’ (Janssen, p. 27). Critici beschikken
niet over een hogere, onpartijdige instantie en zijn afhankelijk van onderlinge
bijval. En in overeenstemming met de literaire kritiek als zelfstandige
institutie zijn ze een autonomistische literatuuropvatting toegedaan. Tenslotte
kennen
Van Rees en
Janssen de journalistieke, essayistische en
academische kritiek ‘het aanbrengen van een rangorde in het aanbod van teksten
naar literaire kwaliteit’ als gemeenschappelijke taak toe, maar ze laten na om
aan te geven vanuit welke gemeenschappelijke inhoudelijke opvatting die taak
wordt vervuld. Bij ontstentenis van een hogere, onpartijdige instantie is dat
uiteraard ook niet goed mogelijk.
Van Rees en Janssen beschouwen de journalistieke kritiek, als enige
soort van kritiek waar een dagblad in hun ogen over beschikt, als de minst
gereputeerde. Toch staan er essayistische en academische bijdragen in de krant
en zijn er medewerkers die prijzen hebben ontvangen als de P.C. Hooftprijs (bij
de onderzochte periodieken
Fens,
Kousbroek en
Schippers), een professoraat (Fens) en een
eredoctoraat (Kousbroek). Kennelijk lopen de drie vormen van kritiek binnen de
krant in elkaar over.
De beperkte taakopvatting die Van Rees en Janssen aan de journalistieke
kritiek toekennen, wordt niet door iedereen gedeeld. Voor Mooij kan een
literair debuut meteen in de canon worden opgenomen en is het maken en breken
van de canon het gezamenlijk werk van ‘schrijvers, critici, uitgevers,
docenten, jury's, bloemlezers en geïnteresseerde lezers’.
4 De journalistieke kritiek kan
daarbij als eerste meesterwerken signaleren. Vanuit dat kraaiennest schreven
dagbladcritici als
Busken Huet of
Ter Braak de latere literatuurgeschiedenis,
zoals blijkt in proefschriften over hun werk. De journalistieke context van
dag- en weekblad is dus niet per definitie de mindere van de essayistische en
de academische tegenhanger. Maar welke modus operandi hebben die drie vormen
van kritiek gemeenschappelijk?
Volgens
Eliot bestaat de taak van de literaire kritiek
er in het algemeen uit om toelichting te geven bij kunstwerken en bij te dragen
aan de verbetering van de goede smaak en, meer in het bijzonder, om de
verandering te registreren die belangrijke nieuwe werken in het verleden en
heden van het literaire landschap teweegbrengen en om daar in brede kring
acceptatie voor te vinden. Ook voor Eliot is consensusvorming dus een centraal
onderdeel van de literaire kritiek, niet door middel van een onzichtbare
dirigent, maar langs een beroep op de lite- | | | | raire traditie als
maatstaf ten overstaan van het forum van de literaire kritiek. Dat beroep op de
gezaghebbende traditie als intersubjectieve norm komt neer op het vergelijken
en analyseren van soortgelijke werken om het nieuwe werk te kunnen toetsen en
plaatsen in de literaire traditie. Voor Eliot geldt daarbij het ideaal van de
perfectie als de boventijdelijke norm om een vergelijkbaar werk op een
exemplarische manier aan af te meten. Aldus vervult de literaire traditie
volgens Kuin in zijn commentaar op Eliot de volgende functie: ‘De kennis van
het ideale wordt steeds opnieuw opgewekt door de bezinning op het literaire
verleden en op het unieke nieuwe dat er steeds weer aan wordt toegevoegd. Deze
bezinning zou men kunnen omschrijven als de herkenning van het exemplarische
karakter van de reeds bestaande literatuur, dat telkens op andere wijze, juist
in zijn verschillen, het ideaal tot uitdrukking brengt.’ (Kuin, 1989, p. 125).
Aldus delen alle drie de vormen van literaire kritiek de literaire traditie als
referentiepunt. Vandaar ook de vraag of de kinderboekenkritiek in de periode
van onderzoek deze vorm van vergelijkend beoordelen met behulp van de literaire
traditie in praktijk brengt als bijdrage aan de canonvorming.
Of de journalistieke kritiek die bijdrage levert, valt overigens te
toetsen. Zo vroeg Rosengren zich af in welke mate journalistieke recensenten
van vandaag de literaire referentiekaders en canons van morgen bepalen en in
welke mate de journalistieke recensenten van gisteren dat deden voor het
hedendaagse literaire referentiekader.
Uit zijn reconstructie van de hiërarchieën inzake roem bleken de
recensenten van ‘1880’ in hoge mate het beeld van ‘1970’ te bepalen via het
beeld dat de essayisten en literair-historici van dat ogenblik aan de
recensenten van 1880 ontleenden. Dit gefaseerd proces zette Rosengren om in een
model ter nadere toetsing, met als resultaat dat er van de negentiende-eeuwse
journalistieke kritiek driekwart eeuw later nog een sterke invloed uitgaat op
de essayistische en academische kritiek, die als literair referentiekader
vervolgens weer de journalistieke kritiek in de jaren zeventig beïnvloedt.
Wanneer hedendaagse critici een evengroot aandeel verwerven in de
literaire toekomst als de critici van rond 1880 dat via de beeldvorming van
essayisten en academici in de algemene pers van rond 1970 deden, dan mogen zij
met recht gezaghebbend worden genoemd.
5 Voor de kinderliteratuur
zou dat des te meer gewicht in de schaal leggen vanwege de zo lang afwezige
essayistische en academische kritiek op dit terrein. Ook om die reden wordt er
hier van uitgegaan dat de journalistieke kinderboekenkritiek de literaire
traditie als referentiekader heeft gebruikt, wat volgens Van Rees en Janssen in
de ‘volwas- | | | | sen’ journalistieke kritiek niet gebruikelijk is. Die
veronderstelling wordt in dit hoofdstuk getoetst.
Onderzoek naar de pioniersrol van de kinderboekenkritiek kan zich op de
lange of op de korte termijn richten. Het eerste geldt vooral voor De Vries,
het tweede voor Krikhaar en Ros.
De Vries stelde op basis van een steekproef
over de periode 1969-1979 vast dat in 1969 de ene helft van de bladen aan de
kinderliteratuur voorbijging en de andere helft het in hoofdzaak liet bij
aankondigingen; de tweede meting, van 1974, gaf een kwantitatieve omslag te
zien en de derde, van 1979, een kwalitatief keerpunt in de zin dat de oordelen
ook werden beargumenteerd.
6
Krikhaar en
Ros kwamen in hun onderzoek van twintig jaar
kinderboekenkritiek (1965-1984) tot dezelfde kwantitatieve conclusie, maar in
kwalitatieve zin vonden ze dat er nog steeds veel aan die kritiek schortte; te
veel stapelrecensies, te veel navertellingen, te veel impliciete oordelen met
leesbaarheid in plaats van literaire vorm als hoofdmoot. De recensies, die niet
op de cultuurpagina verschenen en dus niet die status kregen die daaraan
verbonden is, bleven ook zonder vervolg in secundaire literatuur en
literatuurgeschiedenis.
7
Beide onderzoeken delen een steekproefsgewijs gebruik van een seriële
bron, al is de aanpak nogal verschillend: in het eerste geval een feitelijke
reconstructie, in het tweede de toetsing van het a prioristandpunt dat de
literaire kritiek een expliciet beargumenteerd waardeoordeel dient te geven.
Die laatste eis, een reprise van wat Merlijn eerder van de
‘volwassen’ literatuurkritiek verlangde, wordt niet door iedereen gedeeld.
Van Rees vindt dat bijvoorbeeld zowel te veel
als te weinig gevraagd.
Te veel, omdat de literaire kritiek zich doorgaans beperkt tot de
beschrijving van inhoud en thematiek van nieuwe (kinder-)boeken in samenhang
met stijl en compositie en het daarbij aan de lezer laat om hieruit de
impliciete waardering op te maken.
8 Te weinig, omdat daarmee
buiten beschouwing blijft dat recensenten slechts een deel van de jaarlijkse
kinderboekproductie lezen en een nog kleiner deel bespreken. | | | |
In aansluiting op de visie van Eliot en de analyse van
Rosengren wordt hier de bijdrage van de
journalistieke kinderboekenkritiek aan de canonvorming nagegaan op enkele,
elkaar aanvullende manieren. In de eerste plaats wordt achterhaald of, en zo ja
hoe, met verwijzingen naar de literaire traditie een canon als expliciete
beoordelingsnorm wordt gebruikt. In de tweede plaats vindt een reconstructie
plaats van de actuele hiërarchie in het literaire veld met behulp van een
frequentiemeting van auteurs en uitgevers. In de derde plaats brengen we de
wijze waarop prentenboeken aan verschillende leeftijden worden toegeschreven in
kaart, als een leeftijdsspecifieke canon met het oog op leeftijdsgebonden
vormen van hinauflesen. En tenslotte wordt nagegaan wat de
invloed is van de journalistieke kritiek op de toekenning van literaire
prijzen. Samen geven die vier vormen van analyse een beeld van de hiërarchie
van de roem die in het proces van consensusen canonvorming ontstaat. Eerst
lichten we deze wijzen van analyseren toe.
Voor het eerste punt sluiten we aan bij de wijze waarop Rosengren
verwijzingen in de literaire kritiek naar personen of posities in de literaire
hiërarchie analyseert. Dit levert aanknopingspunten op om waarderingen van de
literaire kritiek te expliciteren. Daarbij gaat het om interpreterende
(schrijver A stilistisch of thematisch verwant aan schrijver B) en expliciet
evaluerende (schrijver X in de traditie van schrijver Y, Z)
argumentatiepatronen. En vervolgens om een drietal impliciet evaluerende vormen
van verwijzing. Waardevergrotend: schrijver X is beter dan schrijver Y;
waardeverkleinend: schrijver X is niet zo goed als/slechter dan schrijver Y en
waardetoekennend: schrijver X representeert waarde Y.
9 In de hier
geanalyseerde recensies wordt steeds bekeken of een recensent gebruikmaakt van
zo'n verwijzing naar een andere, ook niet contemporaine auteur (mention in de bewoording van Rosengren) en hoe die verwijzing
moet worden getypeerd. Van elk type uitspraken wordt hier een voorbeeld
gegeven, gekozen uit de recensies van
Bregje Boonstra, omdat die vanwege de
bundeling in boekvorm makkelijk in hun context zijn te controleren.
10
Een interpreterende verwijzing is bijvoorbeeld haar uitspraak over
Klein Duimpje van
Wim Hofman: ‘Het sprookje is er sinds Perrault
niet vrolijker op geworden’ (p. 238). Over
Eindelijk actie wordt deze
waardevergrotende vergelijking gemaakt: ‘De luchtige verteltrant van
| | | |
Vriens onderscheidt zich van de ernstige
nadrukkelijkheid van
Evert Hartman,
Jan Terlouw of
Ellen Thijsinger.’ (p. 194) Daarnaast bevat
dezelfde recensie deze expliciet evaluerende verwijzing: ‘Vriens’ boek ligt in
de lijn van boeken over pubers van Sue Towsend, Adrian Mole
en
Peter van Gestels
Ko Kruier.’ Waardeverkleinend is de
kanttekening bij de bundel
Lieve kinderen hoor mijn lied: ‘Kousbroeks
poëzie mag dan als die van
Annie Schmidt luchtig, humoristisch en verhalend
van karakter zijn, zij is aanzienlijk minder kernachtig en vanzelfsprekend,
ritmisch minder vlekkeloos en lijdt soms aan een on-Schmidtiaanse
breedsprakigheid.’ (p. 218) Waardetoekennend is de vergelijking van
De eikelvreters van
Els Pelgrom met
Afke's tiental van
Nienke van Hichtum: ‘Van Hichtum brengt een
hommage aan de Friese landarbeiders omstreeks 1900, Pelgrom aan die van
Andalusië rond 1945’ (p. 188). Daaraan gaat een interpreterende uitspraak
vooraf, die tegelijk waardevergrotend is: ‘Pelgroms boek doet op talloze
momenten denken aan Afke's tiental van Nienke van Hichtum: de
armoede, de kinderschare, het menu van aardappels met grauw brood en soms een
stukje zwoerd, de onwankelbare moeder, het liefdevolle oog voor de natuur en de
blijmoedige trots, waarmee de mensen van hun situatie het beste proberen te
maken. Waar Nienke van Hichtum de meelevende, maar toekijkende socialistische
mevrouw blijft, laat Pelgrom door het met de ik-vorm gekozen vertelperspectief
de lezer meer gelegenheid binnen in het verhaal te kruipen. Deze voelt de kou,
de honger, de pijnlijke voeten en de onrechtvaardigheid. De vorm waarin het
verhaal is gegoten is simpel en onopgesmukt en past de inhoud als een
handschoen.’ (p. 187)
Het zal overigens blijken dat de meeste verwijzingen van
interpreterende, waardetoekennende of expliciet evaluerende aard zijn;
waardevergrotende en waardeverkleinende verwijzingen komen veel minder voor. Al
die verwijzingen samen kunnen als fijnmazige representatie van de literaire
traditie een verrassend mozaïek vormen van ontmoetingen tussen klassieke en
moderne auteurs en titels. De journalistieke kritiek van de kinderliteratuur
die zo'n vorm van representatie realiseert, geeft met de literaire traditie
reliëf aan het perspectief dat Rosengren als volgt formuleerde: ‘to invent the
literary frames of reference of the future’.
De inventarisatie van door recensenten gehanteerde verwijzingen zal
overigens niet worden gebruikt voor een reconstructie van een hiërarchie van
besproken auteurs (het ontbreken van verwijzingen in een groot deel van de
recensies staat dat niet toe), maar voor een reconstructie van de literaire
traditie die de recensenten blijkbaar als ijkpunt hanteren in de beoordeling
van nieuw verschenen werk.
Voor een reconstructie van de hiërarchie van besproken prenten- | | | | boeken en de ontwikkelingen daarin wordt gekeken naar de aandacht die
auteurs krijgen in de pers, op basis van de frequentie van besproken titels,
auteurs en uitgevers.
Ten behoeve van de representatie van de literaire traditie, de
frequentiemeting van auteurs en uitgevers en de aan leeftijd gebonden canon van
prentenboeken zijn de volgende gegevens genoteerd: recensent, datum, auteur
(als er meerdere auteurs zijn, wordt een tweede vermeld), illustrator,
vertaler, uitgeverij, aantal boeken dat in een recensie werd besproken (met het
oog op stapelrecensies), verwijzingen naar ander werk, zowel van dezelfde
auteur als van andere auteurs, de aanduiding van de boeksoort, het subgenre en
de aanduiding van de beoogde leeftijdsgroep, alle voorzover vermeld in de
recensie.
11 Onder boeksoort
werd onderscheid gemaakt tussen fictie, non-fictie, poëzie, strips,
prentenboeken en overige categorieën. Ten behoeve van de eenduidigheid werd
elke besproken titel slechts aan één categorie toegewezen, ook als een
recensent tegelijkertijd - dat speelde nagenoeg alleen bij prentenboeken - twee
aanduidingen hanteerde. Een prentenboek van een kinderrijm werd dus alleen bij
prentenboek ondergebracht, niet ook bij poëzie. Onder subgenre werden
aanduidingen van de recensent als sprookjesboek, telboek, historisch kinderboek
en dergelijke opgenomen.
Zowel bij de aanduiding van de boeksoort als bij die van het subgenre
werden, conform de werkwijze in het vorige hoofdstuk, alleen die gegevens
genoteerd die expliciet door de recensent werden vermeld dan wel ondubbelzinnig
als zodanig konden worden geïnterpreteerd. Zo werd een boek op grond van een
impliciete aanduiding bijvoorbeeld als prentenboek aangemerkt, wanneer een
recensent naar eigen zeggen een reeks prentenboeken bespreekt zonder die
aanduiding nog voor elk boek afzonderlijk te vermelden. Dat kan betekenen dat
een titel die op grond van informatie elders ontegenzeggelijk als prentenboek
wordt aangeduid, niet altijd van die boeksoort-aanduiding is voorzien. Omdat
het hier echter gaat om de receptie van de recensenten in de loop van de tijd,
is voor deze strikte toekenning gekozen. Wat betreft de invloed van recensenten
op literaire prijzen wordt nagegaan of met een Griffel en/of Penseel bekroonde
boeken al eerder aandacht kregen van recensenten.
| | | |
| |
6.3. Het prentenboek in de literaire context van De
Volkskrant
| |
Eerste periode: 1970-1980
Het uitgeven van een prentenboek was, zo bleek in het vorige hoofdstuk,
lange tijd voor uitgevers een waagstuk. Toch wordt in de eerste recensie die in
de onderzochte periode in de krant werd aangetroffen, op 5-2-1970, over een
zekere traditie in het uitgeven van superieure prentenboeken door Lemniscaat
gesproken. De recensent noemt de platen ‘van heel hoog gehalte; er worden geen
concessies in gedaan. Het bezwaar dat men tegen de boeken kan hebben, is dat de
tekst vaak erg simpel aandoet, naast overvloed en kwaliteit van de prenten.’
Die boeken zijn inmiddels vergeten; dat geldt allerminst voor de recensent,
Kees Fens.
Twee maanden later wordt in de rubriek ‘Dag in dag uit’ (2-4-1970)
aandacht gevraagd voor de Duitse uitgeverij Weismann die de jeugd met boeken
van met name Brecht en Wallraff wil laten zien ‘hoe onze wereld er uit ziet:
honger, oorlog, sociale ongerechtigheid, onderdrukking’. Dat buitenlands
initiatief is voor
Lidy van Marissing op 31-10-1970 aanleiding om
op te roepen tot de eerste Nederlandse socialistische jeugdboeken: ‘Uitgeverij
Van Gennep heeft er belangstelling voor, maar zijn er ook geïnteresseerde
schrijvers?’ Kennelijk moest de socialistische traditie van
Nienke van Hichtum en
Theo Thijssen nog worden ontdekt.
Met de komst van Jan Paul Bresser krijgt De Volkskrant
de beschikking over een criticus die als opiniërend journalist en later als
chef van de kunstredactie, meer dan tien jaar lang met regelmaat aandacht aan
jeugdliteratuur schenkt. Voor het eerst doet hij dat wanneer hij in zijn
recensie (9-10-1971) van de met een Gouden Griffel bekroonde boeken van
Leonie Kooiker en van
Alet Schouten alleen de prijs aan Kooiker
bijval verleent. Een jaar later (14-11-1972) ziet hij in het met een Gouden
Griffel bekroonde
Koning van Katoren van
Terlouw een toenemende betrokkenheid bij de
eigen samenleving, ‘niet via gortdroge maatschappij-kritiek, maar door een
voorzichtig inbouwen van alledaagse problemen in de verhalen en sprookjes anno
1972’.
Fens is minder mild in zijn oordeel. Zo noemt
hij
De kleine kapitein van
Biegel ‘literatuur van literatuur gemaakt’ en
‘dode taal’ vergeleken bij deze zin van Lewis Carroll: ‘Hoe dikwijls moet het
niet gebeuren dat je een speld nodig hebt’ (14-10-1972). En het bekroonde boek
van Terlouw, De koning van Katoren, staat volgens hem stijf
van de boekentaal (16-10-1972). Deze waardeverkleinende opmerking wordt
ondersteund met een verwijzing naar
Annie M.G. Schmidt, die in
Minoes en
Pluk van de Petteflet de maatschappelijke
verbeelding in springlevend Nederlands aan de macht laat komen. Met dat beroep
| | | | op de literaire traditie haalt Fens de pas bekroonde laureaten
van hun erepodium, wijst hij op de traditie van het spelen met taal van Lewis
Carroll en
Multatuli in het werk van
Schmidt en geeft hij impliciet te kennen wie de
Gouden Griffel had moeten krijgen. Hij doet dat ook uit compassie met de
schooljeugd, die ‘alleen maar verhaal, niks aan taal’ kreeg, en verwijst
daarvoor impliciet naar de paradox van Multatuli: ‘Ik leg mij toe op het
schrijven van levend Hollandsch. Maar ik heb school gegaan’:
‘De Nederlander schrijft slecht, zegt men, hij spreekt ook
niet best. Hij zit meestal in een dooie taallaag, dat is zeker. Maar als je in
die laag al in de eerste klas wordt neergezet. En boeken je er steeds weer in
terugplaatsen. Dan schrijf je later met manchetten aan. De jury's, die ik
verder alle gelijk gun, zouden toch eens meer op taal moeten letten. Spelen met
spelden is ook spelen met gewone woorden. En dat is niet gemakkelijk.’
Fens neemt het op 23-3-1973 op voor Premier livre de
poésie, dat hij een boek noemt ‘voor iedereen die nog een kind in de
poëzie wil zijn’. Maar wel een kind in primair voor volwassenen geschreven
poëzie, want dat is in Frankrijk en Engeland ‘een iets meer vanzelfsprekende
zaak dan bij ons’. De aandacht in die bloemlezing voor taalspel, voor het
visuele en voor de naïeve verwondering over het schijnbaar alledaagse valt twee
jaar later terug te vinden in de bloemlezing van
Fens:
Goedemorgen, welterusten. Gedichten voor kinderen en
andere volwassenen.
Bresser plaatst de Gouden Penseel als aanmoedigingsprijs in de context
van de toegenomen aandacht voor illustratie en voor ‘de visuele omgeving waarin
kinderen steeds meer thuis raken’ (27-10-1973). Dat steeds meer uitgevers
prentenboeken uitgeven komt overeen met wat kinderen mogen verwachten, want
‘boeken zonder prenten zijn voor kinderen net krentenbrood zonder krenten’.
Ter gelegenheid van de kinderboekenweek (19-10-1974) komt
Blokker tot de apodictische uitspraak dat twee
eeuwen kinderliteratuur niks nieuws aan genres, thema's en visies hebben
opgeleverd, behalve wat meer lenigheid in hurken, en spreekt Fens nu
generaliserend over ‘de zo dodelijk vermoeide taal van de kinderliteratuur’.
Dit keer worden de bekroonde
Ter Haar (
De wereld van beertje Ligthart) en
Beckman (
Kruistocht in spijkerbroek) als klatergoud
getypeerd en verwijst Fens met opnieuw een waardeverkleinende verwijzing
rechtstreeks naar de paradox van Multatuli:
‘Aan veel auteurs van kinderboeken is een slecht schrijver
verloren gegaan. Daar kunnen de literatuurcritici blij mee zijn, maar de
kinderen zitten er mee. Later dan, als ze zullen pogen levend Nederlands te
schrijven, maar moeten bekennen helaas te veel kinderboeken te hebben
gelezen.’ | | | |
Op 23-11-1974 noemt Fens het prentenboek De kathedraal van
Chatreaux van Macaulay een ‘soort super-Legogeschiedenis’:
‘Het lijkt allemaal heel eenvoudig. Langzaam laat hij het
gebouw groeien, alle technische zaken, althans de belangrijkste, komen in taal
en teken ter sprake, van de fundering - wat moet het vrijmaken van de ruimte in
zo'n stadje voor heel lange tijd een enorm gat midden in de stad veroorzaakt
hebben - tot het aanvoeren van het vele materiaal, het maken in werkplaatsen
ter plaatse van de onderdelen, het maken van de glazen, enfin voor de rustige
kijker groeit in een klein uur lezen en kijken een bouwwerk dat een eeuw kostte
op zijn tafel.’

Ungerer, Allumette

‘Het meisje met de zwavelstokjes’ door C.C.A. Last,
1849
Intussen volgt
Bresser het nieuwe aanbod steeds meer op de
voet, zowel prentenboeken als poëzie voor kinderen, bekroonde boeken of studies
over illustraties. Op 27-2-1975 attendeert hij tegen de achtergrond van de
‘nostalgische rage rond herdrukken van befaamde bestsellertjes uit grootmoeders
tijd’ op hedendaagse prentenboeken als Allumette (‘een soort
alternatieve Florence Nightingale contra de veelvraten van de samenleving’) van
Tomi Ungerer, of op Het vlinderbal van Alan Alridge als
kijkboek voor jong en oud. Op 2-8-1975 plaatst hij
Juffrouw Slenter en
Kees en Keetje van
Jantien Buisman met een expliciet evaluerende
opmerking in de aandoenlijke prentenboektraditie van Beatrix Potter. Op
6-12-1975 noemt hij
Fens vanwege diens bloemlezing Goedemorgen welterusten. Gedichten voor kinderen en ande- | | | |

Buisman, Kees en Keetje
Potter, Het verhaal van Vrouwtje
Plooi
re volwassenen de samensteller van ‘een soort
brievenboek’ die als postillon de poésie het woord van
Lucebert: ‘poëzie is kinderspel’ dichterbij wil brengen.
In 1976 typeert Bresser De tovenaarsleerling van
Ungerer (13-3) en De kraaien van perebloesem van Huxley
(2-10) als prentenboek. Op 15-10-1977 ziet hij in
Tom Tippelaar van
Schmidt en
Verburg een kwalitatieve doorbraak van het
Nederlandse prentenboek in een door buitenlands aanbod gedomineerde markt. Met
betrekking tot ‘de dubbele bodem-stijl van de prenten’ merkt hij een aan
Schmidt verwant talent tot satire op. Wederom een expliciet evaluerende
verwijzing.
Op 14-11-1978 bespreekt hij onder meer titels van Ungerer, Turin, Anno
en Schmidt/Verburg (nogmaals Tom Tippelaar) en de nodige
nuttige prentenboeken. ‘Nu vind ik nuttig - zeker als het over een prentenboek
gaat - eigenlijk een vies woord, zoals een opvoedkundig kinderboek me best
smerig in de oren klinkt.’ De prentenboeken van Anno bewondert hij om hun
landschappelijk en niet om hun educatief schoon. Voor de
feministisch-opvoedkundige strekking van het prentenboek van uitgeverij Sara
over de schildpad Clementine die huis, haard en man verlaat om op eigen benen
te staan, is hij vol lof.
Op 27-1-1979 laat hij Mali, directeur van de Rotterdamse Kunststichting,
aan het woord over het project Spelen met woorden: ‘een
kunstenaar op school, dat was vroeger vooral zoiets als apies kijken. Een
uitzondering. Waar wij aan werken is te proberen kunstenaars een ruime plek in
dat onderwijs te geven. En in het basisonderwijs lukt dat heel goed.’ In dat
jaar bespreekt Bresser onder meer prentenboeken | | | | van
Ionesco/Delessert. Hoe mooi hij deze ook vindt, ze lijken hem te moeilijk om
zich een warme plek onder het hoofdkussen van jonge kinderen te verwerven
(20-1). De prentenboeken van Ichikawa zijn in zijn ogen pastorales (1-12).
Samen met
Fens wijdt
Bresser op 9-6-1979 een pagina aan
Theo Thijssen. De eerste aan de
onderwijsverbeteraar met zijn kritiek op levenloze schoolboekjes, de tweede aan
de literator die terugging naar school: ‘Als auteur werd hij een superieure
hoofdonderwijzer. En alle lezers bood hij de kans tot terugkeer. Hij ging voor
hen staan en vertelde, en zijn literaire wereld werd de school, de klas, de
jaren van de jeugd. En zijn wereld werd die van zijn lezers. Zo was het en zo
is het.’
Een jaar later vestigt Bresser de aandacht op de invloed die er van
Thijssens
Het grijze kind op
Guus Kuijer is uitgegaan in het conflict tussen
kinderlijkheid en ontkinderlijkte volwassenheid. Na die interpreterende
plaatsing van
Het geminachte kind in de literaire
traditie geeft de keuze van het citaat steun aan de positie van de op het kind
gerichte auteur en schoolmeester Kuijer (16-8-1980):
‘Wij weten dat de school eerder zou moeten lijken op een
jungle, een boerderij, een laboratorium, een labyrint dan op een kantoorgebouw
en toch lijken alle scholen op het laatste.’
12
Dat citaat vindt bij menig onderwijsvernieuwer gehoor, zo zal in het
volgende hoofdstuk blijken, en wordt aanleiding tot het Kohnstamm-Kuijer-debat.
13
Op 15-4-1980 laat Bresser
Mance Post - naar aanleiding van haar
prentenboek
Ik woonde in een leunstoel - aan het woord
over haar jeugd in de Amsterdamse Staatsliedenbuurt. Over wat haar vader toen
voor haar betekende zegt ze:
‘Mijn vader heeft mijn fantasie goed gevoed. Hij was
huisschilder geworden, zoals meer begaafde arbeidersjongens in die jaren. Maar
hij tekende altijd en overal. In zijn kasboeken, maar ook op de spijlen van
mijn bed. Mannetjes, engeltjes, gnomen, kabouters, versierinkjes. Als de
spijlen vol waren, sopte hij ze af en begon opnieuw. Iedere avond een tekening.
Hij speelde ook mooi viool. En als hij in winterdagen zijn “gedaan” kreeg -
zonder werk kwam - schilderde hij aan de lopende band stillevens voor rijke
mensen.’
Aan de vooravond van de kinderboekenweek van 1980 wijden Blokker, Fens
en Bresser een pagina aan hun vroege leeservaringen (27-9). Ditmaal legt Fens
met een impliciet waardeverkleinende vergelijking onder de titel De burgemeester en de veldwachter een oorzakelijk verband
| | | | tussen het clichématige in de kinderliteratuur en de
gezagsgetrouwheid van de Nederlander:
‘In de kinderboekenweek denk ik altijd even aan Wiegel. Want
als ik Wiegel zie, denk ik altijd even aan mijn kinderboeken. De associatie kan
vreemd zijn, want Wiegel is iemand die nooit jong is geweest. Maar dat is het
hem juist. Kinderboeken van vroeger wemelden, in mijn herinnering, van figuren
die nooit jong waren geweest. [...] Zij waren niet zozeer oud, als wel
officieel oud en daarnaar waren zij ook gekleed, zoals de illustraties ten
overvloede lieten zien. Zij waren ook deugdzaam en vooral zich hun
deugdzaamheid bewust. Daarom waren zij ook notabel. En omdat deugdzaamheid
alleen in zeer kleine kring wordt opgemerkt en gerespecteerd, waren zij altijd
dorpsnotabel.’
Op Prinsjesdag liet de televisie die dorpsnotabelen opdraven op het
Binnenhof, in jacquet en in een koetsje:
‘Een literaire figuur die echt wordt - het is bijna te mooi om
waar te zijn. Hoewel, echt? Soms denk ik wel eens dat Wiegel ook verzonnen is
en dat hij uit het nagelaten werk van
Kievit komt [...]. In elk geval: ik ben
dankbaar dat ik in mijn jeugd veelvuldig aangespoord ben, toch te gaan zitten
lezen en al die Roggevenen, Kieviten en Van Abcoudes niet alleen heb
verslonden, maar ook geloofd.’
En in een visioen (een impliciet waardevergrotende verwijzing) ziet
Fens over twintig jaar met het vrolijk
anarchisme van
Annie Schmidt een heel andere verbeelding op
het Binnenhof aan de macht komen:
‘De Staten-Generaal wordt geopend en wie komt daar in een
klein rood wagentje aanrijden? Pluk uit de Petteflet. Hij is nu minister van
binnenlandse zaken. Wat zal Nederland dan een aardig land zijn, nog altijd een
dorp natuurlijk, maar zonder notabelen.’
Bresser roept met een expliciet evaluerende verwijzing het underdog-gevoel uit zijn kindertijd in herinnering:
‘Als jongetje was ik gek op Onrecht. En ik niet alleen. Ook
m'n vriendjes smulden van Kruimeltje. En nog meer van
Het meisje met de zwavelstokken. Mijn moeder en m'n vader
lazen er regelmatig uit voor, soms in de kring rond de grote potkachel - want
Andersen hoort bij de winter - en soms in de kleine kring voor mezelf op
schoot. Het lucifersmeisje vond ik het allerallermooiste. Het
was ook het sprookje dat ik later het meest las. Meer nog denk ik dan
De varkenshoeder of Het lelijke jonge
eendje, hoewel ook die twee sprookjes alles met onrecht te maken
hebben.’
De laatste bijdrage van
Bresser op 10-6-1981 aan de kinderrubriek
‘Piepschuim’ onderstreept de vooraanstaande positie van Annie M.G. Schmidt. Hij
begroet haar met goud bekroonde
Otje als misschien het aardigste
kinderboek van het jaar en als een dierbare stem | | | | uit zijn prille
jeugd toen hij, zelf twee turven groot, al
Het fluitketeltje las.
Zo'n tien jaar lang - van 1971 tot 1981 - heeft
Bresser de kinderliteratuur in De
Volkskrant op de voet gevolgd. Eerst vrij sporadisch, maar na een paar
jaar behandelt hij met grote regelmaat in besprekingen, reportages en
interviews van alles wat er behalve in onderwijs en kunst in het kinderboek
aandacht verdient. Bresser doet dat vanuit het credo van de maakbare
samenleving van De Volkskrant van toen. Vooral voor toneel en
onderwijshervorming heeft hij veel belangstelling. Hij doet verslag van het
politieke theater van Grips, hij is getuige hoe Jozef van den Berg met
Mannetje Pluim het publiek tot meespelen brengt en hoe het
Werktheater met Doodgewoon kinderen naar zelfmoord of dood
door ziekte laat kijken. Hij laat Van Kemenade aan het woord over de
Middenschool en Wildeboer van de Stichting voor Leerplanontwikkeling (SLO)
reageren op Kousbroeks verdediging van de literaire traditie tegen wat deze de
dwaling noemt dat cultuur gelijk is aan ‘creatief’ zijn.
14 Wildeboer is zowel
geporteerd voor goed literatuur-onderwijs als voor de uitbreiding van het
nieuwe basisonderwijs met het vak kunstzinnige vorming en dat vraagt veel meer
dan ‘een paar nieuwe knopen aan een oude jas’ (10-2-1979). Door Wildeboer en
niet Kousbroek een podium in de krant te gunnen kiest Bresser partij voor de
culturele vernieuwers en niet voor de verdedigers van de traditie.
Literatoren en hun kunst zijn in de ogen van Bresser gewoon en bijzonder
tegelijk. Door die culturele bevlogenheid weet hij zich aangeraakt sinds hij,
net achttien, tijdens zijn eerste jeugdfestival Ko van Dijk in de Midzomernachtsdroom zag en in het gymnastieklokaal van een
middelbare school gewoon met hem kon praten, op het korfbalveldje naar de
poëzie van
Hans Andreus kon luisteren en met Anton van
Duinkerken, Pierre Janssen en Hans Tiemeijer over Kunst kon ‘discussiëren’
alsof dat de normaalste zaak van de wereld was. Al die namen en mensen kende
hij van zijn vader, die zich als een van de oprichters van WIKOR inzette voor
spreiding van kunst en cultuur en voor musische vorming in het onderwijs.
‘Onderwijs, Kunst en Wetenschap nog bij elkaar, als drie
musketiers die de cultuur als wapen hanteerden in de ontplooiing van mensen.
Daar ging het om. En dat geloof moest worden omgezet in daadkracht, want
idealiseren alleen werkte niet.’
15
Die bevlogenheid voor kunstzinnige vorming bleek in de politiek slechts
een bevlieging, maar dat doet volgens Bresser niets af aan het | | | |
inzicht ‘dat je kinderen vleugels kunt geven, zodat ze hun wereld leren
overzien’. Prentenboeken rekent hij daarbij tot de boeken die kinderen al vroeg
vleugels geven.
Bresser recenseerde tussen 1971 en 1981
tenminste 241 kinderboeken (het bestand is niet geheel compleet), waaronder de
41 titels die hij zelf als prentenboek typeert afkomstig zijn van het volgende
bonte gezelschap auteurs: Ahlin, Alridge, Anno, Ankooy, Bayley, Bradley,
(Anthony) Browne, Buisman, Carle, Chorao, Delessert, Driessen, Foreman,
Hagbrink, Heymans, Hulshof, Ichikawa, Janosch, Larsson, Leystad, Machado, De
Noury, Olsen, Salomonson, Schmögner, Sendak, Tenniel, Turin, Ungerer, Venema,
Verburg, Vogel, Williams, Zeraldo en Zirimik. In het begin bespreekt Bresser in
stapelrecensies één keer zo'n kleine 20 (prenten)boeken, zeven keer tussen de 6
en 10 boeken, vijftien keer 3 tot 5 boeken en veertien keer minder dan 3 boeken
tegelijk. Naarmate hij vaker recenseert, verdwijnen ook de stapelrecensies.
| |
Tweede periode: 1981-1990
Na het vertrek van Bresser beschikt De Volkskrant
lange tijd niet meer over een spraakmakend criticus en een succesvol
organisator van het publieke debat in de krant met aandacht voor de opkomende
kinderliteratuur in het algemeen en het prentenboek in het bijzonder. Zo
verbrokkelt het brede, actuele kinderboekenbastion van Bresser (en Fens); wat
rest zijn losse bijdragen zonder verband. Die periode wordt, omdat het zelden
over prentenboeken gaat, enkel geregistreerd in het kwantitatieve
overzicht.
Even is
Fens, die zich is gaan richten op klassieke
auteurs en op de tweede stem van de poëzie, weer terug wanneer hij op 18-5-1984
zijn oud-collega aan de Frederik Mulleracademie in Amsterdam, Jannie Daane
herdenkt. Hij doet dat, onder de titel Twee tassen met
boeken, vol lof voor haar niet-aflatende inzet het beste dat schrijvers en
tekenaars kinderen te bieden hebben, naar de kinderen te brengen. Ze liep er
haast krom van, schrijft Fens als hij uitdrukt hoe zij voortdurend in de weer
was met boekpromotie.
‘Ik heb haar de uitdrukking “gelijke kansen” gelukkig nooit
horen gebruiken, maar ze heeft er in een lang en zeer bezet leven alles aan
gedaan om die gelijkheid onder de kinderen van de lagere school tot stand te
brengen, met de inhoud van die twee tassen en met een zeer weloverwogen
leesprogramma.’
Zo vond de leesbevordering die toen nog boekpromotie heette, in Jannie
Daane haar eerste canonieke pleitbezorger.
Op 7-10-1983 zorgt
Rindert Kromhout in zijn eerste recensie
meteen voor een nieuw geluid door de vinger op de zwakke plek van menig
| | | |

Lobel, Kikker en Pad
Grahame en Shepard, De wind in de
wilgen
prentenboek te leggen: tekst en tekeningen vormen geen eenheid
vanwege gebrek aan samenwerking tussen illustrator en schrijver, of vanwege een
tekort aan tekstvaardigheid bij de tekenaar.
Arnold Lobel vormt met zijn
Kikker en Pad-boeken de uitzondering op
die regel. Naar aanleiding van de prentenboeken
Ik kan niet slapen van
Ingrid en
Dieter Schubert en
Ik ben Jantje en ik kan al lezen van
Margriet Heymans merkt hij op dat het echtpaar
Schubert een goede scenarioschrijver verdient en, met een waardetoekennende
verwijzing, dat Margriet Heymans het ideaal van Lobel dicht nadert.
Dat nieuwe, op de vorm gerichte geluid klinkt ook op uit zijn algemenere
artikel van diezelfde dag: ‘Jeugdboek wordt volop betutteld’. Dit blijkt uit
‘kleurloos, stereotiep en levenloos taalgebruik’ in onder meer zijn eigen werk,
bekent
Kromhout, en uit gebrek aan vernieuwing: er
wordt te weinig geëxperimenteerd, te veel vastgehouden aan het idee dat
kinderen van boeken iets moeten leren en dat ook schurken voldoende goede
kanten moeten hebben. Aldus zet Kromhout de kritiek van Fens op de dode taal in
de kinderliteratuur en van Blokker op de lenigheid van het hurken voort.
Kromhout herkent dat hurken in het toespreken van kinderen: ‘Woef, blaft
de hond’ in plaats van ‘De hond blaft’ (3-5-1984). Twee weken later prijst hij
Kleine Sofie en Lange Wapper van
Els Pelgrom en
The Tjong Khing om het slot dat speelt na de
dood met een waardetoekennende verwijzing naar Het kleine meisje
met de zwavelstokken van Andersen (17-5). Op 21-6 duidt hij bij
Derk Das blijft altijd bij ons van Varley op de thematische
overeenkomst met Dat is heel wat voor een kat van Viorst, een
waardetoekennende verwijzing. Op 15-9 signaleert hij een emancipatoir
vakmanschap in het maken van prentenboeken als
Jipsloop van
Margriet Heymans. En in de kinderboekenweek
hekelt hij | | | | in ‘En zij leesden nog lang en gelukkig’ het op zijn
pootjes terechtkomen van elk verhaal, zoals dat het geval is in het terugvinden
van het verloren knuffelbeest aan het slot van het prentenboek Knuffel.
Kromhout ziet op 1-3
Die dag in Hiroshima van
Maruki als een prentenboek en op 10-11
Wie dit leest is het vierde beest van
Gernhardt als eenpoëzie-prentenboek.
Een jaar bij Kikker en Pad en
Het boek van de Biggeriks van
Lobel beschouwt hij op 13-10 nog niet als een
prentenboek, maar dat doet hij wel op 3-12-1985 met
Sprinkhaan op stap van dezelfde auteur.
Hij plaatst de Kikker en Pad-verhalen met een expliciet
evaluerende aanduiding in de traditie van Winnie the Pooh en
The wind in the willows.
Op 14-6-1985 noemt Kromhout Sesamstraat een
kweekvijver voor nieuw schrijf- en tekentalent, ook voor prentenboeken als
Dikkie Dik van
Jet Boeke. Op 5-11 geeft hij het advies om van
Zaterdag in het paradijs van
Heine het ‘klassieke, brave en in dit geval
overbodige kinderboekenslot’ dicht te plakken. Op 3-12 stelt hij over
Het verhaal van Kipje Snip van Ormerod met instemming vast
‘dat het slecht afloopt zoals verhalen die kinderen zelf bedenken’. En op 23-12
vormt het prentenboek De mysteries van Harris Burdick van
Chris van Allsburg met de opzichzelfstaande prenten en bijschriften een welkome
verrassing in zijn kruistocht tegen de goede afloop.
Op 2-9-1986 noemt Kromhout Ceserani een prentenboekenauteur voor de
oudere jeugd. Kromhout maakt soms van contrast gebruik, zoals waar hij in 1986
de gedetailleerde Grimm-illustraties van Postma plaatst tegenover de spaarzame,
rake lijnen van Weve (25-2), en
Lena lena van Harriët van Reek te
innovatief vindt om het in een traditie te kunnen plaatsen, terwijl
Rol Bol van Pieke Stuvel vertrouwder en
‘leesbaarder’ is (6-10-1987). Hij blijft hameren op bondig taalgebruik in
prentenboeken en de wijze waarop
Wilmink in
Kummeling gaat uit eten met de deur in
huis valt, vindt hij een goed voorbeeld van hoe het kan: ‘Op een dag stapte
Kummeling op de trein, want hij wilde de wereld zien. Waar de rails ophielden,
stapte Kummeling uit.’ Dat geen genre als het prentenboek zoveel aan het beeld
kan overlaten, illustreert Kromhout door van
De beer en het varkentje van
Max Velthuijs het hele verhaal na te vertellen.
‘Alles prijsgegeven? Nou nee [...] Belangrijker dan het verhaal zijn namelijk
de illustraties. Het zijn de tekeningen die dit boek tot een geweldig
prentenboek maken.’ (10-3-1987)
Kromhout spitst zijn op vorm gerichte kritiek met enige regelmaat toe op
hoe prentenboeken inspelen op jonge kinderen. De populariteit van Eric Carle
onder kleuters en kleuterleidsters schrijft hij toe aan de metamorfoses en
sluipwegen in zijn collagetechniek. Kleuters zijn daarmee vertrouwd vanuit hun
doen alsof en hun verstoppertje spelen, zoals Carle als geen ander weet omdat
hij zijn technieken op kleuterscholen beproeft (8-6-1985). Zelf weet Kromhout
van zijn eigen | | | |

Schroedler, Lupineke
bezoek aan scholen hoe nieuwsgierig kinderen zijn naar het
ontstaan van een boek (15-10). Het prentenboek
Lena lena van Van Reek heeft in zijn
ogen de signatuur van een kinderlijk handschrift (6-10-1986) en Meneer
Klepperdeklep in
Lupineke van Binette Schroeder doet
denken aan een koppoter (17-6). Op 14-10-1989 laat
Kromhout zien dat
Imme Dros veel te moeilijk schrijft voor
beginnende lezers: ‘Toen lazen ze tegelijk elkaars brief en hun eigen brief.’
Paul van Loon kan dat - een waardeverkleinende
verwijzing - volgens hem veel beter: ‘Tilda klimt uit de kuil. Meteen pakt de
rover haar beet. Maar Tilda vecht als een kat.’
Naast de smaak van de kinderen betrekt Kromhout in zijn op vorm gerichte
argumentatie de smaak van de bemiddelaren. In zijn bespreking van Het verhaal van de dansende kikker van Quentin Blake wijst hij op
het sobere bruin in de vertelepisode en de warreling van vier kleuren in de
dansepisode, wanneer de dansende kikker zijn kunsten mag vertonen (16-2-1985).
Met dat contrast in wat jonge kinderen en oudere lezers mooi vinden is Kromhout
er voor alle leeftijden.
Op 2-10-1987 opent het katern ‘Kunst en Cultuur’ van De
Volkskrant met de beschouwing ‘Zijn de monsters echt?’ waarmee Aidan
Chambers de kinderboekenweek had geopend. Chambers wijst in die lezing op de
vroege invloed die verhalen uitoefenen op iemands bewustzijn. Het verhaal
De worm van Lambton, dat zijn grootvader hem vertelde toen
hij 3 jaar oud was, was hij nooit vergeten. Literatuur die zo'n blijvende
indruk achterlaat, verdient in zijn ogen een adequate | | | | kritiek en
‘een sympathieke goed formulerende lezer die andere lezers kan laten zien hoe
ze in dat werk van de schrijver kunnen doordringen en ervan genieten’. Zo'n
kritiek kan een groot schrijver toegankelijk maken en de lezer de kans geven om
zichzelf te vergroten. Vaak zijn dat kinderboeken die weerstand moesten
overwinnen en die ‘zich langzaam hebben gevestigd als klassieken, als boeken
die de normen verlegden en zo modellen werden voor de beoordeling van nieuwe
boeken’. Zo'n boek is
Max en de Maximonsters, zoals in
hoofdstuk 4 al is opgemerkt.
Op 10-12-1988 plaatst Kromhout met een waardevergroten de verwijzing
Moser in de traditie van Janosch en Waechter. Op 21-1-1989 zet hij het
prentenboek
Lieveling, boterbloem van
Margriet Heymans vanwege het raadselachtige
karakter op één lijn met bakerrijmen.
Kromhout ziet in Sendaks Max en de
Maximonsters en Ungerers
Zeralda's reus met hun verzet ‘tegen de
roze kinderboeken die overliepen van honing en getroetel’ de voorbode van
recalcitrante prentenboeken, met
Geen kus voor moeder van Ungerer als
hoogtepunt van die ‘bozige opstandigheid’ (22-4).
Op 22-12-1989 verwijt Kromhout in zijn zwanenzang de Nederlandse
krantenredacties dat zij nog steeds niet zien hoe goed er in Nederland wordt
geschreven en getekend, terwijl er al jaren veel meer Nederlandse kinderboeken
worden vertaald dan boeken voor volwassenen. Dat succes heeft de
kinderliteratuur volgens hem te danken aan het experimenteren met nieuwe
verhaal- en illustratiestijlen, zoals de combinatie van prentenboek met
verhaal, toneel en gedicht in Lieveling, boterbloem van
Margriet Heymans, of van poëzie en prentenboek in
Mijn botjes zijn bekleed met deftig vel
van
Ted van Lieshout.
Na het vertrek van Kromhout neemt
Selma Niewold, die de rubriek al vanaf
22-10-1988 samen met Kromhout deed, voortaan de kinderboekenkritiek alleen voor
haar rekening. Ze noemt de prentenboeken van Eco sprookjes met dynamiet
(19-11),
Dat rijmt van
Ivo de Wijs en
Alfons van Heusden een scheurrijmwoordenboek
(17-12) en
Meester de Meijere van Quentin Blake een
hilarisch prentenboek (14-1-1989). Ze attendeert op het nieuwe geluid van
Anthony Browne (Gorilla), van Posy Simmonds (Kiki en de vliegende baby's) en van Jekkers (De man
van wol) (11-2), en tevens, met een expliciet evaluerende referentie, op
de wederopstanding van de opstandige hoofdfiguur van Max en de
Maximonsters in Ik wil een poes van Tony Ross (18-3).
Van Oram is boos van dezelfde auteur vindt ze dat het
recalcitrante gedrag vloekt met de vredige afloop van het verhaal, wat aan die
verwijzing alsnog een waardeverkleinende betekenis geeft (17-9). Bij identiteit
als thema van drie prentenboeken is, met een waardevergrotende referentie,
Frederick van Lionni het grote voorbeeld (7-10). Niewold
wijst op de | | | | vooraanstaande rol die de kat in de literatuur
speelt, maar zelden als kat: ‘
Annie M.G. Schmidt laat in
Minoes de kat veranderen in een dame die
zich als kat blijft gedragen,
Judith Viorst maakt in
Dat is heel wat voor een kat gebruik van
dit dier om kinderen enigszins vertrouwd te maken met de dood. Een uitzondering
is
Rudy Kousbroek, die observaties geeft van katten
met al hun geheimzinnigheid, eigenwijsheid, slimheid en domheid.’ Met de komst
van Striep blijkt ook Figee een humoristisch observator van
het kattenleven, terwijl Blitzkat van Westall volgens Niewold
te veel mens is. Daarmee wordt een expliciet evaluerende verwijzing verfijnd in
zowel waardevergrotende als waardeverkleinende zin (2-12).
Niewold mengt zich een paar keer in het debat over de literaire
hiërarchie. Zo herinnert ze in haar bespreking van
Het bergje spek van
Harriët van Reek aan de lof voor de
originaliteit van
De avonturen van Lena lena, en aan de
kritiek op de quasi-kinderlijke tekeningen, waarmee ze het echter niet eens is.
Het bergje spek is voor haar een waar luilekkerland van
verhalen, ‘die je kunnen verbazen, aan het lachen maken en ontroeren’
(6-1-1990). De bekroning van
De dame en de neushoorn van Vegter/Ten
Bosch met de Libris Woutertje Pieterseprijs wekt haar dubbele ergernis. Het
boek is haar te geforceerd en te zeer gericht op de erotische fantasie van
volwassenen: ‘De neushoorn sloeg zijn wimpers neer. Toen stak hij zijn kop
russen haar benen. En daar gingen zij.’ En de toelichting bij het citaat in het
juryrappport: ‘De meester mag niet dalen, de leerling moet klimmen’ maakt niet
inzichtelijk wat er nou te klimmen valt (17-3). Dat doorprikken van boek en
juryrapport van voorzitter Blokker doet denken aan de speld van Fens. Op 14-4
noemt Niewold
Ik houd van de tuin van Monet van Björk
een intrigerende en nieuwe manier om naar schilderijen te laten kijken, waar
Op zoek naar Vincent volgens haar schril
bij afsteekt (een waardeverkleinende verwijzing). Het informatieve prentenboek
Voor krokodil in de wieg gelegd weet
feiten over krokodillen verrassend te combineren met absurde humor in tekst en
tekening. De dierenverhalen in het debuut
Zippy en Slos van
Daan Remmerts de Vries doen haar denken aan
De wind in de wilgen van Grahame of de dierverhalen van
Arnold Lobel. Een expliciet evaluerende
verwijzing. Niewold vindt de verhalen over de bescheiden, gezette kat Zippy en
de magere, ongedurige zwerfkat Slos toegankelijk geschreven, grappig en
ontroerend, en de illustraties prachtig (26-5).
Bij de heruitgave van
Het grote boek van Paulus de boskabouter
herinnert Niewold zich hoe de hele familie naar de avonturen van Paulus zat te
luisteren en hoe ieder een passende rol kreeg toebedeeld. ‘De rol van Paulus
werd daarbij overgeslagen; hij was te braaf en te slim. Het was veel leuker de
gemene heks Eucalypta te zijn, die geen kans onbenut liet te proberen zich te
ontdoen van die miezerige, bemoeizuchti- | | | | ge kabouter. Ook
Oehoeboeroe, de wijze uil met zijn komische opschepperigheid en zijn vaste
gezegde: “Dat is helendal wel zo tamelijk...” was een favoriet.’ Een
uitzonderlijke verwijzing naar een literaire gezinstraditie (25-8).
De naderende dood in
De o van opa van
Imme Dros doet denken aan hoe in
Dat is heel wat voor een kat van
Viorst de kat wordt herinnerd om wat er zo
aardig aan haar was. Een waardevergrotende verwijzing (3-11). Van de
gesubsidieerde poëzieprentenboeken
Mijn botjes zijn bekleed met deftig vel
van
Ted van Lieshout en
Waaien, hard waaien van Sligting/Berends
wordt het eerste geprezen om het stellen van grote levensvragen met de
onbevangenheid van een kind, terwijl het tweede vlees noch vis wordt gevonden:
geen poëzie, omdat ‘de woorden niet trefzeker op de enige juiste plaats staan’
en geen prentenboek, omdat tekst en tekening elkaar ‘niet volgen’ (15-12).
| |
Ontwikkelingen
Hoe verdeelden de recensenten in De Volkskrant hun
aandacht over de diverse boeksoorten? Tabel 6.1 geeft een overzicht. De
vermelde totalen in deze en de volgende tabellen vertonen steeds enige variatie
ten gevolge van hier en daar ontbrekende gegevens, bijvoorbeeld over datum,
auteur, genre enzovoort. Zo hebben enkele ongedateerde recensies in tabel 6.1
geen plaats gekregen, terwijl die wel konden worden meegeteld in de verdeling
over recensenten.
| boeksoort |
1970-1975 |
1976-1980 |
1981-1985 |
1986-1990 |
totaal |
| |
|
|
|
|
|
| fictie |
110 |
58 |
127 |
255 |
550 |
| non-fictie |
14 |
9 |
17 |
23 |
63 |
| poëzie |
5 |
8 |
8 |
14 |
35 |
| prentenboek |
13 |
25 |
42 |
96 |
176 |
| strips |
2 |
2 |
3 |
4 |
11 |
| overige |
- |
3 |
7 |
43 |
53 |
| totaal |
144 |
105 |
204 |
435 |
888 |
Tabel 6.1. Aantal besproken kinderboeken in
De Volkskrant (1971-1990), uitgesplitst naar boeksoort en
periode.
Allereerst blijkt dat het aantal besproken kinderboeken na 1980 flink is
toegenomen, vooral in de laatste periode, dat non-fictie in alle vier de
tijdvakken weinig aan bod komt (gemiddeld ongeveer 7% van alle besprekingen) en
dat poëzie in absolute zin weliswaar nog minder aandacht krijgt, maar sterker
groeit in de laatste periode. Verreweg de sterkste groei vindt echter plaats in
de segmenten fictie en prentenboeken, waarbij in twee periodes de aandacht voor
het prentenboek | | | | meer dan of bijna verdubbelt. Die laatste
uitbreiding loopt in de pas bij de toegenomen productie (zie hoofdstuk 5).
In tabel 6.2 staat een overzicht van de verdeling naar aantallen
besproken kinderboeken en prentenboeken per recensent. Tot de overige
recensenten behoren
A.J. Odijk,
Etty Mulder,
Lydia Rood,
Maria Hendriks,
Willem Kuipers en S.B.
| recensent |
periode |
kinderboeken |
waarvan prentenboeken |
| |
|
|
|
| J.P. Bresser |
1971-1980 |
241 |
41 |
| S. Dijkhuizen |
1971-1975 |
12 |
- |
| K. Fens |
1971-1975 |
7 |
2 |
| F. Hersch-van de Stoel |
1981 |
40 |
6 |
| R. Kromhout |
1981-1990 |
418 |
115 |
| M. Hammerstein |
1981 |
13 |
3 |
| S.B. |
1971-1972 |
23 |
- |
| S. Niewold |
1988-1990 |
101 |
13 |
| H. Tromp |
1982-1985 |
46 |
- |
| overige recensenten |
1972-1988 |
15 |
- |
Tabel 6.2. Recensenten in De
Volkskrant, periode van recenseren, totaal aantal titels en
prentenboeken.
Het is de verdienste van
Jan Paul Bresser,
Selma Niewold en vooral van
Rindert Kromhout dat ook de lezers van
De Volkskrant zijn geattendeerd op de sterke groei van het
prentenboek. Overigens waren sommige recensenten daar ook veel minder toe in de
gelegenheid.
Herman Tromp besprak bijvoorbeeld bijna
uitsluitend kinderboeken voor de oudere basisschooljeugd, of voor het publiek
van de middelbare school.
Heeft de in het vorige hoofdstuk opgemerkte trend tot
leeftijdsdifferentiatie in de boekproductie zich ook in de literaire kritiek
van het prentenboek voorgedaan? In tabel 6.3 staat een overzicht van de
vermelde leeftijdscategorieën in de eerste en de tweede periode.
| leeftijdsaanduiding |
1971-1980 |
1981-1990 |
| |
|
|
| baby's/peuters |
2 |
8 |
| peuters/kleuters |
- |
24 |
| kleuters |
2 |
33 |
| kleuters/onderbouw |
2 |
18 |
| onderbouw |
- |
10 |
| bovenbouw |
- |
5 |
| alle leeftijden |
1 |
2 |
Tabel 6.3. Meest voorkomende leeftijdsaanduidingen
voor prentenboeken in De Volkskrant, per periode van tien
jaar. | | | |
Wat opvalt is, dat in het tweede decennium van de hier onderzochte
periode meer en vaker gradaties worden onderkend in de beoogde leeftijd van het
prentenboek: zowel naar beneden (peuters en baby's) als naar boven (onder- en
bovenbouw) en voor alle leeftijden.
Fens bespreekt twee keer prentenboeken zonder
de leeftijdsaanduiding te vermelden of in acht te nemen. Dit rijmt met de
ondertitel van zijn bloemlezing
Goedemorgen, welterusten. Voor kinderen en andere
volwassenen.
16
Bresser laat de leeftijdsaanduiding meestal in
het midden (34 keer geeft hij geen nadere aanduiding), en waar hij ze wel noemt
vat hij het prentenboek 6 keer op als bestemd voor het jonge kind en één keer
voor alle leeftijden. Bij de prentenboeken van Ionesco verwacht hij dat jonge
kinderen ze niet onder hun hoofdkussen zullen bewaren; dat ze voor oudere
kinderen zijn bedoeld, komt niet in hem op.
Kromhout laat de leeftijdsaanduiding 30 keer
in het midden, maar in driekwart van de gevallen (75 keer) geeft hij die wel:
één keer acht hij de prentenboeken geschikt voor baby's, 5 keer voor peuters,
13 keer voor peuters/kleuters, 15 keer voor kleuters/onderbouw, één keer voor
kleuters/onderbouw/bovenbouw, 6 keer voor de onderbouw, 5 keer voor de
bovenbouw, 27 keer voor de bovenbouw/voortgezet onderwijs en 2 keer voor alle
leeftijden. Kromhout heeft er kennelijk oog voor dat het prentenboek diverse
leeftijden op maat kan bedienen. Daarbij verbindt hij zijn op vorm gerichte
kritiek met de wijze waarop een specifieke literaire en beeldende sensibiliteit
wordt aangesproken. Hij ziet opvallende parallellen tussen de esthetiek van
bepaalde prentenboeken en de expressie van jonge kinderen in hun doen alsof en
hun manier van tekenen. De aanduiding ‘voor de allerjongsten’ bij Monkie vindt hij niet in overeenstemming met de gedetailleerde
prenten en de ingewikkelde verhaallijn. Peuters kunnen volgens hem de relatie
tussen elkaar opvolgende tekeningen nog niet leggen, laat staan tussen elkaar
opvolgende pagina's (25-11-1986). Apart vestigt hij de aandacht op
prentenboeken voor een ouder publiek en op wat prentenboeken voor kinderen en
voor volwassenen kunnen betekenen.
Niewold laat de leeftijdsaanduiding doorgaans
in het midden (5 keer), wijst 6 keer prentenboeken toe aan de kleuterleeftijd
en 2 keer aan de onderbouw. Wanneer ze
Sendak en
Ungerer herauten noemt van een nieuw,
opstandig levensgevoel, verankert ze de sensibiliteit van het moderne
prentenboek al evenmin in een specifieke leeftijd als wanneer ze de poëzie van
Ted van Lieshout prijst om het vermogen grote
levensvragen te stellen met de onbevangenheid van een kind.
| | | |
| |
Traditie en vernieuwing in de Volkskrantrecensies
Welk beeld tonen de verwijzingen waarvan de kritiek in De
Volkskrant gebruik maakte? De auteurs die
Fens in bewonderende zin aanhaalt zijn: Lewis
Carroll,
Multatuli (2 keer) en
Annie M.G. Schmidt (2 keer).
Bresser plaatst de prentenboeken van
Buisman in de traditie van Beatrix Potter, de
schrijver-schoolmeester
Guus Kuijer in de traditie van
Theo Thijssen, terwijl de sympathie met de
underdog in Kruimeltje door hem wordt verbreed tot Andersen.
Kromhout hanteert verwijzingen, waardoor de
besproken auteurs met de prentenboekenmakers
Lobel,
Viorst, Andersen, Milne, Grahame, Janosch,
Waechter,
Sendak en
Ungerer worden vergeleken.
Niewold gebruikt referenties naar Sendak,
Ungerer, Lionni, Viorst (2 keer), Björk, Grahame en Lobel als ijkpunt.
Het begrip ‘spelen met spelden’, waarmee Fens pleit voor een speelser
taalgebruik, past Bresser toe in onderwijs en kunst: de laboratoria van de
samenleving. Hij steunt Fens in zijn inzet voor poëzie als kinderspel en
onderstreept het werkelijkheidskarakter in de verbeeldingswereld van het
sprookje. Kromhout trekt de taalkritiek van Fens door naar enerzijds het
samenspel van taal en beeld in het prentenboek, en anderzijds - op het niveau
van de gebruiker - naar uitingsvormen die kunstenaars en jonge kinderen met
elkaar delen, zoals collagetechnieken en kleurschakeringen, koppoters of
grillige lijnen en spontane schrift- en beeldproductie. Niewold noemt Sendak,
Ungerer en Lionni de vernieuwers van het prentenboek in de jaren zestig, haalt
het voorbeeld aan van
Dulieu, Lobel en Viorst, en van het boek
Minoes, dat op de kattentoptien niet zal
ontbreken.
Met de inzet voor de taal van gans een jong volk of voor kathedralen als
tekens van een wereldbeeld maakt De Volkskrant heel wat
traditie tot inzet van het discours, terwijl Krikhaar en Ros tussen 1965 en
1984 ‘het traditie-argument’ nergens zagen toegepast (pp. 146 en 151). Vanuit
hun oriëntatie op stromingen in de literatuurgeschiedenis verloren ze de
verbanden uit het oog die er worden gelegd russen Multatuli en Annie M.G.
Schmidt, Theo Thijssen en Guus Kuijer, en met het pionierswerk van Jannie Daane
inzake leesbevordering. Die traditie werd later geïnstitutionaliseerd in de
Nienke van Hichtum-, de Theo Thijssen- en de Woutertje Pieterseprijs (de Jannie
Daaneprijs laat nog even op zich wachten) en weer wat later in de Annie M.G.
Schmidtleerstoel. Fens gaat het daarbij steeds, of hij nu Lewis Carroll, Annie
Schmidt, Theo Thijssen, een poëziebloemlezing of een kathedraal bewondert, om
een gemeenschappelijk erflaterschap van springlevend Nederlands. Dat
emancipatoir elan is bij Kromhout soms wat meer een zaak van louter ambacht (in
zijn fulmineren tegen het positieve slot bijvoorbeeld) en soms van
zielsverwantschap russen kunste- | | | | naars en kinderen. De
kinderboekenkritiek in De Volkskrant neemt het telkens op
voor de (maatschappelijke) speld die het gezag van autoriteiten doorprikt en
voor figuren als Pluk van de Petteflet die het heft in Den Haag in eigen hand
nemen. De kritiek beperkt zich meer en meer tot het eigen domein, met Niewold
als verrassende uitzondering, wanneer ze in De Volkskrant
prikken uitdeelt aan de bovenmeester van die krant,
Jan Blokker.
| |
6.4. NRC Handelsblad: de culturele emancipatie van het
cultureel supplement
Goedegebuure vestigt er in een essay, gewijd
aan het succes van het boekenprogramma van
Van Dis op tv, de aandacht op hoe in het
redactioneel van de eerste aflevering van het Cultureel Supplement van
NRC Handelsblad (2-10-1970) cultuur niet langer wordt gezien
als luxeartikel voor een sociale elite, dankzij de invloed van techniek en
massamedia, massale distributievormen en toegenomen welvaart, hoger
onderwijspeil en spreiding van culturele belangstelling.
17
Als
Kousbroek na twintig jaar Cultureel Supplement
(26-1-1990) terugkijkt op het gevoerde redactionele beleid, noemt hij datzelfde
redactioneel curieus in het licht van gangbare twintigste-eeuwse opvattingen
over cultuur, omdat de legitimatie van dat supplement werd gezocht in de
culturele emancipatie van het volk: ‘Het CS volbrengt goedbeschouwd het
kunststuk om zich met een beroep op cultuur voor de massa tot de elite te
wenden.’
Datzelfde redactioneel maakt ook gewag van recensies van kinderboeken en
het Cultureel Supplement kan met de fusie tussen de NRC en
het Handelsblad meteen ook beschikken over enige traditie in
het recenseren van kinderboeken: de NRC had met de
neerlandicus
J.C. Villerius sinds 1965 de eerste
hoofdredacteur van het eerste vakblad, Verkenningen op het gebied
van de jeugdliteratuur, in huis gehaald. Na Villerius zal vanaf 1971
Mischa de Vreede bijna tien jaar lang als
kinderboekenrecensente aan de krant verbonden blijven. Daarna breekt er van
1980-1983 een periode aan waarin eerst
Anne de Vries alleen (van oktober 1980 tot
april 1981) en later het viermanschap
Marja Roscam Abbing,
Herman Verschuren,
John Verhallen en Anne de Vries kinderboeken
bespreekt. Aansluitend is er gedurende tien jaar - van 1983 tot 1993 - weer
slechts één recensent aan het woord:
Bregje Boonstra. | | | |
| |
Eerste periode: 1970-1980
In de vertrouwde traditie van de panoramische sinterklaasrecensie maakt
Villerius op 30-10-1970, ruim op tijd voor een cadeautip, de seizoensbalans op:
hij bespreekt 24 boeken zonder ook maar één moment de greep op het geheel te
verliezen, en logenstraft daarmee een puur kwantitatieve definiëring van de
stapelrecensie.
Alles voor één pannekoek van Carle wordt
als stapelverhaal, samen met de bewerking van een sprookje van Andersen door
Laimgruber en van een fabel van La Fontaine door Wildsmith, tot het
prentenboekgenre gerekend, waarin Lemniscaat een zekere traditie heeft
opgebouwd. Het bekroonde
De zoon van de woordbouwer legt hij opzij
als ‘een ongeïnspireerd, humorloos, armetierig bedenkelseltje [...] met veel
ongenietbare symboliekerigheid van de kouwe grond’. Hartverwarmend vindt
Villerius de humor en de weemoed, de satire en de poëtische vertel- en
tekentrant in
De kleine brultijger en
De man op de kraan van Zimnik. Het
opdringerige, hemelse optimisme van de Zondagsschoolserie
Wees blij ruilt hij graag in voor het
aardse varkentje
Valentijn dat zo diep wegzakt in de
hemelse modder. Bij elk nieuw deeltje van Beatrix Potter wordt hij ‘in alle
stilte een heel klein beetje verliefd’, terwijl weinig regels in de
poëziebundel
Het liedje van verlangen van
Jo Kalmijn-Spierenburg kans maken om klassiek te
worden.
Verhalen van de spinnende kater van
Harriët Laurey, dat als beste boek van het jaar
is bekroond, is voor een hogere minimumleeftijd dan staat aangegeven en van de
nieuwe, bijzondere Astrid Lindgren verwacht Villerius dat die meer meisjes dan
jongens zal aanspreken. Op 2-4-1971, in zijn laatste recensie, kunnen Russische
prentenboeken en het prentenboek
Het poppenfeest van
Annemie en Margriet Heymans op de warme
instemming van Villerius rekenen.
Op 8-10-1971 noemt
Mischa de Vreede het verhaal over Barbapappa
een klassiek verhaal van een eenzaam iemand op zoek naar nog zo iemand, zonder
te vermelden dat het om een prentenboek gaat. Op 29-10 prijst ze
Prikkebeen aan, maar niet als prentenboek,
zoals pas veel later zou gaan gebeuren.
18 Op
12-11 wordt
Pluk van de Petteflet begroet als een
indringend beeld van de eigen tijd. Op 3-12 moet voor kinderen die nog niet
kunnen lezen de tekst van prentenboeken eenvoudig zijn en in grote letters
gedrukt (alsof ze die wel kunnen lezen), wordt
Harkijn de vos die zich niet vangen laat
van Burningham als spannende vossenjacht te Engels gevonden voor Nederland en
kan
Witte zwanen zwarte zwanen als ‘echt
samendoe-boek’ familiale evergreens helpen ontstaan. | | | |
Op 24-3-1972 prijst De Vreede de legende Varenka van
Bernadette om het vredesmotief, maar zonder het te typeren als een prentenboek.
Dat etiket krijgt een maand later wel
Het poppenfeest van
Annemie en Margriet Heymans, waarin katten de
lekkernijen soldaat maken en de poppen de stuipen op het lijf jagen.
Informatieve series als Spelenderwijs leren van Gottmer heten
op 19-5 van emancipatorisch belang: ‘een kind wat uit boeken weet te halen wat
hij weten wil, zal zich altijd kunnen redden’. Op 3-11 wordt bij
Dat is heel wat voor een kat, vind je
niet? van
Viorst de verwachting uitgesproken, dat het
idyllisch begraven van een poes in een grote tuin eerder aan rouwverwerking zal
bijdragen dan wanneer de gemeentereiniging kadavertjes in een bruine jutezak
komt ophalen. Laat kinderen nooit op straat in een doos kruipen, zo waarschuwt
De Vreede op 17-11 naar aanleiding van het prentenboek Fluiten
naar Flippie van Ezra Jack Keats, en op 24-11 lenen de prentenboeken van
vroeger zich veel beter voor herhaald, extensief lezen dan de moeilijke tekst
in het prentenboek van Marguerite Duras.
Op 7-9-1973 spreekt uit het documentaire en gefingeerde Schetsboek van Robinson Crusoë van het echtpaar Politzer een
volwassen toon.
Max en de Maximonsters van
Maurice Sendak was, zo schreef
De Vreede in een expliciet evaluerende
verwijzing op 4-1-1974, het sein voor vele monsterboeken en tot die traditie
horen ook, zo blijkt op 7-6,
Het goedige monster van
Velthuijs en
Iggeltje Piggeltje Pop of het leven moet meer waard
zijn van
Sendak. De
Anti-Piet de Smeerpoets van
Waechter richt zich tegen stoute ouders en tegen
de maatschappij met haar dubbele moraal (12-4).
Tafeltje dek je blijkt op 21-6 een
antikapitalistisch sprookje.
Jan Klaassen en het roverskind van
Margriet en
Emily's ei van
Annemie Heymans doen uitzien naar een nieuw
prentenboek, maar dan weer van hen samen (17-5).
De vreselijk verlegen vogelverschrikker
van Donker/Eykman doet denken aan de wijze waarop
Aart Staartjes de bijbel presenteerde (24-5). Op
8-11 wordt gesignaleerd dat de absurdistische etiquetteboeken Wat
doe je dan? en Wat zeg je dan? van Sendak/Joslin pas
tien jaar na hun eerste uitgave de traditionele rolverdeling in Nederland zijn
gaan ondergraven. Op 21-11 wijst De Vreede op eenzelfde geest in De Dwerg-prentenboekjes van Sendak. Op 6-12 prijst ze
Het prentenboek van tante Pau van
Leonard de Vries aan als Boek van de Maand. Op
20-12 wijst ze als alternatief voor het kerstmaal op de strip van Windsor M.
Cay,
Dromen van een smulpaap.
Gezien hun hoge prijs, meent De Vreede (31-1-1975) dat uitgevers
prentenboeken steeds meer afstemmen op een ouder publiek dat volwassen
onderwerpen aan kan zoals de tegenstelling tussen rijke en arme landen in
De grote Vivat van Bouhuys en Loerakker, en in De grote Veelvraat van Foreman, waarin koning Veelvraat ook na
hongers- | | | | nood en oorlog niets ziet in een oplossing: ‘Vrede? Wat is
dat voor iets? Kun je dat eten?’ In
Jantien Buismans debuut,
Meneer Lakoen, doet waarschijnlijk de
zwerftocht van een man met zijn dieren denken aan dr. Doolittle en
Bleekers zomer (7-2). Dikke boeken zijn
uit de gratie en prentenboeken waar je niet te groot voor bent zijn in de mode,
zeker wanneer die boeken oudere kinderen en andere gezinsleden stof tot
nadenken geven, zoals
De bulldozer schuift verder of de verandering van het
landschap van Jorg Müller (30-5). De wijze waarop in
Zeralda's reus van
Ungerer de reuzen zich door de kookkunst van
Zeralda laten afhelpen van de gewoonte om kinderen op te eten, heet kostelijk,
maar tegen het zere been van feministen (6-6). Over het thema circus zijn negen
boeken voorhanden, die kinderen van alle leeftijden leerzaam onderhouden
(11-7). Daartoe behoren onder meer
De schimmel van Zimnik en de
prentenboeken
Circus van Bruna,
Simp de kanonskogel van Burningham en
Hollidee de circuspony van
Margriet Heymans (18-7). Vertrossing van het
dure prentenboek spreekt volgens
De Vreede uit de sprookjesbewerkingen van
Svend Otto, waarop De kleine reus een gunstige uitzondering
vormt (3-10). Ze heeft het hart verpand aan jongens die dollen en dus ook aan
het prentenboek Hoe Tom won van kapitein Najork en zijn gehuurde
sportlingen van Hoban en Blake, met een schoffie dat gaat ‘drekken’ of
‘glijbal’ spelen (14-11). Van de prentenboeken voor jonge kinderen van
Burningham en Buisman wordt Kees en Keetje zo samengevat: ‘Ze
gaan uit elkaar, verlangen naar elkaar, en komen dan weer bij elkaar om weer
gelukkig te zijn.’ Op 28-11 wordt, zonder dat de naam prentenboek valt,
Het kameleon is in de war van Carle te voor de hand liggend
gevonden, Het schetsboek van Robinson Crusoë van het echtpaar
Politzer aangeprezen voor onderbouwleerlingen die van geschiedenis houden, en
erop vertrouwd dat De stad van Macaulay kan volstaan met de
vermelding van de auteur, die al bekend is van De kathedraal.
Voor de kerst wordt Het Kerstverhaal van Felix Hoffmann
gekwalificeerd als ‘zeer bijbelvast’ prentenboek, een kerstvertelling van
Lindgren als ‘niet religieus’, de strips Father Christmas en
Father Christmas goes on holiday van Briggs, en Wolwerkjes ‘om zeeën van tijd te doden’ (19-12).
Op 30-2-1976 worden de boeken van Beskow als prentenboek
geclassificeerd. Op 7-5 is Een reis door je lichaam ‘een
wetenschappelijk prentenboek’, ook al zakken rode bloedlichaampjes in rode
overalls en met zuurstofcilinders op de rug de bloedrivier af. Op 20-8 komt dr.
Seuss met zijn eerste leesboeken tegemoet aan de leeswoede van kinderen voor
wie, zodra ze de kunst van het lezen beheersen, geen opschriften op trams,
etiketten op jampotten of koppen van kranten meer veilig zijn. Op 26-11 worden
als boek voor in de schoen twee titels van Goodall genoemd, vier Gouden Boekjes en de heruitgave van
Dulieus
Paulus de hulpsinterklaas.
| | | |

Rie Cramer, Augustus

Ichikawa, In de lente en de zomer, in de herfst
en in de winter
Op 25-2-1977 doet
Waar is het nou! van Kimura denken aan
Foreman, en Ichikawa's
In de lente en de zomer, in de herfst en in de
winter aan
Rie Cramer. Op 8-4 wordt de poëzie van
Wilmink in het prentenboek
Wie dit leest is het vierde beest van
Gernhardt geprezen. Op 29-4 wijst
De Vreede naar aanleiding van
Geen slecht jaar van
Johanna Reiss op het feit dat kinderen met
onbegrip kunnen reageren op de herinneringen van ouders aan kamp en onderduik.
Op 23-8 wordt de pocketserie van Bruna met vijf klassieke prentenboeken
gekritiseerd vanwege het te studieuze nawoord en de te klein afgedrukte tekst
en vanwege het antisemitisme in Max en Maurits van Busch: ‘Al
die Duitstalige kinderen die Buschlezend zijn opgegroeid, ik moet er niet aan
denken!’ De bekroning van Tom Tippelaar is voor De Vreede
aanleiding om nu eens de roe te hanteren: ‘Ik zou het niet gauw aan een kind
cadeau doen [...]. Er zit zoveel rood en zwart in; het is zo vlezig; ze zien er
ziek uit, de mensen in dat boek [...] ik houd niet van flaporen die alles
horen; ik houd niet van neuzen zonder gezicht eromheen. [...] En een cactus die
poeptus heet en een man met drie piemels en zo.’ (28-11) Voor het kerstfeest
worden prentenboeken aanbevolen over een traditioneel Engels kerstfeest, over
een koningszoon die een ster achterna gaat en zijn mooiste speelgoed weggeeft
aan de nieuw geboren Koning en over de oudtestamentische voorgeschiedenis
(16-12).
Op 11-2-1978 hing er kennelijk sneeuw in de lucht; reden genoeg om in te
haken op de strip Een winter van weleer van Goodall en het
prentenboek Jaargetijden van Burningham. Het nieuwe geluid
van Lotus bestaat uit andere prentenboeken dan de doorsnee, bijvoor- | | | | beeld over het thema
Het zwarte schaap, een boek van E.
Schmidt, en
Sjaantje Drunenkruid van Walta en
Vanriet, met ‘Tom Tippelaarachtige prenten’ (17-2). Op 3-3 bespreekt De Vreede
de prentenboeken
De laatste boom van Zavrel en
Eerste verhaal en Tweede verhaal van
Ionesco (‘lekker nonsensicaal en met veel absurde opsommingen waar veel kleine
kinderen dol op zijn’).
Op een potje van Frankel deelt met
Hoe olifantjes leren tellen van Heine de
zorg voor de drollenproductie (7-4). Waechters satire in
De monsterspelers met klopmonsters als
vaders en parfum- en poetsmonsters als moeders wordt met de Busch-achtige
tekeningen opgevat als ‘haat en nijd’ en zijn verzameling ‘griezelige grappen’
staat ver af van het veel minder kille en autoritaire Nederlandse
opvoedingsklimaat. Op 14-4 wordt met Pelgroms terugblik op
De kinderen van het Achtste Woud en met
de documentaire
De jaren '40-'45 van De Bezige Bij
vooruitgelopen op de komende Dodenherdenking. Op 2-6 attendeert De Vreede in
De reis van Anno op de bijbelse scène
van ‘een vrouw die zich baadt in een tobbe met tegen de muur op een ladder een
gluurder’. Op 16-6 hebben de door Lotus uitgegeven prentenboeken
Berencircus Zampano,
Ik zeg, je bent een beer en
Het grote Janoschboek ‘iets van Sendak’.
Op 10-11 wordt Het telboek van Anno bewonderd om het
schilderachtige van het landschap, en niet om de verbeelding van de genesis van
het getal.
Op 26-1-1979 heet
Wat staat er op Rosies deur van
Sendak ‘een lichtvoetig boek, zonder al die
moderne problemen’ en
De sneeuwman van Briggs een droom van een
ontmoeting met de sneeuwpop. Op 2-3 wordt
De boeren in de waterput van Waechter een
weinig vrolijkmakend prentenboek genoemd, waar kinderen bij het lezen spoedig
de brui aan zullen geven, maar het gaat dan ook om een navrant beeld van ‘het
slachtvee’ in de oorlog. Jan Olifant van Wilmink/Bertrams
doet denken aan het soortgelijke Hoe olifantjes leren tellen
van Heine (18-5). De prentenboeken
De molenaar en
De vlinderverzamelaar van Testa staan voor
‘grote-mensen mooi’, terwijl Kellogg met jongetjes, knaagdieren, katten en
monsters in
De boomgaardkat,
Het eiland van de Skog en
Je zou Herberts huis eens moeten zien de
jeugd bedient (8-6). Op 6-7 wordt aangeraden de rugzak te vullen met onder meer
Een vakantie van weleer van Goodall en
Alle dieren van de ruige berm van Buisman.
Op 2-11 ervaart De Vreede de feministische prentenboeken
De vijf vrouwen van Zilverbaard en
Dag pop van uitgeverij Sara als geestig en
hun boodschap als niet te dik er bovenop, de tekst van
De heksentuin van Postma als zwak,
Knuffel van Hughes als hartveroverend en
het rebusverhaal
De appels zijn weg als spannend om te
herkennen en te tellen. Op 23-11 biedt in
Odette, lente in Parijs van Fender/Dumas
de hoed van de oude man in zijn laatste lente voor een paar vogeltjes het
eerste lentenest, laait in
Zwart op wit van McKee standsverschil op
tot een conflicthaard, terwijl Janosch in
De muis heeft rode sokken aan en
O, wat mooi is Panama de weg wijst naar
het geluk. | | | |
Op 25-1-1980 worden de herinneringen van
Mance Post aan haar jeugd bij de Jordaan in
Ik woonde in een leunstoel geprezen als
‘een dierbaar boekje’. Op 1-2 worden de illustraties in
Veel groter dan Martin van Kellogg
beeldschoon geacht. Op 29-2 wijst De Vreede Montag, die in zijn column geen
muizen van allure in de wereldliteratuur kon vinden, op
De charge van de muizenbrigade van
Stone/Ross,
Het eiland van de Skog van Kellogg en de
Muizenverhalen van
Lobel. In die prentenboeken leveren zeshonderd
muizen met succes slag tegen hun aartsvijand: de katten; slaat een feestend
muizengezelschap op de vlucht voor een kat en is het vertellen van verhalen hét
middel om aan de soeppot te ontsnappen. Op 9-5 geven de prentenboeken over
Koning Rollo van McKee,
Het blikkerende uniform van Van Bilsen en
Cedar,
Joachim de douanebeambte van Baumann en
Het lapjesjasje van Turin een onverwacht
inkijkje in paleizen: de eerste koning leert veters strikken, de tweede koning
verbergt onder het blikkerend uniform een zachte inborst, de derde is en blijft
een tiran en de vierde trouwt als muzikale koningszoon met een timmerend
meisje. Op 3-10 vindt ze dat Mance Post - nogal onverwacht, gelet op haar
recensie - de Gouden Griffel had verdiend en niet
Joke van Leeuwen. Haar tekeningen vindt ze ‘heel
knap en leuk, maar ze is niet erg origineel. Ze doet me te veel denken aan de
zusjes
Heymans bijvoorbeeld, aan
Eyzenbach en soms ook aan
Peter Vos. Enfin, je kunt slechtere tekenaars
als voorbeeld nemen.’ De Gouden Griffel was volgens haar wel op zijn plaats
geweest. Op 17-10 roept het prentenboek Vooruit, we gaan
schatgraven van Janosch de spreuk in herinnering: ‘delven wij waar wij
staan, want waar wij staan is Klondike’. Dat parool uit haar jeugd citeert
Mischa de Vreede op het moment dat ze in de
krant haar Waterloo vindt en er voor haar niks meer te schatgraven valt.
Recenseren is voor De Vreede een vorm van consumentenvoorlichting, en
die opvatting verplicht tot de presentatie van veel boeken in een thematisch
kader, fictie en non-fictie, knutselboekjes en triviale literatuur en tot
aandacht voor de ‘goût de necessité’. De Vreede heeft met die op de lezer
gerichte formule niet zozeer de gretige lezer die onder alle omstandigheden een
boek onder handbereik houdt voor ogen, als wel het kind dat moet worden verleid
met actie en avontuur, veel dialoog en veel plaatjes, met boeken in de schoen,
onder de boom, bij het begin van de vakantie of op 4 mei.
De besprekingen bestaan vooral uit navertellingen, raken bij een
veelheid aan titels al gauw zonder bezield thematisch verband en bevatten
kritiek op trends of bekroningen zoals in het geval van Tom
Tippelaar. De Vreede heeft volop aandacht voor het prentenboek, maar ze
gebruikt dat etiket willekeurig, geeft de leeftijdsaanduiding incidenteel aan
en hanteert nogal eens typeringen als een lust voor het | | | | oog of
beeldschoon. Verwijzingen naar ander werk bestaan vaak uit ‘doet denken aan’ of
kwalificaties als ‘Sendak-achtig goed als men begrijpt wat ik bedoel’ of
‘Janosch die iets van Sendak heeft’. Ongefundeerd bleef haar uitspraak dat het
antisemitisme van Busch in het werk van Waechter terugkeerde vanwege de
overeenkomst in tekenstijl. De overeenkomst tussen
Hoe olifantjes leren tellen van
Heine en
Jan Olifant van
Wilmink is thematisch van aard, die tussen
Kimura en Foreman en tussen Ichikawa en Cramer stilistisch. De enige verwijzing
van literair-historische aard is die naar Max en de
Maximonsters van Sendak als begin van een rage in monsterboeken.
Samenvattend kunnen we zeggen dat de referenties van De Vreede zelden het
nieuwe aanbod op de wijze van Rosengren en Eliot vergelijken met de literaire
of pictoriale traditie. Haar associaties vormen soms een eerste begin voor het
opsporen van zulke overeenkomsten, haar pragmatische vergelijkingen bieden af
en toe een ijkpunt om algemene lezersreacties op het spoor te komen.
De Vreede vereenzelvigt zich veelal met lezers
die nog maar weinig literaire competentie kunnen inbrengen. Ze neemt het op
voor kinderen die niet houden van het open einde in de boeken van
Paul Biegel: ‘Ze blijven met een onbevredigend
gevoel achter. Ze zouden in dit geval liever zien dat de kinderhelden gewoon
veilig bij hun ouders thuisgekomen waren.’ (20-11-1971) Wanneer ze met het
moderne, moeilijke kinderboek de lat wat hoger legt, waarschuwt ze met de
uitdrukking ‘streng boek’ voor wat er te wachten staat. De Vreede kiest vooral
de kant van het naïeve lezen van een kind en is gespeeld naïef wanneer ze
andere kinderen waarschuwt voor het onberekenbare van beren als Paddington.
Vanuit het meisje dat ze zelf ooit was kritiseert ze de bloemlezing
Goedemorgen welterusten. Poëzie voor kinderen en andere
volwassenen van
Fens als te weinig toegespitst op hoe
adolescenten zichzelf in poëzie kunnen herkennen:
‘Las zelf in de brugklas
De idioot in bad van
Vasalis voor. Ik bedoel maar: jonge mensen doen
meer dan begrijpen, kijken en spelen. Ze beginnen te beseffen dat er
onoplosbare problemen bestaan, ze kijken het liefst en het meest bij zichzelf
naar binnen en hun spel is allengs steeds ernstiger geworden. Ze kennen
gevoelens van verliefdheid, eenzaamheid, van onbegrepen zijn en ze zoeken een
eigen identiteit.’ (5-12-1975)
| |
Tweede periode: 1980-1990
Anne de Vries noemt enkel de boeken van Peter
Spier expliciet prentenboeken. In de recensie waarin De Vries die boeken
bespreekt, introduceert hij zichzelf als degene die zijn 5-jarige zoon
De koe die in het water viel voorleest,
die niet blij is met het cadeau
Hoe spreekt hij dan? en die het verhaal
Wat zullen ze blij zijn!, waarin twee
onderne- | | | | mende kinderen het hele huis van kleur doen verschieten,
al te voorspelbaar vindt. Hoofdschotel van zijn bespreking vormt
Mensen, mensen, wat een mensen, dat fraai
wordt getypeerd als ‘een loflied op de variatie’ (17-4-1981).
Steeds betrekt
De Vries eerder of soortgelijk werk bij zijn
op boek of lezer gerichte recensie en zelden doet hij dat zonder historische
dimensie. Zelfs boekgidsen krijgen rond sinterklaas een historisch cachet met
de naam die
Nienke van Hichtum aan haar recensierubriek in
Het Kind gaf: ‘Welke boeken zullen we met Sint-Nicolaas aan
onze kinderen geven?’ (28-11-1980). De verwijzing bij
Eend op de pot van
Nannie Kuiper naar Dr. Spock is
waardeverkleinend en de dichtbundel voor peuters van
Els van Delden kan niet in de schaduw staan bij
de twee bundels waarmee
Miep Diekman een begin heeft gemaakt met poëzie
voor peuters (8-10-1982). Expliciet evaluerend is De Vries als hij Jonathan van
Guus Kuijer een broertje noemt van
Kees de Jongen (8-3-1981) en Joost van
Peter van Gestel met
Dik Trom van
Kievit een bijzonder kind (‘dat is ie’) noemt
(4-9). Dat de literaire traditie hem aan het hart gaat, blijkt verder uit de
grote stukken waarin hij de pedagogische literatuurtheorie van
Dasberg en de filologische herbronning van het
sprookje door
Hulsens met instemming bespreekt, of wanneer de
receptologie van de werkgroep Het kinderboek vanuit een andere
hoek en van auteurs als
Dolf Verroen heimwee bij hem oproept naar de
moralisten van vroeger: ‘naar
W.G. van der Hulst, die zijn moraal verpakte in
zulke meeslepende verhaaltjes, en naar
Hieronymus van Alphen, die althans heel helder
schreef. Bij hen maakte de moraal een doorleefde en authentieke indruk, bij
Verroen is het een kunstje’ (9-10-1981). Dit waardeverkleinend commentaar vult
hij nog aan met een citaat van
Busken Huet, die geen moeite had met moraal in
de kinderliteratuur wanneer die maar goed wordt ingekleed. Kortom, met De Vries
is een onderzoeker aan het woord die de traditie van de vaderlandse
kinderliteratuur inzet als toetssteen voor de literaire actualiteit.
Marja Roscam Abbing schreef al sinds jaar en
dag bij speciale gelegenheden als een eeuwfeest of een tentoonstelling grote
stukken over klassieke kinderboekenauteurs, voordat ze zich binnen het viertal
recensenten vooral met prentenboeken zou gaan bezighouden. In haar recensies
brengt ze als geen ander door een boek te kraken of te prijzen in kort bestek
een koopadvies uit, want in vijf besprekingen wordt over 29 prentenboeken een
oordeel geveld.
Op 24-7-1981 beschouwt ze het prentenboek
Menno is een meisje van Tomie de Paola als
een boek over een homofiele kleuter en als het nieuwe gat in de markt; voor de
tap- en balletdansende hoofdfiguur heeft ze geen greintje sympathie. Op 11-9
zijn twee prentenboeken erg | | | | geestig en goed getekend (
Blijven jullie maar beneden van Shirley
Hughes en
Pak 'm Pinkerton van Kellogg, over ‘een
jeugdige Deense dog met leer- en gedragsstoornissen’) en vindt ze in
De bergprinses en de maanprins van De
Paola de huisvestingsproblemen saai, verstoken van spanning en zonder moraal,
en de pastelkleurige gestileerde personen maar nauwelijks mensen.
Tomte Tummetot van Lindgren en Wiberg
noemt ze slaapverwekkend,
De heksenhoed van Dermer en Meeuwissen zo
dood als een pier en
Inspecteur Kaasjager van Stone en Steadman
in woordspelingen te moeilijk voor jonge kinderen en als schets van de zelfkant
van muizenland voor volwassen lezers te geestig getekend om zich te laten
ontgaan. Op 30-10 herinnert ze aan bepaalde jurken op straat die de reactie
oproepen: ‘welke vrouw heeft dat kreng bij haar volle verstand uit alle andere
gekozen, betaald en smiespelend mee naar huis gedragen’. Dat oordeel treft het
prentenboek
Het spoortje in het bos. Het beweegboek
De bij en de beer van Carle leert ze te
demonteren ‘voor het geval je kind het onverhoopt cadeau krijgt’, en in een
boek over de watermuis blijkt ze niet geïnteresseerd.
Met Livingstone door Afrika van Ceserani
en Ventura is niet spannend verteld, maar wel fraai om te zien.
Helemaal verkikkerd van het echtpaar
Schubert dekt niet helemaal de lading,
De gelukkige prins van Oscar Wilde zou de
hare kunnen zijn, wanneer hij nog hier op aarde zou komen opdagen.
Goeiemorgen van Ormerod blijkt het boek
waarvan ze met alle rituelen van het wassen en aankleden, eten en spelen van en
met een klein kind maar niet genoeg kan krijgen: ‘Om duizend keer te kijken met
iemand van drie.’
Op 16-4-1982 merkt ze over de vijf peuterboekjes van Oxenbury op dat de
prentenboekjes grapjes genoeg bevatten om tegenwicht te bieden aan al het
brave. Van
Beregoed van Wildsmith kan het verhaaltje
over de ballonvaart de prenten maar met moeite bij elkaar knopen.
In dit boekje zit een muisje verborgen van
Felix en
De grote groene muizenramp van Dupasquier
zijn tekstloze prentenboeken, terwijl ze het bij elkaar horen van woorden en
boeken zo'n sympathieke conventie vindt. Het eerste boek is in haar ogen zonder
ophef en geslaagd, het tweede in alles het tegendeel. Het met handen in verf
uitbeelden van doodenge dieren in
Allerhande dieren doet haar niet veel
minder gruwen dan
Het nieuwe drakenboek van Schmögner, dat
aan de zorg voor het milieu het griezelgenot van het drakenverhaal heeft
opgeofferd. Bovendien vindt ze ‘al die uitzichtloze vervuiling eentonig en
belastend voor lezers die er nog jaren lang niks aan kunnen doen’.
De miljonair en de tovermuis van McCrum en
Foreman noemt ze prachtig van kleur en belichting en het verhaal over de
tovermuis die, opgekocht door de miljonair, van heimwee wegkwijnt op de paarse
achterbank van een Rolls Royce een schitterend circussprookje.
Op 16-7-1982 bespreekt ze de vier prentenboeken waarmee Alfaen- | | | | ger kinderen stimuleert tot musiceren en dansen, toneel en circus
spelen. Zelf is ze ervoor om kinderen in het geniep op creatieve ideeën te
brengen en vindt ze zijn aanpak opdringerig (‘Hij gaat pal voor zijn lezers
staan, kijkt ze stralend in de ogen en joelt: Bedenk nu zelf eens een
apennummer’), maar enig succes sluit ze toch niet uit: ‘Hij lijkt op de
enthousiaste, wat excentrieke onderwijzer die wild schetsend op het bord bijna
de hele klas ver achter zich laat, maar tegelijk op een enkel ontvankelijk kind
meer indruk maakt dan het meest uitgekiende lesmateriaal.’
John Verhallen bespreekt vooral boeken voor de
bovenbouw van het basisonderwijs en de onderbouw van het voortgezet onderwijs,
met twee prentenboeken als uitzondering:
Brammen en Tissie als straatmuzikant van
Vincent en
Miki, waar ben je? van Tsutsui. Het eerste
noemt hij een Engels aandoend Frans prentenboek, in het tweede prijst hij de
trefzeker uitgebeelde paniek die Asa overvalt, wanneer ze tijdens het tekenen
voor haar zusje niet heeft gemerkt dat ze is weggelopen. Verhallen verwijst
nergens expliciet naar de literaire traditie, al vormt de herdenking van de
Tweede Wereldoorlog zelf al een traditie apart, die dan ook in twee
besprekingen volop de aandacht krijgt, al gaat hij voorbij aan prentenboeken
over die periode.
19 Twee keer past Verhallen een referentie toe, naar Pipi Langkous
en naar Dickens, maar zonder dat daarbij een prentenboek in het geding is.
Herman Verschuren heeft op 12-11-1982 oog voor
zowel het literairepisodische als het educatieve in 8 prentenboeken van Anno.
Hij maakt twee keer gebruik van een verwijzing, zowel naar de literaire als
naar de kunsthistorische traditie, waarbij het steeds om iemands stijl gaat. De
eerste keer worden boeken van Zimnik, overigens niet als prentenboek, zeer
gewaardeerd om hun samenspel van tekst en beeld, de sceptische eenzelvigheid
van de hoofdfiguren (‘een loflied op de onveranderlijkheid’) en hun simpele,
vertrouwelijke spreektaal als die van vrienden onder elkaar (‘loflied op de
vriendschap’). Die spreektaalstijl wordt met een waardevergrotende verwijzing
aan Andersen toegeschreven (19-6-1981). De tweede keer wordt, in een expliciet
evaluerende vergelijking, gezegd dat de prenten van Fabels
van Lobel ‘een plaats verdienen in dezelfde galerij waar ook Grandville
thuishoort’.
Illustratief voor de literatuuropvatting van Verschuren is de recensie
van 9-10-1981 over de werkgroepen die zich door de tijd heen met | | | |

Lobel, ‘De pelikaan en de kraanvogel’, in Fabels 1984
Grandville, ‘De vos en de ooievaar’, ca. 1830
het kinderboek hebben beziggehouden. De naam van De kleine vuurtoren vindt hij veelzeggend: ‘er moet gewaakt
worden’ zoals men ook na de omdoping tot de Boek en
Jeugd-gids is blijven doen als ‘een baken dat schipbreuk op de
verraderlijke kust van strips en stuiver-romannetjes moest voorkomen’.
20 Die zorg ziet hij bij voorkeur vervuld door middel van
‘spelen met taal, liever nog: toveren met taal’.
Bregje Boonstra is in de periode 1983-1993 de
kinderboekenrecensent van NRC Handelsblad. In het navolgende
overzicht wordt vanwege de vergelijking van de critici in beide kranten de
periode na 1990 niet meer opgenomen.
Boonstra begint als criticus in het voorjaar van 1983. Haar eerste
recensie over prentenboeken op 17-6 gaat over
Het regent, het zegent van
Peter Spier, twee delen van de Brammert en Tissie-serie van
Gabriëlle Vincent en De gele
draad van
Annemie en Margriet Heymans. De rode draad in
deze bespreking vormt de opklimmende complexiteit op tekst- en beeldniveau: het
tekstloze eerste boek geeft de kleuter vrij spel om zelf het verhaal te
‘lezen’, de tekst van Vincent is van zo ondergeschikte betekenis dat die
nauwelijks een (belemmerende) rol speelt, terwijl de tekst in
De gele draad juist afleidt van de visuele
ontdekkingstocht. Het eerste boek voert langs ‘schuilende vogels, platgeslagen
bloemen en bedruppelde spinnewebben’. Het tweede brengt een goedmoedig soort
Bruintje Beer van middelbare leeftijd en een ondernemend muizemeisje,
weggelopen uit Beatrix Potter. En in het derde boek banen twee zusjes zich
letterlijk tegen de klippen op | | | |

Vincent, Brammert en Tissie zijn Kwekkie
kwijt,
Potter, Minetje Miezemuis
breiend een weg door de wildernis van het landschap. Alleen bij
het tweede boek plaatst zij de hoofdpersonen met een expliciet evaluerende
verwijzing in de literaire traditie.
In de recensie die in haar geheel gewijd is aan Aap en
Beer van
Wim Hofman (19-8) wordt in een notendop
geschetst hoe het abc-boek steeds minder accent legde op het nuttige en des te
meer op het aangename, en hoe - een expliciet evaluerende verankering in de
internationale traditie van het abecedarium - alle grote illustratoren in het
buitenland (Sendak, Carle, Anno, Burningham) zich uitgedaagd wisten door de
arbitraire volgorde van het abc. Het verhaal dat Hofman daarvan weet te maken
is behalve een inwijding in het alfabet ook een verhaal om aan kleuters voor te
lezen en een eerste leesboek voor beginnende lezers. Later zal
Boonstra deze bespreking, samen met die van
andere abc-boeken, hervatten in haar essay ‘Alfa en Betje op het groene gras’.
21
Op 23-12 worden de voelprentenboeken
Wat is dat? en
Pak me dan van Virginia Jensen geschikt
genoemd voor het lezen met de vingers, om zelf te lezen voor kinderen met een
beperkt gezichtsvermogen en voor andere jonge kinderen om tastenderwijs te
ervaren hoe spannend het is om een boek zo te lezen en wat een beproeving het
is om blind te zijn. | | | |

Pelgrom & The Tjong Khing, Kleine Sofie en
Lange Wapper

Zimnik, De beer
Op 1-6-1984 blijft het in de lof over
Kleine Sofie en Lange Wapper van
Els Pelgrom en
The Tjong Khing niet bij een waardevergrotende
vergelijking met een enkele literaire voorganger: ‘Andersen, Grimm, het werk
van Reiner Zimnik, Baums Tovenaar van Oz en Astrid Lindgrens
Gebroeders Leeuwenhart. Het boek van Els Pelgrom ligt
verankerd in tradities. Daaruit stammen ook figuren als de Domme August en de
Dood, de volkse elementen en de humor.’ De recensie van met name
De verschrikkelijke blikjes-generaal en de oude ijzeren
dame zet de viriele, oude ijzeren dame (Thatcher) uit beide
borsten vuur spuwend tegenover het slagveld: een contrast van grove lijnen en
schreeuwerige kleuren met sobere krijt- en potloodtekeningen (2-11).
De schrijver van een informatief kinderboek is volgens
Boonstra een schaap met vijf poten, want zo
iemand moet ‘veel van zijn vak weten, veel van zijn vak houden, kinderen als
volwaardig publiek beschouwen, een goed onderwijzer zijn en liefst ook nog
kunnen schrijven’.
Midas Dekkers blijkt dat in
Kijken met je handen zo goed als allemaal
in huis te hebben en dat geldt in iets mindere mate voor de besproken
fotoprentenboeken van Meulenhoff (14-12). Het prentenboek
Derk Das blijft altijd bij ons van Susan
Varley roept de herinnering wakker aan de dood in het Franse prentenboek
De man die zichzelf weggaf van Rozier en, in een expliciet
evaluerende verwijzing, aan de intimiteit van Shepards illustraties in
De wind in de wilgen van Grahame en aan de prentenboeken van
Beatrix Potter (21-12).
Op 18-1-1985 wordt De sneeuwman van Briggs ‘een
leeftijdsloos boek over een tijdloos onderwerp’ genoemd te midden van andere
klassieke boeken over dit onderwerp. Op 29-3 is het prentenboek
Selim en Suzanne een voorbeeld van de
botsing en de verzoening van verschillende culturen. Op 12-4 zit de
kameleontische collagevorm | | | | van Lionni als gegoten voor wie
onzeker is en zoekt naar de eigen identiteit. Daarvoor is het prentenboek
Frederick zowel het ideale voorbeeld als, in een expliciet
evaluerende vergelijking, een variant op De krekel en de mier
van La Fontaine. Op 15-11 wordt naar aanleiding van
Deesje gewezen op het dubbeltalent waarmee
Joke van Leeuwen het kijken en lezen van
kinderen tegelijk aanspreekt, zoals eerder in
Een huis met zeven kamers en
De metro van Magnus. Toch wordt daarbij
niet aan prentenboeken gedacht, terwijl Joke van Leeuwen zichzelf wel in die
traditie vindt thuishoren.
22 Later wordt opgemerkt dat ‘een van
de meest interessante en meest typerende lijnen in de Nederlandse
jeugdliteratuur van
Annie M.G. Schmidt via
Guus Kuijer in de richting van Joke van Leeuwen
loopt’.
23
Op 31-1-1986 voegen de bewerkingen van Svend Otto weinig toe aan de
fabeltraditie van La Fontaine, terwijl
Lobel in
De sprinkhaan met dit beest op hoge poten
een naturel model heeft gevonden voor het neurotische, moderne leven. Bij Otto
gaat het om een waardeverkleinende, bij Lobel om een waardetoekennende
verwijzing. Op 7-2 prijst
Boonstra in
Platvoetje de magische wereld van het
echtpaar Schubert als een wereld vol verrassingen voor jonge kinderen dankzij
het onverwacht opduiken van geliefde helden uit eerdere prentenboeken als
Raaf,
Krokodil en
Kikker. Opnieuw een op de lezer gerichte
verwijzing naar een traditie die Rosengren niet hanteert. Op 28-2 confronteert
Boonstra een kunsthistorisch geïnspireerde wijze van illustreren met een die
ongehinderd lijkt door kunsthistorische kennis:
Lidia Postma wisselt boerse Breugheliaanse
koppen af met pre-rafaëlitische feeën, terwijl Janosch ongekunsteld plezier
beleeft aan de uitbeelding van een ruim geproportioneerde dame als het
betoverde kikkermeisje. Op 28-3-1986 en op 7-10-1988 worden de prentenboeken
Wat is dat? en Pak me dan van Virginia
Jensen het begin van een aparte boekproductie genoemd.
Op 30-5-1986 blijken de platen in het gesubsidieerde prentenboek
De hoge hoed van de schoorsteenveger van Robine Clignet naast
de prentenboeken van Babar, Steig en Lupineke van Schroeder,
geen instrumenten van een verhaal: ‘Een pretentieus geheel, dat thuis hoort in
de wereld van de esthetiek en niet in die van jonge kinderen, die in een
verhaal ook visueel graag iets beleven.’
De avonturen van Lena lena van
Harriët van Reek is daarentegen geheel des
kinds: het lijkt op een strip zoals kinderen die maken, doet in tekenstijl aan
een kinderhand den- | | | |

Van Reek, De avonturen van Lena lena
Hoffmann, Piet de Smeerpoets
ken, roept als lange lijs Hoffmanns
Soep Hein op zijn allerdunst in
herinnering en is in het verhuisspel met wurmen, het drinken van regenthee en
het verslinden van een heel pak hagelslag helemaal een kind in zijn doen alsof.
Met de expliciet evaluerende verwijzing naar Soep Hein wordt
de debutant Van Reek meteen trefzeker in de traditie geplaatst van het
klassieke prentenboek
Der Struwelpeter.
Op 29-8 ontneemt het verhaal
Waar is mijn potje van Ross alle glans aan
een eerder bekroond vaderlands prentenboek: ‘De Gouden Griffel die
Nannie Kuiper ooit ontving voor haar
Eend op de pot verdooft in de gloed van
Ross' bijdrage aan de zindelijkheidstraining.’ Daarbij doet
Suzan en de kwelgeest denken aan de
Grote vriendelijke reus van Dahl en mag in
Willem en de wolf nu eens de wolf de
heldenrol spelen. Dat zijn een waardeverkleinende en twee waardetoekennende
verwijzingen. Op 14-11 wordt op de overdaad aan prentenboeken gewezen en op het
desondanks zeer authentieke karakter van
Klein mannetje van
Max Velthuijs, de Kummeling-prentenboeken van Kuratomi en Monkie
van het echtpaar Schubert. De goedmoedige Kummeling krijgt een ereplaats in de
traditie van de bijbelse moraal: wie goed doet, goed ontmoet.
Op 19-6-1987 recenseert
Boonstra
Papa, pak je de maan voor mij? van Carle.
Dit prentenboek roept met een waardeverkleinende verwijzing de herinnering op
aan de meesterlijke wijze waarop
De Maanman van Ungerer in zijn laatste
kwartier uit de cel wegglipt. In
De puike postbode of: Briefgeheimpjes van
Ahlberg (10-7) vormen de vele briefjes aan sprookjesfiguren als Goudhaartje of
de drie biggetjes een intertextuele vorm van aandacht voor de literaire
traditie. Op 13-11 wordt
Annetje Lie in het holst van de nacht met
een waardetoekennende verwijzing zowel een literaire nazaat van
Kleine Sofie en Lange Wapper genoemd als
van Lewis Carroll, samen met een boek van Ted van Lieshout. Aan de vooravond
van sinterklaas (27-11) wordt een stapeltje prentenboeken besproken met onder
meer Vriendje Maan van Dahan, de Paddington-verhalen, Bot en Botje van Ahlberg
en Uk en Bur van | | | | Hofman. Dahan komt tegemoet
aan het harmoniegevoel, Ahlberg speelt in op de griezelbehoefte van kinderen en
bij Hofman houden kinderen elkaar in de ban met briefjes. Op 18-12 heeft
Boonstra het over een genre dat inspeelt op een
heel andere uitlaatklep:
‘Het ware kerstverhaal staat in rechtstreekse verbinding met
de traanklieren. Het handelt over ernstige ziekte of handicap, zonde en berouw,
ondervoeding, eenzaamheid en ander leed. Het gaat gehuld in dichte mist en
wolken sneeuw. In de kerstboeken anno 1987 is de sneeuw gebleven, maar de kou
die tot op het bot dringt en die zwavelstokjes naar de hemel zendt, is
afgeschaft.’
Zo worden de kerstprentenboeken rond de beren Brammert, Poele en
Kummeling met een waardetoekennende verwijzing naar
W.G. van der Hulst als voorganger, in verband
gebracht met de grootmeester van het genre.
Op 5-2-1988 wordt te midden van de vele kinderbijbels een literaire
bijbel bepleit, die oog en oor heeft voor elke verteller met zijn eigen taal en
couleur locale. Dickenson stelt daarbij wel hoge eisen aan de lezer, zoals in
deze voorstelling van de uitverkiezing van het joodse volk: ‘De heersers hadden
de joden nodig. Ze zeiden dat ze ze nodig hadden om hun steden te bouwen, maar
in werkelijkheid hadden ze ze nodig om hun onderdanen een hond te geven om
tegen aan te schoppen, een buurman om te verachten, een slachtoffer dat ze zou
afhouden van het idee dat ze zelf slachtoffer waren.’
Op 12-2-1988 wordt de stoet van beren in de jeugdliteratuur, waaronder
bejaarde types als Winnie, Bruintje en Bolke en nieuwe favorieten als
Pippeloentje, Paddington, Kleine Beer van Sendak, de eigengereide Birro van
Hans Andreus, Janosch' rafelige beertje en de
Japanse reuzenbeer Kummeling uitgebreid met
Een ijsbeer in de tropen van Hans de Beer.
De toelating met Vlag en Wimpel tot dit illustere gezelschap, een expliciet
evaluerende verwijzing, wordt geheel op het conto geschreven van de
expressiviteit van diens achterkanten. De humor van McKee in de prentenboeken
Het droevige verhaal van Victoria en haar
viool en
Twee monsters is verwant aan die van Tomi
Ungerer (een expliciet evaluerende verwijzing), de ludieke ondernemingslust van
Mevrouw Hermitage op rolletjes heet even
ontembaar als uniek (11-3). Het prentenboek
Willemien Wonder Wicht van Ross hoort in
een waardetoekennende verwijzing op 26-8 tot de familie van
Pieter Hendrik Hagelslag van
Annie M.G. Schmidt.
De vogelman van De Wijs/Min doet met de
vlucht over het landschap aan Niels Holgerson denken en met de gemaskerde
muzikant zowel aan
Peter Pan als aan
De rattenvanger van Hamelen. En
Een taart voor Kleine Beer van
Velthuijs wordt in de traditie van de fabel
geplaatst (2-9). Op 21-10 krijgt Eric Carle als auteur van het wereldberoemde
Rupsje Nooitgenoeg met de tentoonstelling
in het Frans Halsmuseum een heel aparte kroon op | | | | zijn werk gezet.
Helen Oxenbury wordt op 4-11 uitgeroepen tot de ‘oermoeder van het prentenboek’
vanwege haar peuters met krentenoogjes, mopsneus en streepjesmond. Op 2-12
neemt
De jongen die altijd te laat kwam van
Burningham wraak op een al te schools regiem. Daarnaast zijn in
De Pozzebokken fantasie en potlood
middelen om de omgeving in de greep te krijgen, waarbij Peter Vos ‘minstens
vijftig procent van het verhaal vertelt’. Dat vormt overigens geen aanleiding
om aan een prentenboek te denken.

Sendak, Iggeltje Piggeltje Pop! of Het leven moet
meer waard zijn

M. Heymans, Lieveling, boterbloem
Op 6-1-1989 prijst
Boonstra de
Rijmpjes en versjes uit de oude doos als
poëzie die met een been in het echte leven staat en met het andere in de
literatuur. Dat echte leven van strijd op een zwik-zwak bruggetje wordt
literair versterkt in de ritmische herhaling en uitvergroting: ‘vrouw Biba,
vrouw Biba de Binka en vrouw Sina Snikna Knikker de Kninka’. Op 20-1 wordt het
beurtelings als beschermende moeder vertroetelen en als boze heksenfee straffen
van de pop in
Lieveling, boterbloem van
Margriet Heymans in de traditie geplaatst van
Sendaks thema van de babyroof, en Goethes Erlkönig. Op 27-1
laat Boonstra zien hoe kil het er in de opvoeding van kinderen aan toe kan gaan
met de beschrijving van de eerste de beste prent van het prentenboek
Gorilla van Anthony Browne: ‘een ijzig blauwe, cleane keuken,
het kleine meisje op de rug gezien aan de ontbijttafel, vader achter de krant
met neergetrokken mondhoeken. Communicatie lijkt uitgesloten.’ De nonsensicale
rijmpjes bij
Dat rijmt van De Wijs/Van Heusden doen met
een waardetoekennende verwijzing denken aan De
Beginnersboeken van dr. Seuss. Op 7-4 staat het agressieve
Geen kus voor moeder van Tomi Ungerer
model voor kinderen die heen en weer worden geslingerd tussen de machowereld
van hun vader en de weekhartige bemoeizucht van hun moeder met haar
‘goedemorgen-kusjes, | | | | welterusten-kusjes, dankjewel-kusjes,
kusme-kusjes, hetspijtme-kusjes, zomerkusjes, winterkusjes, natte-kusjes,
plak-kusjes, lik-kusjes’. Op 2-6 gaat het in drie prentenboeken over
afwezigheid: in
Kiekeboe! van het echtpaar Ahlberg om het
opwindende doen alsof je er niet bent, in
Krokodil, krokodil van Binette Schroeder
om spot met het toeristisch reisverhaal en in
Lieve Barbara om de zo ingehouden briefjes
waarin Leo Meter aan zijn dochter schrijft over zijn ervaringen als
frontsoldaat en haar als wees achterblijven. Op 25-8 is Anthony Browne met
illustraties in Alice in Wonderland de surrealistische
evenknie (een waardetoekennende verwijzing) van wat Carroll met taal doet: ‘hij
ontregelt en vervormt de werkelijkheid. Hij tekent nonsense en roept daarmee
gedachten op aan Magritte en Escher. Op elk plaatje is meer te zien dan je op
het eerste gezicht dacht. [...] Het Witte Konijn duikt overal op, als geschoren
heg, als motief op een boerenbont bord en uit een van de gestolen taartjes
steekt de opwindknop van zijn horloge.’ Op 1-9 gaat het prentenboekdebuut
Mijn held van
Katrien Holland mank aan wat een verzameling
prenten pas echt tot een prentenboek maakt: de onderlinge samenhang. Op 8-9
wordt de vindingrijkheid in beeld en taal geprezen, waarmee het prentenboek
Kijk mijn letter van
Annie Keuper en het echtpaar Schubert het
ontsleutelen van het alfabet tot een feest maakt. Op 13-10 heet
Kikker is verliefd een boek ‘over de meest
verbreide menselijke aandoening voor alle leeftijden’ en Kikker de Woody Allen
van het dierenrijk, die met zijn gestoethaspel ook een volwassen publiek voor
zich weet in te nemen. Op 3-11 heet het prentenboek
Het bergje spek van
Harriët van Reek een raamvertelling rond het bed
van haar vader: ‘De verteller groeide uit tot een reus en met hem zijn bed. Wie
wil mag aanschuiven en de intimiteit delen.’ Zo'n familiaire traditie ontbreekt
bij Rosengren.
Op 26-1-1990 noemt
Boonstra het genus schrijvers dat met een
onzinknobbel zinvol over een beetje onzin weet te schrijven, heel dun gezaaid.
Bij
De dame en de neushoorn van
Anne Vegter blijft het balanceren op het slappe
koord van melig en lief in evenwicht met de preciese, staccato zinnetjes. Op
23-3 wordt de introductie van Andersen bij kinderen een voorrecht genoemd dat
te vroeg kan gebeuren:
‘Zij kunnen de onrechtvaardige dood van het
zwavelstokkenmeisje, het droevig lot van de kleine zeemeermin en van de aan
liefdesverdriet gestorven tinnen soldaat nog niet verdragen. Voor hen is
Andersens wereld te somber en te verontrustend en voor de ironie, wrange humor
en puntige formulering kunnen ze nog geen waardering opbrengen. Waarschijnlijk
behoort Andersen tot de categorie kinderboeken die je pas in hun volle omvang
kunt bevatten wanneer de kindertijd voorbij is.
Annie Schmidt bijvoorbeeld plaatst de
schrijver op één lijn met Tolstoi en Tsjechov.’
Die afstand kunnen prentenboeken als
De tol en de bal en
Duimelijntje
| | | | mischien
overbruggen. Het eerste prentenboek over ongelukkige verliefdheid heeft
‘precies de goede donkerte van naderend ongeluk’, het tweede past in
natuurdetail en ornamentieke stijl in de traditie van de Jugendstil (een
expliciet evaluerende verwijzing). Op 14-9 geldt De gelaarsde
kat van Eidrigevicius als een surreële interpretatie van Perrault, omdat
die de kat onder de koetsen, kastelen en prinsessen vandaan haalt ‘in zijn
meest kale, indrukwekkende vorm. Op de omslag staat hij op zijn achterpootjes,
slechts in zijn cyperse vel, voorpoten strijdlustig gevouwen, de enorme ogen
kwaad in de te grote kop.’ Daarnaast vormt de uitgave van Lobels
Kattekrabbels aanleiding zijn dood te
herdenken als een groot verlies, met name als de auteur van
Bij Uil thuis en de
Kikker en Pad-verhalen (in beide gevallen
expliciet evaluerende verwijzingen).
Op 19-10 is de verbeelding een wapen dat kinderen tegen angst en
verlatenheid krijgen aangereikt in Er gaat iets veranderen
van Anthony Browne. In de expliciet evaluerende verwijzing wordt de auteur
opnieuw in een surrealistische traditie geplaatst. Op 26-10 heet het
vriendenpaar
Varken en Beer van
Henstra met een waardetoekennende referentie een
veel abstracter stel dan Poeh en Knorretje, of Kikker en Pad. Op 9-11 bieden de
twee poëzieprentenboeken
Waaien, hard waaien van
Marianne Sligting en
Gerard Berends en
Mijn botjes zijn bekleed met deftig vel
van
Ted van Lieshout een toetssteen voor twee
ongeschreven ‘gulden’ regels van de literaire kritiek: poëzie is moeilijk en de
tekst van prentenboeken heeft zo weinig om het lijf dat het wel boeken moeten
zijn voor jonge kinderen. Sligting roept Cobra en Chagall in gedachten, Berends
de huiveringwekkende gedichten van
Hendrik de Vries (twee keer een
waardetoekennende verwijzing). Het tweede boek staat met jongeren op zoek naar
zichzelf als herkenbare lezersgroep en met de vertrouwde vorm van het
prentenboek ‘met beide benen op de grond’.
| |
De hiërarchie van Boonstra.
Uit het groot aantal verwijzingen naar voorgangers en tijdgenoten blijkt
hoezeer
Boonstra voortdurend bezig is om een
hiërarchie aan te brengen in het corpus van de jeugdliteratuur:
24
‘Wanneer een nieuw boek van
Rindert Kromhout verschijnt, dan vergelijk je
dat met zijn vorige werk en met dat van andere auteurs die voor jonge kinderen
schrijven en je stelt vast of je het beter of slechter vindt. Wanneer iemand
debuteert met enigszins bizarre dierenverhaaltjes, dan liggen A.A. Milne en
Toon Tellegen als het ware vooraan
| | | | in de recensentenhersenpan te wachten. Dat vergelijken gebeurt
niet altijd zo bewust. Het lezen van een boek raakt als het ware aan het hokje,
waar iets soortgelijks ligt opgesloten.’
25
Vergeleken met andere recensenten trekt
Boonstra veel vaker literaire parallellen: met
de sprookjestraditie van Grimm, Andersen en Perrault, met de fabeltraditie van
La Fontaine, met de surrealistische traditie van Lewis Carroll, Maurits Sendak
en Tomi Ungerer, met het socialistisch en christelijk gemeenschapsgevoel van
Nienke van Hichtum en
W.G. van de Hulst, met de idyllische wereld
van Beatrix Potter en Grahame, met het nonsensicale van
Annie M.G. Schmidt en het socratische van
Arnold Lobel. Daarbij gaat het steeds om een
literaire verankering van het nieuwe aanbod. Boonstra vroeg zich in haar
bespreking van
Wat heten goede kinderboeken? van
Anne de Vries dan ook af of dit boek, waarin de
literaire benadering van het kinderboek volgens haar zo wordt gedomineerd door
onderwijzers en pedagogen, wel bij de letterenfaculteit thuishoort (12-5-1989).
Die pedagogische invloed ontbreekt in de schildering die ze van haar eigen
ontwikkeling geeft: eerst de onderdompeling in haar ouderlijk huis in verhalen,
versjes en ingebonden jaargangen en verboden grotemensenvruchten, daarna de
verdieping in de stapel bruingekafte boeken op de iets te hoge toonbank in de
jeugdbibliotheek, vervolgens de systematische literaire vorming aan de Frederik
Mulleracademie door Jannie Daane - eerst als docent en later als collega
schoolbibliothecaris - en door
Kees Fens, en uiteindelijk het voorlezen als
moeder en het bespreken van boeken als recensent. Van Daane leerde ze met
behulp van het schema van Boerlage letten op wat kinderen en volwassenen in
kinderboeken aanspreekt, van Fens om door close reading
literaire lagen af te pellen. Daarbij vereenzelvigt ze zich met een van de vier
muizen die bij Andersen op zoek zijn naar het recept van soep van worstepen om
met de muizenkoning te mogen trouwen.
Tijdens die zoektocht naar de literaire Graal vergeet ze niet dat de
smaakpapillen van de jeugd nog aan nieuwe dingen moeten wennen, zoals blijkt in
de recensie die begint met de zin: ‘De prille poëzielezer heeft wel wat gemeen
met de beginnende Franse kaaseter’ (25-1-1985). Die betrokkenheid bij de lezer
blijft niet beperkt tot de spijsgang: ze weet ook wat het is om als kind op een
potje te zitten urmen, gaat voor elke lange lijs door de knieën, weet zich nog
levendig te herinneren hoe ze als 12-jarige met Joop ter Heul kon hunkeren van
verlangen en noteert verbaasd dat de andere sekse dat toen niet kende, want
‘het begrip jongensroman was in 1951 nog niet eens uitgevonden’. De moderne
adolescentenroman heeft de meisjes naar de Bou- | | | | quetreeks
verdrongen en de kommervolle puberteit overgelaten aan: ‘mannelijke hormonen,
puistjes en natte dromen’ (15-6-1990). De soep met worstepen is er dus een voor
de groei, waar de lezer voor op de tenen gaat staan zoals de titel
Een iets te hoge toonbank te kennen
geeft. Uit de ordening van die bundel recensies met de belangrijkste
wapenfeiten aan het begin van elk jaar spreekt eenzelfde gevoel voor literaire
hiërarchie als uit het overzicht van het literaire landschap in de periode 1986
tot 1992: ‘Er was eens een waseens’,
26 de selectie van de
klassieken van vandaag en gisteren, of het initiatief om elk jaar met de Libris
Woutertje Pieterseprijs het beste boek van het jaar te bekronen.
Kritieken bundelen onder de titel Een iets te hoge
toonbank, met anderen bepalen wat de ‘Allermooiste Boeken voor Kinderen
zijn’, met de Libris Woutertje Pieterseprijs de maat slaan voor de
kinderliteratuur en met een kroniek aangeven wie er op het toneel van de
kinderliteratuur hoofd- en bijrollen vervullen, illustreren hoezeer Boonstra's
zoektocht naar de soep met worstepen Eliots ideaal van de perfectie
vertegenwoordigt. Zulke concrete verkenningen van dat ideaal kunnen de lezer
vleugels aanreiken voor het hinauflesen als ‘een vorm van
boven je macht reiken’. En in hun voortdurend beroep op de literaire traditie
brengen ze - om Vygotsky in dit kader te citeren - de zone van naaste
ontwikkeling onder handbereik.
| |
Ontwikkelingen
Inherent aan het aanbrengen van hiërarchie in de kinderliteratuur is een
voortdurende verdeling van de aandacht over boeksoorten, uitgevers of
leeftijdscategorieën. Hoe was het daarmee gesteld bij de recensenten in
NRC Handelsblad? Is er bijvoorbeeld een contrast russen de
twee eerste en twee laatste periodes in de aandacht voor het prentenboek, gelet
op de bezwaren tegen het te grote aanbod aan prentenboeken?
| boeksoort |
1970-1975 |
1976-1980 |
1981-1985 |
1986-1990 |
totaal |
| |
|
|
|
|
|
| fictie |
319 |
370 |
239 |
246 |
1174 |
| non-fictie |
44 |
57 |
40 |
36 |
177 |
| poëzie |
19 |
25 |
31 |
20 |
95 |
| prentenboek |
65 |
68 |
100 |
149 |
382 |
| strips |
4 |
5 |
2 |
- |
11 |
| overige |
1 |
- |
2 |
3 |
6 |
| totaal |
452 |
425 |
414 |
454 |
1745 |
Tabel 6.4. Aantal besproken kinderboeken in
NRC Handelsblad (1970-1990), uitgesplitst naar boeksoort.
| | | |
De aandacht voor het prentenboek blijkt tussen de tweede (1976-1980) en
vierde periode (1986-1990) meer dan verdubbeld, terwijl de aandacht voor fictie
na 1980, anders dan bij De Volkskrant, is teruggelopen. Die
daling, die zich al evenmin bij poëzie tussen de tweede en derde periode
aftekent, is overigens mede het gevolg van het veel vaker reserveren van de
hele bespreekruimte voor één titel, inclusief verwijzingen naar de literaire
traditie. Dat geldt in de vierde periode voor non-fictie nog steeds en voor
poëzie voor het eerst, terwijl fictie dan weer wat meer aandacht krijgt. Te
midden van zulke schommelingen en dalingen is de toegenomen aandacht voor het
prentenboek heel stabiel. Hoeveel kinderboeken en hoeveel prentenboeken werden
door de recensenten van NRC Handelsblad besproken? Tabel 6.5
geeft een overzicht.
| recensent |
periode |
besproken titels |
waarvan prentenboeken |
| |
|
|
|
| J.C. Villerius |
1970-1971 |
26 |
8 |
| M. de Vreede |
1970-1980 |
854 |
123 |
| A. de Vries |
1980-1982 |
35 |
4 |
| M. Roscam Abbing |
1981-1982 |
47 |
33 |
| H. Verschuren |
1981-1982 |
135 |
18 |
| J. Verhallen |
1981-1982 |
33 |
2 |
| B. Boonstra |
1983-1990 |
706 |
213 |
Tabel 6.5. Recensent, periode van recenseren, aantal
besproken titels en prentenboeken, NRC Handelsblad,
1970-1990.
In het vorige hoofdstuk werd gesignaleerd, dat in de boekproductie een
duidelijke toename in differentiatie naar leeftijd viel waar te nemen. De vraag
drong zich op of die toename ook in de literaire kritiek wordt opgemerkt. We
geven een overzicht van de gehanteerde leeftijdsaanduidingen.
| leeftijdsaanduiding |
1971-1980 |
1981-1990 |
| |
|
|
| baby's/peuters |
- |
3 |
| peuters/kleuters |
3 |
16 |
| kleuters |
11 |
24 |
| kleuters/onderbouw |
6 |
2 |
| onderbouw |
8 |
14 |
| bovenbouw |
1 |
6 |
| alle leeftijden |
1 |
3 |
Tabel 6.6. Meest voorkomende leeftijdsaanduidingen
voor prentenboeken in NRC Handelsblad, per periode van tien
jaar. | | | |
Ook bij NRC Handelsblad worden in het tweede decennium
van de hier onderzochte periode meer gradaties onderkend in de beoogde leeftijd
van het prentenboek, zowel naar beneden (peuters en baby's) als naar boven
(onderbouw en bovenbouw) en ook voor alle leeftijden. Van een groot aantal
besproken titels wordt de beoogde leeftijdsklasse niet geëxpliciteerd
(ongetwijfeld ook omdat die soms voor zichzelf spreekt). Waar dat wel gebeurt
vormen kleuters en kleuters/onderbouw het frequentst genoemde marktsegment.
Villerius geeft 5 keer geen leeftijdsaanduiding, schrijft één keer een
prentenboek aan de kleuterleeftijd en 2 keer aan de onderbouw toe en fundeert
zijn boekbeoordelingen zoveel mogelijk op de onderscheiden
leeftijdscategorieën.
De Vreede houdt zich bij 99 prentenboeken niet bezig met
leeftijdsaanduiding; daarnaast acht ze 3 prentenboeken geschikt voor de
peuterleeftijd, 16 voor de kleuterperiode, 7 voor de onderbouw en een enkel
prentenboek zowel voor oudere kinderen als voor alle leeftijden. Ze signaleert
dat de prijs van het prentenboek uitgevers doet zoeken naar een ouder publiek
en schrijft over menig exemplaar dat volwassenen het mooi zullen vinden.
Roscam Abbing geeft 25 keer geen leeftijdsindicatie, vermeldt 4 keer de
peuterleeftijd als de geschikte leeftijd, 3 keer de kleuterleeftijd en wijst
één titel aan alle leeftijden toe. Ze signaleert wat voor het jonge kind te
zware kost is of een geheid succes. Vanuit het perspectief van het jonge land
in de hechtingsfase van zijn leven memoreert ze op 20-3-1989 in een column
onder het pseudoniem Victorine Franken hoe het voorlezen van het prentenboek
over de dood van Babar mère haar op het volgende verwijt van haar 3-jarige
dochter kwam te staan: ‘Wil je me dat boek nooit meer
voorlezen, ook niet als ik er om vraag.’ Op die leeftijd, zo beseft ze nu, is
de dood van Babar mère veel verschrikkelijker dan later die van Ernma Bovary,
Joli Coeur, Anna Karenina of Jet uit
Schoolidyllen. Kunst voor kleine kinderen
luistert nog nauw naar het criterium van Berenford: ‘A good rough guide is
whether we feel that it is reconciling us with life’ en daarin schieten boeken
als
Annetje Lie in het holst van de nacht van
Imme Dros of
Lieveling, boterbloem van
Margriet Heymans te kort. Hoe mooi ze die boeken
als volwassene ook vindt, samen met de jury die ze bekroonde, ze voldoen niet
aan het genoemde criterium, voeden de verlatingsangst van jonge lezers en
wakkeren hun schuldgevoelens aan. Wanneer de column drie jaar later in
herschreven vorm onder eigen naam wordt gebundeld, zijn de stelling en de
voorbeelden in algemene zin gehandhaafd, maar zonder de titels te vermelden die
de Libris Woutertje Pieterse-prijs kregen.
27 Babar is | | | |
gebleven als een boek dat een al te gevoelige snaar van het jeugdig publiek
raakt, met een publiek van 3 jaar als referentiekader. Maar zijn de bekroonde
boeken wel voor die leertijd bedoeld?
De Vries vermeldt één keer geen leeftijdsindicatie en wijst 3 keer op
kleuters als het beoogde leeftijdspubliek. Het schrijven voor beginnende
lezertjes typeert hij als het met één hand piano spelen, terwijl hij het
emotionele proces van het zindelijk worden een volwassen projectie noemt. De
tendens om kinderboeken vanuit een volwassen literair perspectief te bekronen
leidt volgens hem tot ‘Het verdwijnende kinderboek’.
28 Dat de bekroonde prentenboeken
Kleine Sofie en Lange Wapper en
Lieveling, boterbloem en het boek
Annetje Lie in hel holst van de nacht over
de hoofden van kinderen heen gaan, laat hij zien aan de hand van de reacties
van onder meer de deelnemers aan de kinderjury in Schagen, van wie slechts 2
van de 24 kinderen met het eerste boek uit de voeten konden.
De Vries heeft geen oog voor de mogelijkheid dat de zesde-klasser Jan
Martijn en medejurylid Leontien, die alle begrip en waardering voor het boek
hadden, in hun literaire ontwikkeling vooruitlopen op hun medeleerlingen.
Evenmin houdt hij rekening met de mogelijkheid dat het hier om moderne
prentenboeken gaat voor heel wat oudere kinderen dan voor wie ze doorgaans
bedoeld zijn. Hij associeert het prentenboek Lieveling,
boterbloem met het traditionele jeugdige publiek wanneer hij het
vergelijkt met
Max en de Maximonsters. Dat prentenboek
wordt meestal reeds aangeboden aan een publiek vanaf de kleuterleertijd en
vergeleken met de klasse tussen servet en tafellaken zit daar zo'n kleine acht
jaar ontwikkeling tussen. Dat is heel wat in het kleinemensenleven. En in de
enige recensie die hij met zoveel woorden aan het prentenboek wijdt,
introduceert hij het genre met het voorlezen van een prentenboek aan zijn
5-jarige zoon. Dat impliceert, dat de prentenboeken voor een hogere
leeftijdscategorie niet zijn onderkend in ‘Het verdwijnende kinderboek’.
Verschuren geeft bij 2 prentenboeken geen leeftijdsaanduiding,
beoordeelt er 2 als bestemd voor kleuters en 4 voor de bovenbouw. Hij is er
zich terdege van bewust hoe lastig het is om boeken voor kinderen te
beoordelen: ‘Je oordeelt dan als de ervaren lezer die je denkt te zijn, maar
luistert wel naar het oordeel van het kind dat je was.’ Dat wordt moeilijker,
naarmate het kind in je verder van je afstaat. Daardoor weet hij niet met
zekerheid te zeggen of de blokboekjes van Lobel alle kleuters zullen
aanspreken, al stelt hij wel vast dat ze over kleuterbelevenissen gaan en
dienst kunnen doen als eerste leesboekjes. De Fabels van
Lobel noemt hij een lees- en kijkboek van 8 tot 80 jaar vanwege de | | | | ironische draai die er aan de moralistische fabeltraditie wordt
gegeven. Bij de bespreking van de diverse prentenboeken van Anno vestigt
Verschuren er nadrukkelijk de aandacht op, dat zijn reisprentenboeken als
zoekboek voor jong en oud heel andere ‘Aha-Erlebnisse’ in petto hebben: ook
literatuur voor alle leeftijden is literatuur waar de ene leeftijd een ander
soort plezier aan beleeft dan de andere.
Boonstra geeft bij 146 prentenboeken geen leeftijdsindicatie, wijst er 3
toe aan peuters, 12 aan zowel peuters als kleuters, 28 aan kleuters, 14 aan de
onderbouw, 2 aan de bovenbouw en eveneens 2 noemt ze geschikt voor alle
leeftijden. Ze geeft bij
Lieveling, boterbloem het volgende
voorbehoud vanwege de letterlijk verscheurende thematiek en de complexe
vormgeving: ‘Als bij elk kinderboek van belang dient zich de vraag naar de
toegankelijkheid aan en is die vraag tegelijk irrelevant.’ In haar vaste
aandacht voor het beoogde leeftijdsbereik gaan de literaire vorm en de
specifieke literaire competentie vaak hand in hand. Dat is bijvoorbeeld het
geval wanneer ze met de keuze van Hofman voor een zelfstandig abc-verhaal
Aap en Beer geschikt acht om voor te
lezen, voor de introductie van het aanvankelijk lezen en om daarna zelf te
lezen. Dat prentenboeken op het niveau van het leeftijdsbereik een
overbruggingsfunctie kunnen vervullen stelt ze aan de orde, wanneer ze Andersen
met
Annie Schmidt te volwassen noemt voor een
jeugdig publiek om zich vervolgens af te vragen of twee prentenboeken die
sprookjes van Andersen als uitgangspunt hebben, deze rol kunnen vervullen.
Boonstra heeft dan ook, zoals ze memoreert in haar inleiding op Een iets te hoge toonbank, onder de straffe leiding van Jannie
Daane aan de hand van het schema van Boerlage leren onderscheiden wat kinderen
en wat volwassenen in een boek bevalt. Die strenge leerschool heeft haar al
vroeg op het spoor gezet van prentenboeken voor oudere leeftijdsklassen, maar
in de praktijk van de beoordeling blijft die categorie toch onderbedeeld
vergeleken bij wat er aan de benedenkant aan leeftijdsdifferentiatie wordt
aangebracht. Dat neemt niet weg dat er ook prentenboeken voor oudere kinderen
worden onderkend in de inleiding op en de selectie van
De allermooiste boeken voor kinderen. Van Rupsje
Nooitgenoeg tot Kees de Jongen:
‘Plaatjes kijken komt bij kleine mensen voor woorden lezen en
blijft lang populair, voor sommige mensen zelfs een leven lang. Het prentenboek
is dan ook zeker niet alleen bestemd voor de allerjongsten.’
In het boek worden 36 kinderboeken besproken, 31 prentenboeken en 19
jeugdboeken.
29 Van dat aantal van
31 prentenboeken krijgt één exemplaar de leeftijdsaanduiding vanaf o jaar, 1
die vanaf 1 jaar, 2 stuks die vanaf 2 jaar, 15 heten vanaf 4 jaar, 7 vanaf 6
jaar en 5 vanaf 8 jaar. Wanneer, zoals elders wel gebeurt,
De vreselijk verlegen vogelver- | | | |
schrikker en
Kleine Sofie en Lange Wapper samen met
De kathedraal uit de derde afdeling tot de
prentenboeken worden gerekend, komt daar nog eens één boek bij vanaf 8 jaar,
één vanaf 10 jaar en één vanaf 11 jaar. Op een totaal van 34 vormen dan 8
prentenboeken voor de oudere jeugd een breuk met de conventie dat het
prentenboek er enkel is voor de ongeletterde en prille lezer.
Elaine Moss heeft gewezen op de evidente groei in de jaren tachtig van
prentenboeken voor de leeftijdscategorie van 9 tot 13 jaar. In 1981 verschenen
volgens haar niet minder dan 84 van zulke prentenboeken, terwijl er in de jaren
zeventig al voorlopers waren van de hand van Michael Foreman en Anthony Browne,
van wie toen ook in Nederland enige prentenboeken uitkwamen. Daarnaast vestigde
ze de aandacht op diverse didactische motieven die prentenboeken voor een
publiek van die leeftijd de moeite waard maken, zoals de combinatie van
volwassen thema's met het gebruik van een vertrouwd beeldidioom.
30 Dat alles is reden genoeg om in plaats van
Het verdwijnende kinderboek eerder aan het
prentenboek voor tussen servet en tafellaken te denken, zoals min of meer
gebeurt in het volgende leesverslag van Jan Martijn over Kleine
Sofie en Lange Wapper:
‘Het gaat over het leven met iets erbij. Het zou jezelf niet
kunnen overkomen. Het einde is ook heel mooi. Misschien zou ik het geschreven
hebben dat ze weer genas en dan haar ervaring gebruikt zou hebben. Maar dit
echte einde is mooier. De schrijfster wil in het verhaal zeggen dat het leven
zo, dat de wereld zo onbetrouwbaar is, dat er zoveel ellende en verdriet is.
Daar ben ik het mee eens. Ik denk om het goed te begrijpen moet je 10 jaar en
ouder zijn.’
31
Zo'n zelfde soort reactie had Jan Martijn wellicht ook kunnen geven op
een volwassen thema als verlatingsangst in
Lieveling, boterbloem en
Annetje Lie in het holst van de nacht. Hoe
dan ook, Elaine Moss wist met succes het beoogde publiek te interesseren voor
moderne prentenboeken, waarvan er overigens vele in de tweede periode in beide
kranten onder de aandacht zijn gebracht. Dat gebeurde doorgaans zonder
expliciete referentie aan een ouder publiek, zoals de tabel laat zien, met
Kromhout als grote uitzondering: voor specifiek
gebruik in de bovenbouw van de basisschool wordt men in de periode 1971-1980
slechts één keer op een prentenboek geattendeerd en in de periode 1981-1990 zes
keer. Vergeleken met wat er voor peuters/kleuters (resp. 3 en 16) en voor
kleuters (11 en 24) wordt onderkend, wordt de lezerscategorie tussen servet en
tafellaken nog niet geattendeerd op het voor hen be- | | | | staande
prentenboek. Critici krijgen daarbij, zoals in het vorige hoofdstuk is
gebleken, ook weinig hulp van sommige uitgevers.
| |
De context van het cultureel supplement.
Anders dan in De Volkskrant (tussen
Fens en Bresser bijvoorbeeld) is er
aanvankelijk geen directe samenwerking tussen de redacteuren van NRC Handelsblad en de recensenten van kinderliteratuur, al wordt
in het eerste redactioneel van het Cultureel Supplement het recenseren van
kinderliteratuur expliciet vermeld. Het Cultureel Supplement laat het daar niet
bij, er komen recensies van kindertheater en kinderfilm, toonaangevende
redacteuren als
Hofland,
Kousbroek en
Schippers gaan in hun stukjes en stukken met
enige regelmaat in op wat ze als kind lazen, er ontstaat een klimaat voor de
kindercultuur en dat alles wordt bezegeld met een kinderpagina als tweede stem
voor diverse ‘volwassen’ redacteuren van de krant.
Even nadat Fens
Multatuli aanhaalde vanwege ‘het schrijven van
levend Hollandsch’, beval Kousbroek het van buiten leren van Multatuli aan, in
de hoop dat ‘hetzelfde geheugenmechanisme als waarmee jonge kinderen kunnen
citeren wat kapitein Haddock zei toen de lama hem in zijn gezicht spuugde, hen
laat herinneren wat Woutertje Pieterse zei toen Vrouw Claus hem met zijn kop
onder de pomp duwde’.
32
S. Montag (een pseudoniem van Hofland) is met regelmaat een lezend en
vooral aandachtig kijkend kind, bijvoorbeeld wanneer hij het televisiezwelgen
bekritiseert vanuit ‘het ware plaatjes kijken’:
‘De herinnering aan een goed plaatje, een illustratie in een
boek, een fragment van een schilderij aan de muur, een affiche op een
reclamezuil, zo'n afbeelding die je als kind niet eenvoudig hebt bekeken maar
telkens weer hebt bestudeerd, waarover je vermoedens hebt gehad en waarin je
nooit opgehelderde raadsels hebt gezien, het effect daarvan gaat een leven lang
mee.’ (‘Overpeinzingen’, 21-2-1976)
Voor Montag reikt die stoet van beelden van ‘de zwavelige kaalheid’ van
Doré's hel tot de vriendelijke wereld van
Jetses in
Ot en Sien (21-1-1976), tot het oude
echtpaar in de straat met paraplu en wandelstok tegen de hemel van
Tjeerd Bottema (1-3-1978), of tot de samenleving
onder het vergrootglas van Gulliver (29-4-1978). Montag heeft een rotsvast
vertrouwen in een leescultuur die kan beschikken over de atlas als ‘een soort
prentenboek waar je de prentjes, de verhalen en de avonturen zelf bij moet
bedenken’ (28-8-1977), of over illustratoren die zo op de gebeurtenissen van de
schrijver vooruitlopen dat ze onthouden worden.
33 Dat noemt hij een kenmerk zowel
van goed tekenen als van goed schrijven, met
Jo Spier als voorbeeld:

| | | |
‘Zijn plaatjes horen, denk ik, tot de eerste waar ik bewust
naar keek, en sindsdien zitten ze in de décor-afdeling van m'n geheugen.’
(3-6-1978)
K. Schippers noemt op 22-12-1978 Alice in Wonderland zijn literaire generatiebijbel vanwege ‘De
speelsheid. De humor. De fantasie.’ Bij het feest ter ere van 150 jaar
Alice in Wonderland voegt hij daar behalve de fotografie ook
het surrealisme avant la date aan toe, net als Boonstra deed.
Schippers is gefascineerd door schrijvers en beeldend kunstenaars die het zicht
bewaren op hun kindertijd, hoe agressief ook:
‘Er wordt getrapt en gezongen, gedanst en geslagen, al de
gruwelen van de kinderkamer komen aan bod. Als je deze illustraties bekijkt
wordt het duidelijk hoe sterk Rego's werk verwant is met John Tenniel en
Heinrich Hoffmann. Alice in Wonderland en Struwelpeter zijn verhalen die haar schilderijen kunnen
begeleiden [...] Ze heeft de toegang tot de wereld waar een jongen moet leren
griezelen, een zeemeermin verliefd wordt op een mens en een meisje door een
spiegel stapt, nooit gesloten.’ (14-5-1993)
Arie van den Berg presenteert de volkskunde
als de omgekeerde wereld, waarin het kind de moeder wiegt en de vader kastijdt,
de kat voor de muizen vlucht en de gans de vos strikt, de varkens de slager
slachten en het haasje de jager doodschiet (4-10-1986), waarin het met kinderen
in prentenboeken als
Der Struwelpeter van Hoffmann verkeerd
afloopt. In dat boek worden de jongens die de Moriaen om zijn zwarte huid
bespotten door de ‘groote Nik'laas’ in een gigantische inkpot gestopt. Die
‘zwarte pedagogie’ kent volgens Van den Berg behalve de wolf van Roodkapje, de
reus van Klein Duimpje of de Bietebauw, Tientoon en de Tenensnijder tal van
andere afschrikwekkende voorbeelden die het kind op het rechte pad moeten
houden. Boemannen als Kinderschrik, Watergeest en Waterschrik doen volgens de
Volkskunde-atlas voor Nederland en Vlaams-België omstreeks
1960 nog steeds van zich spreken (5-12-1987).
Rudy Kousbroek sluit aan op deze zwarte
pedagogie, wanneer hij in een van zijn vroege opstellen over kinderliteratuur
de relatie tussen volwassenen en kinderen typeert als ‘een droevige optocht van
oude vrouwen die kinderen vetmesten, van reuzen die hun eigen kinderen de keel
afsnijden, van ouders die hun kinderen het bos dan maar inbrengen en daar
achterlaten, en vul maar in’.
34 Zo'n kleine twintig | | | | jaar later heeft dat rijk
van het kwaad plaatsgemaakt voor het Elysisch paradijs van het samen met een
3-jarige kijken naar het prentenboek Mr Gumpy's Outing van
Burningham: ‘een lichtend voorbeeld, in mijn ogen, van een tekst plus
tekeningen voor kinderen vanaf een jaar of twee’. Hij vraagt zich af wat jonge
kinderen, die volgens de experts nog geen verhaal kunnen volgen (‘nog een beer’
zeggen ze, als dezelfde beer weer opduikt in een illustratie), zo fascineert
dat ze een boek als dit steeds opnieuw willen horen. Kousbroek veronderstelt
dat het stapelelement in de prentenboeken een rol van belang speelt.
‘...om dat opsommen is het kennelijk begonnen: komt dat in de
plaats van een logisch verband? Is het er een voorstudie van? Wat is het? Een
ritueel? Poëzie? Het is zeker dat in veel boeken voor kleuters zulke
opsommingen voorkomen, en dat kinderen ze herkennen en er op zitten te wachten.
Knorrend van genoegen geven voorlezer en voorgelezene zich dan aan zo'n
opsomming over.’
Alsof hij het heeft over de associatieve fase die Parsons in de
esthetische ontwikkeling aan het jonge kind toeschrijft, komen associatieve
opsommingen volgens Kousbroek veel voor in kinderpoëzie, evenals in tekstloze
prentenboeken. Zo bleek The Baby Catalogue van Janet en Allan
Ahlberg urenlang een bron van groot kijkgenot voor zijn dochter, terwijl er
niets anders te zien viel dan een verzameling tekeningen. Hoe een en ander in
elkaar zit weet Kousbroek ook niet precies, maar... ‘Theedrinken met de dieren
aan een grote, volgeladen tafel, zo hoop ik dat beginners aan het leven de
wereld zien: de wereld van Mr. Gumpy, dat dat de bron van hun vroegste
associaties mag zijn.’ (‘Van nul tot drie. Leven in een wereld zonder
associaties’, 6-10-1989)

| | | |

Chris van Allsburg, De mysteries van Harris
Burdick
Het prentenboek De mysteries van Harris Burdick van
Chris van Allsburg, roept in 14 tekeningen en evenveel korte bijschriften iets
op zonder dat duidelijk wordt om welk verhaal het gaat of waar het gebeurde
precies thuishoort. Het boek biedt bovendien een (bescheiden) uitlaatklep aan
Kousbroeks levenslange agressie tegen alles wat rooms is, zoals impliciet
blijkt uit zijn voorkeur voor en beschrijving van de prent met de titel ‘De
Zeven Stoelen’, die als bijschrift heeft ‘De vijfde kwam tenslotte in Frankrijk
terecht’:
‘Het interieur van een gotische kathedraal. In het van rechts
binnenvallende licht komt een stoel naar binnen zweven. In die stoel zit een
non. Op de begane grond staan twee geestelijken omhoog te kijken.’
De fascinatie van
Kousbroek voor het verhaal over de Zeven
Stoelen is er een naar het ontstaan van de fabuleerlust: ‘de inventie van het
geheel, het appelleren aan de fantasie met deze combinatie van titel, beeld en
bijschrift’.
35 Dit mysterie speelt weliswaar in een gotische kathedraal en in
een katholieke, Europese cultuur, maar dan toch in een die door het surrealisme
is ondermijnd, waarmee deze cultuur voor de atheïst Kousbroek wellicht valt in
te passen in de vrijzinnige traditie van de Grieks-protestantse cultuur.
36
Hoe dan ook, het gaat hier om een heel ander prentenboek dan
De
| | | |

David Macaulay, De kathedraal
F. van der Meer, Geschiedenis van een
kathedraal
kathedraal van Macaulay, dat in 1975 bij
Fens zo'n gevoelige snaar raakte. Met dat boek
kwam Fens op het vertrouwde terrein van de Geschiedenis van een
kathedraal van F. van der Meer uit 1939, waarvan hij de eerste zin: ‘Nog
altijd, in het oude Frankrijk, verschijnt de kathedraal eerder aan de horizon
dan de stad’, meteen herkende als die van een reisgenoot:
‘Wat aan die zin imponeerde en wat erin bevestigd werd, zal
[...] duidelijk zijn. Ik moge slechts wijzen op de woorden “nog altijd”, “oude
Frankrijk” dat zich makkelijk tot het oude Europa laat verwijden en “eerder”.
De kathedraal reikt boven de stad. Dat is het wereldbeeld. Dat is Europa. Dat
is de Europese cultuur. Het was ook een bewijs van de onverwoestbaarheid van
een geloof, maar ook van een geloofsbeleving. Een katholiek hoefde vroeger niet
ver te reizen om in bijna alle | | | | steden van alle kanten de
uitdrukkingen te vinden van wat hij geloofde. Hij trok door zijn eigen
beeldenwereld.’
37
Die beeldenwereld heeft Fens dus te danken aan de geschriften van de
kunsthistoricus Van der Meer, waaruit hij later een bloemlezing zou
samenstellen met als inleiding de tekst ‘Het toneel is in de hemel’.
38
Een tekst die uitzicht biedt op een heel ander heilsmysterie dan ‘De Zeven
Stoelen’ in De mysteries van Harris Burdick.
Dit verschil in levensbeschouwelijke oriëntatie tussen
Fens en
Kousbroek komt ook naar voren in het soort
bijbel dat in NRC Handelsblad wordt gewaardeerd. De eerste
die op zoek ging naar een literair verantwoorde bijbel, was
Boonstra. Ongeveer negen maanden later kwam
Matsier uitgebreid terug op de vraag welke
bijbel ongelovig geraakte ouders hun kinderen kunnen voorhouden. In Eykmans
kinderbijbel heeft de jofele toon van een ouwejongens-krentebrood-bijbel ‘de
enorme literaire kracht van de bijbel gelijkgeschoren en bijgeknipt’. Matsier
eindigt dan ook met de uitroep: ‘Op naar de zuiver literaire kinderbijbel’
(3-11-1989).
Op de bijbel als onmisbare literaire bron voor schrijvers en lezers
zullen onder meer
Hofland en Kousbroek de aandacht blijven
vestigen. Zo verklaart Hofland dat hij de bijbel nooit op reis in zijn bagage
meeneemt en toch erkent hij als rechtgeaard atheïst dat de bijbel het begin is
van elke belezenheid: ‘De Nederlandse schrijfkunst is een systeem van
vertakkingen, een delta die ontspringt aan het boek der boeken, en menig auteur
die nog nooit in dit alzijdig meesterwerk heeft gebladerd, zal verbaasd zijn
als hij opeens de herkomst van zijn beeldspraak ontdekt.’ (‘Lectuur’, nr. 20,
z.j.)
Opvallend is dat de redacteuren van NRC Handelsblad
niet alleen maar klassieke auteurs naar voren halen (
Abcoude, Carroll, Defoe, Hoffmann,
Kievit,
Multatuli,
Thijssen en de Bijbel), maar ook tijdgenoten
als Hanlo, Burningham, Ahlberg, Burdick en Rego. Daarnaast heeft
Dik Trom zowel voor Hofland en Schippers
als voor Fens afgedaan en heeft bij alle drie de critici diens
gezagsgetrouwheid plaats moeten maken voor een anarchistisch levensgevoel.
Zo stelt het alter ego van Hofland, S. Montag, zich op 26-11-1983 de
vraag hoe het komt ‘dat sommige mensen ogenblikkelijk de kant van de gevestigde
orde kiezen en dat anderen een sterke neiging hebben om zich daar verre van te
houden’. Voor de hielenlikkerij die al op de lagere school ontstaat, houdt hij
behalve de brave Hendrikken en de klikspanen ook de belhamels en deugnieten
‘uit de beschaving van Dik Trom’ verantwoordelijk. | | | |
Schippers beschrijft in
Het witte schoolbord hoe hij met de kleur,
het geluid en de beweging van de bioscoop niet alleen zijn persoonlijke
stelregel op het spoor komt (‘als je goed om je heen kijkt, zie je dat alles
gekleurd is’), maar sinds die ontdekking ook geen boek meer aanraakt, want wat
moet je met verhalen over ‘een dikke jongen die achter op een ezel zat’.
39 Hij beschouwt
Dik Trom dus als gif tegen het lezen.
| |
6.5. Vormen van canonisering in NRC Handelsblad en De
Volkskrant
In de vorige paragrafen zijn we nagegaan hoeveel aandacht de
verschillende recensenten in beide kranten in de diverse periodes aan het
prentenboek besteedden. Gelet op de explosieve groei van het prentenboek in de
jaren tachtig valt te verwachten dat de critici in die periode zich ook meer
richtten op het prentenboek. In tabel 6.7 zijn de gegevens per recensent
bijeengebracht.
| recensent |
dagblad |
periode |
titels |
prentenboeken |
| |
|
|
|
|
| J.C. Villerius |
NRC |
1970-1971 |
26 |
8 |
| M. de Vreede |
NRC |
1970-1980 |
854 |
123 |
| A. de Vries |
NRC |
1980-1982 |
35 |
4 |
| M. Roscam Abbing |
NRC |
1981-1982 |
47 |
33 |
| H. Verschuren |
NRC |
1981-1982 |
135 |
18 |
| J. Verhallen |
NRC |
1981-1982 |
33 |
2 |
| B. Boonstra |
NRC |
1983-1990 |
706 |
213 |
| J.P. Bresser |
Volkskrant |
1971-1981 |
241 |
39 |
| S.B. |
Volkskrant |
1971-1972 |
23 |
- |
| F. Hersch-vd Stoel |
Volkskrant |
1981-1982 |
40 |
6 |
| M. Hammerstein |
Volkskrant |
1981-1982 |
13 |
3 |
| H. Tromp |
Volkskrant |
1982-1985 |
46 |
- |
| R. Kromhout |
Volkskrant |
1983-1990 |
418 |
115 |
| S. Niewold |
Volkskrant |
1988-1990 |
101 |
21 |
Tabel 6.7: De Volkskrant en
NRC Handelsblad, periode van recenseren en totaal aantal
besproken titels per recensent.
De relatieve aandacht voor het prentenboek blijkt wanneer die in
procenten wordt uitgedrukt: Roscam Abbing (60%), Kromhout (37%), Villerius
(32%), Boonstra (30%), Niewold (20%), Bresser (16%), Verschuren (15%), De
Vreede (13%). Daarbij zij eraan herinnerd dat de eerste recensente zich binnen
het viertal van het interregnum specifiek met boeken voor het jonge kind
bezighield. | | | |
In een onderlinge vergelijking van de spreiding van de recensies over de
onderscheiden boeksoorten van de kinderliteratuur blijkt er een opvallend
verschil in frequentie te bestaan tussen De Volkskrant en
NRC Handelsblad. Bij nadere inspectie is dat verschil
grotendeels terug te voeren op het veel groter aantal boeken dat De Vreede in
de NRC heeft besproken dan wat Bresser in de overeenkomstige
periode voor zijn rekening nam, wat deels weer een gevolg was van de praktijk
van stapelrecensies die De Vreede er door de jaren heen op na hield.
| |
Meest vermelde auteurs
Een andere manier om zicht te krijgen op de literaire canonvorming is
nagaan welke prentenboekenmakers, auteurs en illustratoren en welke uitgevers
van prentenboeken het vaakst werden vermeld, en daarmee waardevol geacht in de
onderscheiden periodes. In de tabellen 6.8 tot en met 6.11 worden daarvan
overzichten gegeven. We beginnen in tabel 6.8 met een overzicht van de meest
vermelde prentenboekenuitgevers, auteurs en illustratoren in De
Volkskrant in de jaren 1980-1990.
| uitgeverij |
aantal keren besproken |
auteur/illustrator |
aantal keren besproken |
| |
|
|
|
| Bruna |
17 |
Ungerer |
4 |
| Deltos Elsevier |
6 |
Vogel |
3 |
| Ploegsma |
5 |
Ichikawa |
3 |
| Lemniscaat |
3 |
Anno |
2 |
| De Viergang |
3 |
Schmidt |
2 |
| Gottmer |
3 |
Verburg |
2 |
| Querido |
3 |
Foreman |
2 |
| Sara |
2 |
Buisman |
2 |
| De Harmonie |
2 |
|
|
Tabel 6.8: Meest besproken uitgeverijen, auteurs en
illustratoren van besproken prentenboeken in De Volkskrant,
1971-1980, in absolute frequenties.
Ungerer is de meest besproken prentenboekenmaker met Allumette, De drie rovers, De hoed en De
tovenaarsleerling. Daarop volgen Ichikawa en Vogel met drie titels en Anno
met Het bos en Anno reist verder.
Van de uitgevers krijgt Bruna verreweg de meeste aandacht, pas op grote
afstand gevolgd door Deltos Elsevier en Ploegsma. Die prominente positie heeft
Bruna behalve aan Ungerer te danken aan de zes klassieke verhalen in klein
prentenboekformaat (Alice in Wonderland, Babar het olifantje, Max
en Maurits, Piet de Smeerpoets, Ferdinand en De mol
Graafgraag) en aan titels van Alridge, Bayley en Schmögner. Van Deltos en
Elsevier (twee verschillende imprints van dezelfde uitgever) | | | |
worden onder meer titels van Browne besproken, van Ploegsma met name werken van
Anno en Sendak, van Lemniscaat werk van
Margriet Heymans en van Gottmer titels van met
name Ichikawa, alsook Aap en de drie tovenaars en
De vrede van Veelvraat van Foreman, van Querido
Tom Tippelaar van Schmidt/Verburg en
Ik woonde in een leunstoel van
Mance Post en tenslotte van De Harmonie het
werk van Jantien Buisman.
In tabel 6.9 geven we een overzicht van de meest vermelde
prentenboekenuitgevers, auteurs en illustratoren in De
Volkskrant in de jaren 1980-1990.
| uitgeverij |
|
auteur/illustrator |
|
| |
|
|
|
| Gottmer/Becht |
34 |
Ross |
8 |
| Lemniscaat |
19 |
Velthuijs |
7 |
| Leopold/Vier W. |
19 |
Carle |
6 |
| Ploegsma |
18 |
Janosch |
6 |
| Querido |
16 |
Schubert |
6 |
| Holkema & W. |
10 |
Ahlberg |
5 |
| Altamira |
9 |
Heine |
5 |
| Bekadidact |
6 |
Lobel |
4 |
| De Harmonie |
5 |
M. Heymans |
4 |
| Zirkoon |
4 |
Moser |
4 |
| Holland |
4 |
Kuratomi |
3 |
| |
|
Potter |
3 |
| |
|
McKee |
3 |
| |
|
Blake |
3 |
| |
|
Browne |
3 |
| |
|
Turin |
3 |
| |
|
De Beer |
3 |
Tabel 6.9. Meest besproken uitgeverijen, auteurs en
illustratoren van prentenboeken in De Volkskrant, 1981-1990,
frequentie van voorkomen.
Bruna is van het toneel verdwenen, Gottmer/Becht is nu de leidende
prentenboekenuitgever, gevolgd door Lemniscaat, Leopold, Ploegsma en Querido en
op grotere afstand Van Holkema & Warendorf, Altamira, Bekadidact, De
Harmonie, Zirkoon en Holland. In de tabel worden auteurs, maar ook
illustratoren als prentenboekenmakers vermeld. De meest gerecenseerde
auteurs/illustratoren zijn Tony Ross,
Max Velthuijs, Janosch, Ahlberg, Eric Carle en
Helme Heine. Vervolgens worden ook
Lobel,
Heymans en Moser en daarnaast illustratoren
Kuratomi, Potter, Blake, McKee, (Arthur) Browne, Turin en het echtpaar Schubert
vaker vermeld.
Een overzicht van de meest vermelde uitgeverijen, auteurs en
illustratoren in NRC Handelsblad in de periode 1970-1980
biedt tabel 6.10. | | | |
| uitgeverij |
|
auteur/illustrator |
|
| |
|
|
|
| Lemniscaat |
22 |
Buisman |
8 |
| Bruna |
11 |
Janosch |
8 |
| Lotus |
10 |
Burningham |
7 |
| Gottmer |
8 |
Burningham |
3 |
| Holkema & W. |
8 |
Carle |
7 |
| Spectrum |
8 |
Kellogg |
5 |
| Ploegsma |
6 |
Cramer |
4 |
| Kosmos |
4 |
Waechter |
4 |
| |
|
Goodall |
3 |
| |
|
Velthuijs |
3 |
| |
|
Sendak |
3 |
| |
|
M. Heymans |
2 |
| |
|
McKee |
2 |
| |
|
Lobel |
2 |
| |
|
Anno |
2 |
Tabel 6.10. Meest besproken uitgeverijen, auteurs en
illustratoren van prentenboeken in NRC Handelsblad,
1970-1980, frequentie van voorkomen.
Net als in De Volkskrant in dezelfde periode staan
Bruna, Lemniscaat, Gottmer en Ploegsma bij de veel gerecenseerde uitgeverijen.
Opvallend is de aanwezigheid van uitgeverij Lotus met sterauteurs als Janosch
en Kellogg (hier derde onder de uitgevers, in De Volkskrant
afwezig) en Van Holkema & Warendorf met onder meer Burningham, en de
afwezigheid van Deltos Elsevier. De vergelijking van de lijst van meest
vermelde auteurs en illustratoren is verrassender. De meest genoemde
auteurs/illustratoren van prentenboeken, te weten Carle, Sendak, Kellogg,
Velthuijs, Burningham, Laimgruber en McKee komen niet voor op het toplijstje
van De Volkskrant in die periode, maar staan op twee na wel
allen in de toplijst van de volgende periode. De recensies van De Vreede hebben
in elk geval naam gemaakt.
In tabel 6.11 op de volgende pagina geven we een overzicht van de meest
genoemde uitgevers, auteurs en illustratoren in NRC
Handelsblad in de periode van 1981 tot 1990.
Er worden in totaal 44 verschillende uitgevers van prentenboeken
besproken. De meeste daarvan, zoals Clavis, de Eekhoorn of de Geus, zijn met 1,
2 of 3 titels vertegenwoordigd en in totaal 7 uitgevers met meer dan 10
prentenboeken. Vergeleken met de periode 1970-1980 is er in een aantal
opzichten sprake van een wisseling van de wacht: Gottmer en Querido zetten
Lemniscaat gedecideerd op achterstand, de fondsen van Leopold en De
Vries-Brouwers blijken fors in opmars (maar niet in De
Volkskrant), Bruna en Lotus zijn verdwenen, en er zijn ook nieuwkomers. En
wat de veel besproken auteurs en illustrato- | | | |
| uitgeverij |
|
auteur/illustrator |
|
| |
|
|
|
| Querido |
34 |
Anno |
12 |
| Gottmer/Becht |
34 |
Ross |
7 |
| Lemniscaat |
26 |
Heine |
7 |
| Leopold |
25 |
Janosch |
7 |
| De Vries-Brouwers |
20 |
Oxenbury |
7 |
| Holkema & W. |
13 |
M. Heymans |
7 |
| Ploegsma |
10 |
Velthuijs |
6 |
| Van Goor |
7 |
Ormerod |
6 |
| Altamira |
7 |
Ahlberg |
5 |
| Christofoor |
6 |
Bayley |
5 |
| |
|
Schubert |
5 |
| |
|
Spier |
5 |
| |
|
Steig |
5 |
| |
|
Vincent |
5 |
| |
|
Alfaenger |
4 |
| |
|
Bryant |
4 |
| |
|
Potter |
4 |
| |
|
Carle |
4 |
Tabel 6.11. Meest besproken uitgeverijen, auteurs en
illustratoren in recensiebestand NRC Handelsblad, 1981-1990,
frequentie van voorkomen.
ren in beide periodes betreft hebben Tony Ross, Ahlberg, Browne,
Lobel, Heine of Steig hun positie verbeterd,
zijn Sendak en Ungerer uit beeld geraakt, wordt Bruna voortdurend aan zijn
gevestigde reputatie overgelaten, behoudt Carle een middenpositie en blijft
Velthuijs al die tijd op zijn troon zitten. De posities verschuiven enigszins,
maar in grote lijnen zijn de meest gerecenseerde prentenboekenmakers in
De Volkskrant en in NRC Handelsblad in de
periode tussen 1980 en 1990 dezelfde. Beskow, Russel Hoban en Zimnik staan er
niet bij in De Volkskrant, Moser bovendien niet in
NRC Handelsblad.
| |
De beoogde lezer: leeftijdsdifferentiatie in de
recensies
Zowel in De Volkskrant als in NRC
Handelsblad worden in het tweede decennium van de onderzochte periode meer
gradaties onderkend in de leeftijd van de beoogde lezer van een prentenboek
(zie de tabellen 6.3 en 6.6). Bij beide kranten wordt het traditionele
marksegment (kleuters) zowel naar beneden (baby's en peuters) als naar boven
(onderbouw en bovenbouw basisonderwijs) uitgebreid. Dat laatste is niet
verwonderlijk, gelet op de trend in de productie die in een eerder hoofdstuk
werd gesignaleerd, en indachtig de constatering van Moss, die in de jaren
zeventig nog maar enkele prentenboeken voor 9- tot 13-jarigen signaleerde, in
1981 al 84 prentenboeken voor die categorie telde en in 1984 ongeveer 100. Uit
de beschrijving in de vorige paragraaf | | | | bleek overigens ook dat
recensenten zich pas geleidelijk aan laten overtuigen van die uitbreiding.
De kinderboekenkritiek in De Volkskrant is over het
algemeen weinig specifiek in de aanduiding van de leeftijd, met
Kromhout als opvallende uitzondering. Maar die
heeft als auteur dan ook schoolgegaan bij het op specifieke leeftijden
afgestemde kinderboekenfonds van Zwijsen en bovendien een opleiding gevolgd als
kleuterleider.
Bij NRC Handelsblad wijst vooral de recensente van de
tweede periode,
Boonstra, er relatief vaker op dat
prentenboeken bedoeld kunnen zijn voor een jongere of juist oudere
leeftijdscategorie dan kleuters. Aangenomen wordt hierbij overigens dat in veel
gevallen waarin geen specifieke leeftijdsklasse wordt genoemd, vooral gedacht
wordt aan kleuters, zoals wanneer recensenten een prentenboek te moeilijk voor
deze leeftijdsgroep vinden.
| |
Gehanteerde verwijzingen
In de vorige paragrafen werd op diverse plaatsen melding gemaakt van de
verwijzingen die recensenten hanteren om besproken auteurs in een literaire
traditie te plaatsen, of in het perspectief daarvan te beoordelen. Hier wordt
een samenvatting gegeven van de verwijzingen die de verschillende recensenten
hanteren bij het bespreken van prentenboeken. Dat kunnen overigens zowel
verwijzingen zijn waarin het subgenre (sprookje, fabel) in een traditie wordt
geplaatst, als referenties naar andere prentenboekenmakers. Tabel 6.12 op de
volgende pagina bevat een overzicht.
Van alle recensenten maakt Boonstra verreweg het meeste gebruik van
verwijzingen naar andere auteurs bij het beoordelen van nieuwe prentenboeken.
Dat zijn overigens niet alleen verwijzingen naar andere prentenboekenmakers -
ook niet bij de andere recensenten - maar ook naar klassieken als La Fontaine,
Grimm, Andersen, Carroll,
Van der Hulst of
Schmidt, die vanwege het genre, het spel met
de taal of het gebruik van speelse fantasie als ijkpunt worden gehanteerd.
Van de prentenboekenmakers uit de jaren zestig fungeren vooral Sendak en
Ungerer, in iets mindere mate de oudere generatie Shepard, Beatrix Potter en
Grahame, Hoffmann en De Brunhoff als de literaire traditie van het prentenboek,
die in de nieuwe producties een geïnspireerd vervolg krijgt. Van de generatie
prentenboekenmakers uit de jaren zeventig lijken
Lobel, Burningham, Carle, Heine, Lionni en
Ross zich in de rij van ijkpunten te gaan voegen. Nederlandse
prentenboekenmakers als Spier of Bruna komen in deze eregalerij niet voor.
| | | |
| |
Bresser |
Kromhout |
Niewold |
De Vreede |
Roscam Abbing |
Verschuren |
Boonstra |
| |
|
|
|
|
|
|
| Andersen |
|
x |
|
|
|
|
x (2) |
| Anno |
|
|
|
|
|
|
x |
| Baum |
|
|
|
|
|
|
x |
| Björk |
|
|
x |
|
|
|
|
| De Brunhoff |
|
|
|
|
x |
|
|
| Burningham |
|
|
|
|
|
|
x |
| Busch |
|
|
|
x |
|
|
|
| Carle |
|
|
|
|
|
|
x |
| Carroll |
|
|
|
|
|
|
x (2) |
| Cramer |
|
|
|
x |
|
|
|
| Foreman |
|
|
|
x |
|
|
|
| Grahame |
|
x |
|
|
|
|
|
| Grandville |
|
|
|
|
|
x |
|
| Grimm |
|
|
|
|
|
|
x (2) |
| La Fontaine |
|
|
|
|
|
|
x (2) |
| Heine |
|
|
|
x |
|
|
|
| M. Heymans |
|
|
|
x |
|
|
|
| Hoffmann |
|
|
|
|
|
|
x |
| Van de Hulst |
|
|
|
|
|
|
x |
| Janosch |
|
x |
|
|
|
|
|
| Lindgren |
|
|
|
|
|
|
x |
| Lagerlöff |
|
|
|
|
|
|
x |
| Lionni |
|
|
x |
|
|
|
|
| Lobel |
|
x |
x |
|
|
|
x |
| Milne/Shepard |
|
x |
|
|
|
|
x (2) |
| Perrault |
|
|
|
|
|
|
x |
| Pelgrom |
|
|
|
|
|
|
x |
| Potter |
x |
|
|
|
|
|
x (2) |
| Ross |
|
|
|
|
|
|
x |
| Sendak |
|
x |
|
x (2) |
|
|
x (2) |
| Schmidt |
|
|
|
x |
|
|
x |
| Ungerer |
|
x |
x |
|
|
|
x (3) |
| Woody Allen |
|
|
|
|
|
|
x |
| Waechter |
|
x |
|
|
|
|
|
| Zimnik |
|
|
|
|
|
|
x |
Tabel 6.12. Door recensenten gehanteerde verwijzingen
naar andere auteurs in prentenboekenrecensies.
| |
Vooraf gesignaleerde bekroningen
Als indicatie van de invloed van recensenten op de canonvorming kan het
aantal boeken gelden dat vooraf aan de bekroning met een Griffel of Penseel is
besproken. Dat is hier voor de prentenboeken nagegaan. Gewoonlijk werd in
juni/juli na het jaar van verschijnen van de desbetreffende boeken bekend welke
er bekroond zijn. In bijlage 6.1 staat | | | | een overzicht van Griffel-
en Penseelwinnende prentenboeken en de aandacht daarvoor in De
Volkskrant en in NRC Handelsblad. Uiteraard kon die
invloed alleen maar worden uitgeoefend, wanneer de recensie was verschenen,
ruim voordat de Griffels en Penselen werden bekendgemaakt. Op basis van dat
criterium levert een vergelijking van de onderzochte periode voor de drie
tijdvakken, dat wil zeggen de periode 1970-1980, de periode met wisselende
recensenten in beide bladen, de periode 1980-1982 en de periode 1983-1990 het
volgende beeld op:
| 1971-1980: |
NRC |
14 |
(De Vreede) |
| |
Volkskrant |
4 |
(3 x Bresser, 1 x Fens) |
| 1980-1982: |
NRC |
1 |
(Abbing) |
| |
Volkskrant |
- |
|
| 1983-1990: |
NRC |
21 |
(Boonstra) |
| |
Volkskrant |
17 |
(16 x Kromhout, 1 x Niewold) |
Doordat er veel meer prentenboeken in het Cultureel Supplement van
NRC Handelsblad zijn besproken dan in De
Volkskrant, is de kans groter dat de eerste krant prentenboeken heeft
besproken die later met een Griffel of een Penseel worden bekroond. Die kans
wordt tevens verhoogd door de stapelrecensie, die zich langer in de eerste dan
in de tweede krant heeft gehandhaafd.
Een teken van de toegenomen professionaliteit is dat er van 1970 tot
1980 over 7 van de 27 laureaten vooraf aan de bekroning in beide kranten niets
te lezen viel, en van 1980 tot 1990 nog maar over 4 van de 29. Veelzeggend is
ook dat tussen 1980 en 1982 auteurs als Roelofsz (Voor en
achter) en
Van Leeuwen (Een huis met zeven
kamers en De metro van Magnus) pas na bekroning werden
besproken (zie bijlage 6.1).
Dat het predictievermogen van De Volkskrant in de
vroege fase zo mager afsteekt bij dat van NRC Handelsblad,
werpt een apart licht op de spraakmakende kritiek in De
Volkskrant van Fens op de bekroonde boeken, een kritiek op hoofdpunten.
Het ging
Fens in het beroep op de literaire traditie
van Lewis Carroll en
Multatuli, waarmee hij
Annie M.G. Schmidt op de troon zette, om niet
minder dan het herstel van de literaire hiërarchie. Deze paleisrevolutie zou
vele jaren later zijn beslag krijgen toen Fens het speelse anarchisme van
Schmidt in Den Haag de macht in handen liet nemen door niet de minister van
Binnenlandse Zaken in zijn koets het Binnenhof op te laten rijden, maar Pluk
van de Petteflet in zijn kleine rode wagentje. De macht van de notabelen was
daarmee voorgoed gebroken. Vervolgens kreeg Schmidt alle bijval van
Bresser en
Kromhout in De Volkskrant,
en van Verschuren en
De Vries,
Boonstra en
Kousbroek in NRC
Handelsblad.
Tenslotte is het opvallend, dat beide bladen pas in de derde periode
veel meer met elkaar in de pas gaan lopen wat betreft hun voorspellen- | | | | de gaven (met Boonstra en Kromhout in een proces van onderlinge
creatieve wedijver). Dat De Volkskrant daarin pas zo laat van
meer professionaliteit blijk zou geven, bevestigt grosso modo het beeld dat
Frank van Vree schetst in zijn boek over De Volkskrant.
40 De aanval van Raster (
Ten Berge,
Polet en
Vogelaar van buiten en
Van Marissing vanuit De
Volkskrant) op
Fens (‘Conventies van een uitgebluste
criticus’, 5-11-1977) bracht volgens hem manco's in de kunstpagina's aan het
licht, zoals gebrek aan continuïteit en culturele traditie, politiek dogmatisme
en hobbyisme. De Fens-Raster-controverse vormde de opmaat tot
een interne heroriëntatie, die in 1978 tot de komst van Blokker als
adjunct-hoofdredacteur zou leiden. Dat had volgens Van Vree rond 1982 ‘een
heilzame uitwerking op de professionele ontplooiing van de krant’ (p. 196). Het
tijdig bespreken van potentiële kandidaten voor de Griffels en Penselen kan
daar een indicatie van zijn.
Met de institutionalisering van de eigen literaire traditie in
oeuvreprijzen, zoals de
Nienke van Hichtum- en de
Theo Thijssenprijs, en in de Libris Woutertje
Pieterseprijs als Boek van het Jaar kan de literaire kritiek meer reliëf
aanbrengen in het literaire landschap. Dat reliëf wordt versterkt door boeken
te vergelijken met andere die op hetzelfde terrein als maatstaf gelden, zoals
blijkt uit het toenemende aantal referenties in recensies. De kritiek van de
kinderliteratuur in het algemeen en van het prentenboek in het bijzonder wordt
in de formulering van Eliot steeds meer een praktijk van ‘twee dingen die aan
elkaar worden gewogen’. Uit die weging van tijdgenoten en voorgangers komt een
vitale traditie voort als ijkmaat voor een kunstwerk en voor de inspanning die
het publiek zich moet getroosten om in die traditie te kunnen participeren.
Zulk soort lezersgerichte referenties in recensies verbinden het hinauflesen van de lezer met ontwikkelingen in de literaire
productie.
De critici dragen geen autonomistische literatuuropvatting uit.
Recensenten van kinderboeken en redacteuren van kranten houden waarschijnlijk
toch te veel rekening met hun publiek en nemen daarmee een tussenpositie in:
aan de ene kant de (vooral autonomistische) literatuurwetenschappers uit het
vorige hoofdstuk en aan de andere kant de (vooral mimetische en pragmatische)
vakbeoordelaars in het volgende hoofdstuk. Het gaat wat de
kinderboekenrecensenten betreft om de volgende posities: Bresser
(pragmatisch-autonomistisch), Kromhout (pragmatisch-autonomistisch), Niewold
(mimetisch-autonomistisch), De Vreede (pragmatisch-mimetisch), Roscam Abbing
(pragmatisch-mimetisch), De Vries (pragmatisch-autonomistisch), | | | |
Verschuren (pragmatisch-autonomistisch) en Boonstra
(pragmatisch-autonomistisch-mimetisch). Ook voor recensenten van
volwassenenliteratuur als
Fens, die als autonomistisch-mimetisch kan
worden getypeerd,
Kousbroek en
Hofland, die als
pragmatisch-mimetisch-autonomistisch te boek kunnen staan, of Schippers, die
als autonomistisch-pragmatisch is te benoemen, geldt een zekere op de lezer
gerichte oriëntatie in hun reflectie op een vroege fase van literaire
ontwikkeling ten behoeve van het boekenaanbod.
| |
6.6. Discussie
Onderzoek van twintig jaar kinderboekenkritiek in NRC
Handelsblad en De Volkskrant, waarin de productie van
het prentenboek een sterke groei doormaakte, leidt tot een aantal conclusies,
zowel wat betreft het prentenboek als het kinderboek in het algemeen.
Voor het prentenboek valt allereerst de toename in aandacht op, zowel in
NRC Handelsblad als in De Volkskrant, welke
toename groter is dan bij andere boeksoorten, bijvoorbeeld non-fictie of
kinderpoëzie. Uit de prentenboeken-recensies blijkt dat de emancipatie van het
genre - veelal beschouwd als een boek met veel plaatjes voor jonge kinderen die
nog niet zelfstandig kunnen lezen - tot een genre voor diverse
leeftijdsklassen, van baby tot basisvormingleerling, de kritiek niet is
ontgaan, al zou zij zich voor de erkenning van het prentenboek voor de
leeftijdscategorie tussen servet en tafellaken nog kunnen laten inspireren door
het voorbeeld van Elaine Moss.
Uit de sterkere leeftijdsspecifieke toekenning van het prentenboek
blijkt, dat de journalistieke kritiek van het prentenboek steeds professioneler
wordt. Die professionalisering blijkt ook uit de geleidelijke afname van
stapelrecensies bij een toename van gemotiveerde beoordelingen van individuele
werken, maar eveneens uit onderlinge vergelijking van auteurs en oeuvres en het
gevoel voor hiërarchie waarmee uitgevers en auteurs tegemoet getreden worden.
Overigens werd de kritiek van Krikhaar en Ros op de stapelrecensie naar voren
gebracht op een moment dat de onderzoeksresultaten van Janssen nog niet ter
beschikking stonden. Haar onderzoek had onder meer als uitkomst de teruglopende
frequentie in de belangstelling van de literatuurkritiek voor individuele
auteurs en hun werken, vooral als gevolg van een concentratie op topauteurs. En
ook op topuitgevers, zou daaraan kunnen worden toegevoegd. De eerstgenoemde
concentratie lijkt ook in de kritiek van de kinderliteratuur te zijn
opgetreden. Het steeds meer loslaten van wat stapelrecensie is gaan heten,
heeft die tendens versterkt. Daarbij passen op deze plaats twee
kanttekeningen.
Allereerst is in dit hoofdstuk gedocumenteerd dat de ene stapel- | | | | recensie de andere niet is: er zijn stapelrecensies waarin elke
besproken titel aandacht krijgt en waarin typeringen zijn aan te treffen
waarmee de latere essayistiek en geschiedschrijving haar voordeel kunnen doen,
maar er zijn er ook waardoor die vorm van recenseren terecht een slechte
reputatie heeft gekregen. In de tweede plaats kan met de spreidingsmogelijkheid
die inherent is aan de stapelrecensie, worden tegemoetgetreden aan de
leeftijdsdifferentiatie die in de boekproductie steeds verfijndere vormen heeft
aangenomen. Dat is voor de ontwikkeling van bijvoorbeeld een specifieke canon
per leeftijdscategorie en per subgenre in het kader van hinauflesen niet onbelangrijk. In het bijzonder kan een literaire
kritiek die twee heren wil dienen - de auteur en de lezer - de nodige baat
vinden bij onder andere de formule die De Vreede in praktijk bracht door in het
jaar verankerde ‘leesgetijden’ in ere te houden. De ontdekking van de literaire
traditie wordt op deze manier behalve een zaak van de literaire kritiek en van
de literatuurgeschiedenis, ook een zaak van de lezer en van zijn leesgewoontes.
Dat kan er toe bijdragen, dat sommige hardnekkige blinde vlekken in de
literaire kritiek, zoals de stiefmoederlijke aandacht voor non-fictie,
gecorrigeerd gaan worden (zie tabel 6.1 en 6.4).
41
De toegenomen professionaliteit van de prentenboekenkritiek in de
dagbladen valt eveneens af te lezen aan het feit dat steeds alerter, in een
vroeger stadium als het ware, wordt gesignaleerd (of steeds wordt beïnvloed)
welke prentenboekenmakers bij de volgende Griffel- en Penseelronde in de
prijzen zullen vallen.
Wat de kinderboekenkritiek in het algemeen betreft lijkt het erop dat in
de onderzochte periode de kindercultuur als literaire cultuur een vaste plek in
beide kranten heeft gekregen, duidelijker overigens in NRC
Handelsblad dan in De Volkskrant.
Bij de maatstaven die in de referenties van de recensenten tot
uitdrukking komen, gaat het niet alleen om soortgelijk werk in heden en
verleden, maar ook om verwijzingen naar werken die eerder soortgelijke
leeservaringen bij de recensent hebben opgeroepen. Als het om literatuur voor
volwassenen zou gaan, zouden die twee vormen van refereren overigens niet
hoeven te verschillen. Nu het om kinderboeken gaat, is het tweede type
verwijzing van een iets andere aard. Het betreft hier een opvallend verschil
tussen het recenseren van ‘volwassen’ literatuur en het recenseren van
kinderboeken, omdat de maatstaven van vroeger in het geding zijn. Wat in de
eigen jeugd van de recensent mooi is gevonden - een aspect van de
beoordelingsparadox van de criticus die geen kind meer is maar wel over
kinderliteratuur oordeelt - speelt een rol van betekenis in het beoordelen van
het con- | | | | temporaine aanbod. Daarbij is het er recensenten ook om te
doen aangename en interessante leeservaringen met de grootst mogelijke
prioriteit aan het nageslacht door te geven.
Die zorg voor de overdracht van het cultureel erfgoed wordt echter
steeds weer geactualiseerd in de vraag, wat nieuwe auteurs en titels aan de
bestaande traditie toevoegen. Eliot verwoordde dat als volgt:
‘De bestaande kunstwerken vormen met elkaar een ideale
ordening die door de toevoeging van het nieuwe (het echte nieuwe) kunstwerk
wordt gewijzigd. De bestaande orde vormt een afgerond geheel voordat het nieuwe
werk erbij komt; maar wil de ordening na de toevoeging van het nieuwe blijven
voortbestaan, dan moet de gehele orde een wijziging ondergaan, hoe minimaal
ook; en zo worden de relaties, de verhoudingen en waarden van elk kunstwerk ten
opzichte van het geheel opnieuw geijkt; en hierin bestaat nu de overeenstemming
van het oude met het nieuwe.’ (Kuin, 1989, p. 47)
Van zo'n radicale breuk was sprake toen
Fens Dik Trom tot leven zag komen in de
toenmalige minister van Binnenlandse Zaken en vervolgens Pluk van de Petteflet
de macht op het Binnenhof over zag nemen. Zo gaat de ontdekking in de
journalistieke kritiek van het literaire referentiekader van de toekomst samen
met de opruiming van dat van het verleden, ook al zou
Dik Trom een decennium later een
prominente plaats krijgen in de academische geschiedschrijving
Wat heten goede kinderboeken? van
Anne de Vries.
Op eenzelfde manier signaleren
Kromhout,
Niewold en
Boonstra hoe Ungerer en Sendak met hun nieuwe
sensibiliteit auteurs als Browne,
Heymans, McKee of Ross weten te inspireren.
Kromhout markeert dat als het einde van het getroetel in de kinderliteratuur.
In het algemeen gaat het in beide kranten bij het verwijzen naar voorgangers
echter om veel minder radicale veranderingen in het literaire landschap.
Het onderling vergelijken van titels en auteurs geschiedt het meest
gedifferentieerd door Rindert Kromhout, Selma Niewold, Anne de Vries (in een
literatuur-historisch kader) en vooral Bregje Boonstra. Het netwerk van
referenties dat aldus ontstaat blijkt voor de laatste de opmaat tot essays en
daarmee het begin van geschiedschrijving, terwijl De Vries onder de critici het
meest het vaderlands verleden inzet als toetssteen voor het heden. Voor beiden
echter vormt het forum van de dagbladkritiek het vertrekpunt voor de
essayistische en de literair-historische kritiek. De wijze waarop dat forum de
eigen literaire traditie is gaan ontdekken geeft geen steun aan het voorstel
van Bekkering om de jeugdliteratuur te integreren in de nationale
literatuurgeschiedenis voor volwassenen. Temeer omdat die traditie veeleer,
zeker voor het prentenboek, internationaal georiënteerd blijkt te zijn. Van die
dubbele oriëntatie gaf Fens een eerste voorbeeld, toen hij met het spelen
| | | | met een speld van Lewis Carroll de zeepbel van de vaderlandse
kinderboekenweekprijs doorprikte en tegelijk de ogen opende voor het speelse
taalgebruik van
Multatuli en
Annie M.G. Schmidt. Overigens hoefde de
kritiek van de kinderliteratuur zich niet op de wijze van Baron van Münchhausen
aan de eigen haren uit het moeras omhoog te trekken. Er kwam steun van
essayistische zijde, zoals toen
Fens over
Thijssen schreef, nadat hij van deze auteur al
eerder met het opstel ‘Het grijze kind van het realisme’ een subliem beeld had
gegeven.
42 Voorts valt
op dat in de gehanteerde verwijzingen het Angelsaksische aandeel zo domineert,
wat weer niet verwonderlijk is wanneer men bedenkt hoeveel essayistische en
academische studies over deze bakermat van de kinderliteratuur zijn
geschreven.
De canon van de journalistieke kritiek drukt volgens Rosengren via de
essayistische en literair-historische kritiek zijn stempel op de canon van de
toekomst en de lezer van dag- en weekblad zit daarbij op het vinkentouw. Maar
in de verkenning van de literaire roem van de toekomst vindt een steeds
verfijnder beroep plaats op de literaire kennis van de lezers, wat een drempel
kan zijn tot Rosengrens referentiekader voor de toekomst van nieuw te
verschijnen prentenboeken.
Of er zich zo'n drempel voordoet is niet in de laatste plaats
afhankelijk van de mate waarin de literaire kritiek als vorm van
cultuurspreiding een breed publiek weet te bereiken. Fens is zich daarvan
bewust wanneer hij met Multatuli opkomt voor het speels taalgebruik van gans
een (kinder)volk, of wanneer hij Jannie Daane eert om haar leesbevordering.
Bresser hoopt in dit perspectief op onderwijs, kunst en wetenschappen als de
drie musketiers die de cultuur als wapen hanteren in de ontplooiing van mensen.
Kousbroek is getroffen door het redactioneel van het Cultureel Supplement dat
zich, nogal ongewoon bij een beroep op de cultuur voor de massa, tot de elite
wendt, en Boonstra beschouwt haar ideaal van de literaire Graal als stevige
(volks)soep van worstepen. Het ontbreekt de journalistieke kritiek dus
geenszins aan de inzet om voor de canonvorming de literaire proeftuin van de
samenleving te willen zijn. Of de massa zich daar evenzeer vertegenwoordigd zal
zien als de elite is echter niet alleen afhankelijk van een verticale
verdieping in essayistiek en geschiedschrijving. Ook een horizontale
verankering binnen de vak- en vormingsgebieden van vooral het basisonderwijs
zou daartoe moeten bijdragen. Binnen het kader van onderwijs voor allen kan de
literaire canon dan uitgroeien tot een educatieve canon, die per vak extra
aanknopingspunten kan aanreiken aan het van nature nieuwsgierige kind. De
verkenning van die educatieve canon zal in het volgende hoofdstuk
plaatsvinden.
|
1C.J. van Rees, ‘How a literary work becomes
a masterpiece: on the threefold selection practised by literary criticisme’,
in: Poetics, 12 (1883), nr. 4/5, pp. 397-417.
2S. Janssen, In het licht van de
kritiek. Variaties en patronen in de aandacht van de literatuurkritiek voor
auteurs en hun werken (diss. KUB). Hilversum (Verloren) 1994.
3T.S. Eliot, ‘Tradition and the Individual
Talent’ (1919), in: idem, Selected Essays. Londen (Faber and
Faber) 1932, pp. 13-22. Zie ook T.S. Eliot, Traditie en
persoonlijkheid. Eliot's beroemdste essay. Ingeleid, vertaald en
toegelicht door Dr. J. Kuin, Kampen (Kok Agora) 1988; T.S. Eliot, De functie van de kritiek. Ingeleid, vertaald en Toegelicht door
Dr. J. Kuin, Kampen (Kok Agora) 1989.
4J.J.A. Mooij, ‘De zin van een literaire canon’,
in: idem, De wereld der waarden. Essays over cultuur en
samenleving. Amsterdam (Meulenhoff) 1987, pp. 121-132; J.J.A. Mooij, ‘Het
probleem van de canon’, in: W. van Peer en R. Soetaert (red.), Voorzetten 43. De literaire canon in het onderwijs. Stichting
Bibliographia Neerlandica, Den Haag 1993.
5K. van Rees, ‘Consensusvorming in de
literatuurkritiek’, in: H. Verdaasdonk (red.), De regels van de
smaak. Amsterdam (Nijsen) 1985, pp. 59-85.
6A. de Vries Wat heten goede
kinderboeken? De theoretische opvattingen over kinderliteratuur en de praktijk
van de boekbeoordeling in Nederland 1880-1980 (diss. VU). Amsterdam
(Querido) 1989.
7M. Krikhaar & B. Ros, Een
spannend boek. Warm Aanbevolen! Een onderzoek naar twintig jaar jeugdliteraire
kritiek (1965-1984). Doctoraalscriptie Faculteit der Letteren, KUN,
Nijmegen 1986.
8K. van Rees, ‘Hoe volwassen is de kritiek van
kinderboeken? Over opvattingen van kinderboekrecensenten’, in: Leesgoed, 1988, nr. 1, pp. 20-22.
9K. Dijkstra, ‘Canonvorming in de literaire
communicatie. Indicatoren voor de analyse van de literair-kritische canon’, in:
Spektator, 18 (1988) nr. 3, pp. 159-168; K.E. Rosengren,
‘Time and Literary Fame’, in: Poetics 14 (1985) nr. 1/2, pp.
152-172; idem, ‘Literary Criticisme Future Invented’, in: Poetics 16 (1987) nr. 3/4, pp. 300-325.
10B. Boonstra, Een iets te hoge
toonbank. Kinderboekrecensies NRC Handelsblad 1983 tot 1993. Baarn
(Bekadidact) 1994.
11Bij de documentatie werden aanvullende gegevens
verstrekt door Bregje Boonstra, Mischa de Vreede (en het Letterkundig
Documentatiecentrum), Herman Verschuren en Arme de Vries; genoemde bestanden
mogen daarom geheel of ten dele als compleet gelden.
12G. Kuijer, Het geminachte kind.
Acht stukken. Amsterdam (De Arbeiderspers) 1980, p. 55.
13D. Kohnstamm (red.), Kuijer mooi
en lelijk. Amsterdam (Swets & Zeitlinger) 1981.
14R. Kousbroek, ‘Dankrede. Bij het ontvangen van
de P.C. Hooftprijs’, in: idem, De Waanzin aan de macht. Anathema's
4. Amsterdam (Meulenhoff) 1979, pp. 176-180.
15J.P. Bresser, ‘Cultuurspreiding’, in:
Kunst en Educatie, 1994, ongepagineerd.
16Zie P. Mooren, Langs de lange
Lindelaan. Opstellen over jeugdliteratuur en leesonderwijs. NBLC, Den Haag
1998, p. 9.
17J. Goedegebuure, ‘16 maart 1983: Eerste
uitzending van het televisieprogramma “Hier is Adriaan van Dis” - De invloed
van de media op het literaire bedrijf’, in: M.A. Schenkeveld-van der Dussen
(red.), Nederlandse Literatuur, een geschiedenis. Groningen
(Martinus Nijhoff) 1993, pp. 846-852.
18B. Boonstra, N. Matsier, M. Roscam Abbing en M.
de Vos, De allermooiste boeken voor kinderen. Van Rupsje
Nooitgenoeg tot Kees de Jongen. De Bijenkorf, Amsterdam 1991.
19Zie daarvoor: I. Abram en P. Mooren,
‘Prentenboeken en Holocaust. Opvoeding na Auschwitz’, in: Literatuur zonder leeftijd, voorjaarsnummer 1998, pp. 55-76; ook
in: Mooren, Langs de lange Lindelaan, 1998 (n. 16), pp.
112-125.
20H. Verschuren, ‘Groeiende belangstelling voor
het kinderboek’, in: A. Moerkercken van der Meulen & H. Spelbrink (red.),
De wereld van het kinderboek. Groningen (Wolters-Noordhoff)
1982, p. 18.
21B. Boonstra, ‘Alfa en Betje op het groene gras.
Oorspronkelijke Nederlandse ABC-boeken in de twintigste eeuw’, in: J. ter
Linde, A. de Vries en D. Welsink (red.) A is een aapje. Opstellen
over ABC-boeken van de vijftiende eeuw tot heden. Amsterdam (Querido)
1995, pp. 119-149.
22J. van Leeuwen, ‘Plaatjes lezen, woordjes kijken.
Persoonlijke notities over tekeningen in de kinderboeken van Joke van Leeuwen’,
in: Ziezo 5. Kritische informatie over jeugdliteratuur.
Leuven (Infodok) 1981, pp. 114-119; J. van Leeuwen, ‘Beelden onder woorden’,
in: P. Mooren en H. Verdaasdonk (red.), Speerpunt Lezen.
Tilburg (Zwijsen) 1987, pp. 205-216.
23Boonstra, Een iets te hoge
toonbank, 1994 (n. 10), p. 120
24B. Boonstra, ‘Klankbord of doorgeefluik? “De
grootste handicap van een kinderboekenrecensent is dat hij of zij geen kind
meer is”’, in: Literatuur zonder leeftijd, 25 (1993), pp.
61-71. Zie ook Boonstra, ‘Het hoe en waarom van een kinderboekenrecensent’, in:
idem, Een iets te hoge toonbank, 1994, pp. 9-16.
25B. Boonstra, ‘A good review is no more nor less
than an honest, personal reaction to a book’, in: Literatuur
zonder leeftijd, 23 (1992), pp. 39-47.
26B. Boonstra, ‘ Er was eens een
waseens. De jeugdliteratuur’, in: N. Matsier & C. Offermans, W. van
Toorn en J. Vogelaar, Het literair klimaat 1986-1992.
Amsterdam (De Bezige Bij) 1993, pp. 125-154.
27M. Roscam Abbing, Het Babymuseum. De
archaïsche neiging om je eigen kinderen groot te brengen. Amsterdam
(Prometheus) 1992, pp. 31-40.
28A. de Vries, ‘Het verdwijnende kinderboek.
Opvattingen over jeugdliteratuur na 1980’, in: Leesgoed, 17
(1990), nr. 2, pp. 64-68.
29Boonstra e.a. (1990), De
allermooiste boeken voor kinderen, 1990 (n. 18).
30E. Moss, Picture Books for Young
People 9-13. Lockwood (Thimble Press) 1981; 1985 2;
1988 3.
31M. Wijma, ‘Sofie past toch niet in dat
theatertje? Kinderen over Kleine Sofie en Lange Wapper’, in: Leesgoed, (1985), nr. 4, pp. 142-143.
32R. Kousbroek, ‘Het Nederlands Facultatief’ en
‘Zwemles in de Sahara’, in: idem, De waanzin aan de macht.
Anathema's 4. Amsterdam (Meulenhoff) 1979, pp. 73-82.
33S. Montag, Overpeinzingen.
Amsterdam (De Bezige Bij) 1976, p. 130
34R. Kousbroek, ‘Onschuld en Boete’, in: idem,
Een kuil om snikkend in te vallen. Amsterdam (Thomas Rap)
1971, p. 94.
35R. Kousbroek, ‘Het raadsel van de
uitverkiezing’, in: W. Woltz (red.), H.J.A. Hofland. Een
vriendenboek. Amsterdam (Bert Bakker/De Bezige Bij) 1992, pp.
77-86.
36R. Kousbroek, ‘Hersenspoeling’, in: idem,
Hoger honing. Amsterdam (Meulenhoff) 1997, pp.
22-30.
37K. Fens, ‘Ontspiegeling’, in: Spiegelbeelden. Baarn (Arbor) 1988, pp. 58-73. [Inleiding op de
studiedag Herwogen tradities. UvA, 14-9-1986].
38C. Offermans en W. van Toorn, ‘Kees Fens. In
Gesprek’, in: Raster, 64 (1993), pp. 116-117. Zie ook
Het toneel is in de hemel. Bloemlezing uit het werk van F. van der
Meer. Samengesteld en ingeleid door Kees Fens, Baarn (Ambo) 1981.
39P. Mooren, ‘Schippers, schrijver van sensaties.
Het kindperspectief van een P.C. Hooftprijswinnaar’, in: Leesgoed, 23 (1996), nr. 2., pp. 68-73.
40F. van Vree, De metamorfose van
een dagblad. Een journalistieke geschiedenis van De Volkskrant. Amsterdam
(Meulenhoff) 1996.
41P. Mooren, ‘Ter Inleiding’, in: P. Mooren en H.
Verdaasdonk (red.), Kinderen en non-fictie. Tilburg (Zwijsen)
1989, pp. 7-20.
42K. Fens, De gevestigde chaos.
Opstellen en kritieken. Amsterdam (Van Oorschot) 1966.
|
|