terug  begin  verderprepost

B. Joodse elementen in de zuidoostelijke groep

B I. Das Duisburger Vocabular (1724) [Bron 4]229

Deze woordenlijst is door Avé-Lallemant het eerst bekendgemaakt. Strikt genomen hoort zij niet in het nu te behandelen gebied thuis. Maar de benden, die de geheimtaal spraken, werkten zeker ook in zuidoostelijk Nederland. Het beeld dat deze benden (Van Ginneken noemt ze, m.i. ten onrechte, bokkenrijders)230 geven, is hetzelfde als dat van de Brabantse Bende van ± 1790 (c iv): Joden en christenen werken broederlijk samen. Geen wonder dat het Joodse element in deze lijst vrij groot is. We zullen dat bij lijst c iv ook zien. Toch is het type woorden anders dan bij c iv. Ik kan de lijst niet zonder meer bij de dieventaalgroep rangschikken. Slechts enkele woorden: capores ‘moorden’; classey ‘zakpistool’; cooch-halden ‘op roof uitgaan’, zijn typerend voor een dieventaal. De andere woorden zijn Bargoens, dat heel veel overeenkomst toont met het Bargoens van Maastricht.

Avé-Lallemant merkt op: ‘Ersichtlich ist aber auch die Redaction von unkundiger Hand geführt. Mehrere Wörter sind sogar ganz falsch aufgefaszt und wiedergegeben.’ Er is één fout in de lijst die ik fataal vind, en die m'n vertrouwen in het hele woordmateriaal aan het wankelen zou brengen als dit weer niet door andere gegevens versterkt werd. Er staat: offeren ‘Fleisch’. Avé-Lallemant verklaart dit woord als volgt:

Offeren, Fleisch, ist doch wol nur vom nd. offer, offeren, Opfer, opfern, abzuleiten, wo ja auch die Ausdrücke Spijsoffer, Speiseopfer, Drankoffer, Trankopfer, als allgemeine Benennung für den Stoff des Opfers im Gebrauch sind’ (l.c. p. 109).

Dit woord offeren is enkel en alleen ontstaan uit een schrijffout: oft cren (uit het Liber Vagatorum: Bossaert oft cren ‘vlees’), is geworden offeren. Met het Nederlandse offer heeft dit woord niets uit te staan.231 Maar wat erger is: het woord heeft in de geheimtaal nooit bestaan. Hoe komt nu zo'n samensteller van een lijst, die z'n materiaal aankondigt als opgetekend uit de mond van de dieven zelf, aan zo'n woord? Dat kán eenvoudig niet van een dief opgetekend zijn. De hele lijst is echter niet te verwerpen.

De Joodse elementen zijn:

[p. 157]
achelen, eten. Pol. en Voorz.: achelen, achiloh (znw.). Bischoff: âcha'l.
caffer, een boer
capores, vermoorden. Pol. en Voorz.: kaporoh ‘bedekking, zedelijke vergoeding, verzoening’ (met eigenaardige bet. ontwikkeling).
classey, zakpistool
Jd. klajsajyn (zie d ii en c iii).
cooch halden, op roof uitgaan
Avé-Lallemant: koach, kauach ‘kracht, sterkte, geweld, inbreuk’. Pol. en Voorz.: kauag ‘kracht’.
du manser, halts Maul oder schweige still. Volgens Avé-Lallemant te lezen: Du mamser! ‘jij beroerling’. Pol. en Voorz.: mamzeir ‘bastaard’; scheldwoord.
herkem duf, sla de duivel dood. Pol. en Voorz.: haureig ‘moordenaar’. Avé-Lallemant: Joods hargenen, horach.
isch, een meisje. Pol. en Voorz.: ishoh ‘vrouw’.
kilef, hond. Pol. en Voorz.: kélèw ‘hond’.

Het aantal Joodse woorden is negen op een totaal van 62, of 14,5%. De soort woorden is heel anders dan we constateerden in a iii, a iv. Hier geen handelswoorden, maar begrippen die op rooftochten betrekking hebben. Twee woorden voor ‘doodslaan’, één woord voor ‘roven’, één voor ‘wapens’, één voor ‘de hond’ (een belangrijk element in de rooftochten). De rest van de woorden is echter gewoon Bargoens, op enkele na. We hebben hier te doen met een Bargoenssprekende groep die als roversbende aangevuld werd met Joden, welke een geheimtaalelement geleverd hebben dat paste bij het bedrijf van de bende. Eenzelfde beeld als bij c iv, de Brabantse Bende. De Joodse invloed lijkt me van het oosten te komen. In de Rijnstreek woonden in elk geval heel wat meer Joden dan in Zuid-Limburg.

B II. Kramertaal van de Kempen (1837) [Bron 44]232

Deze geheimtaal is kramertaal. Ik heb er een lijst van samengesteld, bestaande uit 75 woorden (De Kramertalen: p. 64-83). Er komt slechts één woord in voor dat misschien van Joodse oorsprong is: poen ‘geld’. In m'n artikel over dit woord (l.c. p. 77) schreef ik: ‘De heele uitleg (van Günther) hoe aanlokkelijk ook (namelijk de verklaring uit melech punem) lijkt me niet goed, vooral als we bedenken, dat het woord in het Vlaamsch, waar al heel weinig Jiddisch voorkomt, inheemsch is.’ Als het woord Joods is, hoort het in de oudste laag.

In de kramertaal van de Kempen komt dus praktisch geen Joods voor. De Teuten, die deze taal spraken, kwamen blijkbaar niet met Joden in aanraking en hadden ook geen contact met de onderste lagen van de zwervers. Ook in de kramertaal van Mettingen vinden we heel weinig Joods. Toch zwierven deze lui, de Teuten en Tiötten, in streken waar zeer zeker wel Joodse elementen in de geheimtalen zitten. Een bewijs te meer dat we kramertalen moeten scheiden van de overige geheimtalen.

B III. Bargoens van St.-Truiden (Belgisch Limburg) (1892) [Bron 21]233

De volgende woorden uit de door Julius Labbé te St.-Truiden genoteerde lijst, zijn van Joodse oorsprong:

[p. 158]
jonen, bedriegen
Avé-Lallemant i, p. 6: verkorte vorm van jedionen, uit Hebr. joda ‘weten, kennen’. Uit de Joodse tovermystiek in de christelijke overgenomen met de bet. ‘bedrieglijke magische wetenschap’.
kaffer, kafferin, boer, boerin.
loes smoezen, is lau smoezen, niets zeggen.
moos, geld.
schachelen, sjachelen of chachelen, verruilen, met een begrip van ‘bedriegen, woekeren, verpassen’.
tallevelen, tallevelaar, bedelen, bedelaar.
toffe, tof, goede, goed.
verkimmeren, verkopen. Pol. en Voorz.: qinjon ‘koop, het gekochte, verworven goed, bezitting’.

In totaal vinden we dus acht woorden, welke evenals die in Roeselare (a iv) betrekking hebben op de handel: ‘verkopen’ (tweemaal), ‘geld, bedriegen, niets zeggen’, zijn wel de echte handelswoorden. Een absoluut andere invloed dan we in b i zagen, heeft hier gewerkt.

Deze Joodse woorden lijken me al heel oud. De lijst woorden die Labbé uit de mond van St.-Truidenaren heeft genoteerd, is absoluut te vertrouwen. En nu valt van deze lijst het oude karakter op. De meest zeldzame woorden, die in de eerste lijst van het Liber Vagatorum, in de Nederlandse vertaling van 1547, voorkomen, zien we hier. Ik noem de volgende, die precies overeenstemmen en die zeldzaam zijn:

St.-Truiden Liber Vagatorum
avelcoert, tesch, zak avelcoert, een borse oft een tessche
glyde, hoer, slechte vrouw glyde, een hoere
gogelfrentse, non gogelfrentse, een nonne
ionen, bedriegen ionen, bedriegen
kabas, korf kabbas, eenen korf
kroener, man kroener, een man
kroenie, wijf kronie, een wijf
nering doen, spieden, winst zoeken Neeringhe doen, bespien oft spijse zoeken
verkimmeren, verkoopen verkimmeren, vercoopen
vermonen, bedriegen vermonen, bedrieghen
vosken, goudstukje vosch, eenen gouden penninck
windvang, mantel wintfanck, een mantel
zwikker, henker, beul zwicker, een hancker
zwierlink, oog zwirlic, een ooghe

Onder deze alleroudste woorden komen twee Joodse voor: verkimmeren en jonen. Deze zijn dus zeker heel oud. Maar ook de andere woorden, waar ze in zo'n omgeving voorkomen, lijken me uit de eerste tijd van het verblijf van de Joden in Brabant, dus van voor ± 1348.

Bij de Zigeunerwoorden zullen we ook één speciale groep woorden in alle lijsten zien weerkeren: bink, mollen enz. (zie hoofdstuk v). Hier zijn het: moos, kaffer, lau, tof.

[p. 159]

De nieuwe tijd geeft er andere woorden bij, doch deze oudste vinden we overal. Ik meen hier, evenals in a iii, a iv en a v, te doen te hebben met Joodse invloed die dateert uit de tijd van het verblijf van de Joden in de zuidelijke provinciën, voordat ze door verordeningen en vervolgingen verdreven werden.

B IV. Bargoens van Maastricht (1917) [Bron 23]234

Het woordmateriaal heb ik in Maastricht opgetekend van een Zuid-Limburgse zwerver. Omdat het in de gemelde studie Brg. v. Maastricht heet, gebruik ik hier die naam ook. Het Bargoens stamt uit het westelijk deel van Zuid-Limburg en staat tussen de Oost-Limburgse geheimtaal, het ‘Henese Fleck’ van Breyell en het Bargoens van Bilsen en St.-Truiden in (Brg. v. Maastricht, p. 232). Het is, evenals het hierna te bespreken materiaal van Groenstraat, gebaseerd op kramertaal, maar is Bargoens geworden omdat het element ‘geleerde’ ontwikkeling ontbreekt, en Joodse woorden opgenomen zijn (zie hoofdstuk ii, ‘Kramertaal’).

Aantal joden in 1915

De kerkelijke gemeente Beek, omvattend: Beek, Elsloo, Geulle, Stein, Urmond. Beek: 9 mannen, 2 vrouwen; Urmond: 2 mannen en 2 vrouwen. In Elsloo, Geulle, Stein wonen geen Joden. De synagoge in Beek is gesticht in 1866.
Gemeente Eysden. Deze gemeente omvat het hele zuiden, van Gronsveld tot Slenaken: 9 mannen, 18 vrouwen. De synagoge in Eysden is van 1793.
Gemeente Gulpen. Deze gemeente omvat veel plaatsen. Joden wonen alleen in Gulpen: 23 mannen en 21 vrouwen, en Vaals: 16 mannen, 13 vrouwen. De synagoge van Gulpen dateert van 1823.
Gemeente Heerlen. In de kleine plaatsen onder deze gemeente ressorterende, wonen geen Joden. Heerlen telt 19 mannen en 22 vrouwen.
Gemeente Maastricht. 146 mannen, 163 vrouwen, met St.-Pieter mee: 159 mannen en 170 vrouwen; Heer: 6 mannen en 7 vrouwen. De synagoge van Maastricht dateert van 1840.
Gemeente Meerssen. 25 mannen, 28 vrouwen; Schimmert: 4 mannen, 4 vrouwen. Synagoge te Meerssen van 1853.
Sittard. 72 mannen en 68 vrouwen (volgens opgave meest Portugees Israëlitisch. Deze opgave is zonder twijfel fout).235
Gemeente Valkenburg. 8 mannen en 11 vrouwen.

We zien dat op het platteland geen Joden wonen. De centra zijn: Maastricht, Sittard, Gulpen. De synagoges zijn over het algemeen niet gebouwd voor 1800 (Eysden 1793).

De volgende Joodse woorden komen in het Bargoens van Maastricht voor:

bajis, gevangenis
Pol. en Voorz.: baïs ‘huis’.
betske, ei
Pol. en Voorz.: beiçoh ‘ei’.
casprement, zwangerschap
Een casprement flikken, coïre.
doft, goed.
gannefen, stelen
Er maast geganneft en hokt in bajis. Pol. en Voorz.: ganow ‘dief’, gannewen ‘stelen’.
[p. 160]
gochel, vagina; gochels, heet,
hartstochtelijk. Avé-Lallemant iv, p. 348: gacheles ‘die glühende Kohle’, gachel ‘er hat Feuer angezündet’.
joucher, slecht
't Maast hier joucher.
kaffer, boer
Ook in samenstellingen: kaffersjuk ‘boerenkermis’ en kaffersmokum ‘dorp’.
kajim, jood; ook als verkleinwoord: kajimke.
kazer, vlees.
ken, ja.
kilef, hond
Kilef voor te trafakken, trekhond.
kluft, het hele voorkomen van iemand Die bink heeft kwanke kluft, die man ziet er goed uit.
lau, nee
Lau prevelen, nee zeggen.
leichen, brood
Pol. en Voorz.: légèm ‘brood, spijs’.
majem, water.
majemen, regenen.
mokum, stad; kaffersmokum, dorp.
poen, geld.
posjer, cent. Pol. en Voorz.: poshut ‘eenvoudig, penning, duit’.
schok, markt; ook ‘winkel’
Bischoff: Hebr. schûk.
sjachelen, handelen; versjachelen.
sjaufel, slecht, dom. Pol. en Voorz.: shopheil ‘laag, nederig’; (van zaken sprekende) ‘slecht’.
sjoof, gulden.
smeris, veldwachter. Pol. en Voorz.: shemiroh ‘inachtneming, wacht, toezicht’; shemirus ‘wachter, bewaker, politieagent’.
sossele, paard.
zeibel, manufacturen, slechte waar. Pol. en Voorz.: zeiwel ‘bedrag, zwendel, slechte waar’.

We vinden in totaal 27 Joodse woorden op 222, of ruim 12%.

Verschillende van deze Joodse woorden zijn nieuw en van jonge datum. Bajis, betske, gannefen, leichem, posjer, schok, sjaufel, zeibel, smeris, troffen we nog niet aan. Twee groepen werken hier in: 1 de dieventaal - bajis, gannefen, smeris; en 2 het jargon, waarvan we hier bij Houthem-St.-Gerlach een centrum vinden.236 Posjer, schok, sjoof, zeibel zijn hieruit te verklaren. Ook woorden als majem, majemen zijn van jonge datum. We hebben hier met invloeden te doen die voor de dieventaalelementen te verklaren zijn uit een grotere stad als Maastricht; en voor de jargonwoorden uit het genoemde centrum. In deze centra werkt een invloed uit het noorden. Zie hoofdstuk ii, ‘Vergelijking van het jargon van Goor en dat van Houthem-St.-Gerlach’. Aan directe ontlening van de Joden in Limburg hoeven we hier niet te denken, hoewel de aanwezigheid van een Joods element in de centra niet helemaal zonder invloed gebleven zal zijn.

B V. Bargoens van Groenstraat (1924) [Bron 24]237

Het materiaal is genoteerd door dr. Endepols. In mijn studie De Kramertalen heb ik het Groenstraats gekenmerkt als kramertaal uit de tweede periode, dus zonder de ‘wetenschappelijke’ ontwikkeling (zie hoofdstuk ii, ‘Kramertaal’).

De volgende Joodse woorden treffen we erin aan:

[p. 161]
bachem, Grosschen
Zie rad in ‘Louter Lekoris’. Vgl. aldaar ook: bas.238 Endepols noteert dit woord als ‘algemeen erkend, onvervalscht Bargoens’. Hij geeft dit door een † aan.
bajes, gevangenis
begiet, angst; begiet sien, angst hebben Pol. en Voorz.: bechïoh ‘geween’ (vgl. ‘Louter Lekoris’: begitem ‘bang’).
beis, twee. Pol. en Voorz.: beis ‘2de letter Hebr. alfabet, als getalwaarde: “2”’.
besjoelme, betalen
bezol, goedkoop
Pol. en Voorz.: bezaul ‘koopje’.
jatte, hand. Pol. en Voorz.: jad, status constructus238* en in plaats van jod.
kazer, vlees
ken, ja
kielef, hond
malbusj, kleed
Pol. en Voorz.: malbush ‘kleed, hulsel, bv. van de wetsrol’.
talfe, bedelen; talfer, bedelaar
tof(t), goed

De lijst, door dr. Endepols genoteerd, bevat 257 begrippen. (De lijst is Nederlands-Bargoens.) Hiervan zijn er 13 aan het Joods ontleend. Het percentage is ± vijf. Merkwaardig is dat de woorden die als ‘algemeen erkend, onvervalscht Bargoensch’ gegeven worden (de met † getekende), over het algemeen nieuwe woorden zijn.

Bachem, begiet, beis, besjoelme, bezol, ken, zijn in het jargon algemeen. De Joodse invloed in deze kramertaal is zeker van een jongere periode. De echte kramertalen, als de Tiöttensprache van Mettingen of het Henese Fleck van Breyell zijn, mét de kramers zélf, in stand vooruitgegaan: de ‘wetenschappelijke’ dóórvorming is er een bewijs van. De kramertaal van Groenstraat is in oorsprong dezelfde als het Henese Fleck. Winkler zegt ervan:239

Deze breielsche, nieuwenhaagsche en groenstraatsche kooplieden en marskramers spreken onder elkaar een bijzondere vorm van roodwaalsch, dat door andere menschen meestal kramerlatijn wordt genoemd, maar dat zij zelven henese flik, dat is schoone of goede taal noemen. Breiel is de hoofdzetel van deze taal.

Verder zegt Winkler:240

Het roodwaalsch van Nieuwenhagen en Groenstraat wijkt slechts in enkele woorden af van dat van Breiel. Zoo is het breielsche blag, man, te Nieuwenhagen en Groenstraat oak, en het breielsche thoeren, vrouw, is daar gruus. ... Eenigen van deze woorden zijn uit het jode-hebreeuwsch (loschaun-hakaudisch) (Winkler p. 412).

Het enige woord dat Winkler als Joods opgeeft, benk ‘man’, is niet te verklaren uit Hebr. ben ‘zoon’, maar is Zigeuners. Andere Joodse woorden geeft hij niet. De gegevens van Winkler en Endepols kloppen goed met de feiten: de Joodse invloed in het zuiden is, behalve bij de paar woorden uit de oude laag, van jonge datum en te verklaren uit dóórdringing van Joodse elementen uit de noordelijke geheimtaalgroepen.

[p. 162]

B VI. Bargoens van Weert (1927) [Bron 25]241

Ik heb dit materiaal opgetekend uit de mond van twee personen. C.K. uit Weert is een zwervend stoelenmatter, die bijvoorbeeld ook in Nijmegen komt. H., ook een zwerver, geboortig uit Weert, was de tweede zegsman. Ook hij strekt z'n zwerftochten tot Nijmegen uit en was daar zelfs, toen ik hem ondervroeg, woonachtig. We zullen zien of zich in de geheimtaal een sterkere Joodse invloed aftekent.

Weert behoort tot de kerkelijke gemeente Roermond. Er woonden in 1915 geen Joden.

bachem, stuiver
bajes, gevangenis
beis, twee
beisje, dubbeltje
bescholmen, betalen
betske, ei
gajes, volk, mensen
gekloft (zie kluft), gekleed
gesjocht, arm, ellendig
Gesjocht gajes. Pol. en Voorz.: geshogten, zie shegten ‘geslacht’, d.i. ‘door slachten gedood, geruïneerd; in desolate toestand’.
gokken, kaarten, spelen. Pol. en Voorz.: çegoqen ‘lachen, schertsen, spelen, speculeren’.
Grootmokum, Amsterdam
heitje, kwartje
jatten, handen, stelen
joedje, tien gulden
jofel, mooi
joker, duur
kaffer, boer
kaser, vlees
kasperen, coïre
kimmel, drie. Pol. en Voorz.: ǵimel ‘drie’.
kinnef, luizen. Pol. en Voorz.: kinim ‘ongedierte’.
kluft, kleren (zie gekloft)
leichem, brood, zwartbrood
lou, niet, slecht
majem, water
majemen, regenen
mesjokke, gek. Pol. en Voorz.: meshugo' ‘krankzinnig’.
mesommen, geld. Pol. en Voorz.: mezumon ‘geld’.
Mokum, stad (zie Grootmokum)
niese, vrouw, meisje; jofele niese. Pol. en Voorz.: samenstelling van 'n iese: zie ishoh ‘dame, meid’.
peiger, dood. Pol. en Voorz.: peigeren ‘doodgaan’.
schim, naam
Linke schim ‘valse naam’.
sikker, dronken
sjacheler, koopman
sjoof, gulden
smoezen, praten
Lou smoezen.
sossem, paard
talleven, schooien; de talf ‘het schooien’; talver ‘bedelaar’
tokus, achterste, vagina
verkienen, verkopen
zwijntje, fiets. Pol. en Voorz. zie: hashiweinu.

Totaal 38 woorden op 187 of ruim 20%.

Verschillende woorden die we in de zuidelijke groep nog niet opmerkten, komen hier tevoorschijn: gesjocht ‘arm, ellendig’; gokken ‘kaarten, spelen’; Grootmokum ‘Amsterdam’; kimmel ‘drie’; kinnef ‘luizen’; mesjokke ‘gek’; mesommen ‘geld’; niese ‘vrouw, meisje’; peiger ‘dood’; schim ‘naam’; zwijntje ‘fiets’. Weert zelf heeft geen Joden. Van directe ontlening is dus geen sprake. De woorden zijn, evenals die van

[p. 163]

Groenstraat en Maastricht, uit het noorden. Grootmokum en zwijntje zijn uit de Amsterdamse dieventaal. Veel van de nieuwe woorden zijn in de lagere taalkringen algemeen bekend; gokken is zelfs algemeen beschaafd Nederlands; gesjocht(en) en mesjokke kent de doorsnee Nederlander. Geheel beschaafd zijn ze nog niet. De hele Joodse woordvoorraad van Weert draagt een noordelijk karakter als we bachem, gekloft, kaser, kasperen en talleven uitzonderen. Op zwerftochten, die zich minstens tot Nijmegen uitstrekten, is dit materiaal opgevangen, en het heeft voor een deel het autochtone Bargoens verdrongen.

We zien uit het overzicht van de hele zuidelijke groep dat het minste Joods voorkomt in de Belgische geheimtalen; dat Antwerpen meer oplevert dan de andere Belgische westelijke groepen; dat verder Noord-Brabant al een sterke Joodse inslag gaat tonen (Schijndel) en dat in Limburg het Joodse woordmateriaal toeneemt van zuid (Maastricht) naar noord (Weert). Het aantal aanwezige Joden beslist geenszins over het aantal Joodse woorden. Weert, dat geheel geen Joden heeft, toont het grootste percentage (20%) van aan het Joods ontleende woorden. Verdere conclusies zullen we opschorten tot we het Joods woordenmateriaal in de noordelijke groepen nagegaan hebben.

Voorlopig dit: men zij voorzichtig uit Joodse woorden te besluiten tot directe Joodse invloed.

Een dievenbende wiens geheimtaal een sterke Joodse inslag heeft, hoeft daarom nog niet uit Joden te bestaan. Eén Jood kan een bende veel Joodse woorden verschaffen.

Een overzicht van de Joodse woorden in de zuidelijke geheimtalen: groep A en B moge hier volgen.

 

Het overzicht spreekt voor zichzelf. In groep A zowel als in groep B neemt de Joodse invloed toe naarmate we in tijd opklimmen. Ook neemt deze invloed toe als we meer contact met het noorden (voor b i met het oosten) mogen verwachten. De laatste lijsten van elke groep, a viii en b vi, vertonen de sterkste Joodse inslag.

De oudste laag is in dit overzicht ook goed te constateren.

a i -Liber Vagatorum (1563)
a ii -Cornelis de Bie (± 1680)
a iii -Bargoens van Zele (1840)
a iv -Bargoens van Roeselare (1890)
a v -Bargoens van Antwerpen (1922)
a vi -Bargoens van West-België (1916)
a vii -Bargoens van Tilburg, Schijndel e.o (1922)
b i -Das Duisburger Vocabular (1724)
b ii -Kramertaal van de Kempen (1837)
b iii -Bargoens van St.-Truiden (1892)
b iv -Bargoens van Maastricht (1917)
b v -Bargoens van Groenstraat (1924)
b vi -Bargoens van Weert (1927)
[p. 164]

Joods A I A II A III A IV A V A VI
â cha'l, eten - - - - - -
pach. of B.-G., kleinigheid - - - - - -
baïs, huis - - - - - -
bechïoh, geween - - - - - -
beis, twee - - - - - bijs
meshaleim zijn, betalen - - - beshom-
melen
- beschal-
men, bescho-
leme
beiçoh, ei - - - - - -
bezaul, koopje, goedkoop - - - - - -
kaporoh - - - - - -
classey: keli en eimo, schrik-
werktuig
- - - - - -
kauach, kracht, geweld - - - - - -
gajus, toestand van leven; levendig-
heid
- - - - - -
ganow, dief - - - - - -
gàwer, collega, vriend - - - - - -
geshogten, geruïneerd - - - - - -
gacheles, gloeiende kool - - - - - -
çegoqen, lachen, spelen - - - - - -
hei, 5 - - - - - -
haureig, moorde-
naar
- - - - - -
ishoh, vrouw - - - - - -
jad, hand - - - - - -
jud, 10 - - - - - -
jopheh, schoon - - - - jofel, goed -
jauqèr, duurte - - - - - joker

[p. 165]

A VII B I B II B III B IV B V B VI
- achelen - - - - -
bachem - - - - bachem bachem
- - - - bajis bajes bajes
- - - - - begiet -
- - - - - beis beis(je), dubbeltje
- - - - - besjoelme beschol-
men
- - - - betske - betske
- - - - - bezol -
- capores, ver-
moorden
- - - - -
- classey, zakpistool - - - - -
- cooch halden, op roof uitgaan - - - - -
gaje, volk - - - - - gajes, volk, mensen
- - - - gannefen, stelen - -
gappen, stelen - - - - - -
- - - - - - gesjocht, arm, ellendig
- - - - gochel, vagina, gochels, heet - -
- - - - - - gokken, spelen, kaarten
heitje, kwartje - - - - - heitje, kwartje
- herkem duf - - - - -
- isch - - - - niese
- - - - - jatte jatten
-   - - - - joedje, tientje
-   - - - - jofel, mooi
- - - - joucker - joker

[p. 166]

Joods A I A II A III A IV A V A VI
joda, bedrieglijke magische wetenschap - - - - - -
kaphri, plattelands-
bewoner
- - - kaffer kaffer, kafferine kaffer, kafferin, kaffriaan
chajjim, Jood - - - - kajim -
kaloh, bruid, verloofde - - - - - kalle, dwaas vrouws-
persoon, penis
kosaw, beliegen, huichelen - - - - - kasperen, coïre, kasper-
geeze, kasprement
kosheir, geschikt (van vlees) - - - - - -
kein, ja - - - kine kien kiene
kélèw, hond - - - - - -
ǵimel, drie - - - - - -
kinim, ongedierte - - - - - -
k'luft, kleed - - - - - -
légèm, brood - - - - - -
lau, nee, niet - - - - lau lauw
maïm, water - - - - - -
maso umaton, uitoefenen van koopman-
schap
- - - maasmat, massemat, maas-
matter
- masmat, massemat, mazemat
malbush, kleed, hulsel - - - - - -
mamzeir, bastaard, beroerling - - - - - -
meshugo', krankzinnig - - - - - -
mezumon, geld - - - - - -
moqaum, stad - - - - - -
mo'aus, geld - - - blankmoes, moes moos moes

[p. 167]

A VII B I B II B III B IV B V B VI
- - jonen, bedriegen - - - -
kaffer caffer - kaffer, kafferin kaffer, kaffers-
mokum, kaffersjuk
- kaffer
kajim - - - kajum, kajimke - -
- - - - - - -
- - - - casprement, zwanger-
schap
- kasperen, coïre
kazerik - - - kazer kazer kaser
- - - - ken ken ken
- kilef - - kilef kielef -
- - - - - - kimmel
- - - - - - kinnef
kluft - - - kluft - kluft, gekloft
- - - - leichen - leichem
lau - - loes lau - lou
majem - - - majem, majemen - majem, majemen
- - - - - - -
- - - - - malbusj -
- du manser - - - - -
- - - - - - mesjokke
- - - - - - mesommen
mokum - - - mokum - mokum, Groot-
mokum
- - - moos - - -

[p. 168]

Joods A I A II A III A IV A V A VI
ishoh, vrouw - - - - - -
peigeren, doodgaan - - - - - -
ba'almil-
gomoh
, koloniaal
- - - - - palemagom
peh, mond - - - - - -
melech punem, aangezicht des konings - - - - poen poen
ponim, gezicht - - - - - -
poshut, penning, duit - - - - - -
sakin, mes, sakonoh, gevaar - - - - - -
sheim, naam - - - - - -
shageren, uitvorsen - - chachelen, chachelas   - -
shiqçoh, vr. van sheiqèç, lelijk jongmens - - - - - -
shopheil, slecht - - - - - -
shikaur, dronken - - - chiken - -
schkûk, markt - - - - - -
zohow, goud - - - - - -
shemirus, wachter - - - - - -
shemu'aus, praatjes - - - smoezen - smoezen
sus, paard - - - - - sossem
dal, arm, dalphaun, arme - - - - - -
taltal, tiltal, heen en weer bewegen - - - - tantel, tandem tantel, tandem, Antwerpen
tipaul, uit de voeten - - - - - -
togas, achterdeel - - - - - -
tauw, goed - - - tof toffe toft, toffig
qinjon, koop, het gekochte - - - - - -
zeiwel, bedrog - - - - - -
hashiweinu - - - - - -

[p. 169]

A VII B I B II B III B IV B V B VI
- isch - - - - niese
- - - - - - peiger
- - - - - - -
pei - - - - - -
- - - - poen - -
ponem - - - - - -
- - - - posjer - -
- sackem, mes - - - - -
schim - - - - - schim
- - - sjachelen, chachelen sjachelen - sjacheler
sjikse schiksgen - - - - -
- - - - sjaufel - -
- - - - - - sikker
- - - - sjok - -
sjoof - - - sjoof - sjoof
- - - - smeris - -
smoezen - - smoezen - - smoezen
sossem - - - sossele - sossem
talven - - tallevelen, tallevelaar - talfe talleven, de talf, talver
- - - - - - -
- - - - - - tippelen
tochus - - - - - tokus
tof - - toffe, tof doft toft -
- - - ver-
kimmeren
- - verkienen
- - - - zeibel - -
- - - - - - zwijntje, fiets

229Avé-Lallemant iv, p. 105. Kluge, Rotwelsch lxxv, p. 184. Van Ginneken, Handb. ii, p. 118.
230Vgl. Moormann, Brg. v. Maastricht, p. 168-173 [bron 23].
231Zie hoofdstuk i, ‘Drukfouten’.

232Belgisch museum voor de Nederlandsche Taal en Letterkunde, door J.F. Willems, Gent, deel ii, 1838, p. 427-431; Winkler, Dialecticon i, p. 419; Moormann, De Kramertalen.

233Limburgsch Jaarboek 1892, Bilsen; Julius Labbé, Limburgsch Bargoensch, p. 24-33.

234Moormann, Brg. v. Maastricht [bron 23].

235Jaarboek van 5674, p. 252.
236Moormann, Losche Nekôdesch [Limburgs jargon van paardenhandelaars; bron 49].

237Dr. J. Endepols, ‘Groenstraat-Bargoens’, De Nieuwe Taalgids xviii, p. 172 vlgg.
238Moormann, Louter Lekoris [het jargon van de paardenhandelaars, bron 48].
238*Noot van de redactie: in samenstellingen.
239Winkler, Dialecticon, p. 411-412.
240Winkler, t.a.p., p. 415.
241Moormann, De Kramertalen, p. 256.
prepostterug  begin  verder