De opkomst van de Nederlandsche Republiek. Deel 8 (herziene vertaling)


auteur: J.L. Motley


bron: J.L. Motley, De opkomst van de Nederlandsche Republiek. Deel 8 (vert. R.C. Bakhuizen van den Brink). Van Stockum, Den Haag 1880


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 299]

Eenendertigste hoofdstuk

Oorlogsverklaring aan Spanje. - Dood van aartshertog Ernst. - Zijn bestuur. - Fuentes tot gouverneur-generaal benoemd. - Ontevredenheid van den hertog van Aerschot. - Fuentes belegert Le Câtelet. - Het kasteel van Ham door den hertog van Bouillon genomen. - Dood van Verdugo. - Beleg van Doullens door Fuentes. - Dood van La Motte en van Karel van Mansfelt. - Nederlaag der Franschen. - Moord van admiraal de Villars. - Inneming van Doullens. - Krijgsverrichtingen in oostelijk Nederland en aan den Rijn. - Maurits slaat het beleg voor Groenlo. - Mondragon rukt aan tot ontzet; het beleg wordt opgebroken. - Schermutseling tusschen Maurits en Mondragon. - Dood van Filips van Nassau en van Mondragon. - Inneming van het kasteel te Weert. - Maurits betrekt de winterkwartieren.- Veldtocht van Hendrik IV. - Hij belegert en neemt Dyon. - De Paus schenkt Hendrik de absolutie. - Fuentes belegert Kamerijk. - Overgaaf der stad. - Zelfmoord der prinses van Kamerijk, gemalin van Balagny.

Het jaar 1595 begon met een formeele oorlogsverklaring van den Koning van Frankrijk aan den Koning van Spanje (17 Januari 1595)(1). Het is niet gemakkelijk met juistheid te zeggen, sedert hoeveel jaren de oorlog, die nu eerst verklaard werd, reeds was gevoerd geworden; maar voor de Vereenigde Nederlanden was de uitvaardiging van dit manifest toch een zaak van groot gewicht. En, uit het oogpunt van heftigheid, liet het manifest niet veel te wenschen over. Het komt niet dikwijls voor in de geschiedenis der Christenheid, dat een souverein openlijk en plechtig door een anderen souverein wordt beschuldigd, sluipmoordenaars te hebben omgekocht om hem te dooden. Maar omkooping, list en moord waren zulke gewone hulpmiddelen van

[p. 300]

Filips' staatkunde, dat eene toespeling op den onlangs gepleegden aanslag van Chastel volstrekt niet misplaatst scheen in de oorlogsverklaring van Hendrik. De Koning brandmerkte verder, met de krachtigste bewoordingen, de lange reeks van kuiperijen, waardoor de spaansche monarch, als hoofd der heilige Ligue, hem gedurende de laatste zes jaren met behulp zijner eigene onderdanen had beoorloogd. Maar eigenlijk was eene uitvoerige uiteenzetting der grieven niet noodig: de daden van Filips behoefden geen heraut, tenzij dat Hendrik zijn duur verworven recht op den franschen troon wilde opgeven.

Toch had de politieke Gasconjer naderhand berouw over den heftigen toon zijner uitdaging. Hij zeide meermalen, dat geen staatsstuk zorgvuldiger overweging en meer nadenken vereischte, dan eene oorlogsverklaring, en dat het bijna niet mogelijk was zulk een stuk op te stellen, zonder herhaaldelijk in onjuistheden te vervallen. De man, die nooit vrees, moedeloosheid of wrok kende, handelde reeds, misschien half onbewust, overeenkomstig den regel, dat een Koning met zijne vijanden moet omgaan, als wist hij, dat zij eens zijne vrienden zullen zijn, en met zijne vrienden, als konden zij ieder oogenblik zijne vijanden worden(1).

Het antwoord op de oorlogsverklaring liet zich twee maanden wachten. Toen het kwam, op den 7den Maart, vloeide het natuurlijk over van de vriendschappelijkste en welwillendste betuigingen jegens Frankrijk, waarbij tevens de droevige noodzakelijkheid werd betreurd, om dat land aan de verwoestingen van vuur en zwaard prijs te geven, ten einde de onuitsprekelijke jammeren te keeren, die door de misdaden van den ketterschen prins van Béarn over het gansche menschdom werden uitgestort.

Het was nog een troost voor Filips, om den wettigen Koning niet met den naam te betitelen, dien hij als erfgenaam der kroon droeg, en om hem volstandig de vergiffenis te blijven weigeren, die, zoo als iedereen wist, de stedehouder van Christus juist op het punt stond hem plechtig te schenken.

Bezorgder voor de welvaart van Frankrijk dan de Franschen zelven, had hij vastbesloten, dat een vreemde vorst - hetzij hij zelf, of wel zijn dochter of een zijner neven - den afstammeling van Saint-Louis op den franschen troon zou vervangen. Katholieker dan de Paus zelf, kon hij niet dulden dat de ketter, dien Zijne Heiligheid juist van allen smet ging reinigen, zijne plaats zou innemen onder de monarchen der Christenheid.

De winterveldtocht van Bouillon in Luxemburg, ondersteund door Filips van Nassau, die met een zwak legertje langs de

[p. 301]

fransche grenzen opereerde, leverde geen schitterende resultaten op. De nederlandsche vendelen, die te Yssoire, te La Ferté en in den omtrek gelegerd waren, richtten bitter weinig uit en hadden ontzettend veel te lijden van buikloop. Wel maakte de stoutmoedige Heraugière, de overrompelaar van Breda, zich door een koenen en wel uitgevoerden aanslag meester van Hoey, maar ook deze zegepraal leverde geen duurzaam voordeel op. De vesting, die aan den bisschop van Luik behoorde, was door hare ligging halverwege tusschen die stad en Namen, en vooral door hare steenen brug over de Maas, eene zeer belangrijke stelling: van hier uit zou het mogelijk zijn, de krijgsbewegingen van Bouillon in Luxemburg te ondersteunen en hem ter hulp te komen. Maar Heraugière werd zonder voldoende versterking gelaten; en een maand later werd Hoey door La Motte hernomen. De oorlog kwijnde gedurende dien winter in de Vereenigde Nederlanden; maar aan het feestvieren was daarentegen geen einde. In de maanden Februari en Maart werden, met groote staatsie en pracht, drie vorstelijken huwelijken gesloten: dat van graaf Hohenlo met Maria, de oudste dochter van Willem de Zwijger en eigen zuster van den gevangen Filips Willem; dat van den hertog van Bouillon met Elisabeth, eene der dochters van denzelfden prins uit zijn huwelijk met Charlotte van Bourbon, en eindelijk dat van graaf Everhard van Solms, den beroemden kolonel van Zeeland, met Sabina, dochter van den ongelukkigen Lamoraal van Egmont. De Staten van Holland en Zeeland vereerden de bruiden met kostelijke geschenken, terwijl de gravin van Hohenlo bovendien een jaargeld kreeg van vijfentwintig honderd gulden, zoo lang zij zelve of haar gemaal in het leven zou blijven(1).

Terwijl dus op het kasteel van Buren en in de stad Delft de vroolijke bruiloftsklokken noodden tot het feest, werd te Brussel de doodsklok geluid. Op den 20sten Februari 1595, blies de de gouverneur generaal der gehoorzame Nederlanden, de aartshertog Ernst, den laatsten adem uit. Zijne loopbaan was minder schitterend geweest, dan hij op grond der beloften van den spaanschen Koning en der allegoriën van meester Houwaerts had mogen verwachten. Hij had de infante niet gehuwd en was niet tot Koning van Frankrijk gezalfd geworden. Hij had de oproerige Nederlanden met geen cyclopen-bliksem vernield, noch ook de belgische Andromeda van haar noodlottige rots ontboeid. Het korte jaar zijner regeering was in waarheid even treurig geweest, als het, volgens de voorspellingen zijner vleiers, schitterend had behooren te zijn. Hij had volstrekt niets uitge-

[p. 302]

richt; en het eenige wat hem overschoot, was op tweeënveertigjarigen leeftijd te sterven, tot over zijne ooren in schulden gewikkeld, teleurgesteld in al zijne verwachtingen, aan diepe zwaarmoedigheid ten prooi. Hij was zeer gemaklievend, buitengewoon zwaarlijvig, zeer verkwistend, zeer gesteld op prachtige livereien en fraaie kleederen en zoo deftig en statig, dat men hem maar zelden had zien lachen, doch èn als staats- èn als krijgsman volstrekt zonder eenige bekwaamheid.(1) Als een deftige abt, geroepen om vreedzame monniken te regeeren, zou hij uitnemend op zijne plaats geweest zijn; maar hij was niet geschikt om den storm der revolutie te bedwingen of uit den gistenden chaos orde te scheppen. Het verleden en het heden streden met elkander een doodelijken kamp, binnen de grenzen zijner staten. Eene wereld worstelde in doodstuipen; eene andere wereld trad, in volle wapenrusting, het leven in; maar hoewel deze dingen gebeurden in dezelfde spanne tijds en op dezelfde spanne gronds, waar hij zijne povere rol speelde, zag en vermoedde hij er niets van. Hij ging voorbij gelijk eene schaduw en was weldra vergeten.

Gedurende de laatste ziekte van Ernst, had men eene poging aangewend om van hem de benoeming van den keurvorst van Keulen, als waarnemend landvoogd, te verwerven; maar graaf Fuentes was bij de hand en wist te handelen. Hij vertoonde een in de fransche taal gestelden lastbrief van Filips, waarin de naam was open gelaten. Dit stuk was opgesteld geworden voor het geval, dat Pieter Ernst van Mansfelt, tijdens het waarnemen der landvoogdij, mocht komen te overlijden; Fuentes maakte er nu evenwel aanspraak op, dat zijn naam in den lastbrief zou worden ingevuld(2). De stervende Ernst gaf toe en na zijn dood trad Fuentes als gouverneur-generaal op, in afwachting van des Konings nadere beslissing.

Pedro De Guzman, graaf van Fuentes, een Spanjaard van de echte, strenge oude school, was nu in zijn vierenzestigste jaar. Leerling en bloedverwant van den hertog van Alva, was hij bij de Nederlanders reeds zoo gehaat, als zich van zulk eene opvoeding en zulk eene maagschap liet verwachten. Hij had een donker voorkomen, kort grijs haar en een eenigszins kalen schedel, een hoog voorhoofd, een langwerpig, mager, perkament gelaat, golvenden baard en groote, strenge, gebiedende, dreigende oogen en herinnerde, met zijn kraag van brusselsche kant en stalen harnas, ook in zijn uiterlijk aan den geduchten hertog, wiens naam nog steeds met siddering werd genoemd, schoon er een vierde van een eeuw verloopen was sedert hij de

[p. 303]

geesel van Nederland was geweest. Elizabeth van Engeland spotte met Fuentes, omdat hij bij den avontuurlijken inval van Essex in Portugal voor dien vermetelen aanvoerder was geweken. De Koningin noemde den spaanschen generaal eene bange oude vrouw. Indien zij gelijk had, was het toch gelukkig voor haar, voor Hendrik van Frankrijk en voor de Republiek, dat er niet vele zulke oude vrouwen uit Spanje kwamen, om de plaats in te nemen der grijze legerhoofden, die gedurende dit jaar in Vlaanderen zoo spoedig van het tooneel hunner werkzaamheden werden afgeroepen. Hij was een soldaat van fortuin; hij had den krijg lief, niet enkel om den krijg, maar ook om den buit en de winsten, die de krijg hem opleverde; en hij placht te zeggen, dat hij met den degen in de vuist het paradijs binnen wilde komen(1).

Inmiddels wekte zijne benoeming den toorn op van de edelen des lands. De hertog van Aerschot was buiten zich zelven van woede en zwoer dat hij nooit onder Fuentes zou dienen, noch plaats nemen in diens raad. De broeder van den hertog, de markies d'Havré, en zijn schoonzoon, de graaf van Aremberg, waren niet minder verbitterd, al poogden zij zich ook in hunne uitdrukkingen wat te matigen. Maar Aerschot hield vol, dat niemand het recht had, in den Raad van State boven hem zitting te nemen, en dat de benoeming van dezen of van eenigen anderen Sanjaard eene schending was van de vrijheden der provinciën en van de beloften Zijner Majesteit(2). Alsof het den edelen der gehoorzame provinciën nog voegde, om van bezworen vrijheden en beloften te spreken! Sedert een menschenleeftijd reeds hadden hunne broeders, onder de banier der Republiek, aan Filips getoond, hoe zij de rechten en privilegiën van vrije mannen wisten te handhaven en de trouweloosheid van tyrannen te weerstaan. Het was wel wat laat voor de gehoorzame Nederlanders, om nu nog aan hunne rechten te gaan denken. Havré en Aremberg werden door den hertog beleedigd en ruw afgewezen, toen zij, hun eigen toorn verkroppende, hem tot bedaren trachten te brengen. Zij stelden eene schikking voor, waarbij aan Aerschot het voorzitterschap van den Raad van State zou worden verzekerd; terwijl Fuentes zich met het opperbevel en de vrije beschikking over het leger zou tevreden stellen. Op deze wijze, zeiden zij, zou de mond van den hertog met een stukje vet gestopt worden(3). Maar Fuentes wilde van zulk

[p. 304]

eene schikking niet hooren. Na lang praten en dagelijks herhaalde pogingen om den hooggeboren Nederlander tot rust te brengen, overreedden zijne bloedverwanten hem eindelijk om naar zijn goederen te vertrekken. Hij beloofde zelfs aan Aremberg en zijne vrouw, dat hij naar Italië zou gaan, om zich te kwijten van eene gelofte, aan Onze Lieve Vrouwe van Loretto gedaan. Aremberg gaf onder de hand aan Estevan De Ibarra te kennen, dat er eene zekere zalf bestond, die meermalen in soortgelijke gevallen van hevige opwinding wonderen had gewrocht, en die ook nu met hoop op goeden uitslag kon worden aangewend. Wanneer zijn schoonvader maar ettelijke tienduizende guldens kreeg, die hij beweerde dat de regeering hem schuldig was, dan zou dit een krachtiger middel zijn om hem tot bedaren te brengen, dan een geheel regiment soldaten. Hij stelde ook voor, dat Fuentes den hertog zou bezoeken; terwijl de secretaris Ibarra zich wegens ongesteldheid zou verontschuldigen, dat hij zijne opwachting nog niet had gemaakt. Dit geschiedde: Fuentes bracht zijn bezoek; de hertog bracht zijn tegenbezoek en de beide heeren spraken te samen zeer vriendschappelijk over den dood van den aartshertog, maar vermeden zorgvuldig elke toespeling op de politiek.

Aerschot noodigde toen al de leden van den Raad van State, behalve Johan Baptiste Tassis, tot een maaltijd uit. Hij had eene memorie opgesteld, die hij bij die gelegenheid wenschte voor te lezen, en waarin hij op de groote gevaren wees, die waarschijnlijk uit zulk eene benoeming als die van Fuentes zouden voortvloeien, met de verklaring tevens, dat hij zijne handen er van aftrok, en voor de gevolgen niet wilde instaan; ook wilde hij zijn besluit meedeelen om een land te verlaten, waar hij zoo weinig geacht werd. Hij zou dan, wat er gebeuren mocht, zijne oogen en ooren sluiten en dus de schande ontgaan van in een land te blijven, waar hij zoo weinig in aanzien was. Men drong er bij hem op aan, dat hij die memorie niet zou voorlezen en Tassis uitnoodigen. Na eenig beraad, stemde hij er in toe het stuk achter te houden; maar hij bleef standvastig weigeren, den gehaten diplomaat aan zijn tafel te noodigen.

De maaltijd had plaats en de gasten vermaakten zich wel. Aerschot las zijn manifest niet voor; maar, toen de wijn zijn tong had losgemaakt, kraamde hij allerlei onzin uit, die, volgens Estevan De Ibarra, veel op de memorie geleek; en hij betuigde, dat hij van nu af blind en doof zou zijn voor alles wat er gebeurde. Eenige dagen later bracht hij een bezoek bij den nieuwen landvoogd, en nam een vreedzaam afscheid van hem. ‘Uwe Majesteit weet zeer goed wie hij is,’ schreef Fuentes, ‘en dat hij niets doet dan babbelen.’ Eer hij het land verliet, zond hij een brief aan Ibarra, waarin hij zich bitter beklaagde

[p. 305]

dat de Koning hem geheel had vergeten en de tusschenkomst van dien staatsdienaar inriep, ten einde van Zijne Majesteit eene gratificatie te bekomen. Hij verkeerde in zoo grooten geldnood, zeide hij, dat het hem niet langer mogelijk was zijne huishouding op te houden.

En na dit verzoekschrift te hebben ingeleverd, schudde de hooge edelman der gehoorzame provinciën het stof van zijne voeten en verliet zijn geboortegrond voor altijd. Op den 11den December van hetzelfde jaar stierf hij te Venetië.

Zijn zoon de prins van Chimay, zijn broeder, zijn behuwdzoon en de andere edelen schikten zich weldra naar de nieuwe regeering, hoezeer zij in den beginne ook geneigd waren geweest om voor hunne privilegiën op te komen. Spoedig kon de gouverneur melden, dat alles naar wensch ging. Er was een algemeene terugkeer tot de vroegere gehoorzaamheid, nu een tuchtmeester als Fuentes de teugels hield.

Als naar gewoonte, werd de veldtocht van den spaanschen landvoogd tegen Frankrijk in Picardië geopend. De markies van Varambon maakte eene beweging naar de zijde van Doullens - eene versterkte stad aan het riviertje Authie, te midden eener open vlakte, in het hart der provincie gelegen; terwijl Fuentes met achtduizend man in het veld verscheen en het beleg sloeg voor Le Câtelet. Het eigenlijk oogmerk van den tocht was echter Ham. Deze gewichtige vesting was in handen van een edelman uit Picardië, met name de Moy de Gomeron, die een hartstochtelijk aanhanger der Ligue was geweest, die later onderhandelingen had aangeknoopt met den Koning van Spanje en, tegen eene behoorlijke belooning, diens souvereiniteit had erkend. Bij de algemeene omkooping van gouverneurs en legerhoofden, die toen alom in Frankrijk op groote schaal gedreven werd, had de ondervinding reeds geleerd, dat er op den duur meer op het geld van Hendrik te rekenen viel; hoewel Filips dikwijls veel hooger bod deed en voor een geruimen tijd ook regelmatig betaalde. De prijs, waarvoor Gomeron zich verkocht, bedroeg vijfentwintigduizend kronen in klinkende munt en een jaargeld van achtduizend kronen. Op deze voorwaarden stemde hij er in toe, een spaansch garnizoen in de stad te ontvangen, en verbond hij zich om de fransche bezetting der citadel aan den Koning van Spanje trouw te doen zweren. Fuentes sloot den koop en betaalde den handigen koopman, die zijne belangen zoo uitnemend wist te behartigen, dadelijk een goed deel der vijfentwintigduizend kronen uit.

Gomeron zou naar Brussel komen om het overige te ontvangen. Zijn schoonbroeder d'Orvilliers voerde het bevel in het kasteel en zoodra de spaansche troepen de stad in bezit hadden genomen, eischte de gouverneur volledige betaling voor zijne bewezene

[p. 306]

diensten. Maar te Brussel stuitte hij onverwacht op moeilijkheden. Men zeide hem, dat de veiligheid van het kasteel niet aan eene fransche bezetting kon worden toevertrouwd, maar dat stad en kasteel beiden in handen der Spanjaarden moesten overgeleverd worden. Gomeron beweerde dat dit niet strookte met het gesloten contract; maar op al zijne heftige beweringen werd hem, uit naam van Fuentes, kalm geantwoord, dat, wanneer de citadel niet onmiddellijk werd ontruimd en overgegeven, hij niet alleen het overschietende van zijn vijfentwintigduizend kronen niet zou ontvangen, maar bovendien zijn hoofd verliezen. Dat was meer dan Gomeron te koop had aangeboden; doch deze aan revolutionnaire tijden eigenaardige tak van handel is wel zeer winstgevend, maar heeft toch ook zijne gevaarlijke zijde. Gomeron, dus tot het uiterste gedreven, zond, met een spaanschen bode, een brief aan zijn schoonbroeder, waarbij dezen gelast werd de citadel over te geven. D'Orvilliers - die inmiddels op eigen hand een schikking met de andere partij had getroffen - beweerde, dat de brief onder dwang was geschreven en weigerde aan het gegeven bevel te gehoorzamen.

Er was geen tijd te verliezen, want de hertog van Bouillon en de graaf van Saint-Pol lagen met eene talrijke krijgsmacht in de nabijheid en hadden het blijkbaar op Ham gemunt.

Fuentes zond dadelijk den beroemden krijgsman en historieschrijver don Carlos Coloma met eene afdeeling soldaten naar Brussel, met last om Gomeron naar het kamp te voeren. Men vond hem aan den avondmaaltijd met zijne twee jonge broeders, zestien en achttien jaar oud; hij was juist bezig een kers in den mond te steken, toen Coloma de kamer binnentrad. Hij bleef in gedachten verzonken zitten en speelde met de kers, zonder die te eten, wat don Carlos als een bewijs van schuld aanmerkte. De drie broeders werden zonder uitstel in een koets geplaatst, met hunne zuster, eene twintigjarige non, en naar het hoofdkwartier van Fuentes gevoerd, die voor Le Câtelet lag, op slechts zes mijlen afstands van Ham.

Inmiddels had d'Orvilliers zijne onderhandelingen met Bouillon geëindigd en zich verbonden om het kasteel over te leveren, zoodra de spaansche troepen uit de stad zouden verdreven zijn. De hertog die wist dat er geen tijd te verliezen was, verscheen met drieduizend man voor de vesting. Zijn eisch tot overgaaf werd beantwoord met de volle laag uit het geschut op de wallen. Toen werd een storm gewaagd en afgeslagen: behalve ongeveer tweehonderd soldaten, werd ook d'Humières, een der uitnemendste officieren van het fransche leger en een gunsteling van Koning Hendrik, bij den aanval gedood. Eene tweede bestorming slaagde beter: de stad werd ingenomen en de spaansche bezetting over de kling gejaagd.

[p. 307]

Toen vroeg d'Orvilliers, eer hij de citadel overgaf, drie gijzelaars voor het leven zijner drie schoonbroeders. De gijzelaars baatten hem weinig. Fuentes had reeds aan de moeder van Gomeron doen weten, dat hij, indien de gesloten overeenkomst niet stipt werd nageleefd, haar de hoofden van hare drie zonen op drie afzonderlijke schotels zenden zou. De ongelukkige vrouw spoedde zich naar d'Orvilliers en wierp zich onder tranen en smeekbeden aan zijne voeten. Het was te laat; en d'Orvillers verliet eensklaps het kasteel, daar hij niet in staat was haar klachten en verwijten aan te hooren, en viel, op zijne vlucht, bijna in de handen der Spanjaarden. Twee van de vier kurassiers, die hem alleen van de geheele bezetting vergezelden, werden gevangen genomen; de gouverneur zelf ontkwam, niemand weet waarheen. Mevrouw De Gomeron begaf zich toen naar Fuentes en trachtte vergeefs hem te verbidden. Gomeron werd ten aanschouwe van het geheele leger onthoofd. De twee jongere zonen werden gevangen gehouden, maar later in vrijheid gesteld(1). De stad en het kasteel waren nu gewonnen voor den wettigen Koning, die, zoo als men zegt, zich meer bedroefde over den dood van d'Humières, dan verheugde over de inneming van Ham.

Intusschen was kolonel Verdugo, de koninklijke stadhouder van Friesland - wiens taak in die provincie, thans bijna geheel door de Republiek herwonnen, afgeloopen was - met een leger van zesduizend voetknechten en twaalfhonderd paarden over de fransche grenzen getrokken en had het beleg geslagen voor La Ferté aan de Cher. De stad werd op den 26sten Mei door Bouillon ontzet en de spaansche veteraan kreeg toen last om het bevel over de troepen in Bourgondië op zich te gaan nemen. Maar zijne dagen waren geteld. Hij had in den zomer te Luxemburg aan buikloop geleden en was toen schijnbaar hersteld, maar stierf nu plotseling op den 2den September; natuurlijk schreef men zijn dood aan vergif toe(2). Hij was als vereenzelvigd met de geheele geschiedenis der nederlandsche oorlogen. Te Talavera de la Reyna geboren, naar hij zeide uit een edel geslacht - hoewel zijne moeder, volgens sommigen, afval voor honden had verkocht en hij zelf in zijne jeugd gemeen soldaat was geweest - had hij zich, door een onberispelijk gedrag en onversaagden moed, tot groot aanzien in zijn stand verheven. Hij was gouverneur van Haarlem, na het beroemde beleg, en had zich in dien tijd, niet zonder vrucht, veel moeite gegeven om den haat en de wreedheid der Spanjaards tegenover de Nederlanders zooveel mogelijk te temperen. Hij was generaal-veldmaarschalk onder don Jan

[p. 308]

van Oostenrijk en onderscheidde zich bij den slag van Gemblours. Later volgde hij graaf Rennenberg op als stadhouder van Friesland en Groningen en nam hij ruim zijn deel van al den harden en zwaren arbeid, die, een menschenleeftijd lang, in die met bloed doorweekte moerassen en wouden, de inspanning aller krachten had gevorderd. Hij was dikwijls overwinnaar en werd bijna even dikwijls geheel verslagen; maar hij schiep vermaak in den krijg en was onvermoeid in den arbeid. Hij gaf weinig om pronk en vertooning, maar herinnerde zich dikwijls met vreugde den tijd, toen hij nog gemeen soldaat was en niet meer bezat dan vier kronen per maand, boven en behalve zijn aandeel in een mantel, dien hij en drie zijner makkers bij beurten op Zon- en feestdagen droegen. Hoewel hij beschuldigd werd de hand te hebben gehad in een aanslag op het leven van Willem Lodewijk van Nassau, was hij toch niet boosaardig van natuur; en hij koesterde eene oprechte bewondering voor prins Maurits. Hij was een uit ijzer gehouwen, in ijzer gehuld man, die maar zelden in zijn leven zijn harnas had ontgespt, een type dier spaansche legerhoofden, die in de ziel der Nederlanders een zoo diep gewortelden nationalen haat hadden gekweekt, en die, nu deze uitkomst en geen andere was bereikt, achtereenvolgens snel werden weggevaagd. Zijn doopnaam was eigenlijk Franco; en zijn familienaam Verdugo beteekende scherprechter. Zinspelende op deze namen, placht hij te zeggen, dat hij goed en vriendelijk was voor alle welgezinden, maar een beul voor ketters; en hij bracht die spreuk ook getrouw in practijk(1).

Te Ham teleurgesteld, was Fuentes naar het kamp voor Le Câtelet teruggekeerd en had hij die stad spoedig vermeesterd. Toen wendde hij zijne blikken andermaal naar Doullens en begon met die vesting in te sluiten. Terwijl met de voorbereidende werkzaamheden een aanvang was gemaakt, ging een andere oude aanvoerder in deze oorlogen, Valentyn Pardieu de la Motte - nu onlangs door Filips tot graaf van Everbeck verheven, die gedurende langen tijd grootmeester der artillerie was geweest en als een der bekwaamste en ervarenste officieren van het spaansche leger bekend stond - op een schoonen avond, bij helderen maneschijn, uit, om de vijandelijke werken te verkennen en een oog te houden op het opwerpen van batterijen. Daar hij zich doorgaans om zijne persoonlijke veiligheid niet bekommerde en als hij op dergelijke tochten uitging maar zelden zijn harnas aantrok, wekte het de algemeene opmerkzaamheid, dat hij juist nu zijn schildknaap gelastte zijne rusting te brengen en zich van top tot teen wapende, eer hij

[p. 309]

zijn kwartier verliet. Maar nog voor hij de schans had bereikt, drong een musketkogel tusschen het vizier van zijn helm en trof hem boven zijn rechter oog: zonder een enkelen kreet te uiten, viel hij dood neder(1).

Dit was voor den Koning een groot verlies. La Motte, uit een adellijk geslacht in Bourgondië gesproten, was nog in de oude, strenge overleveringen der spaansche wijze van oorlogvoeren in de Nederlanden opgevoed en had zich als een der hardvochtigste werktuigen doen kennen, die de dwingeland voor zijn bloedig werk kon gebruiken. Bij den beroemden slag van Sint-Quentyn voerde hij het bevel over een escadron ruiterij; en sedert dat eerste wapenfeit van Filips' regeering, was hij onophoudelijk bij de oorlogen en troebelen in Vlaanderen betrokken geweest. Alva benoemde hem tot kolonel van een regiment Walen; de groot-kommandeur Requesens stelde hem tot gouverneur van Grevelingen aan. Over het geheel genomen, was hij zichzelven tamelijk gelijk gebleven, daar hij maar twee malen van partij was verwisseld. Na de pacificatie van Gent, zwoer hij trouw aan de Staten-Generaal en hielp hij het kasteel dier stad beschieten; maar spoedig daarna schaarde hij zich aan de zijde van don Jan van Oostenrijk en leverde dezen de stad en het kasteel van Grevelingen over, waarvan hij verder, in naam des Konings, gouverneur bleef. In het verwerven van ambten en het verzamelen van schatten was hij gelukkiger, dan in zijne veldtochten. Meermalen werd hij in het gevecht gewond en, wanneer hij het opperbevel voerde, doorgaans verslagen. Bij het beleg van Sluis verloor hij een arm: nu verloor hij het leven, bijkans door een toeval. Hoewel tweemaal gehuwd, liet hij geene kinderen na, die zijne uitgestrekte goederen konden erven; terwijl de burgerlijke en militaire ambten, die door zijn dood openvielen, de begeerlijkheid van niet minder dan vijf verschillende candidaten konden voldoen. De graaf van Varax volgde hem op als generaal der artillerie; maar het was moeilijk, iemand te vinden, die inderdaad La Motte kon vervangen en juist de hoedanigheden in zich vereenigde, welke dezen krijgsman tot een zoo voortreffelijken dienaar zijns Konings hadden gemaakt. Het ras waartoe hij behoorde was aan het uitsterven; en, wanneer maar de helft van hetgeen ernstige geschiedschrijvers, niet gewoon zich door losse geruchten te laten medeslepen, van hem verhalen, waarheid is, was het een zegen voor de menschheid, dat zijne gelijken steeds zeldzamer werden. Meer dan eenmaal had hij in koelen bloede een moord gepleegd; en hoewel zijn naam niet zulke akelige gedachten

[p. 310]

opwekte, als die van zijn spaanschen ambtgenoot in Friesland, was hij toch, bij voorkomende gelegenheid, niet minder bereid om beulswerk te doen. Toen hij nog sergeant-majoor in Vlaanderen was, had hij zich - naar men zeide - vrijwillig belast met de terechtstelling van een armen drommel, wegens de belijdenis der calvinistische leer veroordeeld; met eigen hand had hij een stroovuur gereed gemaakt, zijn slachtoffer aan den paal gebonden en hem tot asch verbrand. Wegens dezelfde misdaad van ketterij was ook nog een ander Nederlander veroordeeld geworden, om door paarden vaneen te worden gescheurd. Er was niemand te vinden, die zich met de voltrekking van dat vonnis wilde belasten. De soldaten van La Motte's vendel kwamen in opstand, liever dan zich voor dergelijk werk te laten gebruiken; maar de ijverige jonge sergeant-majoor trad vooruit, bond den schuldige met armen en beenen aan twee paarden en nam toen zelf de zweep om ze voort te drijven, tot de schrikkelijke taak was volvoerd. Was het wonder, dat onder Filips' regeering zoo veel ijver en geestkracht met rijkdom, rang en eer beloond werden? Was zulk een arbeider in den wijngaard zijn loon niet ten volle waardig?

En nog een ander beroemd veldoverste trad omstreeks dienzelfden tijd van het tooneel af: een, die, hoezeer hij weinig nauwgezet was en kwaads genoeg gesticht had, zich toch geen misdaden als deze had te verwijten: graaf Karel van Mansfelt - wien het begon te verdrieten nog langer den voogd te spelen over zijn afgeleefden vader, die, na de benoeming van Fuentes, alle uitzicht had verloren om ooit weder landvoogd der Nederlanden te worden - graaf Karel van Mansfelt had den dienst van Filips verlaten, om deel te gaan nemen aan den krijg tegen de Turken, die met vernieuwde woede ontbrand was. Want in de plaats van Amoerath III, die in het begin van het jaar gestorven was, zat nu een even oorlogzuchtige sultan, Mahomed III, op den troon te Constantinopel. Deze begon zijne regeering met het vermoorden van zijne negentien broeders, die hij vervolgens in fraaie cypressenhouten doodkisten naast hun vader liet begraven; daarop liet hij achtereenvolgens tien zuigelingen, mede kinderen van Amoerath, maar na diens dood geboren, in zakken binden en verdrinken. Zijne huiselijke zaken alzoo geregeld hebbende, kon hij ongestoord zijne krachten wijden aan den oorlog in Zevenbergen en Hongarije en tot de poorten van Weenen doordringen. De Turk - die de onverbiddelijke regelen van het despotisme, waardoor alle twisten en strijdige aanspraken op de regeering in het geslacht van Ottoman op alles afdoende wijze werden afgesneden, zoo krachtig kon handhaven - was eene tegenpartij waar niet mee te gekscheren viel. De macht der Moslims was in dien tijd voor het heilige

[p. 311]

roomsche Rijk een voortdurende en zeer ernstige bedreiging. De dagen waren nog verre, waarin de geduchte groote Turk een spotbeeld en een speelpop zou worden; de dagen, waarin een heidensch rijk, uit moord en barbaarschheid geboren en op geweld en tyrannie gegrond, toen het eindelijk op het punt stond aan zijn innerlijk verderf te bezwijken, tot schande van het beschaafde Europa door de vereenigde pogingen van Christenvorsten in het leven zou worden gehouden. - Karel van Mansfelt was met open armen aan het hof van Rudolf ontvangen geworden: tot Vorst des Rijks verheven, was hem het bevel opgedragen over de keizerlijke legers onder den aartshertog Matthias. Maar de tijd van krijgvoeren was voor hem voorbij. Bij het beleg van Gran ziek geworden, werd hij naar Komorn vervoerd, waar hij eenige weken lijdende bleef. Op den 24sten Augustus, terwijl hij half sluimerend op zijn bed lag, werd hem de tijding gebracht dat Gran eindelijk genomen was; op dit bericht vroeg hij een beker wijn, ledigde dien en bleef toen stil liggen met het hoofd op de hand geleund, als in gedachten verzonken. Toen men hem uit die bedwelming wilde wekken, bleek het dat hij reeds gestorven was(1). Zijn vader bleef nog over in de Nederlanden, tot niets meer nut, haatte Fuentes en werd door hem gehaat, maar was niet langer in staat dien gouverneur zooveel last te veroorzaken, als hij, tijdens het leven van zijn zoon, met dezen Alexander Farnèse had aangedaan. De tachtigjarige grijsaard kon nu geen werk meer doen en geen kwaad meer stichten; maar toch was er een nog ouder krijgsman dan hij op het tooneel gebleven, een der uitstekendste veteranen in Filips' dienst, en nu met den versuften Pieter Ernst de laatst overgeblevene der geduchte legerhoofden uit Alva's school. Christoffel Mondragon - dat wonder van menschelijke levenskracht, die reeds een oud man was toen de groote hertog in de Nederlanden kwam - was nog altijd gouverneur van het kasteel van Antwerpen; en eer hij voor goed van het tooneel trad, zou hij nog eenmaal van zich doen spreken.

Wij komen op het beleg van Doullens terug. De dood van La Motte had geene verandering gebracht in de plannen van Fuentes, die het er bepaald op gezet had, zich van de stad meester te maken, ten einde van daar uit belangrijker operatiën te ondernemen. Bouillon wilde de vesting ontzetten en had daarvoor een leger van achtduizend man te Amiens bijeengebracht. Tegen het midden van den zomer hadden de Spanjaarden hunne mijnen en loopgraven tot in de onmiddellijke nabijheid van de muren der stad doorgetrokken. Inmiddels was admiraal De Villars

[p. 312]

te Amiens gekomen - dezelfde, die zich zoo beroemd had gemaakt door de verdediging van Rouaan tegen Hendrik IV, en die later met dien vorst, voor hij in zijnen dienst overging, zulk een voortreffelijken koop gesloten had(1). Op den 24sten Juli 1595 werd nu van daar uit eene poging gewaagd om Doullens ter hulp te komen. Bouillon en Saint Pôl voerden in persoon het bevel over eene keurbende van zeshonderd ruiters; Villars en Sanseval hadden ieder ongeveer driehonderd ruiters onder hunne bevelen, terwijl, tot ondersteuning der ruiterij, twaalfhonderd musketiers den tocht mede maakten. Dit legertje begeleidde een langen trein van wagens, met ammunitie en allerlei voorraad voor de belegerde stad. Maar Fuentes, na voor de veiligheid van zijn kamp en werken gezorgd te hebben, trok den vijand te gemoet met tweeduizend voetknechten en een escadron lichte spaansche ruiterij. Het was de dag voor Sint-Jacob, den beschermheilige van Spanje, wiens naam, als een krijgs- en zegekreet, zoo dikwerf had weerklonken over zoo menig slagveld in de Nederlanden, bij de bestorming van zoo menige stad, maar ook bij zoo menig gruwelijk moordtooneel. Fuentes reed in het midden zijner troepen, met den koninklijken standaard van Spanje wapperende boven zijn hoofd. Van de andere zijde naderde Villars, in een schitterende wapenrusting gedost en op een prachtig opgetuigden klepper gezeten(2), aan het hoofd zijner driehonderd ruiters, even onbezorgd, als toog hij ten steekspel. Het gevecht dat nu volgde was, het getal der strijders in aanmerking genomen, een der bloedigsten en de overwinning eene der meest beslissenden in dezen geheelen oorlog. Villars deed een ontijdigen, woedenden, onzinnigen aanval. Het scheen wel, alsof hij naijverig was op Bouillon, en alsof hij den Koning, dien hij eerst onlangs trouw gezworen had, toonen wilde, dat een gewezen Ligueur en papist met nog meer ijver voor hem strijden kon dan de oudste Hugenoot in het leger van Zijne Majesteit. De vrienden van Villars daarentegen beschuldigden den hertog van flauwhartigheid, of althans van eene overdreven zucht om zichzelven en de troepen onder zijn bevel in veiligheid te stellen. De eerste onstuimige aanval van den admiraal slaagde echter volkomen: hij dreef een half dozijn spaansche vendelen

[p. 313]

voor zich uit op de vlucht. Maar hij had zich te ver gewaagd: Bouillon had slechts een loozen aanval, geen wanhopend gevecht, bedoeld; de Spanjaarden herstelden en herzamelden zich en de kans van den slag werd beslist door dien koelbloedigen en altijd vaardigen krijgsman, Carlos Coloma. In minder dan een uur waren de Franschen reddeloos geslagen en vernield. Bouillon vluchtte naar Amiens, met vijfhonderd man: alles wat van het legertje was overgebleven. Het paard van Villars werd onder hem doodgeschoten en in den val brak de admiraal zijn been. Hij werd toen door twee luitenants van Carlos Coloma gevangen genomen; maar terwijl deze krijgslieden zich reeds bij voorbaat verheugden over den aanzienlijken losprijs, dien een zoo voorname gevangene hun zou opbrengen, verscheen er nog een luitenant van maarschalk De Rosne en vorderde ook zijn aandeel in den buit. Deze drie heeren begonnen nu onderling te twisten; maar de admiraal riep hun in zuiver Spaansch toe, dit niet te doen, daar hij geld genoeg had om hen allen tevreden te stellen. Inmiddels was ook de spaansche commissaris-generaal der ruiterij, Contreras, op de plaats verschenen: vertoornd over dezen onvoegzamen twist, nog eer de vijand voor goed overwonnen was, wilde hij, op de meest onpartijdige wijze, een einde aan de zaak maken en beval hij zijn schildknaap, De Villars op staanden voet te dooden. Zonder een enkel woord te spreken, zette de schildknaap zijn pistool tegen het voorhoofd van den admiraal en schoot hem dood.

Zoo stierf een stoutmoedig en ridderlijk soldaat, maar tevens een gewetenloos staatsman. Wij behoeven ons niet te verdiepen in de vraag, of zijn moord een gevolg was van den spijt van den commissaris-generaal, dat hem een zoo rijke buit was ontgaan, of wel van zijn haat tegen een voormalig Ligueur, die afvallig was geworden. Villars zou wel tweehonderd duizend kronen voor zijne vrijheid hebben betaald, zoodat de moord, uit een financiëel oogpunt, eene slechte speculatie was; maar de vrienden van Contreras beweren, dat de admiraal op het punt stond, door de zijnen te worden ontzet. Wat hiervan zij: het is zeker, dat de Franschen niets deden om hunne volkomen nederlaag te voorkomen. Graaf Belin werd gewond en viel in handen van Coloma; Sanseval werd gedood; en door de Spanjaarden werd een lange lijst van gesneuvelden openbaar gemaakt, waarop sommigen der beroemdste namen van Frankrijks adel voorkwamen. Dit belette echter niet, dat velen dezer gesneuvelden nog lange jaren daarna zich in eene voortreffelijke gezondheid mochten verheugen, hoewel hun dood op het slagveld behoorlijk van dien dag tot op onzen tijd in de kronieken vermeld staat(1).

[p. 314]

Villars en Sansevals echter verloren zeker het leven; hunne lijken werden door Fuentes, met een zeer beleefden brief, naar Amiens gezonden aan den hertog van Nevers, die ze met groote staatsie ter aarde liet bestellen.

Het gedrag, zoowel van Bouillon als van Villars, werd door de tegenpartij dezer beide legerhoofden sterk gegispt; en de twist over de oorzaken der nederlaag was bijna even heftig als het gevecht zelf. Aan de eene zijde beweerde men, dat Bouillon den Katholieken de eer der overwinning misgunde en daarom den admiraal aan zijn lot had overgelaten. Intusschen is het een feit, dat het escadron van den hugenootschen hertog bijna uitsluitend uit Katholieken bestond. Aan de andere zijde beschuldigde men Villars van roekeloosheid, stijfhoofdigheid en onredelijke zucht naar onderscheiding; echter zou Fuentes wellicht verslagen zijn geworden, indien Bouillon even stoutmoedig en onverschrokken in zijne aanvallen was geweest als de admiraal. Ook Savigny De Rosne, de oude Ligueur, die onder Fuentes het bevel voerde, werd beschuldigd, van de overwinning niet ten volle gebruik te hebben gemaakt, omdat hij niet wilde dat zijne spaansche vrienden zijne landgenooten geheel zouden verdelgen. Echter is het buiten twijfel, dat De Rosne een even bittere vijand van zijn land was, als eenige Spanjaard met mogelijkheid kon zijn. Het is trouwens een zeer ongewoon verschijnsel bij burgeroorlogen, dat iemand, die, in dienst van den vreemdeling, het zwaard trekt tegen zijn eigen vaderland, daarbij gedreven wordt door een onbewust gevoel van teederheid voor de natie, die hij verraadt; en de afvallige Franschman was dan ook inderdaad de rechterhand, de gids en raadsman van Fuentes gedurende dezen geheelen schitterenden veldtocht. De zegepralen van den Spanjaard waren, voor een goed deel, te danken aan de ervaring, het genie en de vindingrijke wraakzucht van De Rosne.

Maar redeneeringen over een verloren veldslag zijn ijdel en vervelend. Fuentes, die geen tijd met twisten verloor, tastte inmiddels

[p. 315]

de stad Doullens aan; tweemaal teruggeslagen, won hij haar bij den derden storm, juist een week na den zoo even verhaalden slag (31 Juli 1595). Onder de kreet ‘Denkt aan Ham!’ vermoordden de Spanjaarden en Ligueurs meedoogenloos de geheele bezetting en bijna alle burgers, behalve enkelen, die gevangen gehouden werden op hoop van hoogen losprijs. Zeshonderd ingezetenen en tweeduizendvijfhonderd fransche soldaten werden, binnen weinige uren, omgebracht. Fuentes toonde zich in waarheid een waardig bloedverwant en leerling van Alva.

De graaf van Dinant, gouverneur der stad, en zijn broeder De Ronsoy sneuvelden beiden bij de bestorming; de gevangenen betaalden gezamenlijk voor hunne vrijheid een losgeld van tusschen de twee- en driehonderdduizend gulden. De gesneuvelden werden allen buiten de stad in een grooten kuil begraven; de pestwalm, die daaruit opsteeg, veroorzaakte geweldige koortsen, die het meerendeel der overgebleven burgers wegraapten. Doullens was voor het oogenblik een woestenij geworden.

Fuentes ontving in zijn hoofdkwartier afgezanten uit de gehoorzame provinciën, met name van Henegouwen, Artois en Rijssel, die hem kwamen gelukwenschen met de behaalde overwinning. Tegelijk drongen zij er sterk bij hem op aan, dat hij zonder verder uitstel Kamerijk zou aantasten; de gezanten waren gemachtigd, voor die onderneming eene bijdrage aan te bieden van vierhonderdvijftigduizend gulden en een hulpbende van zevenduizend voetknechten. Louis de Barlaymont, bisschop van Doornik en aartsbisschop van Kamerijk, verklaarde zich ook bereid voor dit doel eene som van veertigduizend gulden bij te dragen.

Fuentes, in de volle vreugde zijner zegepraal en door deze aanbiedingen nog meer aangemoedigd, besloot geen oogenblik te talmen. Bovendien had hij juist versterking ontvangen door de komst van graaf Bucquoy, met een regiment waalsche voetknechten, ten getale van vijftienhonderd man, en ook door achthonderdvijftig ruiters uit de muitelingen van Thienen en Capelle, allen tot de keur der spaansche veteranen behoorende, en die zich hadden laten bewegen om aan dezen krijgstocht deel te nemen. Binnen vier dagen na de inneming van Doullens, brak de spaansche veldheer zijn kamp op en verscheen voor de muren van Kamerijk, met een leger van ruim twaalfduizend voetknechten en ongeveer vierduizend paarden. Maar eer wij de verdere krijgsbedrijven van den krachtvollen landvoogd verhalen, moeten wij een blik werpen op de militaire operatiën in de oostelijke Nederlanden en aan den Rijn.

Bijna geheel de belangrijke landstreek aan gene zijde van den IJssel erkende thans het gezag van de Staten-Generaal; maar nabij de grenslijn, waar Duitschland en de Nederlanden als in elkander vloeien, lagen toch nog enkele plaatsen, die de zijde

[p. 316]

des Konings hielden. De stad Groenlo of Grol, wel op zich zelve van weinig beteekenis, maar gewichtig door hare ligging nabij de grenzen en nabij de hertogdommen Kleef, Gulik en Berg - dat land, van ouds een twistappel tusschen de vorsten der naburige staten - was nog steeds door de Spanjaarden bezet. Op den 14den Juli 1595 verscheen prins Maurits voor de stad, met een leger van ruim zesduizend man te voet, eenige vendels ruiterij en zestien stukken geschut. Dadelijk begon hij zijne verschansingen en loopgraven aan te leggen; en na verloop van eene week liet hij, volgens zijne gewoonte, driemaal vuren en vervolgens de stad opeischen. De gouverneur, graaf Johan van Styrum, antwoordde, dat hij de stad tot het laatste toe voor God en den Koning zou bewaren. Inmiddels was er voor de belegerden uitzicht op hulp van buiten.

Maurits was een talentvol jong veldheer; maar hij kreeg nu te doen met een man, die reeds de ‘goede oude Mondragon’ werd genoemd, toen de prins nog in de wieg lag; een man, die nog steeds in de citadel van Antwerpen bevel voerde, en ook nog steeds gereed was om te velde te trekken. Christoffel Mondragon was nu tweeënnegentig jaren oud. Niet dikwijls werd er iemand van dien leeftijd gevonden, die nog persoonlijk deel kon nemen aan het slaggewoel en de wisselingen van den strijd, al doen dan ook oudgedienden doorgaans niet dan met weerzin afstand van de leiding van militaire zaken. Maar Mondragon werd door den stijgenden roem van Nassau slechts tot bewondering, niet tot naijver, geprikkeld: alleen wenschte hij, eer hij zelf van het tooneel aftrad, zich met dien jongen strijder te meten.

Zoodra hij bericht kreeg van den voorgenomen aanslag van Maurits op Grol, verzamelde de oude gouverneur van Antwerpen een klein leger, saamgesteld uit al de troepen, die in de verschillende garnizoenen van zijn gouvernement konden worden gemist. Met twee spaansche regimenten, tweeduizend Zwitsers, de waalsche vendels van de Grissons en het iersche regiment van Stanley - in het geheel zevenduizend voetknechten en dertienhonderd ruiters - trok Mondragon dwars door Brabant en Limburg naar den Rijn. Te Kaiserswerth hield hij eene wapenschouwing over zijne troepen en maakte hij zijn voornemen bekend, om dadelijk de rivier over te trekken. Bij het vernemen dezer tijding, begonnen soldaten en manschappen te morren en hunne afkeuring uit te spreken over het, in hunne oogen, dolzinnige plan van den ouden dwazen Mondragon. Maar de veldheer, die, een menschenleeftijd vroeger, op negenenzestigjarigen ouderdom den oceaan had getrotseerd en in een duisteren Octobernacht zes uren lang tot aan den hals door de baren had gewaad, in spijt van den opkomenden vloed der stormachtige Noordzee - in spijt ook van

[p. 317]

een leger van Zeeuwen, op de kust geschaard - die veldheer was er de man niet naar, om zich nu bang te laten maken door den kalmen Rijn in zijn stille zomerrust.

De kleine, uitgedorde grijsaard, die met moeite en met behulp van een stok voortkroop, maar toch nog in volle wapenrusting was gehuld, met de wapperende pluimen op zijn ijzeren stormhoed en met zijn zwaard op de heup, liet een stoel aan den oever der rivier brengen. Toen, ten aanschouwe van zijn leger rustig nederzittende, verklaarde hij, dat hij niet van dien stoel zou opstaan, voor dat de laatste man de rivier was overgestoken(1). Verder merkte hij op, dat het hem niet enkel te doen was om de stad Grol te ontzetten, maar dat hij Maurits tot een slag wilde dwingen en hem verslaan, tenzij dat hij zich terugtrok. De soldaten morden niet langer: de pontons werden gelegd; de rivier werd overgestoken; en Maurits, van de nadering des grijzen veldheers verwittigd en zich in zijne stelling niet veilig achtende, brak op den 25sten Juli het beleg der stad op(2). Na zijn kamp en al wat niet vervoerd kon worden te hebben verbrand, trok de prins in goede orde naar Borculo, twee mijlen van Grol verwijderd. Hier hield hij zijne soldaten vooreerst onledig met het opsporen en verjagen van vijandelijke stroopers en roovers, die de geheele landstreek onveilig maakten en zelfs de stadjes Doetinchem, Doesburg en Bronkhorst bedreigden. Hij beval den inwoners dier plaatsen, dat zij manschappen zouden uitzenden om de bosschen te zuiveren; terwijl Hohenlo met groote honden door bosschen en heiden liet jagen, om alle menschen en beesten, die zich daar verscholen hielden, te verdrijven. Door deze maatregelen werd den vijand veel afbreuk gedaan en werden ook de wegen weder veilig gemaakt.

Op den 18den Augustus nam Maurits eene sterke stelling in bij Bislich, niet ver van Wezel, waar de rivier de Lippe in den Rijn uitloopt. Mondragon, wiens leger was versterkt geworden door de bezettingen uit Gelderland en door de komst van graaf Frederik Van den Bergh met vierhonderd man uit Grol, was voortgerukt tot een vlek, genaamd Ham, in de nabuurschap van Wezel. De Lippe scheidde de twee vijandelijke legers. Hoewel hij zijn beleg had opgebroken, wilde de prins toch den veldtocht niet besluiten, zonder althans eene poging te hebben gedaan om zich met zijn grijzen tegenstander te meten. Toen de legers eenige dagen tegenover elkander gelegen hadden en er reeds enkele schermutselingen waren voorgevallen, besloot prins Maurits een aanslag te beproeven, waardoor, naar hij hoopte, een algemeen gevecht zou wor-

[p. 318]

den uitgelokt en hem de gelegenheid gegeven om Mondragon met zijn klein leger te vernietigen.

Zijn neef Filips van Nassau werd met de uitvoering van dien aanslag belast. Deze stoutmoedige krijgsoverste verliet, in den avond van den 1sten September, in alle stilte het kamp, met eene uitgezochte ruiterbende van ruim vijfhonderd man. Hem vergezelden zijne twee jongere broeders Ernst en Lodewijk Gunther, die, volgens de belofte van den oudsten broeder Willem Lodewijk, van tijd tot tijd naar het veld zouden medegenomen worden, wanneer daar iets te zien was en er iets tegen den vijand ondernomen werd. Behalve deze jonge graven, namen verscheidenen der beroemdste engelsche en hollandsche bevelhebbers aan den tocht deel, zooals de gebroeders Paulus en Marcelis Bax, de kapiteins Parker, Risoir, Cutler en Robert Vere, broeder van sir Francis Vere.

In den vroegen morgen van den 2den September trok deze ruiterbende, overeenkomstig den ontvangen last, de Lippe over, waarin inmiddels een pont met gereedschap gelegd was, om, zoodra dit noodig mocht zijn, een brug te kunnen slaan. Men wist, dat de vijand iederen morgen drie vaandelen ruiterij uitzond en op bedekte plaatsen op wacht stelde, ten einde, onder bescherming dier wachten, de noodige fourage in den omtrek op te halen. Filips van Nassau moest nu die vendelen overvallen en van het hoofdleger afsnijden, terwijl inmiddels een deel zijner ruiterij de fouragepaarden en wagens zou vermeesteren en wegdrijven. Daarop moest hij zich over de Lippe terugtrekken, achtervolgd, zoo als Maurits hoopte, door de troepen van Mondragon, die de begeerte om zulk een vermetelen aanslag te straffen niet zou kunnen bedwingen. De prins, met vijfduizend voetknechten, het overige van zijne ruiterij en eenige stukken geschut achter een heuvel nabij Wezel gelegerd, zou daar de komst des vijands afwachten en hem op het geschikte oogenblik met overmacht aantasten.

Het plan van den jongen veldheer was zeer goed overlegd; maar de oude krijgsman aan gene zijde der rivier had ook zijne gemakkelijke vertrekken in Antwerpen niet verlaten en zulk een langen weg afgelegd, om zich nu, op dien Septembermorgen, in zijn slaap te laten overvallen. Mondragon was door zijne verspieders volkomen onderricht van al wat er in het vijandelijk kamp voorviel en ook van de juiste stelling, die Maurits had ingenomen. Lang voor de dag aanbrak, was hij reeds op de been - ‘de goede oude Christoffel’ - en in persoon nam hij alle maatregelen, om op zijne beurt den vijand in den val te lokken. In het veld, op eenigen afstand van de Lippe, schaarde hij zijne geheele ruiterij in slagorde, ondersteund door eene sterke afdeeling voetvolk, die achter struiken en heggen verborgen was. De wachten aan den oever der rivier en de manschappen die op fou-

[p. 319]

rageeren uitgingen, moesten inmiddels naar gewoonte hun werk doen, alsof er niets buitengewoons op til was.

Filips van Nassau draafde vroolijk voort en zond, volgens de afspraak, Cutler en Marcelis Bax met eene afdeeling ruiters af om de vijandelijke wachten te overvallen. Toen deze officieren op de aangewezen plaats kwamen, vonden zij daar eene veel sterker ruitermacht, dan waarop zij gerekend hadden; en daar zij onraad vermoedden, wendden zij ijlings den teugel, om graaf Filips te gaan waarschuwen. De onstuimige veldheer, die meende dat hij, zonder dit dwaze oponthoud waardoor de vijandelijke vendelen wellicht gelegenheid zouden vinden te ontsnappen, zijn spel reeds gewonnen had, gaf dadelijk bevel om met de geheele ruiterbende voorwaarts te rukken. De drost van Salland zou den voortocht aanvoeren. Deze opperde eenige bedenking, zoowel omdat de weg, aan weerszijden door heggen ingesloten, zeer smal was, zoodat er niet meer dan twee ruiters naast elkander konden doortrekken, als ook omdat, naar hij meende, de vijand met overmacht in het veld lag. Filips sloeg op deze voorzichtige waarschuwing geen acht en riep uit dat hij met vijfenzeventig lansiers wel vijftig karabiniers - want meer waren er niet, naar zijn stellige verzekering - zou verslaan, zette zijn helm op, trok zijn zwaard, zond zijn broeder Lodewijk om Kinsky en Donck met hunne manschappen te ontbieden en stoof met de andere heeren de laan in. De drost, dit ziende, gaf mede zijn paard de sporen en rende hem na; hem volgden de ruiters van Barchon, van Du Bois en van Paulus Bax, allen in groote wanorde achter elkander rijdende. Toen zij nu allen in de laan waren en de voorsten, waaronder de graaf, reeds het einde hadden bereikt, ontdekten zij eensklaps de ruiterij en het voetvolk van den vijand op een drassig heideveld in slagorde geschaard. Nu wilden zij terug en er ontstond eene onbeschrijfelijke verwarring. Terwijl zij elkander op het nauwe pad verdrongen en van hunne lansen geen gebruik konden maken, vielen zij bijkans als eene weerlooze prooi onder de slagen des vijands, naarmate zij uit de laan in het open veld kwamen. De voorsten verdedigden zich met pistool en sabel, zoo goed zij konden; de achtersten deden hun best om te ontkomen en de overzijde der rivier te bereiken. De een verdrong en vertrad den ander en allen belemmerden elkanders beweging. Een kort, bloedig, wanhopig gevecht volgde: een gevecht van man tegen man, waarin wel menige Spanjaard onder de slagen der gevangen Nederlanders bezweek, maar waarvan de uitslag geen oogenblik twijfelachtig kon zijn. Graaf Filips werd reeds in het begin van het gevecht met een haakbus door het lichaam geschoten, en wel van zoo nabij, dat zijne kleederen in brand raakten. Daar er geen water bij de hand was, kon de vlam alleen gebluscht worden door hem, zoo gewond als hij was,

[p. 320]

in het zand en de heideplanten om en om te wentelen. Graaf Ernst van Solms werd tegelijk doodelijk gewond. Een oogenblik poogden beiden nog te ontsnappen, door te zamen een paard te bestijgen; maar zij vielen uitgeput op den grond en werden gevangen genomen. Hetzelfde lot trof Ernst van Nassau. Zijn jonge broeder, Lodewijk Gunther, redde zich door de rivier over te zwemmen. Graaf Kinsky werd doodelijk gewond; ook Robert Vere viel in 's vijands handen en werd later in koelen bloede vermoord. Marcelis Bax, die langs een omweg naar het veld was teruggekeerd, nog steeds in den waan dat hij aan de fourageerende vendelen den pas zou kunnen afsnijden, redde zich zelven en een handvol ruiters door een snelle vlucht, zoodra hij den vijand in slagorde geschaard zag staan. Cutler en Parker waren even gelukkig. Van de staatsche soldaten vielen er ongeveer honderd; en het is waarschijnlijk, dat er van de Spanjaarden meer bleven. Maar het verlies van Filips van Nassau was voor het leger en voor zijne familie een zware slag, ondanks de ongeregelde levenswijze en de roekelooze dapperheid van dien krijgsman, in meer dan een opzicht het type van een adellijk vrijbuiter. Hij werd naar Rheinberg vervoerd, waar zijne wonden verbonden werden. Toen hij daar stervend nederlag, kwamen Mondragon en vele andere spaansche officieren hem bezoeken en hunne hulde brengen aan een zoo dapper en verdienstelijk lid van een doorluchtig geslacht. Hij ontving hen met waardigheid en wist zijne lichaamssmarten genoeg te beheerschen om zijn bezoekers te woord te staan, zoo als het een Nassau betaamde. Zijn neef, Frederik Van den Bergh, die hem mede kwam bezoeken, was onheusch genoeg, om hem zelven zijn toestand te wijten en hem te vragen, wat hij wel anders verwacht had, toen hij de zaak der Geuzen ging dienen. Filips wendde zich ongeduldig van hem af en verzocht hem te zwijgen. Tegen middernacht stierf hij.

Willem van Oranje en drie zijner broeders hadden reeds hun leven voor de republiek ten offer gebracht: nu was een der zoons van zijn oudsten broeder voor dezelfde zaak gevallen. ‘Hij heeft den naam van Nassau met eere in het graf gedragen,’ schreef zijn broeder Willem Lodewijk aan hun vader(1). De andere leden der familie, benevens vele zonen uit verwante huizen, voerden nog steeds de wapenen voor hun aangenomen vaderland. Er zijn in de geschiedenis niet vele voorbeelden van een vorstelijk geslacht, dat zich zoo geheel met het bestaan van een volk, in zijn schitterendst heldentijdvak, als vereen-

[p. 321]

zelvigde, als het huis van Oranje-Nassau met het nederlandsche volk in zijn vrijheidskrijg.

De jonge Ernst van Solms, de broeder van graaf Everhard, lag in dezelfde kamer als Filips van Nassau en stierf den volgenden dag. Hunne lijken werden door Mondragon, met een zeer wellevend schrijven, aan prins Maurits te Bislich gezonden. Ernst van Nassau werd later voor tienduizend gulden vrijgekocht(1).

Dit gevecht aan de Lippe heeft, uit een krijgskundig oogpunt, niets bijzonders; maar toch verdient het eene meer dan voorbijgaande belangstelling, niet alleen om den dood van menig dapper en beroemd krijgsman, maar vooral als eene proeve van wat menschelijke wilskracht vermag, om, zoowel lichamelijk als geestelijk, de kwalen en gebreken van den ouderdom te overwinnen. De grijze Mondragon had alleen zijn tocht ontworpen van Antwerpen dwars door het land; alleen had hij den overtocht over den Rijn doorgedreven, ondanks de aarzeling van jonge soldaten; alleen, met zijn denkend hoofd en ijverige handen, had hij den beroemden jongen veldheer der Nederlanden het spel afgewonnen, Maurits' wel beraamde tactiek verijdeld en op zijne beurt een hinderlaag gelegd, waarin de bloem van zijns vijands ruiterij in de pan werd gehakt en een van haar dapperste bevelhebbers gedood. De afgeleefde tweeënnegentigjarige grijsaard was den krachtvollen jongman van achtentwintig jaar te sterk geweest.

De beide legers bleven nog eenige dagen, aan beide oevers der rivier, tegenover elkander liggen; maar het was duidelijk, dat noch van de eene, noch van de andere zijde verder iets zou worden ondernomen. Mondragon had het doel bereikt, waarvoor hij uit Brabant gekomen was: hij had den herfst-veldtocht van Maurits doen mislukken en wenschte nu voor den winter naar zijne eigene kwartieren terug te keeren. Hij zond daarom een trompetter naar den prins en liet hem, half in ernst, half in spotternij, verzoeken, dat hij medelijden mocht hebben met zijne zwakke gezondheid en hem, op zijn ouden dag en met dit ruwe weder, niet zoo lang in het veld zou houden, maar hem de eer laten van het laatst zijn kamp op te breken. Wanneer Maurits er in toestemde af te trekken, wilde Mondragon zich verbinden hem niet te vervolgen en binnen drie dagen zijne eigene verschansingen te verlaten. Het voorstel werd niet aangenomen: spoedig daarna besloot de Spanjaard evenwel tot den terugtocht en trok op den 12den October over den Rijn. Maurits

[p. 322]

deed nog even eene poging om hem na te zetten en zond graaf Willem Lodewijk met eenige ruiters uit, die zich van enkele wagens meester maakten. Het staatsche leger echter, dat in den laatsten tijd door ziekte en gebrek zeer geleden had, keerde ongehinderd terug en werd in de verschillende bezettingen verdeeld.

Dit was Mondragon's laatste wapenfeit. Nog geen drie maanden daarna, op den 3den Januari 1596, toen de veteraan in het kasteel van Antwerpen bezig was zijne handen te wasschen eer hij aan tafel ging, zonk hij eensklaps op zijn stoel en was een lijk. Zonderling: deze man - die bijna eene eeuw lang op het slagveld had doorgebracht; die medegestreden had in schier elken oorlog, op ieder punt van Europa in dezen zoo strijdlustigen tijd gevoerd; die als een oud man, nog voor Alva, in de Nederlanden was gekomen en sedert onafgebroken zijne rol had vervuld in het groote treurspel, dat nu reeds dertig jaren geduurd had - deze man had zelf nooit een droppel bloed verloren. Hij had gevochten te water en te land, op het ijs en in het vuur, op den bodem der zee zelfs: maar nooit was hij gewond geworden. Meer nog: hij was met een vesting - het kasteel van Danvilliers in Luxemburg, waarvan hij gouverneur was - in de lucht gevlogen; allen die er in waren, kwamen om, behalve hij en zijne vrouw; en toen men de puinen begon weg te ruimen, werden eindelijk ook de beide oude lieden opgegraven: beschermd door een raam, waarvoor zij gezeten hadden, kwamen zij, zonder eenig letsel, met den schrik vrij(1). Zijn geslacht stamde uit Biscaye, maar hij zelf was te Medina del Campo geboren. Een streng handhaver der krijgstucht, doortastend en doorzettend, was hij evenzeer bij zijne onderhoorigen als bij zijne gelijken en zijne meerderen bemind en geëerd. Algemeen noemde men hem den vader zijner soldaten, den goeden Mondragon, en op zijn naam kleefde geen enkele smet van medeplichtigheid aan de vele gruweldaden, die de kronieken dier tijden dikwijls eer op eene geschiedenis van wolven dan van menschen doen gelijken. Aan zijne gehuwde dochter, die zelve moeder was van een talrijk kroost, liet hij een aanzienlijk fortuin achter(2).

Spoedig na het vertrek zijner tegenpartij brak ook Maurits zijn kamp op; hij vertoefde eenige dagen te Arnhem, waar hij

[p. 323]

zijn neef Filips en den graaf van Solms, met de aan hun rang verschuldigde eerbewijzen, deed ter aarde bestellen. Intusschen werd sir Francis Vere met drie regimenten, die in Overijssel moesten overwinteren, naar het kasteel van Weert (Werth) gezonden, op ongeveer een mijl afstands van IJsselburg gelegen en verdedigd door eene bezetting van zesentwintig man, onder kapitein Pruys. Deze beantwoordde den eisch tot overgaaf met eene hardnekkige weigering. Volgens bevel van Maurits liet Vere toen het kasteel beschieten, waarop de verschrikte bezetting spoedig tot de overgaaf begon te onderhandelen. De kapitein verlangde naar krijgsgebruik behandeld te werden. Vere antwoordde, dat zij, naar krijgsgebruik, allen den strop hadden verdiend, omdat zij voor zulk een nest het geschut hadden durven afwachten. Dus moesten de zesentwintig man, door het trekken van korte en lange stroohalmen, om hun leven loten. Dit geschiedde; en van de dertien man, die de korte halmen trokken, werden er onmiddellijk elf opgehangen: de twaafde werd vrijgelaten, mits hij voor beul wilde dienen; de dertiende kreeg genade. De bevelhebber werd het eerst gehangen, het touw brak en de ongelukkige viel in de gracht; maar de engelsche soldaten hielden hem onder water, tot hij verdronken was. Het kasteel werd daarop leeggeplunderd en de vrouwen werden naar IJsselburg gezonden(1).

Maurits voerde toen het overige zijner troepen langs den Rijn en de Waal naar de winterkwartieren en keerde zelf naar Den Haag terug. In geen enkel jaar was tot nog toe zoo weinig door den stadhouder verricht.

Intusschen had zijn groote bondgenoot, de hugenootsch-katholieke prins van Béarn, een avontuurlijken en over het geheel gelukkigen krijg gevoerd, in het hart van zijn eigen koninkrijk. De connetable van Castilië, don Fernando de Velasco, een der aanzienlijkste spaansche grandes maar een zeer middelmatig veldheer, was met een leger van tienduizend man in Bourgondië gerukt, om daar den man te ontmoeten, met wien de groote Farnèse nog onlangs in Picardië gestreden, en dien hij maar gedeeltelijk overwonnen had. Bijna zonder slag of stoot had Biron, geholpen door de burgers dier steden, zich achtereenvolgens meester gemaakt van Beaune, Auxonne, Nuits en Autun; maar op zekeren dag zag hij zich, in de nabijheid van Fontaine Française of Sainte Seine, waar Frankrijk's hoofdrivier ontspringt, plotseling zoo zeer door een overmachtigen vijand omringd, dat hij op het punt stond afgesneden en gevangen genomen te worden. Maar Hendrik zelf was reeds in het veld; en met zijne gewone, niets

[p. 324]

ontziende roekeloosheid, die hem als soldaat zoo goed stond, maar hem als opperbevelhebber zoo kwalijk voegde, wierp hij zich als een jong luitenant, met een handvol ruiterij, midden in het heetst van het gevecht en slaagde er in om, met gevaar voor zijn eigen leven, den maarschalk te ontzetten en zelf ongedeerd te ontsnappen. Bij andere gelegenheden, placht Hendrik te zeggen, had hij om de overwinning gevochten, maar hier om zijn leven; even als bij de beroemde en onzinnige schermutseling te Aumale, drie jaren vroeger, had hij het intusschen ook nu enkel aan gebrek aan moed of samenwerking bij zijne vijanden te danken, dat hij niet, als een gevangen Koning, in zegepraal werd rondgevoerd ten aanschouwe van de stervende Ligue(1).

Maar voor den connetable van Castilië was het niet weggelegd, om het hart van zijn voorzichtigen meester met zulk een heerlijk schouwspel te verkwikken. Velasco trok zich terug naar Gray en weigerde hardnekkig zijne verschansingen te verlaten, terwijl Hendrik voor zijne oogen de beide citadellen van Dyon ging belegeren. Op den 28sten Juni 1595 gaf de hoofdstad van Bourgondië zich aan den Koning over; maar niets kon den connetable bewegen, de kansen van een veldslag te wagen. De krijgsverrichtingen in het binnenland, waar Hendrik zelf tegenwoordig was, waren voor hem gelukkiger dan die aan de grenzen; doch, terwijl de monarch dus met blijden moed in Frankrijk voor zijn troon streed, behaalden zijne gezanten in Rome een nog beslissender en belangrijker zegepraal.

D'Ossat en Du Perron hadden zich met uitnemend talent van hunne diplomatieke zending gekweten; en, niettegenstaande alle moeiten en bedreigingen van den spaanschen gezant en de kuiperijen van zijn meester, werd de absolutie toch verleend. In den vroegen morgen van den 5den Augustus geleidde de Paus in persoon, barrevoets, de plechtige processie van zijn paleis op Monte Cavallo naar de kerk van Santa-Maria Maggiore; hij ging, weenende en vurig biddende, met de oogen op den grond geslagen, langzaam voort. Hij vierde de mis in de kerk, keerde toen op dezelfde wijze terug, groette niemand op den weg en zonderde zich vervolgens in zijn paleis af. Tien dagen later, op het feest van Maria Hemelvaart, werd dezelfde plechtigheid nog eens herhaald. Intusschen had Zijne Heiligheid er te vergeefs bij de gezanten op aangedrongen, dat de kroon van Frankrijk in zijne handen zou worden gesteld, opdat de Koning die, als een gift en vrije gunst, van den Opperpriester terug zou ontvangen. Zulk eene overwinning mocht Rome niet behalen; zelfs werd de afkondiging der besluiten van het Concilie van

[p. 325]

Trente in Frankrijk niet toegestaan, dan met een uitdrukkelijk voorbehoud ‘ten aanzien van dingen, die niet uitgevoerd konden worden, zonder het koninkrijk te beroeren.’ En de gezanten verklaarden, dat zij, om dit voorbehoud te verkrijgen, ‘bloed en water hadden moeten zweeten’(1).

Op den 17den September werd de absolutie, met groote plechtigheid, voor de poort van Sint-Pieter afgekondigd. De heilige Vader zat, onder de portiek, op een verheven troon met de driedubbele kroon op het hoofd, omringd door de kardinalen en bisschoppen in hun vol plechtgewaad, terwijl de beide gezanten van Hendrik voor hem geknield lagen.

De zilveren trompetten schalden; het geschut donderde van het kasteel van Sint-Angelo; en gedurende twee avonden achtereen straalde Rome van vreugdevuren en verlichting en werden alom de klokken geluid en gebeden en dankzeggingen ten hemel opgezonden. Nooit had de eeuwige stad zulk een feest gevierd, sedert de Paus openbare dankgebeden had uitgeschreven voor den Sint-Bartelsmoord. De Koning was buiten zich zelven van vreugde, toen hij de welkome tijding vernam; onmiddellijk schreef hij aan den Paus brieven, overvloeiende van dankbaarheid en godsdienstige geestdrift, en waarin hij zich tevens beklaagde, dat de oorlog hem niet toeliet dadelijk naar Rome te gaan, ten einde in persoon de voeten van de heiligen vader te kussen(2).

Wij keeren met ons verhaal terug naar Fuentes, dien wij voor de muren van Kamerijk verlaten hebben.

Deze eerwaardige bisschoppelijke stad, liefelijk te midden van tuinen, boomgaarden en groene weiden gelegen en door de kronkelende Schelde besproeid, was nog op de oude wijze versterkt; maar zij werd verdedigd door een prachtige vijfhoekige citadel, onder de regeering van Karel V gebouwd. Zij roemde op menige schoone kerk, waaronder de heerlijke kathedraal de eerste plaats bekleedde, en op vele andere statige en sierlijke gebouwen. De bevolking was nijver, werkzaam en onrustig, zoo als in bijna al die vlaamsche en waalsche steden, die zich, onder den invloed van het krachtige middeleeuwsche gemeenteleven, voor een tijd tot woelige, kleine republieken hadden verheven.

Maar, zoo als wij reeds vroeger opmerkten, het keltische ras scheen niet geschikt om op den duur den vrijen geest te bewaren, oorspronkelijk aan al de nederlandsche gewesten eigen. De

[p. 326]

waalsche provinciën waren van hare vlaamsche zusters afgevallen en schenen bereid zich voor goed onder het juk te buigen, terwijl in het gebied der Vereenigde Gewesten, zoo als Johannes Baptiste Tassis, juist in dien tijd, in een brief aan Filips schreef, ‘met het opkomen van een nieuw geslacht, dat van kindsbeen af als ketters was opgevoed, en dat zelfs niet wist wat het woord Koning beteekende, er alle waarschijnlijkheid bestond, dat de herinnering aan den Koning eindelijk geheel vergeten zou zijn en de ketterij alleen in het land zou overblijven’(1). Voor dit ongelukkig lot was Kamerijk bewaard gebleven. Gavre d'Inchy had, zeventien jaar vroeger, de stad overgeleverd aan den hertog van Alençon, gedurende zijn kortstondig en verachtelijk bestuur in de Nederlanden; en alles wat van zijn bezoek was overgebleven, was de soort van halvesouvereiniteit, die de beruchte Balagny sedert dien tijd in de aartsbisschoppelijke stad had uitgeoefend. Deze man, een natuurlijke zoon van Monluc, bisschop van Valence, en neef van den beroemden maarschalk Monluc, was een der gelukkigste en tevens een der verachtelijkste van alle soldaten van fortuin, die in dezen tijd in de Nederlanden hun avontuurlijke rol hadden gespeeld. Zelf een lafaard, had hij eene heldin tot echtgenoote. Renée, de zuster van Bussy d'Amboise, had de gelofte afgelegd, dat zij haar hand zou schenken aan den man, die den moord van haren broeder door den graaf de Montsoreau zou wreken. Balagny nam dit zonder aarzelen op zich en huwde dan ook de hooggeboren jonkvrouwe; maar het blijkt niet, dat hij den moordenaar ooit haar wraak deed gevoelen. Hij had nu in Kamerijk zoo geregeerd, dat eindelijk de burgers en geheel de omliggende streek uitgeput en tot wanhoop gedreven waren door zijne onbarmhartige dwingelandij, zijn buitensporigen hoogmoed en zijne schandelijke afpersingen. Ten laatste had hij zijne onderdanen gedwongen, koper geld aan te nemen tegen de nominale waarde van zilver - met het gewone verderfelijke gevolg trouwens, dat zulke proefnemingen op het gebied der staathuishoudkunde in den regel voor Vorsten en volken na zich slepen. Beurtelings een aanhanger des Konings, van den hertog van Guise, van de Ligue, van de nederlandsche Republiek, had hij alle partijen achtereenvolgens verrraden en op hare kosten zijne eigene koffers gevuld. In het voorgaande jaar had hij - evenals de meeste uitstekende staats- en krijgslieden in Frankrijk - begrepen, dat de stervende Ligue tot niets meer deugde, dan om door hare voormalige vereerders vertrapt te worden; en in die overtuiging had hij zijn koop gesloten met Hendrik IV,

[p. 327]

en wel op zoo voordeelige voorwaarden, als maar zeer weinigen der veile grooten voor zich hadden weten te bedingen.

Bij een verdrag, dat in Augustus 1594 werd bekrachtigd, had Hendrik hem tot prins van Kamerijk en maarschalk van Frankrijk verheven, zoodat de man, die tot op dat eigen oogenblik eene maandelijksche toelage van zevenduizendtweehonderd kronen van den Koning van Spanje ontving, nu door den Koning van Frankrijk met een jaargeld tot ongeveer gelijk bedrag begiftigd werd(1). In den herfst had Hendrik Kamerijk bezocht en de nieuwe prins had zich uitgeput in bewijzen van trouw en gehechtheid aan den vorst, dien hij met al zijn vermogen getracht had uit zijn koninkrijk te verdrijven. Er was geen einde geweest aan de tournooien, banketten en maskeraden: alles ter eere van het hoofd der Hugenooten, nu als de meest orthodoxe en wettige Koning gevierd; maar reeds in den zomer van dit jaar zag Balagny zich in de onaangename verplichting gebracht, zijn ouden buit en zijn nieuw prinsdom te verdedigen tegen een goed uitgerust leger en een kloekmoedig veldheer. Zijn nieuwe patroon werd intusschen elders zoo ijverig bezig gehouden, dat het hem waarschijnlijk moeilijk zou vallen, de belegerde stad te hulp te komen.

Op den 14den Augustus 1595 begon Fuentes zijne belegeringswerken aan te leggen. Nog voor de stad geheel was ingesloten, kwam de jonge vijftienjarige hertog van Rethelois, de zoon van den hertog van Nevers, binnen Kamerijk, gevolgd door dertig boogschutters van zijn vader. Ook gelukte het aan De Vic, een ervaren en getrouw krijgsoverste, om met vier- of vijfhonderd dragonders door de vijandelijke liniën te breken en in de vesting te komen. Deze onbeteekenende versterking was trouwens ook alles, wat de stad ontving; want hoewel de Staten-Generaal twee- à drieduizend Schotten en Zeeuwen, onder Justinus van Nassau, naar Hendrik hadden gezonden, om hem behulpzaam te zijn ter ontzetting van deze belangrijke grensvesting, was de Koning toch te traag in zijne bewegingen, om van deze krijgsmacht behoorlijk gebruik te kunnen maken. Balagny werd dan aan zich zelven overgelaten, met eene bezetting van drieduizend Franschen en Walen in de stad en nog vijfhonderd Franschen in de citadel.

[p. 328]

Toen er zes weken met den aanleg van loopgraven en het delven van mijnen waren voorbijgegaan, was Fuentes gereed om het vuur uit zijne batterijen te openen. Op den 26sten September vernam men in het spaansche kamp de trouwens zeer overdreven tijding eener schitterende overwinning van Mondragon nabij Wezel, en van den dood van Filips van Nassau en Ernst van Solms. Groot was de blijdschap bij dit bericht. Uit zevenentachtig kanonnen en vele duizende musketten donderden de vreugdeschoten, ter eere der zegepraal, en verspreidden schrik en ontzetting binnen de muren der stad. Bijna onmiddellijk daarop werd een geweldig vuur geopend en zoo krachtig volgehouden, dat de burgerij en een deel van het garnizoen, die uit haat tegen Balagny reeds half tot opstand waren overgeslagen, nu luidkeels en dreigend begonnen te morren, als de kogels door de straten vlogen en in de huizen drongen. Weinige dagen later brak de opstand werkelijk uit. In den vroegen morgen van den 2den October, stonden drieduizend burgers, tot de tanden gewapend en met wapperende roode vlaggen in hun midden, op de markt geschaard. Balagny verliet de citadel en trachtte het oproer te sussen, maar werd met gejouw en verwenschingen ontvangen. Men had hun beloofd, zoo riepen de hoofden der opstandelingen, dat de fransche legers, onder aanvoering van hun geduchten Koning, van alle zijden naar Kamerijk zouden oprukken, om overal de Spanjaar den te verslaan; en wat was er gebeurd? Een kind was er gekomen, met dertig boogschutters van zijn vader, en een halve man, aan het hoofd van vierhonderd dragonders(1). Om onder zulke omstandigheden de verdediging vol te houden, tegen een leger van vijftienduizend Spanjaarden, en nog bovendien Balagny's koper voor zilver of goud aan te nemen - dat was meer dan van eerzame burgers kon gevergd worden. De hatelijke toespeling op den jongen hertog De Rethelois en op De Vic, die in den krijg een been verloren had, werd met luide bijvalskreten begroet. Balagny, verschrikt door de woede der bevolking, die hij, zoo lang zij gehoorzaam het hoofd boog, meedoogenloos had vertrapt, werd bevreesd en ontweek het hem dreigend gevaar in de citadel.

Maar zijne vrouw kende geene vrees. Sedert den aanvang van het beleg had de prinses zich door haar moed en geestkracht haar hooge geboorte waardig getoond. Dag en nacht was zij op de wallen rondgegaan en had zij door woord en daad de bezetting aangemoedigd en voorgegaan. Zij had batterijen tegen de vijandelijke werken doen oprichten en met eigen hand geschut afgevuurd. Ook nu verscheen zij op de markt, waar haar onwaardige echtgenoot gevloden was, en deed wat zij kon om

[p. 329]

het oproer te stillen en de opstandelingen te doen beseffen wat plicht en eer van hen vorderden. Met volle handen strooide zij goud onder de menigte, terwijl verscheidene karren met zuiver gemunt geld gereed stonden, om voor het valsche kopergeld te worden ingeruild.

Met minachting en fier zelfvertrouwen wees zij op de weinige vorderingen, door de belegeraars gemaakt, en op de geringe schade tot dusver aan de vestingwerken der stad veroorzaakt; toen nam zij de lans van een nabijstaanden soldaat en bood aan om zelve de bezetting naar de bres te geleiden. Hare toehoorders waren volkomen overtuigd, dat dit geene ijdele vertooning was, maar dat de prinses, zoo goed als de onversaagdste krijgsman, bereid was een wanhopigen strijd te wagen of een bloedigen storm af te slaan. En, uit een militair oogpunt, was de toestand ook inderdaad verre van hopeloos. Maar de haat en verachting voor Balagny, die in aller hart kookte, was sterker dan de voorbijgaande bewondering voor zijne dappere, schoon hooghartige en heerschzuchtige gemalin. Geen enkel man volgde haar naar de bres. In toorn ontstoken, riep zij der zwijgende schare toe, dat zij althans zich nooit zou overgeven en als onafhankelijke vorstin zou weten te sterven, liever dan als onderdane te leven - en Renée de Balagny keerde naar de citadel terug.

Spoedig daarop gaf de stad zich over; en toen de spaansche soldaten bij hun intocht bespeurden, hoe weinig schade hunne batterijen hadden aangericht, wenschten zij zich geluk met de flauwhartigheid en muiterij van het garnizoen, die hun de moeiten en gevaren eener bestorming hadden bespaard.

Nu werd de citadel opgeëischt; en Balagny beloofde dat, zoo hij binnen zes dagen niet werd ontzet, de overgaaf op eervolle voorwaarden volgen zou. Het bleek dat de tijd vervlogen was om hulp van Hendrik te verwachten; en op den bepaalden dag was Balagny, nog onlangs een regeerend vorst, verplicht uit het kasteel te trekken en zijn overwinnaar hulde te gaan brengen. Maar de prinses hield haar woord. Zij had gedaan wat zij kon, om haar gebied te verdedigen en haar souverein gezag te handhaven: nu schoot haar niets anders over, dan te sterven. Met bittere verwijten over de lafheid van haar echtgenoot, met tranen en snikken van schaamte en drift, weigerde zij alle voedsel, wilde van geen onderhandeling hooren en stierf vóór den 9den October, den dag der overgaaf.

Op dien dag verliet een vreemde stoet de poorten der citadel. Balagny, met zijn elfjarigen zoon aan de hand, de hertog van Rethelois, de kommandant De Vic en een aantal andere aanzienlijke personen, allen op het schitterendst uitgedost, gingen vooraan, gevolgd door wat er van de bezetting was overgebleven. De soldaten, dertienhonderd voetknechten en tweehonderdveertig

[p. 330]

ruiters sterk, togen voort met vliegende vaandels, slaande trommen, brandende lonten en alle andere bekende teekenen, die een nederlaag zooveel mogelijk moeten vermommen. Eindelijk, het laatste van alles, kwam een lijkwagen, met de doodkist van de prinses van Kamerijk. Fuentes begroette de levende aanvoerders van den stoet en het lijk der heldin met statige beleefdheid en deed den stoet door eene afdeeling zijner ruiterij tot Peronne geleiden(1).

Balagny werd door Hendrik te Sint-Quentyn zeer koel ontvangen; maar later werd hij weder in genade aangenomen en trouwde hij met de zuster van 's Konings maitresse, Gabrielle d'Estrées.