terug  begin  verderprepost

[Dagboek Frederik van Eeden] donderdag, 6 juni 1918

De verzen hebben mij zeer aangepakt. Ik dacht wel terstond dat ze anti-christelijk zouden zijn. Er koomen dan ook heevige expressies in voor, tegen Christus. En hier kom ik weer in den zelfden strijd. Ik vind die verzen oprecht, en ik begrijp zijn verbittering.

Aan den anderen kant bewonder ik ook weer Truida's9 kinderlijk Jezus-geloof. Het conflict maakt me niet droevig. Omdat ik zeker weet, dat ‘Hij weet wat maaksel wij zijn’.

En ik zou, als ik Christus was, den verbitterde zoo innig vergeven en begrijpen. Zeeker! er is iets om bitter te worden in die voorstelling: onze zonden afgekocht door een offer, gebracht door een schuldlooze. Dat is om des duivels te worden. Een ‘kwakzalvers-wonder’10 zegt de onbekende dichter.

Voor mij is nu de vraag, die beiden te vereenigen. De vertrouwend geloovige en de onverbiddelijk oprechte. En die oprechte is zoo geweldig sterk, zoo majestueus in zijn bitterheid.

[p. 17]

Is dat de grootheid van Lucifer?

Maar ook de eerwaardige Spitteler11 spreekt zoo. Ook hij heeft bittere ironie voor den brave en geloovige en bewondering voor den sterke, oprechte - die zegt: ik ben Brahman. ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leeven. Ik heb geen Christus noodig om mijn zonden te vergeeven. Ik vergeef.’12

Ik bewonder ook versreegels als de volgende, zoo schijnbaar blasfeemisch:

 
‘'k Ben Brahman, maar we zitten zonder meid.’13

En dan die pracht-vizioenen, die aanwending van kleuren, die geweldige fantasieën, die natuur-beschouwing.

Ik moet dien man kennen.

9Geertruida Woutrina Everts (1873-1952), met wie Van Eeden op 21 augustus 1907 zijn tweede huwelijk was aangegaan.
10Zie het octaaf van het sonnet (III, 27) op blz. 66 van: Johan Andreas Dèr Mouw (Adwaita), Verzamelde Werken. Eerste deel. Brahman I. Amsterdam, 1947 (Voortaan geciteerd als V.W. I):
 
Als Christus'God, almacht'ge duivel, wàs,
 
Als, onderworpen vee, we woonden onder
 
Zìjn hemel en vreesden Zìjn stem in donder;
 
Zìjn willekeur sterven deed dier en gewas
 
 
 
En 't Kruis voor tolbetalend menschenras
 
Op de afgrond van de dood lei, wrakke vlonder,
 
En 't menschenleed door vuil kwakzalverswonder,
 
Door bloed en pijn van Onschuld'ge, genas -
11Karl Spitteler (1845-1924), Zwitsers dichter van symbolistisch-wijsgerige, mythische gedichten en auteur van moderne realistische romans. Op 17 januari 1915 schreef Van Eeden aan Henri Borel dat hij Spitteler als ‘de voornaamste poeet van onze tijd’ beschouwde. Zie ook Van Eedens Dagboek op 17, 19 en 24 augustus 1909, en het nooit herdrukte opstel in De Amsterdammer van 28 februari 1915: Carl Spitteler bekroond.
12V.W. I, a.w., blz. 64 (III, 25):
 
Ik ben de weg, de waarheid en het leven,
 
Ik zelf ben de Profeten, ben de Wet;
 
Ik heb geen Christus noodig, die mij redt;
 
Mij hoeft geen God mijn zonden te vergeven:
 
Vergeven wil ik Hem ...
‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven’ is een citaat uit de eerste afscheidsrede van Jezus tot Zijn apostelen, tijdens het Laatste Avondmaal (Johannes 14, 6); ‘Ik zelf ben de Profeten, ben de Wet’ is een zinspeling op Matteüs 5, 17: ‘Denkt niet dat Ik gekomen ben om Wet en Profeten op te heffen; Ik ben niet gekomen om op te heffen, maar om de vervulling te brengen.’
13Eerste regel van het sonnet (III, 42 B) op blz. 219 in V.W., I.
prepostterug  begin  verder