terug  begin  verderprepost
[p. 31]origineel

Historische proeve over de kolonie van Suriname.
[Deel 1]

Nadat de Jooden, in 1492, ten getale van 800 duizend persoonen, volgens Vader Mariana(a) uit Spanje, en vervolgens, in 1497, uit Portugal verbannen waren, na aldaar zeer groote onheilen uitgestaan te hebben, zo als te zien is in de Historia General d' Espagne(b), werden dezelve wel door de vier deelen der wereld verspreid; doch de meesten begaven zich naar Italie, alwaar zy ontvangen en beschermd werden door de Pauzen Alexander den VI, Paulus den IV, Sixtus den V(c), en anderen, naar de Staaten van den Grooten Heer, enz. Zy bragten onnoemelyke rykdommen met zich, zo in goud en edele gesteenten als andere kostbaarheden, behalven het gemunte geld, dat op meer dan 30 millioenen Dukaaten begroot wordt(d). Het besluit van de verbanninge der Jooden uit Spanje, zegt Vader Mariana, werd altoos aangemerkt als een zeer berispelyk bedryf, omdat zulke ryke en nuttige lieden niet verpligt konden worden hun Vaderland te verlaaten, zonder aan alle de

[p. 32]origineel

gewesten van het Koningkryk de allergevoeligste nadeelen toe te brengen.

Zulken, die hunne rykdommen op geloof hadden uitgezet, of in vaste fondsen belegd, behielden den naam van Nieuwe Christenen (Mariana ter gemelde plaats); doch wanneer men hen begon te verdenken van niet getrouw te zyn aan den Godsdienst, dien zy veinsden te gelooven, en hunne rykdommen de schraapzugt hunner vervolgeren wakker maakten, zonden zy het grootste gedeelte dier rykdommen naar. Engeland en Holland, om dus den doodelyken slag, waarmede zy gedreigd wierden, te ontwyken, en hunne goederen voor de vervolgingen van de verfoeielyke rechtbank der Inquisitiete beveiligen; bedienende zy zich daartoe van wisselbrieven, die, eenige eeuwen geleeden, door hen waren uitgevonden. Vervolgens door alle Mogendheden van Europa in hunne Staaten zynde toegelaaten, beval Filips de II, die zyne wetten kort daarna over Portugal uitbreidde, volgens 't zeggen van Montesquieu(e) ‘: dat diegeenen van zyne onderdaanen, welke van eenen Jood of Moor afstamden, niet zouden worden toegelaaten tot het bekleeden van eenige kerkelyke of burgerlyke waardigheid: dit zegel der verwerpinge, welk men, om zo te spreeken, op 't voorhoofd der nieuwe Christenen drukte, deed de allerryksten zulk een' weerzin krygen in eene verblyfplaats, waar zelfs hunne bezittingen hen voor de hoonendste vernedering niet konden beveiligen, dat zy hunne kapitaalen overbragten naar Bourdeaux, Antwerpen, Hamburg en andere steden, met welke zy in eenige verbintenis van handel stonden, en dat in weerwil van dit besluit van Filips den II.(f). En de grooten van Spanje mogen de voor-

[p. 33]origineel

zorg gebruiken van hunne naamen en wapenen te veranderen; het is evenwel bekend dat zy van Jooden afstammen. De Kloosters zyn 'er meê vervuld; de meeste Monniken, Inquisiteurs en Bisschoppen zyn uit deeze Natie gesprooten. Deeze verhuizing werd, volgens de aanmerking van den Abt Rainal, de oorsprong eener zeer groote omwenteling; breidde de naarstigheid, die tot dus verre in Spanje en Portugal haar middelpunt had gevonden, uit tot verscheiden andere gewesten; en beroofde de twee Staaten van de voordeelen, welke de eene van de Oost Indien en de andere van de West-Indien gewoon was te trekken’.

Reeds voorheen waren zeer veele Jooden, om de rustelooze vervolgingen der Inquisitie te ontgaan, als ballingen naar Brazil verhuisd; en, ‘hoewel zy, door deeze onverzadelyke bloedzuigers, van hunne bezittingen beroofd waren, slaagden zy echter niet ongelukkig in 't onderneemen van den Landbouw; welk gunstig beginsel het Hof van Lissabon deed begrypen, dat eene Kolonie, ook wel op eene andere wyze dan door metaalen, nuttig voor de Hoofdstad kan worden(g)’.

Schoon het hun in Brazil niet kwalyk verging, en zy het daar vry wel tot hun genoegen hadden; even wel bragt de verachting, welke men, in Spanje en Portugal, aan den naam van nieuwe Christenen gehangen had, te wege, dat zy het Joodendom des te hardnekkiger aankleefden. 't Gevolg hier van was, dat zy met groot verlangen uitzagen naar gunstige gelegenheden, om nader by hunne broederen te komen. Midlerwyl maakten zy reeds, van tyd tot tyd, vry wat goud en zilver in staven over aan hunne Corresponden-

[p. 34]origineel

ten en broeders, die zich reeds in Holland en Engeland gevestigd hadden. De verovering van Brazil, door de Hollanders, onder het bevel van den Prinse Maurits van Nassau, voorzag hen van gepaste middelen, om hunnen wensch vervuld te krygen(h).

Om eenen regelmaatigen gang aan dit Werk te geeven zyn wy verpligt, voor dat wy ons nader inlaaten in 't geene de Kolonie van Suriname, ten opzigte van de daar gevestigde Jooden, betreft, den eersten staat dier Jooden te beschouwen, welke zich in Holland hebben nedergezet.

Volgens de aantekening van Basnage(i) hebben de Portugeesche en Spaansche Jooden zich daar, sedert het jaar 1588 of 1589, nedergezet, ten getale van 648 persoonen, alle besneden na het jaar 1554, door Uri á Levy, te Embden, en in het vervolg door zynen zoon, à Haron Levy 931 persoonen, volgens het verhaal van de Lavra en d' Aboab, aangetrokken door Barrios bl 2 en 3; zo dat men, de rekening opmaakende, zal bevinden, dat het getal der Jooden, zo Portugeesche als Spaansche, die zich sedert 1554, tot aan 1588, zo voor, als na, in Holland hebben nedergezet, buiten de vrouwen en dogteren, een getal beliep van 1579 persoonen.

Sedert dien tyd tot aan het jaar 1595, hielden de Jooden daar hun Joodendom verborgen. De Calvinisten, zeer verbitterd tegen de beelden der Papisten,

[p. 35]origineel

hielden de Jooden verdacht van met het Pausdom besmet te zyn, en vielen, ingevolge daarvan, vyandiglyk aan op zeker huis, waarin de Jooden zich op hunnen feestdag Kipur van het jaar 1595 in stilte begeeven hadden, om daar hunne gebeden uit te storten: een gansche hoop gewapende manschap viel op hen aan, en eischte, onder bedreiginge van hen om te brengen, dat zy hunne reliquien, hostien, crucifixen enz. zouden overgeeven. Over zulk een' eisch ten eenemaal verbaasd en verwonderd, verklaarden zy opentlyk, niets anders te zyn dan Jooden, die, om de Inquisitie van Spanje en Portugal te ontgaan, derwaarts de vlugt genomen hadden. De Hollanders, met dit antwoord niet zeer voldaan, begaven zich, tot nader onderzoek, in hunne wooningen; doch daar niets anders vindende dan eenige Hebreeuwsche boeken, lieten zy hen in rust, doch onder uitdrukkelyk beding, dat zy God alle Sabbathdagen om den voorspoed der Regeeringe van Amsterdam zouden bidden.

Na dit tydstip verkreegen de Jooden, by de verandering der Hollandsche Regeeringe in 1578, volgens het gevoelen van den Heer Wagenaar, aldaar de vryheid om eene Synagoge te bouwen, en hunnen Godsdienst opentlyk te belyden. De Heer Wagenaar maakt geen melding van dien onvoorzienen aanval, welken de Kalvinisten op de Jooden deeden, en waarvan zo even door ons is gewaagd; doch Don Miguel de Barrios, Schryver der jongst voorleden eeuw, beschryft dien in alle zyne omstandigheden(k).

Ondanks deeze toelaating der Jooden, en die verdraagzaamheid, welke de Republiek kenschetst; ja

[p. 36]origineel

ondanks alles, wat Savary in zyn Woordenboek op het woord Jood(l), en verscheiden andere Staatkundige Schryvers, gezegd hebben nopens het voordeel, dat de Hollandsche Koophandel, ten allen tyde van de naarstigheid en werkzaamheid der Portugeesche en Spaansche Jooden getrokken heeft; zyn de voorrechten, die zy als burgers genieten, daar zeer bepaald. De Heer Wagenaar heeft, in zyn reeds aangetrokken Werk(m) naauwkeuriglyk aangetekend, dat hunne voorrechten tot den Koophandel alleen betrekkinge hebben; zynde alle andere bedryven en beroepen, de Geneeskunde met het geene daar toe behoort maar alleen uitgezonderd, hun verboden, en de deur om tot het Meesterschap te komen voor hun geslooten.

Wy weeten niet zeker, of deeze hinderpaalen niet zeer veel hebben toegebragt tot het verval der Jooden in Holland, en tot die geringe kundigheden, welke de Natie daar in 't vervolg, te midden van zo groot eene godsdienstige vryheid, heeft weeten te verkrygen; onkunde, waarvan men dezelve nog steeds beschuldigt, zonder in aanmerking te neemen, hoe luttel voordeels zy van haare moeite zou getrokken hebben, zo zy zich met onafgebroken yver op konsten en weetenschappen hadde toegelegd. Zo de Jooden van den beginne af, in plaats van Makelaary en Actiehandel eigen Winkels en Werkhuizen hadden mogen hebben; zo zy tot het Meesterschap, zonder uitzonderinge, waren toegelaaten geworden, en dus voordeel hadden konnen trekken van den rykdom en de weelde hunner broederen; de Natie zou in Holland niet tot die laagte vervallen zyn, waarin zy zich thans bevindt. Haar geluk zou insgelyks ten voordeele van de Republiek strekken, en de Hollandsche Jooden, die naar

[p. 37]origineel

Amerika over staken, zouden de Kolonien voorzien hebben van veel meer Konstenaars en Handwerkslieden, die zich daar voor altoos zouden hebben nedergezet. De eerste godsdienstige hitte en de verkleefdheid aan veelerlei vooroordeelen en heblykheden, welke door versmaadinge ongelukkiglyk vereeuwigd worden, zouden afneeemen, en zelfs ongevoeliglyk verdwynen, ten voordeele van de Kolonie, waarin zy zich hadden nedergezet. En hoeveel sterke handen zouden 'er niet nog, zelfs in Holland, te werke gesteld konnen worden, om de nationaale fabrieken op te beuren uit dien beklaaglyken staat, waar toe dezelve vervallen zyn? Zestig duizend Jooden, hoeveele 'er gerekend worden alleen in Amsterdam te woonen, zyn een voorwerp, dat wel eenige opmerking verdient. Hunne Hoogmogenden, de Algemeene Staaten, gevoelden ongetwyffeld hoe noodzaaklyk het ware, deezen tak van rykdom te hervormen, toen zy, op vertooning van Mevrouwe de Prinsesse Gouvernante, het besluit van den 6 der Hooimaand 1753, namen(n). De Heer van den heuvel heeft, insgelyks, in zyne, door de Hollandsche Maatschappy der Weetenschappen te Haarlem gekroonde, prysverhandeling over de opgegeeven vraag, met eenen inderdaad Patriottischen yver, deeze hervorming zo wel nuttig als noodzaaklyk geschat; zeggende onder anderen: ‘dat men het getal der Paruikmaakers, Kooplieden van nieuwmodische dingen, Reukwerkers enz. behoorde te verminderen, en de Jooden in 't byzonder te verpligten tot het oprechten van tapyt- porcelein- en spiegel fabrieken, en andere handwerken, die tot dus verre in Holland niet zyn ondernomen, en waartoe zy die van hunnen godsdienst zouden konnen ge-

[p. 38]origineel

bruiken, welke, by mangel van andere middelen van bestaan, thans langs de straaten loopen, en eenen handel dryven in verscheiden waaren en inzonderheid in lotbriefjes enz., die over 't geheel meer nadeelig dan noodzaakelyk is(o)’.

Wy verwachten ondertusschen van de wysheid der hooge Regeeringe der Republiek, dat zy zulke schikkingen zal beraamen als meest dienen konnen, om teffens het geluk van Holland en dat van een groot deel haarer getrouwe onderdaanen te bevorderen. Het is deeze Republiek, die de eerste zal zyn, welke den Jooden de middelen tot hun bestaan aan de hand zal geeven, even gelyk zy de eerste geweest is, die hen met zo veel liefde en toegenegenheid in haaren schoot ontvangen heeft. Mogten de Mogendheden van Europa zich te binnen brengen: ‘dat deeze zelfde vryheid (hoe bepaald zy ook moge zyn) eene aanzienlyke menigte Spaansche en Portugeesche Jooden in Holland heeft doen komen, welke zich voorheen in Amsterdam hebben neêrgezet, alwaar zy een groot gedeelte der Stad bewoonen; en dat deeze zelfde Jooden niet alleen hunne bezittingen en rykdommen derwaards met zich hebben overgebragt; maar 'er ook eene Correspondentie met de buitenlandsche Jooden, en wel inzonderheid met die van de Levant, hebben geopend, van welke de gevolgen noodzaakelyk moesten strekken ter vermeerderinge van den Koophandel en de Scheepvaart(p)’. Mogten derhalven de Jooden, door alle de vier deelen der wereld verstrooid, zich opgewekt vinden, om den God van Israël voor het welzyn van zo weldaadig en verlicht eene Republiek vuuriglyk te bidden!

Nadat deeze Jooden, die zich in Holland hadden

[p. 39]origineel

nedergezet, door hunne medegebragte rykdommen, eene pracht en weelde, gelyk aan die der Christenen, begonden te vertoonen, en de algemeene hoogachtinge wisten te verwerven, zelfs in zo verre, dat zy, in 't vervolg, aanzienlyke bedieningen, in den dienst van verscheiden gekroonde hoofden, verkreegen, gelyk wy reeds in de Inleidinge van dit Werk hebben verhaald; zo zag men ook veele andere Jooden van alle kanten derwaards zich begeeven, en die van Brazil in 't byzonder wenschten zeer naar gunstige gelegenheden, om zulks insgelyks te konnen doen, gelyk ook boven reeds door ons is gezegd. Men vond naamelyk toen ter tyd zeer veele Jooden in Brazil, wier familien zich in Holland hadden nedergezet, en welke grootelyks begaan waren met het lot hunner ongelukkige broederen, gestadig bloot gesteld aan de ysselykste mishandelingen der Inquisitie. De waarheid hiervan wordt zelfs bevestigd door meer dan een Spaansch gedicht, op denzelfden tyd gemaakt, waarvan men eenige stukken aangehaald vindt, op het einde van 't Werk van D. Miguel de Barrios, welken wy reeds boven hebben aangehaald, en waaruit wy, om zo veel te meer licht aan 't gezegde by te zetten, hier alleenlyk het volgende zullen mededeelen.

 
‘Con el Hollandio en el Brasil ardiente
 
Se opone al Portugues la Nation santa,
 
Y este ane en buda al imperial quebrante,
 
Que la Amenaça con furor ambiente’.

Waar van de zin is: In 't heete Brazil heeft de heilige Natie, in vereeniginge met de Hollanders, zich opgesteld tegen de Portugeezen, en in dit jaar de Keizerlyke magt, die de Republiek zocht onder 't juk te brengen, verbroken.

Deeze Jooden derhalven, hunne broeders in Brazil

[p. 40]origineel

aantreffende, haalden hen over om het dekkleed af te ligten, waar onder hun Joodendom verborgen was. Die van Brazil waren, voor het grootste gedeelte, lieden van vermogen, en zeer bedreeven in den Koophandel en Landbouw, en geduurende die 8 jaaren, welke Prins Maurits van Nassau, na de verovering van Brazil, daar als Gouverneur heeft gesleeten, zamelden de Jooden hunne rykdommen by een, om op den uitslag deezer overwinninge te wachten. Doch ongelukkiglyk werd gemelde Prins, in den jaare 1644, door de Staaten der Vereenigde Provincien, te rug geroepen, 't welk ten gevolge had, dat de magt der Hollanderen in Brazil grootelyks afnam, en byna alles verlooren wierd, wat de Republiek op de Portugeezen gewonnen had(q). Ook koozen de Jooden van Brazil toen de party, om zich met hunne rykdommen aan boord dier Schepen te begeeven, met welke de 2000 man Krygsvolk, staande onder bevel van den Prinse, werden overgevoerd. De voornaamsten en aanzienlyksten van die dus met hunne familien naar Holland overstaken, waren de vermaarde Rabbi Isak Aboab, de Nassys, de Mezas, de Pereiras en eenige anderen(r).

Het was in deezen tyd, dat David Nassy, zyne Familie en deelgenooten, reeds gewend aan het klimaat van Brazil en den vermoeienden Landbouw, het besluit namen, zich op nieuw in Amerika neder te zetten. De uitzinnigheid of drift om Kolonien in de nieuwe wereld te stichten, was toen algemeen; en hy,

[p. 41]origineel

hetzelfde doelwit hebbende, verkreeg voor zich en zyne medegenooten, van de West-Indische Maatschappy, in de vergaderinge, genaamd van Negentienen, op den 12 van Herfstmaand 1659, het voorrecht om eene Kolonie op te rechten op het eiland Cayenne, met den tytel van Patroon der Kolonie, zo als blykt uit de hier achter aangevoegde bewysstukken, van welke de acht eerste artikelen van No 1. inzonderheid merkwaardig zyn, ten opzigte van 't voornaame onderwerp deezes Werks.

Het vaste land van Cayenne, omtrent 4 of 5 mylen van het eiland van dien naam af gelegen, behoorde sedert 1624 aan de Franschen, en stond onder het bestier van de Maatschappy van Rohan; doch eene nieuwe Maatschappy, den naam draagende van de Maatschappy der Noord-Kaap, verjoeg de eerste, en maakte zich meester van dezelve; en hoewel deeze nieuwe Maatschappy groote verwachting had wegens de voordeelen, welke Cayenne stond op te leveren, bragten echter de onderlinge twisten en krakkeelen van derzelver bestierderen de Kolonie in zulk eene bystere verwarring, dat dezelve, op het laatst van 1653, gansch en al vernietigd wierd. De Hollanders, zich van deeze gelegenheid bedienende, namen bezit van dit gedeelte van Guyane in 1656 of 1657, zich onder het bewind van Gerrit Spranger vestigende aan het vaste land(s). En het is uit kracht van dit bezit, dat de West-Indische Maatschappy het Charter van den 12 van Herfstmaand 1659, aan den meergemelden Nassy verleende, en daarby, volgens Art. 1. de gren-

[p. 42]origineel

zen bepaalde, welke, ten opzigte der andere, op het vaste land gestichte, Kolonie, plaats zouden hebben.

De Hollanders, zo Christenen als Jooden, waren dus geruste bezitters van Cayenne tot aan den 15 van Bloeimaand 1664(t), wanneer zy door de Franschen verjaagd werden, uit naam van de Fransche Maatschappy der Evennachts Linie, onder het bevel van den Heer de la Barre, Lieutenant ter Zee, die eene groote menigte Christenen en Jooden van Rochelle mee zich derwaards voerde(u).

David Nassy had zich, uit kracht van zyn verkreegen Charter, insgelyks met eene aanzienlyke menigte Jooden gevestigd op het eiland, hem sedert 1760 in eigendom toebehoorende: en dewyl hy de tyding van deeze zyne nieuwlings verkreegen bezitting wyd en zyd had verbreid, zo vertrokken 'er, in Hooimaand van 1660, wel 152 Jooden uit Livorno, om zich naar Cayenne te begeeven. De dankzeggingen, door hen, wegens hunne gelukkige aankomste, aan den Allerhoogsten gedaan, en in Spaansche versen gedrukt, zyn te vinden achter het Werk van D. Miguel de Barrios. En wanneer de Franschen zich insgelyks meester van dit hun eiland maakten, vertrokken zy alle van daar, met alles wat zy hadden, naar Suriname, toenmaals behoorende aan de Engelschen(x).

Indien de Republiek deeze ramp niet ondergaan, en de Jooden, als onderdaanen van Holland, dit ongeval niet getroffen had; zou misschien het bezit van Cayenne als een wettig eigendom te wege brengen, dat het vooroordeel, 't welk hen aanmerkt als geen afzonderlyk volks lichaam hoe genaamd uit

[p. 43]origineel

te maaken, verbannen wierd, en voorbeelden voortbragt, die door de ryksten der Natie zouden worden nagevolgd. Veel geringer oorzaaken hebben meer dan eens zeer groote gebeurtenissen, ten voordeele des menschelyken geslagts, te wege gebragt, en de Abt Rainal, die deeze waarheid, in haar volste kracht, gevoelde, zou, sedert meer dan eene eeuw, zyn verlangen vervuld zien. Laat ons hooren wat hy dien aangaande zegt; dus luiden zyne woorden: ‘Mogten de Jooden, in 't eerst slaaven, daarna overwinnaars, en vervolgens, twintig eeuwen achter een, veracht, eens in 't wettig bezit van Jamaika, of eenig ander ryk eiland der nieuwe wereld, gesteld worden; mogten zy daar alle hunne kinderen verzamelen, en dezelve in vrede tot den Landbouw en Koophandel optrekken; beveiligd zynde voor de dweepery, die hen over geheel den Aardbodem gehaat heeft gemaakt, en voor de vervolginge, die hen over hunne dwaalingen met te veel strengheid heeft gestraft; mogten de Jooden toch eindelyk eens vry, gerust en gelukkig, in den een' of anderen hoek van het Heelal, leeven; nademaal zy onze broeders zyn door de banden der menschlykheid, en onze vaders door de leerstukken van den Godsdienst(y)’!

Uit het gezegde blykt onbetwistbaar, dat de Jooden, die Brazil vruchtbaar wisten te maaken, gelyk Abt Rainal zegt(z), toenmaals, zo door hunne kundigheden van den Landbouw, als door de rykdommen, dieze uit Portugal hadden medegebragt, in staat waren, om Cayenne van veel meer belang te doen zyn dan het ooit geweest was. En zo Frankryk, in plaats van hen, om hunnen godsdienst, van hunne haard-

[p. 44]origineel

steden te verjaagen, hen voor Ryks onderdaanen had verklaard, zoude het veel grooter voordeelen getrokken hebben van deeze Kolonie, welke nu aanzienlyke sommen gelds aan de Kroon kost, zonder dat zy zelfs met eene der allerkleinsten van Holland in Guyane te vergelyken zy. Om over den staat deezer Kolonie te oordeelen, heeft men maar alleen te leezen het Proces verbaal van den Heer Malouet van den 7 der Louwmaand van 1777, gedrukt in Suriname by N. Vlier(a).

Deeze historie, welke wy niet voor by konden beknoptelyk te melden, om dus tot ons onderwerp te komen, strekt tot een overtuigend bewys, dat de Jooden, die zich het eerst van allen in Suriname hebben nedergezet, bykans alle lieden van verdienste waren, zeer bekwaam en ryk teffens; weshalven het geenszins te verwonderen is, dat zy het meeste tot de eerste stichting en voortgang der Kolonie hebben toegebragt, schoon dit met een diep stilzwygen wordt voorbygegaan door zulken, die 'er de Historie van beschreeven hebben. Wy vleien ons, dat niemand in twyffel kan trekken, het geene wy, en wel inzonderheid ten aanzien der Jooden, hebben voorgedraagen; te meer wyl 'er in de Archiven der Natie Resolutien gevonden worden, by welke is vastgesteld: ‘dat de Kerkelyke instellingen in Suriname van denzelfden inhoud zullen zyn als die, welke zy in hunne Kolonie van Cayenne hebben gehad’: en by eene andere Resolutie van Grasmaand 1674, wordt aan de Dogters van den Hr. J. Brandon te Amsterdam toegestaan 8000 pond Suiker voor ieder van dezelve, die zou komen te trouwen, en wel, gelyk 'er de Resolutie byvoegt: ‘dewyl hy een der byzondere leden van onze vergaderinge van Cayenne is’. Het

[p. 45]origineel

is derhalven zo klaar als de dag vooreerst, dat de Jooden zich hebben waardig gemaakt, om, op eenen gelyken voet met de overige onderdaanen der Republiek, Oktrooien te verwerven, om eene Kolonie te stichten, en dezelve in wettigen eigendom te bezitten; ten tweeden, dat dit Charter, of voorrecht, ook zyne volkomen uitwerking heeft gehad, 't welk onderstelt, dat die geenen niet gansch en al van natuurlyke bekwaamheden en verdiensten ontbloot waren, welke zich van elders naar Suriname begeeven hadden.

Voor dat wy ons nader inlaaten in 't geene de eerste vestiging der Jooden in Suriname betreft, schynt het niet ongepast (om aan eene der vraagen van den Heer Dohm te voldoen) zo kort mogelyk, ook eene beschryving te geeven van de eerste jaaren der Kolonie, op dat wy te beter in staat mogen zynom in het vervolg deezes Werks te spreeken van derzelver gebeurtenissen, zo oude als hedendaagsche.

Onder alle de Schryvers, die over de Kolonie van Suriname hebben geschreeven, is 'er, naar het ons voorkomt, niemand, die zich de moeite gegeeven heeft, om eenig onderzoek naar den oorsprong deezer benaaminge te doen: in tegendeel zyn 'er verscheidene, die rond uit verklaaren, daaromtrent zelfs geene gissing van eenige waarschynlykheid te konnen maaken. Dit niet tegenstaande zullen wy het evenwel waagen, onze gedachten daaromtrent mede te deelen. Onder de verscheiden Natien, die het Zuidelyke gedeelte van Amerika in hadden, was 'er eene, die in een der gewesten van het land der Amazoonen woonde, welk, volgens den Atlas van den Abt Rainal (kaart No. 29.) maar alleen omtrent negen graaden Noorder breedte van Suriname verwyderd is. Dit gewest droeg den naam van Surina, en de daarin woonende volkeren waren de Surinen en de Corcipinen; Natien, die

[p. 46]origineel

volgens de la Martiniere, in zyn Geogr. Woordenboek in folio: ‘de vlugste van geheel Amerika waren, voornaamlyk in 't vervaardigen van allerlei houtwerk, als banken, stoelen enz., waaraan zy de gedaante van dieren gaven’. Deeze karakteristike tekenen ziet men nog aan verscheiden stukken hout, en wel inzonderheid aan de knodsen en soortgelyke wapenen der Indiaanen, door onze Voorvaderen op hen veroverd, en door eenigen, als zo veele zeldzaamheden bewaard, om dat de gedaante van dieren enz. die men daar op gegraveerd vindt, fraaier is dan die van eenige andere Indiaansche Natie; 't welk aanleiding geeft om te denken, dat de eerste bewooners der Kolonie dezelfden waren, of althans behoorden tot het gewest van Surina, gelegen in het land der Amazoonen. Dus is het zeer waarschynlyk, dat de eerste Europeesche Natie, die in deeze streeken kwam, aan de rivier den naam dier Indiaansche Natie gegeeven hebbe, welke dien oord bewoonde; te meer, wyl het woord Guyane, alrede door de Franschen voor Cayenne gebruikt, volgens de aanmerking van Martiniere, niet wel konde dienen om alle de deelen van Guyane teffens te betekenen, en dus aanleiding gaf om de rivier Surina of Surinam te heeten.

Dan, hoe het ook zy met den oorsprong van deezen naam. Suriname ligt in Guyane, op de kusten van Zuid-Amerika, en, volgens de waarneeming, die de Heer de la Condamine, den 28 van Oogstmaand 1744, op de plaatsen zelve gedaan heeft, op 5 graaden 49 minuuten Noorder breedte(b).

De rivier, die haaren naam aan de gansche uitgestrektheid des lands geeft, loopt byna van het Zuiden

[p. 47]origineel

Noordwaards aan, en valt in Zee tusschen de rivieren Marony en Saramaca. Voor dat men 'er in komt, ontmoet men ter linkerhand een groote zandbank, vermengd met slyk en modder, eerst bekend by den naam van Parhams-Punt, of Kaap Willoughby van Parham; waarvan men daarna, door verbasteringe, heeft gemaakt Bramspunt, gelyk dezelve nog hedendaags wordt genoemd. Van haaren mond af tot aan de samenvloejinge van de rivier Commewine (die thans den grootsten rykdom der Kolonie uitmaakt) heeft dezelve eene breedte van omtrent drie vierde van eene myl; en deeze twee rivieren zyn zo diep, inzonderheid die van Suriname, dat de grootste Koopvaardyschepen dezelve 5 of 6 mylen verre konnen opvaaren. Op twee en een vierde myl van den mond van Suriname heeft men het fort Nieuw Amsterdam, en bykans eene myl hooger op het fort Zelandia, op nieuws door de Zeeuwen, in 1667 herbouwd; doch eenige honderd schreeden laager dan de Stad Paramaribo, de Hoofdplaats der gansche Kolonie. Aan 't einde deezes Werks zullen wy eene korte beschryving geeven van den staat der Kolonie in 't algemeen. Laat ons nu haaren oorsprong beschouwen.

Volgens 't gevoelen van verscheiden Schryvers waren 't Franschen, die 't eerst van allen bezit namen van dit gedeelte van Guyane, 't welk hun zo veel te ligter viel, om dat tot nog toe geen andere Natie zich daar had neêrgezet, en dat sedert 1634, de Maatschappy van Rohan zich gevestigd had in Cayenne. David Pieterszoon de Vries verhaalt in zyne reizen, dat aldaar, in 1634, door hem verscheiden Europeesche wooningen zyn gevonden. De onheilen, der gemelde Maatschappy van Rohan. beneffens anderen, die in haare ongevallen deelden, overgekomen, en reeds boven door ons aangeroerd, moesten noodzaaklyk van nadeelige gevolgen voor die van Suriname zyn. De

[p. 48]origineel

lucht daarenboven, die 'er, door de uitdampingen der moerassen en stilstaande wateren, by mangel van toegemaakte landen, zeer besmet was, noodzaakte de Franschen dezelve te verlaaten.

De omwenteling in Engeland, voor en onder het bestier van Cromwel voorgevallen, boezemde den Engelschen een sterke zugt in, om Kolonien in Amerika op te rechten. Lord William Willoughby vertrok dan uit Europa (of volgens anderen van de Barbados, waarvan hy Gouverneur was) in 1650, met één schip en den noodigen voorraad naar Suriname, alwaar hy door de Ingeboorenen des lands zeer gunstig werd ontvangen; doch na 'er eenigen tyd vertoefd te hebben, vond hy zich, door de menigvuldige ziekten, zyn scheepsvolk overgekomen, gedrongen, naar Europa te rug te keeren. Twee jaaren daarna zond hy 'er weder 8 schepen heene, verscheidene zo Engelsche als Joodsche huisgezinnen aan boord hebbende, en met krygsbehoeften, koopwaaren en verder alles wat noodig was, om zich daar met der woon neder te zetten, naar behooren voorzien. Met de Kolonie ging het ook, niet tegenstaande de besmette lucht vry wat sterste onder deeze nieuwe Kolonisten te wege bragt, in zo verre voorspoedig, dat zy de gezette aandacht van den Heer Willoughby dermaate tot zich trok, dat men, wat ook de la Martiniere en anderen zeggen, het tydstip van de stichtinge van Suriname moge bepaalen op het jaar 1650, hoewel het eerst den 2 van Zomermaand 1662 was, dat Lord Willoughby en Laurens Hyde van Koning Karel den II. het Charter verkreegen, waarby aan hun al het vaste land van Guyane, van de rivier Copename af tot aan die van Marony toe, wierd geschonken(c). Onder alle

[p. 49]origineel

de Schryvers, die over Amerika geschreeven hebben, is 'er niemand, die onvergeeslyker misslagen heeft begaan dan de Abt de la Porte, in zynen Nieuwen Reiziger: zo men maar eene oppervlakkige vergelyking maakt van het geen hy daaromtrent heeft(d) met het geene reeds door ons is gemeld, en in 't vervolg van deeze proeve staat voor te komen, zal men bevinden, dat de la Porte zich zeer weinig moeite heeft gegeeven, om het begin der Kolonie, derzelver eerste bewooners, luchtstreek en zeden der Kolonisten, zo oude als hedendaagsche, te kennen: waarom zyn Werk met reden mag gehouden worden voor een algemeene Roman over Amerika, in welke de waarheid der Historie, en de nette tyd der gebeurtenissen verward en ontsierd wordt door zonderlinge voorvallen en loutere verdigtsels.

De Engelschen, geruste bezitters van Suriname zynde, stelden alle mogelyke middelen te werk, om derzelver grenzen op eenen bewoonbaaren grond uit te zetten: en dewyl men, van den mond der riviere af tot omtrent 10 of 12 mylen in dezelve opvaarende, bykans niets anders ontwaar wordt dan laage en moerassige landen en ongunstige oevers, zo sloegen zy zich hooger op neder, aan de rivier Para, die in de Suriname valt. Op deeze twee plaatsen werden dus de eerste plantagien der Kolonie aangelegd, en derzelver getal beliep 40 of 50 van suiker, uitgezonderd die, waarop men proeven nam van de tabaks-kweekery (die 'er nooit gelukkig geslaagd heeft) als ook die, waar men de boomen vallen liet voor de molens, die, zeer eenvoudig zynde samengesteld, door paarden of ossen gedreeven wierden(e). De tichel-

[p. 50]origineel

steenen, die zy noodig hadden tot het metselen der ketels, dienende om 'er suiker in te rafineeren, maakten zy zelve. Niet zelden kwam eene menigte Kolonisten op eene bepaalde plaats by elkanderen, en bewerkte in gemeenschap het geene zy noodig hadden: en hier aan heeft men het toe te schryven, dat verscheiden oude gebouwen der Kolonie, onder anderen de Synagoge der Jooden in de Savanne, van tichelsteen waren gemaakt(f).

De Hollanders en Jooden, uit Cayenne verjaagd zynde(g); doch niet door de Franschen, zo als Fermin zegt in zyne nieuwe algemeene beschryving van de Kolonie van Suriname(h), begaven zich naar Suriname in 1664, en daar nam het getal der inwooneren zodanig toe, dat het eene vry aanzienlyke bevolking wierd, inzonderheid van den kant der Jooden. Deeze, zich vereenigende met die, welke met Lord Willoughby uit Engeland gekomen waren, zo als de Akten, in onze Archiven te vinden, en na 1662, gedagtekend, uitwyzen, verkreegen van de Engelschen zulke gunstige voorrechten, dat zy, zonder eenige uitzonderinge, met de overige bewooners op eenen gelyken voet wierden gesteld, zelfs in zo verre, dat zy met amptsbedieningen in de Kolonie bekleed konden worden(i). Uit kracht van deeze voorrechten, en de vergunning van 10 akkers land in Torrika, daar gemeld, bouwden zy in 1672, op een verheven plaats, naby de 10 akkers gelegen, en aan de Jooden dacosta en solis toebehoorende, een klein Vlek

[p. 51]origineel

met een kleine Synagoge, om daarin op hunne Feestdagen godsdienstiglyk te konnen vergaderen. Eenige jaaren laater werd dezelve evenwel wederom verlaaten, om dat de Savanne door den Hr. Samuël Nassy, in 1682 en in Oogstmaand van 1691, volgens resolutien van deeze dagtekeningen, wierd afgestaan aan de Natie. In 't eerst gemelde Vlek vindt men nog het oude kerkhof der Natie, tot begraaving der oude familien, die 'er op gezet zyn, om by hunne Voorvaders begraaven te worden. Deeze toevloed van nieuwe Kolonisten, gerugsteund door de middelen, die zy uit Cayenne medebragten, stelde de Kolonie in staat, om, zelfs van haar eerste begin af, eene der ryksten van Amerika te worden. Ongelukkiglyk werden alle deeze schoone uitzigten verydeld, door den oorlog, die tusschen Holland en Engeland ontstond. De Staaten van Zeeland, eenen aanval willende doen op de stichtingen, die de Engelschen op de kust van Guyane hadden, rustten drie oorlogschepen met eenige kleine vaartuigen uit, bemand met 300 foldaaten, alle uitgeleezen volk; en dit esquader stak, in Wintermaand van 1666, in zee, onder bevel van den Kapitein Abraham Crynssen, met de Kapiteins P.J. Lichtenberg en Maurits de Ram, en kwam op den 26 van Sprokkelmaand des jaars 1667 in Suriname aan. Lord Willoughby was toen afweezig, en 't bevel over 't kleine garnizoen, dat men 'er had, in handen van den Gouverneur Biam. De Kolonie had toen, ondanks de menigte haarer bewooneren, nog geen de minste vestingen; de burgers daarenboven, uit hoofde van hunne plantagien, die hooger op aan de rivier en dieper landwaarts in gelegen waren, van daar merkelyk verwyderd en van een gescheiden zynde, zo viel het den Zeeuwschen Admiraal ligt, om zich meester te maaken van de Kolonie, en de Engelschen tot de overgave te verpligten; hebbende hy na zulks de Ne-

[p. 52]origineel

derlandsche vlag geplant op een klein fortje, dat daar lag, en waaraan hy den naam gaf van Zeeland, dien het nog heden draagt, met eene bezetting van 150 man, ter bewaaringe van hetzelve.

De Heer Admiraal Crynssen, stelde den Heer Joseph Nassy aan tot Commandeur der rivieren Eracubo en Canamana, zo als te zien is uit de authentieke Akte, welke in de Sekretary van Amsterdam gevonden wordt, en gedagtekend is den 6 van Wintermaand 1700(k).

Onder verscheiden andere plegtige verklaaringen, door den Heer Crynssen, in naam der Staaten van Zeeland, aan de bewooners der Kolonie gedaan, verklaarde hy aan de Jooden in het byzonder, dat zy voortaan de voorrechten, hun door de Engelschen verleend, zouden blyven genieten; en in het 3de en 4de artikel van zyne Akte van den 6 der Bloeimaand 1667, door de Staaten van Zeeland goedgekeurd den 30 van Grasmaand des volgenden jaars, wordt 'er bygevoegd: ‘dat de Jooden gerekend zouden worden als of zy gebooren Hollanders waren(l)’. Na hierop het fort met eenige nieuwe werken versterkt, met palissaden bezet, 'er een garnizoen van 120 man met by de 20 stukken kanon op gelegd, en 't zelve met leevensmiddelen en den noodigen krygsvoorraad, voor 6 maanden, voorzien te hebben; vertrok hy met zyn esquader van daar om de overige eilanden aan te doen, en bevragtte eene Fluit, die naar Zeeland stond te vertrekken, met den buit, dienze op de hardnekkige, en voor het Engelsche bestier al te zeer ingenomen, bewooners, gemaakt hadden, en

[p. 53]origineel

welke op meer dan 400 duizend guldens geschat werd. Men vergelyke deezen buit, die op eene plaats gemaakt werd, welke men overwonnen had, met oogmerk omze te behouden en te vergrooten, zelfs ten voordeele van den overwinnaar, toch eens met het geene de Heer Jacob Cassard, in 1712, uit de Kolonie heeft konnen haalen, met oogmerk omze te plonderen; en men zal ontdekken, dat Suriname, naar evenredigheid, veel ryker en vermogender was in 1667, dan bykans een halve eeuw daarna.

In den tusschentyd van deeze en de verdere overwinningen, door den Admiraal Crynssen, op andere Kolonien behaald, werd de vrede getekend te Breda, den laatsten van Hooimand des jaars 1667. Het verdrag daarvan behelsde, onder anderen, dat alle de plaatsen, die door de wederzydsche vyanden, voor den 10 der Bloeimaand, veroverd waren, aan den overwinnaar zouden verblyven; maar dat alle, na dien dag veroverde plaatsen, aan haare voorige bezitters zouden worden te rugge gegeeven. Dus bragt dit verdrag te wege, dat Suriname, omtrent Sprokkelmaand veroverd, onder de magt der Zeeuwen raakte, en dat Nieuw York, den Hollanderen in Noord-Amerika toebehoorende, aan de Engelschen kwam. Eene gebeurtenis, die veelen heeft doen gelooven, dat deeze plaatsen, alleen by wege van vriendelyke ruilinge, van meesters veranderd zyn.

De tyding van den vrede, toen aan de vyandlyke esquaders, die in de Amerikaansche zeeën kruisten, onbekend zynde, was voor Suriname van zeer nadeelige gevolgen: want de Kolonie, die zo onlangs een zeer aanmerkelyk verlies, by de verovering door die van Zeeland, geleeden had, moest nog daarenboven, 8 maanden laater, de yslyke uitwerksels van eenen nieuwen aanval ondergaan. De Engelsche Kapitein Joh. Hermans, gehoord hebbende, dat Suriname door de Zeeuwen genomen

[p. 54]origineel

was, vertrok van Jamaika met zeven oorlogschepen, bemand met 1200 koppen, en begaf zich, na Cayenne op de Franschen veroverd en vernield te hebben, naar Suriname, in Wynmaand van 1667, en hernam, na eenigen tegenstand van de zyde der Kolonisten, bygestaan door den Ridder de Lezy, die mee 200 man van Cayenne derwaards de wyk genomen had, de Kolonie, alwaar alles aan de plondering der soldaaten werd overgegeeven. Meer dan 500 bewooners, voor het grootste gedeelte Engelschen en Jooden, wier suiker-plantagien zich 10 mylen verre langs de rivier naar boven uitstrekten, moesten zien, dat hunne molens, ten getale van 30 of 32, wierden vernield of weggevoerd. Na een verblyf van 3 weeken keerde hy van daar naar de Barbados te rug, alwaar hy zyne gevangenen met den Bevelhebber de Ram en andere Hollandsche Officieren aan land zette.

Willoughby, wien de verovering der Kolonie door de Zeeuwen, een allerbitterst hartzeer had verwekt, vond echter geen reden om zich te verblyden, dat de Engelschen dezelve heroverd hadden, dewyl het Vrede-verdrag van Breda, reeds, op de Barbados, waarvan hy Gouverneur was, tot zyne kennisse was gekomen, schoon hy den schyn maakte van zulks niet te weeten. Ondertusschen deed hy de gevangenen overvoeren naar Martinike, uit hoofde van den Vrede, die midlerwyl met Frankryk was getekend; en kort daarna zond hy zynen zoon, Henry Willoughby, met 3 oorlog- en 3 koopvaardyschepen naar Suriname, ten einde de bewooners over te haalen, om de Kolonie te verlaaten, zich naar Antigoa en Montferrat te begeeven, en hunne suikermolens met de slaaven derwaards over te voeren. Dit aanzoek ging verzeld met eene verklaaringe, dat alle bewooners, die weigerden daar aan te voldoen, voor weerspannelingen gehouden zouden worden. Twaalf honderd persoonen vertrokken,

[p. 55]origineel

volgens 't verhaal van Harris, vrywilliglyk naar Jamaika, en daarvan behoorden de meesten tot die Jooden, welke met Willoughby uit Engeland in Suriname gekomen waren; en ook heeft men het aan de zorge en arbeid van deeze menschen, die in 1670 in Suriname gekomen en voor het grootste gedeelte Jooden waren, te danken, ‘dat de Landbouw van Jamaika moed aan de overige bewooners gaf, en hen tot nayver ontvonkte(m)’.

Na dat de tyding van de heroveringe van Suriname door de Engelschen in Holland gekomen was, eischten de Vereenigde Provincien van de Britsche Regeeringe de herstelling deezer plaats in dien staat, waarin dezelve zich bevonden had, ten tyde wanneerze den Zeeuwen ontweldigd werd, met vergoedinge van schade enz. uit kracht van het 3de art. van 't Vrede-verdrag van Breda, geslooten den laatsten van Hooimaand 1667; beklaagende zich daarenboven over de despotieke schikkingen van Lord Willoughby en zynen Zoon.

Op deeze klagten zond Engeland vel zonder weifelen zyne bevelen aan Willoughby; doch de meeste daarvan bleeven onuitgevoerd: zyn zoon althans, voor dat hy eenige schikkingen maakte om de fortres te ontruimen, nam nog met geweld 168 slaaven, 126 hoornbeesten, 120 duizend ponden suiker, en 8 molens weg; doende die alle naar de Barbados overvoeren.

Deeze geduurige rampspoeden veroorzaakten den ondergang van de meeste bewooners der Kolonie, en de Natie, die ten allen tyde het grootste deel in de ongelukkige omwentelingen heeft gehad, gevoelde ook met smart de uitwerksels der verwarringe, die door het vertrek van zo veele hunner broederen naar Ja-

[p. 56]origineel

maika, in hunne zaaken ontstond, en, uit hoofde van 't naauwe verband tusschen beider belangen, 't zegel op hun ongeluk zette. Daar evenwel eene uitvoerige historie van Suriname 't voorwerp van ons schryven niet is, wyzen wy de geenen, die daarvan uitgebreider kundigheden verlangen, tot die Werken, welke reeds boven door ons zyn aangehaald; hoewel niemand de pligten van een' goeden, onpartydigen en waarheidlievenden Historieschryver heeft vervuld; 't welk ons in sommige gevallen heeft genoodzaakt, dikwyls onze toevlugt te neemen tot verscheiden andere Werken, en voornaamelyk tot het geene wy in onze eigen Archiven hebben gevonden, ten einde wy, zo veel in ons was, aan dit geschrift des te beter aaneenschakeling mogten geeven.

Wy konnen echter niet voorby van op te merken, dat, onaangezien de verdeeldheden in de Republiek tusschen Zeeland en de overige Provincien, de eerste, niet te min in 't bezit van Suriname zy gebleeven; hoewel verklaard wierd, dat de Souvereiniteit deezer Kolonie aan de vereenigde Provincien zoude toebehooren, en dat alle derzelver onderdaanen, zonder eenig onderscheid, de vryheid zouden hebben om daar op te vaaren en te handelen. Zeeland alleen zond, als Gouverneur van deeze haare nieuwe Kolonie, derwaards den Kapitein Julius Lichtenberg, die 'er aankwam in Sprokkelmaand 1669, en, hoewel hy met veel tegenkantinge van de zyde der bewooneren, zo Christenen als Jooden, te worstelen had, omdat zy wenschten andermaal aan de Engelsche Regeeringe hulde te mogen doen, en ook daarenboven bemerkte, dat het vertrek dier twaalf honderd persoonen, waarvan reeds voorheen gesproken is, 'er veele plaatsen had doen ledig liggen; echter nam hy bezit van alles, en schikte de zaaken op de best mogelyke wyze. De overige Jooden, die vastelyk beslooten hadden de Holland-

[p. 57]origineel

sche Regeering niet te verlaaten, ziende, dat de rampspoeden, in den laatsten oorlog door hen bezuurd, begonden op te houden, vervoegden zich tot den nieuwen Gouverneur, en verzochten van hem de bevestiging hunner voorrechten, met eenige nieuwe artikelen, tot hunne geruststelling dienende; welk alles hun ten vollen door hem werd toegestaan, zo als blykt uit de daarvan voorhanden zynde Akte, vertekend den 1 van Wynmaand 1669. Zie No. 5. der achter aan gevoegde Bewysstukken.

Hoewel de Kolonie, uit aanmerkinge van al het gezegde, reeds sedert den vrede, te Breda in 1667 geslooten, aan Holland had toebehoord, en de Heer Lichtenberg daar ook reeds in 1669, met de waardigheid van Gouverneur was bekleed; echter kan men de erkentenis van den vollen eigendom der Kolonie best afrekenen van het jaar 1674, waarin de vrede van West-Munster werd geslooten, na dat de Republiek in eenen tweeden oorlog met Engeland ingewikkeld was geweest: want by het 5 en 6 artikel van dat verdrag, hadden de Engelschen bedongen: ‘dat het den bewooneren van Suriname vry zou staan met hunne goederen en slaaven te vertrekken, waarheen zy het goed zouden vinden’. 't Welk ook nog plaats had in 1677, ten aanzien van die tien Joodsche huisgezinnen en hunne slaaven, te samen 322 persoonen uitmaakende, welke de Kolonie verlieten, na alvoorens hunne klagten by Engeland te hebben ingebragt, dat de Hollanders hun verbooden hadden van daar te trekken(n).

In deezen tusschentyd hadden de Vereenigde Provincien ook nog al eenige ontstaane moeielykheden met Zeeland te vereffenen, doordien deeze Provincie

[p. 58]origineel

eischen maakte, volgens welke althans het domaine utile (of 't voordeelig bezit) der Kolonie aan haar behoorde, hoewel de meeste schepen, tot de verovering van Suriname gebezigd, onder 't bevel van den Zeeuwschen Admiraal Abraham Crynssen, alleen op kosten van de Staaten Generaal waren uitgerust, en Zeeland, om zich aan geen ongelukkige twisten bloot te stellen, de Kolonie afstond aan de Staaten Generaal, onder eene aanmerkelyke voorwaarde, die, buiten allen twyffel, den Schryveren van het Werk over Essequebo en Demmcrary, tegen de West-Indische Maatschappy, opentlyk door hen bestreeden, is ontsnapt.

Uit het geene men by gedachte Schryvers verwardelyk ontmoet, schynt te blyken, dat deeze Maatschappy, ik weet niet op weiken grond, ook eischen op deeze Kolonie maakte, en naar 't uiterlyk aanzien ondersteund wierd door de Staaten Generaal. Zeeland, zich derhalven gedrongen ziende, om de Kolonie, ten jaare 1670, aan de Generaliteit af te staan, deed zulks onder voorwaarde: ‘dat deeze Kolonie nooit aan meer gemelde Maatschappy zou konnen worden afgestaan, eensdeels, om dat dezelve daar geenen eisch op hadde, en anderdeels, om dat dezelve niet in staat was, om de Kolonie te bewaaren en te beschermen, of de bewooners in 't bevorderen van hunne belangen te ondersteunen naar behooren’. En hoewel de Kolonie, uit hoofde van deeze schikkinge, het eigendom der Generaliteit wierd, stonden echter de Staaten Generaal het bestier daarvan af aan Zeeland, en na den dood of het vertrek van den Gouverneur Lichtenberg, stelde deeze Provincie, met goedkeuring van hunne Hoogmogenden, den Heer Johan Heinsius tot Gouverneur aan, in Herfstmaand van 1678.

Het schynt, dat, geduurende deeze verscheiden omwentelingen, de natuurlyke bewooners des lands, sedert eenige

[p. 59]origineel

jaaren zich als stille aanschouwers gedraagen hebben, zonder eenige de minste onrust aan de Blanken te veroorzaaken. Eindelyk evenwel ontwaakten zy uit hunne sluimeringe, zonder dat ons de beweegoorzaak daarvan zy gebleeken. Maar volgens 't geen wy, by overleveringe, van onze oudsten vernomen hebben, wilden zy niet dulden, dat hun land door eenige andere Natie geregeerd zoude worden, dan die 'er het eerst van allen, dat is de Engelsche, haar verblyf had gehouden; schoon zy in dien tyd eenige verwoestingen op deeze en geene kleine woonplaatsen hadden aangerecht. In gevolge hiervan begonden zy de wooningen te vernielen, en de Blanken, die 't ongeluk hadden van in hunne handen te vallen, om te brengen. De Kolonisten, in de onmogelykheid zynde, om deeze vyandlykheden te bedwingen, baden den Gouverneur Heinsius, zich tot hunne Hoogmogenden om den noodigen bystand te willen wenden, 't welk ten gevolge had, dat de Staaten van Zeeland daar door wierden overgehaald om 150 man krygsvolk, ter ondersteuninge van de Kolonie, derwaards te zenden, schoon deeze 'er van geen den minsten dienst waren. Dit bragt te wege, dat de bewooners, die 't hoogst aan de rivier gezeten, en ten grooten deele Jooden waren, zich genoodzaakt vonden, kleine Detachementen te maaken, om daar mede op de Indiaanen, die reeds zeer geducht wierden, los te gaan, 't welk in verscheiden omstandigheden van veel meer dienst was dan al het overige. In dien zelfden tyd, en na den dood van den Gouverneur Heinsius, die by voorraad werd opgevolgd door den Heer L. Verboom, deeden de voornaamste Kolonisten, zo Christenen als Jooden (onder de laatsten waren Nassy, Meza en Aboab) vertoogen aan het Hof van Policy, tegen het bestier der Kolonie, op den 6 van Bloeimaand 1680; begeerende dat alles mogt veranderd worden, wat tot hier toe was vastgesteld, en

[p. 60]origineel

niet strookte met de belangen der Kolonie; en hoewel de voornaame artikelen van dit vertoog wierden ingewilligd, bleef echter alles in denzelfden staat, uit hoofde der wanorders, welke 'er toen plaats hadden(o). 'Er viel in dien tyd, en in verscheiden jaaren daarna, in de Kolonie, niets voor, dat van eenige aangelegenheid voor dezelve was, en zo met derzelver bestier als de onderlinge betrekkinge der bewooneren eenig verband had, of de Jooden wierden daarover geraadpleegd, en hunne gevoelens hadden 't zelfde gewigt als die der Christenen. Onze Archiven zyn vervuld met smeekschriften en berichten over allerlei slag van zaaken; en schoon deeze dingen van luttel belang zyn, ten aanzien der byzondere Historie van Suriname, nogthans zyn zy in die der Jooden van merkelyke aangelegenheid: en zo men met oplettendheid overweegt, hoe het met de gebeurtenissen der Kolonie, met de inborst van haare eerste bewooneren, hunne bekwaamheid, en zelfs hunne rykdommen, gelegen ware, zal men bevinden, dat Suriname het geluk heeft gehad van gesticht, en vervolgens vergroot te worden, door zeer braave lieden, welke door de vervolgingen der Inquisitie, die van Cromwel, de herroeping van het Edikt van Nantes, en duizend andere omstandigheden, als by toeval, derwaards wierden heen gedreeven. 't Waren voorzeker geen verachtelyke landloopers, schooiers, noch uit de Engelsche gevangenissen gehaalde deugnieten, door welke deeze Kolonie, even als verscheiden andere van Amerika, het eerst wierd gesticht. Misschien zal men ons tegenwerpen, dat, ingevolge de vergunninge van hunne Hoogmogenden, by derzelver Resolutie van den go der Hooimaand 1684, aan die van Amsterdam verleend, verscheide-

[p. 61]origineel

nen van dat slag, uit Holland, derwaards zyn gezonden(p). Dan, daar deeze vergunning eerst in 1684 wierd verleend, zo blykt, dat de Kolonie toen reeds meer dan 30 jaaren lang in weezen was geweest, en dus waren het geen strasschuldige misdaadigen, noch dergelyk schuim van volk, waar door dezelve het eerst wierd gesticht. Laat 'er, by vervolg van tyd, uit Holland en van elders, eene groote menigte volks van soortgelyken stempel, zo Christenen als Jooden, in Suriname gekomen zyn, daaruit valt geen gevolg ten nadeele van onze stellinge te trekken; blyvende het niet te min zeker, dat men het aan bekwaame landbouwers, en het geld, dat zy derwaards medebragten, heeft dank te weeten, dat de Kolonie, in zo weinig jaaren tyds, zulke aanmerkelyke vorderingen heeft konnen maaken, welke alleen door de geschillen van eenige Europeesche Mogendheden zyn gestoord geworden. En om aan 't geene wy hebben gezegd des te grooter licht by te zetten, voornaamelyk ten aanzien van 't geen de Natie betreft, den invloed dien zy in de Kolonie had, en de achting, die zy door haare verdiensten verworven heeft, zal het niet kwalyk passen, dat wy ons wat omstandiger uitlaaten over de historie van Suriname, zo als dezelve met die van de Joodsche bewooners der Kolonie, in verscheiden opzigten, zeer naauw verbonden is.

Het oogmerk, welk men onbetwistbaar heeft, wanneer men eene Kolonie gaat stichten; de wensch der nieuwe Kolonisten, die zich vrywilliglyk naar de inzigten der Regeeringe schikken; en het doelwit, welk zich het Moederland by derzelver stichtinge voorstelt; zullen nooit gelukkig slaagen, wanneer men het ongeluk heeft, van zulks te onderneemen, in eenen tyd, waarop de oorlog alle de middelen daar-

[p. 62]origineel

van verslindt, en de hoop der nieuwe Kolonisten, om zo te spreeken, uit hunne harten wegrukt. De Engelschen, en na hen de Hollanders, hebben 'er beide de ysselyke gewrochten van ondervonden; maar ondertusschen zyn het alleen de Kolonisten, die de wonde ontvingen, waarvan de lyktekenen op den eersten stoot weder open springen; de gestadige opofferingen, die het Moederland gehouden is te doen, om in 't vervolg voordeel van zyne verschotten te trekken, zyn onbetwistbaar de eenige middelen, om de ongelukken te herstellen, die deszelfs onderdaanen zyn overgekomen: worden deeze middelen verzuimd, zo wordt het lichaam kwaadsappig; men leeft, en men ademt, maar men kwynt gestadig in eenen deerniswaardigen toestand van druk en kommer.

Het zy de oorlog, in welken de Staaten Generaal, in de naast voorgaande eeuw, waren ingewikkeld, hebbe te wege gebragt, dat het hun ongelegen kwame om de Kolonie onder hunne onmiddelyke heerschappy te neemen, ten einde derzelver rampen door kracht van weldaaden te herstellen, waarvan de vereenigde Provincien de gelukkige uitwerksels, by vervolg van tyd, ondervonden zouden hebben; het zy Zeeland van zynen kant het overwonnene niet wilde, of niet konde bewaaren; zeker is het, dat deeze Provincie, welke ook haare redenen geweest mogen zyn, niet tegenstaande de verklaaringe, die door haar in 1670, ten nadeele der West-Indische Maatschappy, by het afstaan der Kolonie aan de Staaten Generaal, gedaan werd, in 1679 aan de Staaten verklaarde, dat zy voorneemens was het bestier en haar domaine utile, (of 't voordeelig bezit) der Kolonie aan gemelde Maatschappy af te staan, mids dat dezelve daar voor aan haar betaalde de somme van tweehonderd zestig duizend guldens, onder voorwaarden, daarvan by Hart-

[p. 63]origineel

sinck te vinden(q): gelyk ook, dat, wanneer de Staaten Generaal, hunne toestemming tot deeze overeenkomste gegeeven hadden, de Maatschappy deezen koop sloot, den 6 van Zomermaand 1682, schoonze toen maar naauwlyks van den zwaaren last haarer schulden eenigzins verligt was, door de gemaakte schikkingen, dat zy dezelve, langzaamerhand, en by termynen, zoude afdoen(r). De Staaten Generaal, deezen afstand goedkeurende, verleenden aan de Eigenaars deezer Kolonie een Oktrooi, gedagtekend den 23 van Herfstmaand 1682, het welk men heeft aan te merken als de instellings wet van eene stichtinge, die gediend heeft, om althans eenigzins te herstellen de bressen, die de koophandel en scheepvaart der Hollanderen geleeden had,(s) en daarenboven de Kolonisten voor allerlei soort van kwellingen te beveiligen.

De West-Indische Maatschappy, voorziende hoe groote kosten zy tot bevordering en handhaaving der Kolonie, zelfs volgens den inhoud van haar Oktrooi, zou moeten maaken, besloot, in het daaraan volgende jaar, voor denzelfden prys, waarvoor zy dezelve van Zeeland gekocht had, één derde van haaren eigendom af te staan aan de Stad Amsterdam, en een ander derde aan den Heer Kornelis van Sommelsdyk, die te samen een verdrag van Maatschappy aangingen ten opzigte van de Kolonie van Suriname, bekend by den naam van geoktrooieerde Societeit van Suriname, welke in den jaare 1778 veranderd werd in dien van Direkteuren en Regenten der Kolonie.

De Staaten Generaal hebbende goedgekeurd, dat deeze overdragt aan de twee gemelde Mede-eigenaa-

[p. 64]origineel

ren tot stand kwame, waren echter de Zeeuwen zo bevreesd, dat Suriname onder het bestier of in de magt van eenigen Roomsch-Katholieken eigenaar zoude raaken, dat zy, in de Algemeene Staats-Vergadering, 'er hunne toestemming niet toe gaven dan onder dit uitdrukkelyk beding: ‘dat men niet het minste bestier of beheering, in gemelde Kolonie, zoude geeven aan iemand van deeze Provincien of in Suriname zelve gezeten, die belydenis van den Roomschen Godsdienst deed, en dat nooit iemand van dien Godsdienst deel in 't gemelde verdrag van Maatschappy zou konnen verkrygen, noch 't zelve behouden, indien hy 't reeds mogt bezitten. Resol. der Staaten Generaal van den 5 van Wynmaand 1686(t)’.

De Heer van Sommelsdyk vertrok derhalven, als Mede-eigenaar van Suriname, ingevolge het 6. artikel van het verdrag, dat de gezamentlyke eigenaars gemaakt hadden, op den 3 van Herfstmaand 1683, uit Holland, met 300 man krygsvolk, om zich naar Suriname te begeeven, en bezit te neemen van de waardigheid van Gouverneur Generaal: hy kwam 'er den 24 van Slagtmaand des zelfden jaars aan; zynde toen Kommandeur de Heer L. Verboom, die in 1680, op den Heer Heinsius, in het bestier was gevolgd.

Suriname bevond zich toen in een deerniswaardigen toestand; het bestier was zonder eenige order of regel hoe genaamd; de verwarring, die in de Regeeringe ontstaan was, door het vertoog, dat de Kolonisten, in 1680, na 't overlyden van den Gouverneur Heinsius, aan het Hof van Policy hadden ingediend, en waarvan boven gesproken is; als ook de verandering, die men voorneemens was te maaken, doch welke telkens

[p. 65]origineel

verydeld was geworden, verwekte zeer veel misnoegen onder de Kolonisten. De gestadige verliezen daarenboven, welke zy by den oorlog geleeden hadden; de menigte des volks, van daar naar Jamaika vertrokken, en de geduurige vyandlykheden, hun van den kant der Indiaanen aangedaan, bragten te wege, dat men de Kolonie beschouwde, als op een' duim breed na aan haaren ondergang te zyn. De Gouverneur Sommelsdyk stelde, ingevolge van dat alles, reeds met het begin van 1684, tot genoegen der inwooneren een' Raad van Policy en van Justitie aan; ook maakte hy wetten en verordeningen, die zeer geschikt waren om de Kolonie in bloei te brengen, zo anders haar ziekelyke toestand sterke geneesmiddelen had konnen verdraagen. Het karakter van den Heer Sommelsdyk daarenboven was zeer streng; hy wilde, om zo te spreeken, de Kolonie schielyk en als door een uitwerksel van betoveringe, de aanzienlykste en best bestierde van gansch Amerika maaken; hy bezat insgelyks een' vuurigen yver voor den Godsdienst, dien hy eerwaardig en zelfs ontzaglyk zocht te maaken in het oog der Kolonisten, die ten grooten deele juist geen Calvinisten waren; hy was de eerste, die ondernam de voorrechten der Natie van op Zondagen, op haare plantagien, vryelyk te mogen werken, tegen te staan, en ook de vryheid te bepaalen, welke zy, ten aanzien van huwelyksverbintenissen, volgens haare wetten, gebruiken en gewoonten, door leden van haare Natie aangegaan, by de aan haar verleende Privilegien, verkreegen had. Deeze trekken maakten de Jooden zeer moeielyk: want by 't verlies hunner voorrechten voegde zich het vooruitzigt van een nog doodelyker toekomende; te meer omdat zy in den Heer Gouverneur een' Mede-eigenaar zagen, en hem bygevolg aanmerkten als een onbepaald vermogen te bezitten. De uitspraak echter, welke de Maatschappy van Eige-

[p. 66]origineel

naars, den 10 van Wintermaand 1685, in Holland deed, over de Privilegien der Jooden in 't algemeen; en het antwoord dat dezelve, vervolgens, den 9 van Oogstmaand 1686, gaf, op het verbod van den Gouverneur wegens de Zondagen, waarby dezelve aan hem verklaarde, niet te konnen toestemmen in de herroepinge van deeze vryheid, in zo verre dezelve niet strekte tot ergernis en nadeel van den Godsdienst des lands(u), stelden de Jooden zo gerust, dat zy zich grootelyks geluk wenschten met de veranderinge van Gouverneur en Eigenaars der Kolonie in Holland. Ten gelukke der Natie werd het eene en 't andere, by vervolg van tyd, ook metderdaad onderhouden, zelfs zo, dat 'er, van den kant der Regeeringe, van dien tyd af tot hier toe, geen inbreuk op gemaakt zy: 't was ook dit geluk, 't welk hun van toen af den moed inblies, om hunne Synagoge, dieze in 1685 gebouwd hadden, in de Savanne, op eene hoogte, hun met 25 daarom heen gelegen akkers door S. Nassy, toegestaan, met gepaste versierselen te verryken; doch van dit gebouw zullen wy in 't vervolg nader spreeken; laat ons nu wederkeeren tot de zaaken der Kolonie in 't algemeen.

De norschheid, welke de Heer van Sommelsdyk, by elke tegenspraak van de zyde der Kolonisten, blyken liet, met zyn daarby komend streng en trotsch karakter, maakten, dat men hem aanzag voor een' man, die geenszins geschikt was, om gewenschte grondslagen te leggen van eene Kolonie, die wel bykans 30 jaaren oud was, maar echter, uit hoofde van haare veelvuldige tegenheden, aangemerkt moest worden, als nog in de wieg te liggen; waarom 'er ook zeer zwaare klagten tegen hem, in Holland, werden ingediend. Maar laat ons zaaken van luttel aanbelang voorbygaan, om den draad onzer historie te hervatten.

[p. 67]origineel

De Stad Paramaribo komt hier dus het eerst van allen in aanmerking: de naam is van een' Indischen oorsprong; doch daarover wordt zeer verschillende gedacht. Sommigen meenen dat de Stad dus zy genoemd met toespeelinge op den naam van den Heer Willoughby, die Willoughby of Parham heette, even of men had willen zeggen, Stad van Parham. Anderen onderstellen, dat men dezelve, alleen met opzigt op de rivier of kreek van Para, de naaste aan de Stad, en van de gansche Kolonie het eerst bewoond, dus genoemd hebbe. Weder anderen, nog vernustiger dan de voorgaande, houden staande, dat de naam is samengesteld uit twee Indische woorden, naamelyk Panari en bo, byzonderlyk toegepast op de plaats, waar de Europeaanen het verdrag met de natuurlyke bewooners des lands geslooten hebben; en dat om die reden de Indiaanen, aan dit Vlek (want 'er moet reeds een vlek, dorp of gehucht geweest zyn, voor de komste der Europeaanen) den naam van Panari-bo hebben gegeeven, die zo veel wil zeggen als plaats of burgt van Vrienden; doch dat die by vervolg van tyd, zo als het meer gaat, zou verbasterd zyn in dien van Paramaribo, waarvan het eerste woord Paramari, in de taal der Indiaanen, niets betekent, daar Panari zo veel zegt als vrienden, en bo zo veel als burgt of gehucht. In het eerst was dit vlek, dorp of gehucht van weinig belang, men had 'er alleen een klein fortje, waaraan in 't vervolg de naam van Zeeland werd gegeeven; de voornaame Stad lag 10 of 12 mylen ver van den mond der rivier Suriname, en droeg den naam van Paramburg, of, volgens de oude registers der Natie, Surinamsburg, welke daarna door de Zeelanders met dien van Nieuw Middelburg is verwisseld. De afgelegenheid van deeze Stad, en de hinderpaalen, met welke de schepen, uit Europa komende, te worstelen hadden, om tot de

[p. 68]origineel

Stad te naderen, bragten de bewooners in de noodzaakelykheid om eene Stad te bouwen in de nabyheid van hunne kleine fortres, 4 mylen van den mond der riviere. By de aankomste van den Heer van Sommelsdyk was dezelve evenwel nog niet anders dan een gehucht van 100 of 120 huizen, zonder eenige order hoe genaamd; en men heeft het aan zyne bezorginge te danken, dat men de Stad, genaamd Paramaribo, volgens een regelmaatig plan, heeft beginnen te bouwen. By vervolg van tyd is zy eene der schoonste Steden van geheel Amerika geworden: op zynen tyd hoopen wy 'er nader van te spreeken.

Na dat de Heer van Sommelsdyk zyne bevelen tot den noodigen arbeid aan de fortres gegeeven, en de andere takken van zyn bestier, zo veel mogelyk, in order gebragt had, vestigde hy zyne aandacht op de verwoestingen, die door de Indiaanen in de plantagien werden aangericht; doch bevindende, dat het hem aan genoegzaame magt ontbrak om hen met geweld te beteugelen, besloot hy naar middelen uit te zien om vrede met hun te maaken. En 't is de Joodsche Natie, die, volgens de overlevering, 'er roem op draagt, dat zy zeer veel ter bevorderinge van dien vrede heeft toegebragt; naardien de Heer Samuël Nassy, die deeze Indiaanen sedert den tyd der Engelschen, toen zy gemeenzaamer met de Blanken omgingen, gekend had, hen overhaalde om hunne kwaade inzigten en bedoelingen nopens de bewooners af te leggen. Ook was hy het, die door magt van geschenken, eene soort van voorloopigen vrede met hun sloot, die evenwel van geen gevolg zoude zyn, zo niet het hoofd der Kolonie eene dogter van het hoofd der Indiaanen ter vrouwe nam: want zonder dien band, zeiden zy konnen wy op de Blanken geen betrouwen stellen. Op het bericht hier van sloot de Heer van Sommelsdyk den vrede, daar men in het

[p. 69]origineel

algemeen zeer naar verlangde, en nam ook ingevolge van dien de bedoelde Indiaansche Prinses tot zyn bywyf, 't welk niet weinig toebragt tot onderhouding van den vrede. Ten tyde van den Heer Mauritius was deeze vrouw nog in leeven, had den ouderdom van meer dan 80 jaaren bereikt, en woonde by Mevrouwe du Voisin, weduwe van den Heer de Cheuses, in leeven Gouverneur van Suriname, welke behoorde tot het huis van Sommelsdyk, en door haar met den naam van dogter plag benoemd te worden.

Het Pakhuis der leevensmiddelen voor het krygsvolk was slegt voorzien; doch de arbeid zwaar en zonder genoegzaame tusschenpoozing, waar toe de soldaaten aan de werken der fortres gedrongen werden: hiervan was 't gevolg een opstand, die den Gouverneur het leeven kostte: want op zekeren dag, naamelyk den 19 van Hooimaand 1688, op de parade zynde, vervoegden de soldaaten zich tot hem, en deeden hem hunne vertoogen, met ernstig verzoek van toch hunnen arbeid te verligten, en de portie der leevensmiddelen, die aan hun werd toegedeeld, te vergrooten; doch in antwoord op dat verzoek, hief de Gouverneur, volgens zyne trotsche en driftige inborst, zynen zabel om hoog, wanneer eensklaps verscheiden snaphaanen op hem gelost werden, die hem dood ter aarde deeden nedervallen. De Kommandeur Verboom, schoon anders zeer bemind by het krygsvolk, werd daar door insgelyks zo zwaar gekwetst, dat hy den 28 dier maand, en dus negen dagen na den Gouverneur, aan zyne wonden overleed.

Hoe veel reden 'er ook zy om het al te straf karakter van den Heer van Sommelsdyk af te keuren, moet men evenwel erkennen, dat hy zulk een treurig einde niet verdiende; en zo de Kolonie het geluk had mogen hebben van hem eenige jaaren daarna tot haaren

[p. 70]origineel

Gouverneur te krygen, in plaats van in den tyd van wanorder en verwarringe, zy zoude ongetwyffeld de gelukkige uitwerksels van zyn bestier hebben ondervonden: want, hoe oploopend hy ook ware, hy was bezield met eenen blaakenden yver voor het geluk van haare bewooneren, en zyne bekwaamheid zoude hem hebben in staat gesteld, zowel om zyne begaane misslagen te verbeteren, als om de Kolonie in eenen bloeienden staat te brengen.

Na dit gepleegde wanbedryf maakten de muitelingen, ten getale van by de 200 man, zich meester van de fortres en alle de krygsbehoeften. De Kommandeur, zo gekwetst als hy was, deezen opstand willende stillen, en de nog doodelyker gevolgen daarvan voorkomen, liet zonder uitstel voorslagen van vrede doen, en bood den muitelingen een algemeen pardon aan, doch uit hoofde van hun wantrouwen zonder de minste vrucht. De voornaame bewooners der Kolonie en verscheiden Leden van den Raad bevonden zich, gelyk doorgaans, op hunne plantagien, aan de rivieren van Suriname en van Commowine; doch zy, die zich in de Stad bevonden, gaven terstond wyd en zyd kennis van deeze doodelyke gebeurtenisse, en wel voornaamelyk aan den Raadsheer Bagman en den Kapitein der Jooden, Samuël Nassy, ten einde een ieder van hun zich mogt haasten, om ter hulpe en verdediginge van het land te komen toeschieten. De ontsteltenis was toen algemeen, de burgers verzamelden zich in der haast, van alle kanten, en keurden eenpaariglyk af het aanbod van vrede, dat de Kommandeur den muitelingen had laaten doen. De eerste, die zich met zyne burgeren naar Paramaribo begaf, was de Kapitein Nassy, gevolgd door den Heer Bagman. Deezen verstaan hebbende, dat de muitelingen zich hadden meester gemaakt van een schip, dat op de rede lag, bemanden twee andere schepen,

[p. 71]origineel

genaamd Sara en Samuël, beide toebehoorende aan gemelden Heere Nassy; en door veele opofferingen te doen, en hunne leevens aan de grootste gevaaren bloot te stellen, bragten zy het zo verre, dat zy met den Raad niet slegts de noodige schikkingen, wegens den aanval, maakten, maar dien ook in zo goed eene order ter uitvoer bragten, dat de muitelingen genoodzaakt wierden de moordenaars aan het Gerecht over te geeven, onder beding van pardon, gelyk daarop door den Raad aan de overigen werd aangebooden. Vyftig evenwel van de hardnekkigsten, die zich van het schip hadden meester gemaakt, bleeven nog onverzettelyk; doch ziende, dat zy op het onvoorzienst, door de twee gemelde schepen, wierden aangetast, gaven zy zich over, en de schuldigen, tot elf toe, werden met den dood gestraft, den 3 van Oogstmaand, daar aan volgende, 6 dagen na het overlyden van den Kommandeur Verboom, en 15 dagen na dat van den ongelukkigen Heer van Sommelsdyk. Alhoewel Samuël Nassy in deeze omstandigheden, volgens een Portugeesch handschrift, dat op den zelfden tyd geschreeven is, en thans voor onze oogen ligt, verscheiden lofwaardige daaden heeft verricht; nogthans hebben de Historieschryvers van Suriname zich de moeite niet gegeeven om daarvan eenige melding te maaken. Maar gelyk de waarheid altyd eindigt met dwars door de duisternissen heen te breeken, alzo verhaalt ook de Heer Hartsinck,(x) spreekende van den oorlog met de Franschen van du Casse, voorgevallen in 1689: ‘dat de voornaame post van de fortres Zeelandia werd toebetrouwd aan den Kapitein Nassy met zyne 84 Joodsche burgers, uit hoofde van de getrouwheid en kloekmoedigheid van gemelden Kapitein, ten tyde van den moord van den Gouverneur Sommelsdyk betoond’, 't welk

[p. 72]origineel

zeer ter bevestiginge dient van 't geene wy, ten zynen opzigte, hebben voorgedraagen.

Op het ontvangen bericht wegens den treurigen uitgang van den Gouverneur van Sommelsdyk, werd door de Heeren Direkteuren en Eigenaars der Kolonie in Holland, het bestier daar van opgedraagen aan den Heer van Chatillon, zoon van den voorigen Gouverneur, daarna Vice-Admiraal van Holland geworden, en tot algemeene droefheid overleeden in 1740. Deeze van dien post af ziende, werd de Heer Jan van Scherpenhuizen tot Gouverneur aangesteld, juist toen de oorlog tusschen Frankryk en Holland was verklaard, en hy kwam in Suriname met eene versterking van Krygsvolk aan, den 8 van Lentemaand, 1689.

Weinig dagen na zyne aankomste schreef hy naar Europa; ‘dat hy de Kolonie in den jammerlyksten toestand had gevonden, en de fortres in 't byzonder zo slegt gesteld, dat dezelve, aangevallen wordende, niet in staat ware den minsten tegenstand te bieden; de Regeering zonder eenige order hoe genaamd; de Kerkelyken door twisten en vyandschappen verdeeld, en eindelyk, dat de Jooden eenen opstand hadden gemaakt tegen hunnen Kapitein Nassy, om dat deeze een onbepaald gezag over hen zocht te voeren, en hunne voorrechten en Godsdienstige plegtigheden te besnoeien(y)’. Wy konnen niet begrypen van waar Hartsinck dit alles hebbe gehaald, noch hoe de Heer Scherpenhuizen aan zyne Meesters in Europa zulk een verslag hebbe konnen geeven: want, wat de zaaken der Kolonie in het algemeen betreft; wy hebben alrede gezien, dat de Gouverneur van Sommelsdyk, schoon van een hard en onbuigzaam karakter, zeer goede orders in Suriname had ingevoerd, en de Wethouderschap tot genoegen van alle de bewooners hervormd. Daarenboven had hy aan

[p. 73]origineel

de fortres groote werken doen maaken, en dezelve in staat gesteld, om, zo als wy in 't vervolg hoopen te toonen, het vyandlyke Esquader van den Heer du Casse, de wyk te doen neemen, twee maanden na de aankomste van den Heer van Scherpenhuizen in Suriname. Wat aangaat het geene de Jooden betreft, alles wat hy ten hunnen opzigte zegt, wordt om verre geslooten, door 't geen wy dien aangaande in de Archiven der Natie vinden aangetekend. Wy erkennen, volgens de daarvan zynde overlevering, dat de Kapitein Nassy eenige maalen getracht heeft, de vooroordeelen der Natie van hunne kracht te berooven, voornaamelyk ten opzigte van het al te groot getal dier feestdagen, waaromtrent men geene voorschriften of bevelen vindt in de Heilige Bladeren. Maar nooit is 'er iets, dat gerucht maakte, voorgevallen, en een enkele brief van de Amsterdammer Rabbynen, geschreeven aan de Regenten, en waarvan het oorsprongklyke in onze Archiven nog tegenwoordig voorhanden is, waarin zy den Jooden hunne ondankbaarheid voor de weldaaden van den Heer Nassy verwyten, bragt het morren van dien tyd weder tot bedaaren; zo dat men hem, in vervolg van tyd, den lof geenszins weigerde, dien men hem verschuldigd was, voor zo veele en herhaalde geschenken als hy aan de Natie had beweezen. En inderdaad, hy was het, die in den jaare 1677, te midden van de verwoestingen des oorlogs, na aan de Kolonie de achterstallen betaald te hebben, die de Natie daaraan schuldig was, volgens de registers van Bloeimaand 1677, een huis van opvoedinge stichtte in de Savanne, hem toen ter tyd toebehoorende, zo als te zien is uit de Opdragt van een Werk over de vyf boeken van Mozes, geschreeven door den Leeraar Diaz van Amsterdam, en gedrukt ten jaare 1697. En wanneer hy in Lentemaand 1694, op zyn vertrek naar Holland stond, werd hem

[p. 74]origineel

de bezorging van de belangen der Natie, by onze Meesters in Holland, nogmaals aanbevolen. Zeker is het ook, dat de Heer van Scherpenhuizen zich heeft laaten voorstaan, dat zyn aanzien by zyne hooge Zenders te grooter zoude worden, indien hy de wanorders wat breed uitmat, die hy in 't begin zyner bestieringe daar had aangetroffen, doch in 't vervolg eenigzins te rechte bracht. En gelyk hy hoogmoedig van inborst was, alzo droeg hy der Natie groote verachting toe, en had eenen diepen afkeer van haaren Kapitein, gelyk in 't vervolg nader zal blyken.

De bevolking der Jooden, ten deezen tyde, beliep, voor zo veel uit de lyst der lastdraagende bewooners valt op te maaken, een getal van 92 huisgezinnen, zonder daar by te rekenen 10 of 12 van Hoogduitsche Jooden, die aldaar met de Portugeesche Jooden destyds vereenigd waren, uitgezonderd alleen den band des huwelyks; en een vyftigtal van ongehuwden, die tot de gemelde huisgezinnen niet behoorden; zo dat men, 5 persoonen voor ieder huisgezin rekenende, een geheel zou krygen van 560 of 575 persoonen van de Natie(z). Zy bezaten reeds 40 Suiker-plantagien, alle voorzien met molens, die door beesten gedreeven werden, en daarenboven meer dan 9000 zwarte

[p. 75]origineel

slaaven: want in Hooimaand van 1690, leverde de Natie, naar evenredigheid van de verdere bewooners der Kolonie, tot den arbeid aan de fortres, 50 slaaven, en in 1691, nog 86; geevende daarenboven, om niet, tot het opbouwen van een nieuw hospitaal of gasthuis 25905 ponden suiker; daarze midlerwyl reeds twaalf militairen en één' Adjudant aangenomen had op haare kosten te voeden en te geneezen.

Ten zelfden tyde, in Bloeimaand van 1689, twee maanden na de aankomste van den Gouverneur Scherpenhuizen, deed du Casse, bevelhebber van een Fransch Esquader, genoegzaam onvoorziens, eenen aanval op de Kolonie, met 9 schepen van oorlog, één bombardeer galioot, en verscheiden andere vaartuigen, op welke, behalven het krygsvolk, zich eene aanmerkelyke menigte vrywilligen bevond, die van Cayenne waren gekomen, op hoope van grooten buit te zullen behaalen.

De Heer van Chatillon, Zoon van den Heer van Sommelsdyk, bevond zich toen in Suriname; zynde aldaar gekomen, om de byzondere zaaken van wylen zynen Vader in order te brengen.

De Heer du Casse deed, door eenen Indiaan, eenen brief aan den Heer van Chatillon bezorgen, dien hy daarin Heer van Suriname noemde, en aan wien hy betuigde, zeer verblyd te zyn, dat een' zo welleevend man door hem in de Kolonie stond ontmoet te worden. Maar deeze Heer, die, niet tegenstaande zyne Jongkheid, reeds doorslaande proeven van zyne wysheid en wakkerheid in de zeevaart had gegeeven, was zo verre van zich door die Fransche komplimenten te laaten verschalken, dat hy terstond de Kolonie in staat van tegenweer stelde, en het geschut, op de best mogelyke wyze, in de fortres plaatste, met bykans 250 soldaaten en 231 burgers om dezelve te bewaaren; naamelyk

[p. 76]origineel

84 Joodsche burgers, onder het bevel van den Kapitein Nassy; 69 anderen onder den Kapitein Lucas Coudrie, en 78 onder den Kapitein Swart.

Het gestadig vuur uit het grof geschut, als ook dat van het krygsvolk en der burgery, tegen het vyandlyke Esquader, hetwelk, om de Bastions der fortres des te gemakkelyker onder voet te schieten, zeer na aan land was gekomen, was zo hevig, dat de vyanden, schoon zy boven de 2000 schooten uit het kanon op de fortres gedaan, en 'er 137 bomben in geworpen hadden, zodanig geteisterd en in wanorde gebragt wierden, dat zy de duisternisse van den nacht van woensdag, den 11 dier zelfde Bloeimaand, te baate namen, en met verhaastinge hun heil in de vlugt zochten; met een groot verlies van manschap, die zy alle, twee aan twee, met groote steenen om den hals gebonden, in de rivier wierpen, om hen te doen zinken; waarschynlyk om dus het getal hunner gesneuvelden voor de Kolonisten te verbergen; zynde behalven dat alles hunne schepen door het grof geschut zeer ontramponeerd.

In de algemeene Historie der Reizen vindt men D. XXI bl. 48, verhaald, dat men de meeste dier vrywilligen, welke met du Casse, op zyn Esquader, van Cayenne gekomen waren, heeft gevangen genomen; doch daarvan leest men niets by Harsinck; noch ook in 't omstandig verhaal van dit gevecht, waarvan een Spaansch handschrift in de Archiven der Natie voorkomt, en 't welk ondersteld wordt een soort van dagverhaal te zyn, dat door den Kapitein Nassy op de plaats en tyd zelve is opgesteld, en waarin men byzonderheden aantreft, die by Hartsinck te vergeefs gezocht worden. En zonder stil te staan op 't geene zo even is gemeld, is het onbetwistbaar zeker, dat de burgers, by deeze gelegenheid, geenerlei gevaaren ontzagen, en zowel den grootsten moed

[p. 77]origineel

als getrouwheid, tot behoud der Kolonie, betoonden. De Heer van Chatillon onderscheidde zich in dit gevecht door eene heldhastigheid boven zyne jaaren, zodanig ook, dat hy, alle gevaaren verachtende, zelf het grof geschut laadde en loste; doch met dat ongelukkig gevolg, dat hy, door eene al te schielyk los gegaane schoot, in zyn aangezigt en aan zyne handen wierd gekwetst, tot grievend hartseer van alle de bewooneren. Hy werd echter in weinig dagen van zyne wonden gelukkig geneezen; en de belegerden verlooren by deezen aanval geen' enkelen man, maar hadden alleenlyk vier gekwetsten, drie Christenen en eenen Jood, met naame Mesquita(a).

Het omstandig verhaal deezer gebeurtenisse bewyst ontegenzeglyk, dat de fortres niet in zo slegt een' staat van tegenweer was, en dat in Suriname, onder de Kolonisten in 't algemeen, ook niet eene soort van Regeeringloosheid heerschte, zo als de Heer van Scherpenhuizen zynen Meesteren gezocht heeft diets te maaken: want twee maanden na zyne aankomste in de Kolonie vond zich dezelve in staat om een Esquader van 9 oorlogschepen, één bombardeer-galioot en verscheiden andere vaartuigen, zo als wy boven verhaald hebben, te doen vlugten. Maar de begeerte om misslagen te vinden heeft niet zelden ingebeelde misslagen ter wereld gebragt.

Na deeze overwinning betoonde de Heer van Scherpenhuizen grooten yver voor het geluk der Kolonie; maar ongelukkiglyk bragten zyne hoogmoedige inborst en zyne met al te veel strengheid gegeeven orders te wege, dat zyne zorgen dikwyls minder nut dan berispelyk waren. Ondanks de krygsbedryven der Jooden, hunne getrouwheid en verknochtheid aan de

[p. 78]origineel

Kolonie, droeg de Heer Gouverneur hun eenen grooten afkeer toe, en wel voornaamelyk hun hoofd Nassy, wiens invloed en rykdom hem achterdocht verwekte. De minste beuzelaary, eene niets beduidende wanorder, ja een enkel niet, by de Jooden voorgevallen, was in staat om hem tegen de Natie te ontrusten, zo als blykt uit verscheiden brieven, met klagten vervuld, en door hem aan de Regenten gezonden, waar van de echte afschriften in de Archiven der Natie nog tegenwoordig voorhanden zyn.

Samuel Nassy, uit dit alles het lot voorspellende, dat de Jooden te wachten hadden onder het bestier van den Heer van Scherpenhuizen, en zich niet willende bloot stellen om zelf het slagtoffer zyner norsche geaartheid te worden, nam het manmoedig besluit om de Kolonie voor altoos te verlaaten, en zich te Amsterdam neder te zetten, om daar in ruste het genot van zyne goederen te hebben, die, ondanks alle de geleeden verliezen, nog onmeetelyk groot waren; en ingevolge van dit zyn besluit vertrok hy naar Europa in Lentemaand 1694.

Naauwelyks was Nassy uit de Kolonie vertrokken, of de Heer van Scherpenhuizen en het Hof van Policy, onkundig zynde van de voorgaande uitspraak der Heeren Eigenaaren der Kolonie, ten opzigte van de voorrechten der Natie, in 't byzonder wegens de Zondagen, gedaan in Wintermaand 1685, en in Oogstmaand 1686, vernieuwden op den 10 van Hooimaand 1694, hetzelfde verbod, en maakten nog daarenboven een ander, om aan de gemagtigden der Natie den tytel van Regenten te beneemen, dien zy van den beginne af, uit kracht van hunne voorrechten, hadden aangenomen. Hoe weinig deeze Gouverneur daarenboven wist van de genegenheid der Natie te winnen, zal ten duidelykste blyken uit het geene wy ons verpligt schatten hier te

[p. 79]origineel

melden, om dus alle beschuldiging van partydigheid te voorkomen.

In de Archiven der Natie wordt een brief gevonden van den gemelden Gouverneur, geschreeven aan de Regenten, en gedagtekend den 16 van Bloeimaand 1695; In dien brief verzoekt hy de Natie, edelmoediglyk te willen toebrengen tot de inzameling, waarmede men bezig was, om een nieuw Gasthuis te Paramaribo te stichten; doch in dien zelfden brief gaat de Gouverneur dus voort: ‘Ik heb het zeer vreemd gevonden, dat Gylieden U, op eene oppermagtige wyze, den tytel van Regenten der Natie hebt aangemaatigd, en in gevolge daarvan doe ik U weeten, dat ik hebbe goedgevonden U te verbieden dien tytel in het vervolg te voeren: want U komt geen andere toe dan die van Regenten der Synagoge; het besluit van het Hof daaromtrent zal U worden ter hand gesteld enz’. Is het niet zonderling, dat men op den zelfden tyd, waarop men om eene toelage als eene weldaad verzoekt, zich niet onthoude van verwytingen te doen over eene zaak, waar in geen kwaad ter wereld steekt? Ook had de Gouverneur eene andere bedoeling; hy verlangde dat hem van den kant der Jooden een verzoek zou worden afgeslagen, waarby de gansche Kolonie belang had; doch deezen, den strik, die hun van verre gespannen werd, verachtende, en maar alleen op hunnen pligt ziende, bragten edelmoediglyk tot de gemelde verzameling toe, naar maate van hunne vermogens, zo als reeds boven is aangeroerd.

De Jooden, wat meer is, ter neêr geslagen door het vertrek van den Heer Nassy, die hun in veele omstandigheden van zeer grooten dienst was geweest, zich nu aangetast ziende in hunne rechten, en de schade niet konnende draagen, die hun het verlies van een geheelen dag arbeids ieder week op hunne plantagien zou veroorzaaken, schreeven daar over aan den Heer Samuel

[p. 80]origineel

Nassy en aan den Baron van Belmonte, Palts Graaf, hunne afgevaardigden in Holland, hen verzoekende, dat zy hunne goede diensten by de Heeren Eigenaars der Kolonie, ter herstellinge van deeze hunne bezwaarnissen, wilden aanwenden. De Heer van Scherpenhuizen, hier van de lucht hebbende gekreegen, vergaderde het Hof, en zocht de Regenten in een lyfstraflyk pleitgeding te betrekken, om dat zy de stoutheid hadden gehad van zich by Samuel Nassy te beklaagen, over het bevel van den 10 van Hooimaand 1694, en over den persoon des Gouverneurs in 't byzonder; en volgens eenen brief van den 10 der Lentemaand 1696 werden de Regenten opgeëischt om in persoon te verschynen voor den Raad, en een afschrift mede te brengen van den brief, dien zy naar Holland geschreeven hadden, met de vertaalinge van dien, volgens de Registers der Natie, getekend den 25 van Grasmaand 1696.

De Jooden waren niet weinig onthutst over deeze zo wel onredelyke als oppermagtige beschuldiginge, dewyl dezelve strekte ter benadeelinge van die natuurlyke vryheid, welke de onderdaanen eener plaats, welke die ook zy, of van welk eenen staat zy ook mogen weezen, onbetwistbaar hebben, om hunne klagten te brengen onder het oog van den Souverein, ten einde zich te beveiligen voor het oppermagtig gezag van deszelfs aangestelde Onder-bevelhebbers. Zy zochten zich met aanneemelyke redenen van 't verschynen voor den Raad te verschoonen; verklaarende niet te min door eenen brief, dat zy den Heer Samuel Nassy verzocht hadden, voor de handhaaving van de voorrechten der Natie te willen zorgen; en dat, zo de Heer Nassy eenige klagten tegen den Gouverneur in het byzonder, wegens zyn bestier, had in gebragt, zulks geenszins hunne schuld gerekend konde worden. Voor dat eenige nieuwe orders van den Raad de Na-

[p. 81]origineel

tie op nieuw konden ontrusten, verwierven Nassy en Belmonte gelukkiglyk de herstelling van alle deeze verongelykingen, en in Zomermaand van 1696, deed de Raad, zonder eenig gewag te maaken van de orders, die met den nieuwen Gouverneur, Paulus van der Veen, uit Holland gekomen waren, eene verklaaring afkondigen, dat het verbod van den 10 van Bloeimaand 1694, niet was gemaakt om der Jooden wille, maar alleen men oogmerk om alle ergernis te voorkomen, die ten nadeele van den Godsdienst op Zondagen in de stad Paramaribo gegeeven werd enz. Men zie hier over No 9 van de Bewysstukken, en den oorsprongklyken brief van Samuel Nassy uit Amsterdam, van Wintermaand 1695, waarin hy den Regenten bericht geeft: ‘dat op verscheiden achter een volgende onderhandelingen, die hy in Holland had gehouden met den Heer Valkenier, voorzitter in den Raad van Heeren Eigenaren der Kolonie, in tegenwoordigheid van andere Leden, ten opzigte van de Natie en de Kolonie in het algemeen; de verongelykingen, den Jooden aangedaan, waren hersteld, en de Heer van Scherpenhuizen van zyn ampt verlaaten; zynde de Heer Paulus van der Veen benoemd tot zynen opvolger, in welken de Natie zoude vinden eenen anderen Lichtenberg, dat is een zachtmoedig, beminnelyk en liefdaadig man’.(b).

De Heer van Scherpenhuizen werd metderdaad in Holland te rug geroepen, om zich te zuiveren van verscheiden beschuldigingen, door de Kolonisten tegen hem ingebragt(c). Na door de Franschen krygsgevangen gemaakt te zyn, kwam hy in Holland aan in Wynmaand 1696, en de Heer Paulus van der

[p. 82]origineel

Veen volgde hem als Gouverneur op, den 14 van Bloeimaand 1696(d), en bleef met dat gewigtig ampt bekleed tot in Wynmaand 1706, wanneer hy, daarvan, ten zynen verzoeke, ontslagen zynde, tot opvolger kreeg den Heer Willem de Gooyer.

Suriname was, wat den landbouw betreft, tot eenen bloeienden staat gebragt, schoon men 'er nog van niets anders wist dan van het planten van Suikerriet, en eenige verzendinge van Letterhout: ‘De Hollandsche Natie, zegt zeker schryver, geschikt om moerassen te bebouwen, heeft den eigen aart van haar land in Suriname overgebragt’ en 't is alleen daar door, dat zy, met vermydinge van die buitenspoorige kosten en groote menigte handen, welke de Engelsche wyze van doen vereischte, op eenen vochtigen en drassigen grond eene Kolonie heeft weeten te stichten, die door haare hooge waarde wel verdiende, door alle de andere Kolonien van Amerika, met afgunstige oogen beschouwd te worden. Niet tegenstaande de vorderingen der Kolonie, ten deezen opzigte, en de vertroogen, door de Kolonisten, na den aanval van du Casse, gedaan, en zo by Hartsinck(e) als inde beschryving van Suriname(f) te vinden, werden echter de middelen te zeer verzuimd om dezelve tegen alle vyandlyke aanvallen te beveiligen; ook zodanig, dat de Kolonie, zeven jaaren na dien aanval, zich op nieuw vond bloot gesteld aan een' anderen van den Heer de Gennes, Admiraal eener aanzienlyke Fransche Vloot, en zich in 1696, in Cayenne bevindende; wien de Gouverneur, de Heer Feroli, op dien krygstogt moest verzellen met een gedeelte van het Garnifoen; maar vernomen hebbende, dat 'er in Suriname twee zwaare oorlogschepen van 70 stukken geschut

[p. 83]origineel

lagen, gereed om onder zeil te gaan, oordeelden zy de omstandigheid niet geschikt tot de uitvoering van deeze hunne onderneeminge.

De oorlog was niet zo dra met Frankryk op nieuw ontbrand, of deeze Mogendheid, die door de nabyheid van Cayenne beter wist dan eenige andere, van hoe veel aangelegenheid, in 't stuk van Landbouw, Suriname ware, en hoe weinig magts men daar hadde, om eenigen vyandlyken aanval het hoofd te bieden, gaf vryheid aan Jacques Cassart, Bevelhebber van een Esquader, om zich derwaards te begeeven. Hy deed het ook metderdaad in Zomermaand van 1712, doch zonder eenen gewenschten uitslag; maar vier maanden laater zynde te rug gekomen met eene vloot van 8 Oorlogschepen, 7 Barken en 30 platbodemde vaartuigen, bemand met 3000 koppen, gelukte het hem, na een' manmoedigen tegenstand van den kant der burgeren, de Kolonie onder eene brandschattinge te stellen, die in slaaven, in suiker enz. eene fomme bedroeg van 622, 800 guld. Hollands, welke volgens de berekening, die daarvan door den Raad van Policy naderhand is opgemaakt, bykans 10 ten honderd beliep van de kapitaalen, toebehoorende an de meest gegoede bewooners(g). De manmoedige poogingen, welke de bewooners, by deeze gelegenheid, ter verdediginge des lands, betoonden, en waarby de Jooden, onder het bevel van hunnen Kapitein Izaak Pinto, niet weinig uitblonken, vindt men omstandiglyk beschreeven in het werk van Hartsinck,(h), waarin behalven dat gezegd wordt: ‘dat zy door den Raad verpligt wierden de Fortres te bewaaren, die des tyds van bezettinge ontbloot was,

[p. 84]origineel

doordien de Christen Burgers volstrektelyk weigerden zich daar heen te begeeven’.

Volgens 't geene de overleveringen en Archiven melden, had de Natie geen reden om zich zeer te beklaagen over de Franschen, toen die zich meester maakten van de Kolonie: want zelfs voor dat de roerende goederen, in de Akte van rantsoeneering uitgedrukt, aan de eigenaars waren overgeleverd, deed de Heer Cassart aan de Jooden te rug geeven, alles wat de soldaaten uit de Synagoge in de Savanne hadden weggenomen, en onder anderen de zilveren kroonen, waarmede de rollen der Wet versierd zyn, met uitdrukkelyk bevel van de Synagoge en de plegtigheden, die men daar in verrichtte, te ontzien.

Deeze oorlog, die in Suriname voor 't begin van een nieuw tydvak te houden is, mag met reden worden aangemerkt, als den loop van haaren voorspoed tegen gehouden te hebben: want behalven de onnoemelyke kosten, die de Kolonisten moesten doen in eenen tyd, waarin hunne op elkanderen gevolgde verliezen nog niet waren hersteld; behalven de brandschattingen aan den Heer Cassart; behalven de wanorder op de plantagien, en de gestadige verontrustingen, geduurende het verblyf van den vyand, van Wynmaand tot in Wintermaand; hadden zy nog het ongeluk van te moeten zien, dat 'er eene oproerige stoutheid heerschte onder hunne slaaven, die niet eindigde dan met de vlugt eener groote menigte, die vervolgens, diep in de bosschen, eene soort van volkplantingen stichtten; terwylze den indruk van oproerigheid achter lieten in de harten der geenen, die voor het uiterlyke hunnen meesteren waren getrouw gebleeven. Hoewel deeze slag de Kolonie niet ten eenmaal vernielde, echter werd zy daar door in een' zeer treurigen staat gesteld. Tot overmaat van onheilen verzwaarden

[p. 85]origineel

ook de Kolonisten het juk hunner slaaven; geloovende, dat alleen de vreeze en de voorbeelden van strenge strafoeffeningen de bekwaamste middelen zouden zyn, om hen hunne natuurlyke geneigdheid, ter verkryginge van hunne vryheid, af te leeren; waarom zy dan ook metderdaad maar alleen naar middelen uitzagen, om hunne slaaverny des te harder en onverdraaglyker te maaken. Deeze verkeerde wyze van redeneeren, deeze glimpige staatkunde, welke deed gelooven, dat het minste teken van zachtmoedigheid jegens de Zwarten, vreeze of zwakheid van de zyde der Blanken onderstelde, had eene geheel tegenstrydige uitwerking, zelfs zodanig, dat de bosschen daardoor vervuld wierden met Marrons, die 'er hunne vryplaats in gereedheid vonden by de geenen, die hen waren voorgegaan. Een iegelyk brenge zich den voorleeden tyd der Kolonie te binnen, en vergelyke daarmeê den tegenwoordigen, inzonderheid ten aanzien van het stuk der slaaverny; zo zal men bevinden, dat niet dan na den oorlog van Cassart, de vlugt der slaaven en de dwingelandy der meesteren zo menigvuldig en hard zy geworden: en schoon wy het ongeluk hebben van nog tegenwoordig de uitwerksels van de schelmery onzer slaaven te gevoelen; evenwel hebben wy, in het algemeen gesproken, sedert verscheiden jaaren, ons geene dwinglandy over hen te verwyten; wat ook, dien aangaande, eenige staatkundige tydschryvers met eene lasterzieke pen staande houden.

Het is derhalven zeer ongelukkig, dat zy, die de voorwerpen van gestadige verwytingen zyn, en met anderen in dezelfde onheilen deelen, waarvan de gevolgen overal dezelfde zyn, nog daarenboven, even als de Jooden van Suriname, ter kwaader trouwe, beschuldigd werden wegens het wegloopen der slaaven ten tyde van Cassart; gelyk de Heer Hartsinck hun heeft te laste gelegd, zeggende: ‘dat die geenen,

[p. 86]origineel

welke, sedert den tyd der Engelschen, het getal der Marrons hebben vergroot, ten grooten deele behoorden tot de Jooden(i)’. Wy zouden dit verwyt met stilzwygen zyn voorbygegaan, indien wy niet nog tegenwoordig veele persoonen van aanzien dit zelfde gevoelen hoorden staande houden met eene styfzinnigheid, waarvan ieder eerlyk hart eenen afkeer behoort te hebben; te meer daar zy, om de maat der ongelukken tot overloopens toe vol te meeten, 'er by voegen de schendnaamen van dwingelanden en beulen hunner slaaven. Dan, op dat wy den draad onzer historie niet afbreeken, zullen wy de ontwikkeling van dit artikel hier met stilzwygen voorbygaan, om hetzelve op zyne juiste plaats te melden; hier maar alleen aanmerkende, dat 'er toen, naamelyk na het vertrek der Engelschen, niets van eenige aangelegenheid voorviel, of de Regenten der Natie kreegen 'er kennis van, wierd door hen afgedaan, en is naauwkeuriglyk door hen aangetekend: en wanneer over eenigen opstand op de eene of andere Joodsche plantagie, of over eenig ander geval, tot de hooge Regeering behoorende, wierd gehandeld, zond de Raad zulks altoos aan de Regenten te rugge, ten einde die de zaak mogten beslissen; 'er in de brieven daarvan deeze woorden by. voegende: ‘doet uwen pligt, om de Natie voor kosten te bewaaren; anderszins zou zy aan den Fiskaal moeten betaalen het geene hem van rechtswege voor het neemen van informatien toekomt enz’.(k). O tyden, ô zeden! Uit dit alles blykt, dat wy althans eenigzins moesten deelen in de kundigheden des geenen, die den Heere Hartsinck de berichten heeft bezorgd, die hy noodig had tot het samenstellen zyner historie, en die misschien ook aanleiding heeft ge-

[p. 87]origineel

geeven tot dat vinnig geschrift, hetwelk, door de Heeren van Essequebo en Demmerary, der Vierschaar van Tienen in Holland is aangebooden in 1775 of 1776, en te Amsterdam gedrukt in 1785(l). Wy weeten zelfs niet waar het van daan kome, dat de blindheid deezer Heeren ook niet aan den invloed der Jooden dien opstand heeft toegeschreeven, welke 1763 in de Berbice is voorgevallen.

Niet tegenstaande wy ons, by 't opstellen van dit Werk, den pligt hebben opgelegd, om geene aanmerkingen te maaken over den staatkundigen toestand der Kolonie, konnen wy echter, in de tegenwoordige gesteldheid van zaaken, niet voorby van met bescheidenheid voor te draagen, hoe wy over de zedelyke en staatkundige oorzaaken denken, welke zeer veel tot de voorige rampspoeden hebben toegebragt; te meer, wyl de gelukkige veranderingen, die daar, ondanks onze belastingen en het geschreeuw van eenige heethoofden, in 't vervolg gemaakt zyn, dat voordeel hebben te wege gebracht, 't welk wy altoos van de wysheid onzer Heeren verwachtende waren. Wy zullen derhalven het tydstip van den vyandlyken inval van Cassart houden voor de geschiktste plaats, om onze aanmerkingen nopens den staat der Kolonie, sedert haare eerste oprichtinge tot daar aan toe, dat is van 1650 tot 1713, voor te draagen.

Wy hebben gezien, dat de Kolonie, niet tegenstaande haare zwakke beginselen, geduurende 10 of 12 jaaren, na het Charter van Karel den II, aan Willoughby en Hyde gegeeven, zodanig heeft toegenomen, dat deeze twee Eigenaars daar uit de streelendste hoope mogten scheppen, dat het hun, daarze toe in staat waren, gelukken zoude, dezelve tot de bloeiendste van geheel Zuid-Amerika te maaken, zonder zelfs de Portugeesche en

[p. 88]origineel

Spaansche Kolonien uit te zonderen, 't Geen 'er is voorgevallen na dat de Engelschen de Kolonie op de Zeeuwen hernomen hadden; de groote menigte des Volks van daar naar elders vertrokken; de plondering, aldaar door Willoughby en zynen zoon aangericht, en de buit, dien de Zeeuwen in 1667, op de bewooners maakten; zyn zo veele bewyzen van den spoedigen voortgang der Kolonie in 12 of 15 jaaren tyds.

Men brenge zich te binnen, in welken staat Holland zich bevond ten tyde der veroveringe van Suriname; de bres, die deszelfs Koophandel moest lyden, by het verlies van die 350 schepen, welke door de Franschen op hen veroverd werden; de ontzaglyke verbintenis tusschen Frankryk en Engeland om den Koophandel der Republiek te krenken, en de oorlogen, die dezelve sedert 1660 tot 1721 verpligt is geweest te voeren tegen bykans alle Mogendheden van Europa; eene tydsgesteldheid die voorzeker nergens na gunstig was tot het oprichten van nieuwe Kolonien.

Zeeland daarenboven had wel Suriname op de Engelschen veroverd; maar was niet in staat om de Kolonie in bloei te brengen; ook bragten de belangen van deeze provincie niet mede zulke ver afgelegen stichtingen te bezitten, alwaar derzelver onderdaanen, zelfs volgens de natuur van het verbond van vereeniginge tusschen de zeven Provincien, geen' uitsluitenden handel konden dryven. Zo evenwel, ondanks dit alles, de Republiek, dit wyd uitgestrekt gewest, in plaats van 't zelve toe te staan aan de West-Indische Maatschappy, had aangenomen tot eene der tot het verbond van vereeniginge behoorende Provincien; of zo, in plaats van hetzelve aftestaan aan de Maatschappy der drie Mede-eigenaaren, welke toen werd opgericht, de stad Amsterdam, die ryk en magtig is door haaren uitge-

[p. 89]origineel

breiden handel, hetzelve in eigendom had gekreegen, misschien zou de Kolonie bevryd zyn gebleeven van die onheilen, welke zy in het vervolg heeft moeten bezuuren Wat bezetting toch had zy ter haarer verdediginge, sedert de overwinning der Zeeuwen, tot aan den inval van Cassart, om den Indiaanen het hoofd te bieden? Op vertoog der Kolonisten zond Zeeland, in 1679, derwaards 150 man krygsvolk. De Heer van Sommelsdyk bragt nog 350 man mede; doch waar van naderhand de meesten, uit hoofde van den moord, gepleegd aan den Heer van Sommelsdyk, veroordeeld werden om de Kolonie te verlaaten; en eindelyk bragt de Heer van Scherpenhuizen ook nog eene kleine versterking mede; en zo wy den schryver van Hollands Rykdom mogen gelooven, bevonden de Heeren Eigenaaren zich, reeds in 1688, in de onmogelykheid om de bezetting, die men toen in de Kolonie had, van den noodigen voorraad te voorzien(m).

Wanneer men deeze ongelukken en de vereeniging van zo veele onheilen gadeslaat, moet men verwonderd staan te zien, dat de Kolonie zich nog uit haaren val heeft konnen opbeuren, nieuwe plantagien aanleggen, de hoofdsom van haar inkomen vermeerderen, en in minder dan 20 jaaren tyds ryker en vermogender worden dan zy ooit geweest was. En zo men verder in aanmerking neemt, dat deeze zelfde Kolonie, na in nieuwe onheilen gestort te zyn, die door minder samengestelde oorzaaken werden te wege gebragt dan wel de naastvoorgaande rampspoeden, zich niet weder heeft konnen opbeuren, noch haaren voorigen bloeistand herkrygen, zal de reden van verwonderinge geenszins afneemen, schoon zy, door den gunstigen prys haarer voortbrengzelen, thans eenigzins adem begint te scheppen.

[p. 90]origineel

Midlerwyl schynt het ons toe, dat wy de oorzaak daarvan hebben ontdekt; en deeze oorzaak is geen andere dan de weelde, toen onbekend, doch in vervolg van tyd omhelsd: want vooreerst wist men, in 't algemeen gesproken, niet, wat geld op rente genomen te zeggen ware: ten tweeden had men eenen af keer van het overtollige, en men leefde, in 't midden van den overvloed, van het noodzaakelyke. Men wist 'er van geene ongelukkige onderscheidinge onder de burgers, noch van die ydele en trotsche pracht, welke door eene verderflyke weelde op de plantagien is ingevoerd, en waarvan de gevolgen vooral zeer nadeelig zyn bevonden, na dat men het geld uit Holland op rente had genomen. In 't vervolg zullen wy van dit alles omstandiger spreeken, en de rechtmaatigheid onzer denkbeelden trachten aan te toonen; laat ons intusschen onze Historie vervolgen.

De bewooners van Suriname, weinig tyds voor den inval van Cassart, ziende, hoe luttel hunne vertoogen aan den Raad hadden uitgewerkt, vervoegden zich tot hunne Hoog Mogenden, den 17 van Herfstmaand 1712, en bragten daarby hunne klagten in tegen de Heeren Eigenaaren en tegen den Raad Van Policy, zo ten opzigte der belastingen, strydigmet het Oktrooi, als ten opzigte van den slegten staat, waar in zich de versterkingen toenmaals bevonden(n). En den 12 van Wynmaand deszelfden jaars, ten tyde der aankomste van Cassart, deeden de Burger-Hoplieden eene aantuiging tegen alle de nadeelen, die de Kolonisten geleeden hadden, ter oorzaake van hunne onachtzaamheid, en weigerden in gevolge daarvan de fortres te bewaaren, welke, op hunne weigering, werd bezet door de Jooden, gelyk reeds door ons is opgemerkt. De Raad van Policy, op zyne beurt, klaagde over de Kolonisten, die hard-

[p. 91]origineel

nekkiglyk weigerden toe te leggen tot den arbeid der noodzaakelyke verschanssingen. De Staaten, de Heeren Eigenaars gehoord hebbende, gebooden de bewooners hun aandeel op te brengen, en de bevelen van den Raad te gehoorzaamen(o). Het volgende jaar leverde nieuwe klagten op. De Planters eischten schaêvergoeding van alles wat zy hadden opgebragt tot rantsoeneering aan Cassart, vermids deeze zich van de versterkingen, die volgens 't Oktrooi voor rekening van de Heeren Eigenaaren kwamen, alleen had meester gemaakt, omdat dezelve zich in zo slegt eenen staat bevonden(p).

Op deeze nieuwe klagten verweezen de Staaten nogmaals, op den 28 van Hooimaand 1713, de Kolonisten in de kosten van Cassart, en gaven bevel aan den Raad, hun nieuwe, doch maatige belastingen op te leggen, om in de behoeften der Kolonie te konnen voorzien.

In deezen tusschentyd en te midden van alle deeze krakkeelen en onlusten, geloofden de Jooden, wien de strengheid van den Gouverneur Scherpenhuizen bekommerd maakte, dat de voorige vervolgingen zouden wederkeeren, en dat, in weerwil van de recht vaderlyke bescherming van de Heeren der Kolonie, onafgebroken door hen genooten, het monster van afgunst en vooroordeelen nog leefde, even als de veelhoofdige slang in de fabel, die telkens nieuwe hoofden kreeg, wanneer haar een wierd afgekapt. Zy namen derhalven het besluit, de keuren van den Raad gehoorzaam op te volgen, en zich ten sterkste aan deeze Heeren, als hunnen eenigen steun, te verbinden; en op het bericht van den Raad, in Bloeimaand 1713 aan de Regenten medegedeeld, wegens een plan der versterkin-

[p. 92]origineel

gen (waarvan de oorsprongklyke brief onder de Archiven der Natie nog voorhanden is) bragten zy, na hun gevoelen geuit te hebben, aanstonds met veel gereedheid op he