Wit over zwart


auteur: Jan Nederveen Pieterse


bron: Jan Nederveen Pieterse, Wit over zwart. Beelden van Afrika en zwarten in de westerse populaire cultuur. Koninklijk Instituut voor de Tropen, Amsterdam /Stichting Cosmic Illusion Productions, Amsterdam / NOVIB, Den Haag 1990.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 172]

12 Libido in kleur

It has been suggested that ‘sex’ is at the root of many problems in the racial field.
John Dollard, 1937
The ‘white man's burden’ thus becomes his sexuality and its control, and it is this which is transferred into the need to control the sexuality of the Other, the Other as sexualized female. The colonial mentality which sees ‘natives’ as needing control is easily transferred to ‘woman’ - but woman as exemplified by the caste of the prostitute.
Sander Gilman, 1986

Westerse houdingen tegenover het niet-Westen, zo wordt vaak betoogd, zijn fundamenteel ambivalent. De gevoeligste zone is mogelijk de ambivalentie jegens seksualiteit. Enerzijds wordt het niet-Westen geïdealiseerd en geërotiseerd - het warme Zuiden, de sensuele Oriënt, het ‘paradijs op aarde’ - anderzijds wordt het afgewezen, veroordeeld en gevreesd. Deze houdingen spelen een centrale rol in de amor et timor, de liefde en vrees die kenmerkend is voor verhoudingen over culturele grenzen heen. De tegenstrijdige houding vis à vis het niet-Westen lijkt zich toe te spitsen op de seksualiteit en dit weerspiegelt op zijn beurt een tweeslachtige houding jegens de eigen seksualiteit. Enerzijds is er sprake van een seksualisering van de Ander, van het niet-Westen, anderzijds wordt de Ander tot een seksueel taboe verklaard. De uitbundige, ongebreidelde seksualiteit die Europeanen of westerlingen aan ‘primitieven’ toeschrijven is tevens de reden waarom het primitieve wordt afgewezen, veroordeeld en zelfs wordt gevreesd, zoals blijkt uit de beeldspraak van J.J. Bachofen, die dit het ‘moeras’ noemde. In dat spanningsveld van aantrekking en afstoting wordt de ambivalentie jegens de eigen seksualiteit als het ware beleefd via en geprojecteerd op de buitenwereld. Die buitenwereld wordt primitiever en losbandiger naarmate de vrees voor de eigen seksualiteit groter is. Vervolgens kan er een verband tot stand komen tussen de onderdrukking van de eigen seksualiteit en de onderdrukking van de Ander.

Al in het oude Europa geloofde men dat zuiderlingen wellustiger waren dan noorderlingen. Uit de twaalfde eeuw dateert deze beschrijving van de joodse reiziger Benjamin van Tudela: ‘At Seba on the river Pishon... is a people...who, like animals, eat of the herbs that grow on the banks of the Nile and in the fields. They go about naked and have not the intelligence of ordinary men. They cohabit with their sisters and anyone they can find... And these are the Black slaves, the sons of Ham.1

William Waterman zei in The Fardle of Fashions (1550) over de afterdinner gewoonten van de Ichthyophagi in ‘Affrike’: ‘They eat as I have said in the wild field together abroad, rejoicing with a semblance of merriness and a manner of singing full untuned. That done they fall upon their women, even as they come to hand without any choice: utterly void of care, by reason they are always sure of meat in good plenty.2’ Leo Africanus karakteriseerde in de zestiende eeuw de moraal van Westafrikanen aldus: ‘They have among them great swarmes of Harlots; whereupon a man may easily conjecture their manner of living.’

Onbeheerste seksualiteit ging al vroeg deel uitmaken van het signalement van wildheid. In Shakespeares Othello komen verschillende toespelingen voor op stereotypen van zwarte seksualiteit. Rodrigo spreekt bijvoorbeeld over Desdemona in De grove omarming van een wellustige Moor

[p. 173]

en de vader van Desdemona heeft het over het paren van een zwarte ram en een witte ooi. Maar er was slechts een handvol zwarten in Elizabeths Engeland, zodat rassenvermenging nauwelijks een sociaal probleem kon zijn. Shakespeare zou, zo is wel betoogd, toespelingen maken op: ‘een tegenstelling tussen de relatief open en aardse seksualiteit, die traditioneel geassocieerd werd met het landelijke Engeland, en de conventies van respectabiliteit en beperking die opgang deden onder de stedelijke middenklasse. Zoals in andere tijden en op andere plaatsen zou gebeuren, konden ook hier zwarten gebruikt worden om spanningen of angsten te symboliseren aan de schepping waarvan ze weinig of geen deel hadden gehad.’3 Externe figuren uit andere culturen werden gebruikt om interne spanningen te symboliseren.

In de loop der tijd werd dit op verschillende manieren toegepast en het bereikte een waar crescendo in de tweede helft van de negentiende eeuw, het victoriaanse tijdperk: een hoogtepunt zowel wat betreft de Europese onderdrukking van de seksualiteit als wat betreft het racisme jegens het niet-Westen. Dominique Mannoni wees op de neiging van Europeanen om ‘op koloniale volken de duisternissen van hun eigen onbewuste te projecteren - duisternissen die ze liever niet zouden doordringen.’4 In Europese koloniale romans en avonturenverhalen wordt Afrika voorgesteld als een onbedorven paradijs of als een duister labyrint. Of ook is Afrika een verleidelijke, destructieve vrouw, met de Europeanen als de bestrijders van duistere, kwade krachten. Of het beeld van Afrika nu goedaardig of denigrerend is, het blijft gebonden aan bepaalde conventies. Hammond en Jablow concludeerden: ‘Het beeld van Afrika blijft de negatieve weerspiegeling, de schaduw, van het Britse zelfbeeld.’5

Wat anders is de victoriaanse mythe van het donkere Afrika dan een symbool van het eigen donkere onbewuste, geprojecteerd op een continent? Is de terminologie van de ‘ontdekkingsreizigers’ die het binnenste van donker Afrika penetreren geen synoniem voor Europese expansie die, onbewust, als seksuele penetratie wordt gepresenteerd? Koloniale misbruiken worden van tijd tot tijd beschreven als verkrachting - the rape of a continent, the rape of Bengal, the rape of the Congo. Maar ook omgekeerd wordt de beeldspraak van het donkere continent en de ontdekkingsreis gebezigd in de terminologie van de psychoanalyse:

 

Thus when Freud, in his Essay on Lay Analysis (1926), discusses the ignorance of contemporary psychology concerning adult female sexuality, he refers to this lack of knowledge as the ‘dark continent’ of psychology. In using this phrase in English, Freud ties the image of female sexuality to the image of the colonial black and to the perceived relationship between the female's ascribed sexuality and the Other's exotism and pathology... Freud continues a discourse which relates the images of male discovery to the images of the female as the object of discovery.6

 

Er is een parallellie tussen de evolutionistische antropologie uit het victoriaanse tijdperk volgens welke de ‘primitieve volken’ als ‘onze eigentijdse voorouders’ worden gezien en de psychoanalyse, waarin het onbewuste wordt geïdentificeerd met zowel het oudere als het kinderlijke, en in de visie van C.G. Jung, met het collectieve en ongeïndividualiseerde. Zo schrijft Jung: ‘He (the black) reminds us - or not so much our conscious

[p. 174]

as our unconscious mind - not only of childhood but of our prehistory, which would take us back not more than twelve hundred years so far as the Germanic races are concerned.’7

Kindertijd of prehistorie. Dit is een telkens terugkerende aarzeling in het Europese relaas over Afrika. Europeanen zien Afrika als het oorspronkelijke, ongeschonden land, onbedorven als een kind, óf als het land van regressie, van terugval in de evolutie, van stagnatie (onze ‘eigentijdse voorouders’, ‘zonder geschiedenis’).

Uit de verschillende manieren waarop dit complexe geheel van houdingen tot uiting kwam, ontstond in de loop der tijd een steeds groter verschil tussen Amerika en Europa. In Europa was er geen zwarte aanwezigheid van betekenis (wel een Europees Afrika complex en de vrees van Europeanen in Afrika voor going black), de Amerikaanse verhoudingen daarentegen hebben altijd geheel in het teken van de relatie met de zwarte minderheid gestaan.

Amerika: libido en lynching

Black bodies swinging in the Southern breeze; strange fruit, hanging from the poplar trees.
Billie Holiday, Strange Fruit, 1941

Een belangrijke reden voor de institutionalisering van de slavernij in Amerika en West-Indië was volgens verschillende auteurs de regulering van seksuele verhoudingen. Slavernij nam in Noord-Amerika voor het eerst een juridische vorm aan in Virginia in 1661 en Maryland in 1663. In Maryland was dit in 1661 voorafgegaan door een statuut dat specifiek gericht was op blanke vrouwen die voorkeur aan de dag legden voor zwarte mannen: de blanke vrouw die een zwarte slaaf trouwde moest als straf de meester van de slaaf dienen zolang haar echtgenoot leefde. Alle kinderen uit zulke verbintenissen kregen de status van slaaf. Wettelijke restricties op interraciale verbintenissen kwamen tussen 1691 en 1725 in verschillende staten tot stand.8

 

Many white men viewed the black male, slave or free, as a serious threat to their own sexual prerogatives. Many white women not only believed themselves disgraced by the brazen affairs conducted by their husbands with black women but that their own social position and authority over the household were jeopardized by the extra-marital affairs of their husbands. Hence, both white men and women were convinced of the necessity to impose serious legal restraints to control, if not prevent, cohabitation across the color line.9

 

De black code of code noir die de sociale status van zwarten in Amerika en West-Indië omschreef als zwart-is-gelijk-slaaf was derhalve ook een code ter regulering van seksueel gedrag. De eerder genoemde ambivalentie van seksualisering en tot seksueel taboe verklaren van de Ander, was hier specifiek gericht op het beheersen van de seksualiteit van de zwarte man. De zwarte man werd taboe verklaard, niet de zwarte vrouw. Immers, de mulatten die geboren waren uit zwarte vrouwen en bij de moeder bleven, waren niet zo bedreigend en ondermijnend voor de status quo als mulatten die geboren waren uit blanke vrouwen. Deze vrouwen konden hun kinderen onderwijs en opvoeding geven en hen daarmee toegang verschaffen

[p. 175]

tot de maatschappij, hetgeen de op kleur gebaseerde sociale hiërarchie zou verstoren.

Voor witte mannen was de situatie gunstig omdat ze toegang hadden tot zowel witte als zwarte vrouwen.10 Ook zwarte vrouwen mochten zwarte hetzij witte partners hebben, maar zij waren lijdend voorwerp in de seksuele hiërarchie. Het waren de zwarte mannen en witte vrouwen die in hun seksuele keuze beperkt werden. Deze beperkingen dienden gemotiveerd te worden en zo kwamen er bepaalde mythen tot stand: de zwarte man als superseksueel wezen en de witte vrouw op het voetstuk - de zuidelijke idealisering van de blanke vrouw. Aan de zwarte man werd een bijzonder grote penis toegeschreven en een onverzadigbare, dierlijke seksualiteit. ‘De Zwarte man werd beschreven als een “wandelende fallus”; een dierlijke duivel bezeten door onverzadigbare seksuele aandriften... een seksueel ongeremde man, in beslag genomen door seks.’11

De mythe van de grote penis had al een voorgeschiedenis. Engelse auteurs in de zeventiende eeuw verklaarden de vermeende hevige seksuele aktiviteit der Afrikanen uit de afmetingen van de Afrikaanse penis. Mandingo-mannen, aldus Richard Jobson in 1623, waren ‘furnisht with such members as are after a sort burthensome unto them’.12 Medisch onderzoek heeft inmiddels allang uitgewezen dat er wat betreft penislengte de gebruikelijke variatie is binnen etnische groepen maar dat er geen uniform verschil bestaat tussen etnische groepen. De zwarte man werd zowel geseksualiseerd als getaboeïseerd. Als ‘wandelende fallus’ en ‘super-stud’ promoveerde hij van de weeromstuit tot ‘America's fearsome sex symbol’.

We zien hier een samenhang tussen racisme, seksuele repressie en sociale machtsverhoudingen. Deze samenhang is diepgaand onderzocht in met name het nazisme door Wilhelm Reich. Reich ziet een verband tussen ras en klasse-onderdrukking, dimensies die vaak gescheiden worden of tegen elkaar uitgespeeld:

Members of the suppressed class - aldus Reich in zijn analyse van Nazi ideologen als Rosenberg - are equated with those who are racially alien. ... behind the idea of the interbreeding with alien races lies the idea of sexual intercourse with members of the suppressed class ... sexual interbreeding between classes means an undermining of class rule; it creates the possibility of a ‘democratization’...13



illustratie

Tekstfragment van een ansichtkaart, 1986. Collectienr. 1706


Het verband tussen seksuele repressie en macht is een thematiek die ook een centrale rol speelt in het werk van Michel Foucault. Foucault onderkende twee uiteenlopende en concurrerende visies op macht: de visie van Hegel, Freud en Reich waarin macht wordt geïnterpreteerd als verdringing en repressie, en die van Nietzsche en Clausewitz waarin macht wordt gezien in termen van strijd en oorlog.14 Maar is er niet ook een verband tussen geweld en seksuele repressie? Niet noodzakelijk een rechtstreeks, maar wel een pervers verband.

In de Verenigde Staten werden de mythen van het ‘zwarte beest’ en de ‘witte godin’ en de daarop gebaseerde sociale structuur in stand gehouden door middel van geweld. Dat geweld nam na de emancipatie van de slaven steeds omvangrijker vormen aan. Tussen 1884 en 1900 werden in de Verenigde Staten meer dan 2.500 zwarten gelynched. Niet alleen de lynchpartijen zelf waren pervers, ze gingen ook vaak gepaard met een ma-

[p. 176]



illustratie

‘In de Verenigde Staten lyncht de menigte negers, beschuldigd van moord op een witte vrouw.’ Franse visie op een Amerikaanse lynching. Le Petit ‘Parisien’, 1901 Collectienr. 3052


nifestatie van perversiteit. Volgens Gunnar Myrdal wees het feit dat bij de lynchings de zwarte man vaak ontmand werd ‘op een nauw verband tussen lynchen en onderdrukte seksuele driften’. In de woorden van de acteur James Earl Jones: ‘Wanneer een blanke zich persoonlijk zo betrokken voelt bij een neger dat hij de tijd neemt om zijn penis af te snijden en hem te martelen, dan moet het wel seksueel zijn, het resultaat van onderdrukte sex... Overal ter wereld vermoorden mannen elkaar, maar nergens snijden ze penissen af en lynchen elkaar.’15

Het keerpunt kwam volgens de historicus van het Amerikaanse Zuiden Joel Williamson in 1889. Daarvoor vonden lynchings voornamelijk in de westelijke staten en onder blanken plaats, vooral veedieven waren het slachtoffer. In de jaren '90 van de negentiende eeuw verplaatsten lynchings zich naar het Zuiden en werden zwarten het slachtoffer. Voor deze tijd

[p. 177]

was de grootste angst van de blanken dat de zwarten massaal in opstand zouden komen en de blanken of hun eigendommen zouden aanvallen. Maar nu kwam de beschuldiging op van verkrachting, de ‘nieuwe misdaad’ die de meeste lynchings van zwarten motiveerde (in plaats van diefstal en moord). De ‘nieuwe misdaad’, de mythe van de zwarte verkrachter van blanke vrouwen, was een reactie op de onzekerheid van blanke mannen over hun status.16 Zij identificeerden zich met de victoriaanse seksuele moraal, die voorschreef dat ze kostwinners moesten zijn, maar de economische depressie in 1890, de kwetsbaarheid van de plantage-economie en de opmars van de industrialisering maakte hun positie wankel. De politieke en economische onzekerheden in het Zuiden vonden een psychische uitlaatklep in de ontvlambare combinatie van ‘ras’ en seksualiteit. Tussen 1889 en 1899 werd er om de dag iemand gelynched, in negen van de tien gevallen ging het om zwarten die beschuldigd werden van verkrachting. Boeken als The Leopard's Spots (1902), een onmiddellijke bestseller, en The Clansman van Thomas Dixon Jr voedden de nieuwe mythe van het zwarte beest. De beruchte film The Birth of a Nation (1915), die de opkomst van de Ku Klux Klan verheerlijkte, was eveneens op die mythe gebaseerd. De lynchings waren toen over hun hoogtepunt heen, al waren ze niet voorbij. De ‘tweede kkk’, die na 1915 opkwam, was niet gericht tegen zwarten maar tegen joden en katholieken.

 

Jaloezie en vrees voor de seksualiteit van de zwarte man, het onvermogen of de onwil om de mannelijkheid, de viriliteit van de zwarte man te accepteren speelt een sleutelrol in het Amerikaanse raciale psychodrama. De ontmanning van de zwarte man neemt diverse vormen aan - niet in de eerste plaats fysiek, maar vooral sociaal. In termen van status en prestige wordt hij als man vernederd: in zijn positie als kostwinner op de arbeidsmarkt, in zijn beperkte recht op zelfverdediging of zijn recht om een wapen te gebruiken en in de politiek door hem, tot voor kort, stemrecht te onthouden.

De sociale en psychologische castratie van zwarte mannen is zowel een concrete als een subtiele realiteit, die op diverse niveaus ervaren wordt: ‘Because he must act like a eunuch when it comes to white women, there arises within the Negro an undefined sense of dread and self-mutilation. Psychologically he experiences himself as castrated.’17

Grote koppen in de zwarte pers over een gebeurtenis in Georgia: ‘A Negro had failed to help a desperate white woman escape from the flaming wreckage of an automobile, because he had been afraid of the consequences of laying his black hands on her flesh in order to pull her free. The woman had perished.’

De ontmannelijking lijkt ‘averechtse’ gevolgen te hebben. Het heeft een destabiliserende uitwerking op zwarte man-vrouw verhoudingen. De zwarte man kan niet functioneren als kostwinner, hij heeft sociaal weinig status en staat dus zwak tegenover de zwarte vrouw, hetgeen leidt tot meer verhoudingen tussen zwarte mannen en witte vrouwen.18 De zwart-Amerikaanse problematiek van het vaderloze of ‘matrifocale’ gezin houdt rechtstreeks verband met de ontmanning van de zwarte man: de positie van vader is hem sinds de dagen van de slavernij, toen de loopbaan van de zwarte Uncles begon, onthouden.

[p. 178]

In het Amerikaanse racisme jegens de zwarte man voeren twee stereotypen beurtelings de boventoon: de zwarte man als bruut, de ‘brute nigger’ of als de zwarte man Sambo, de zwarte eunuch (clown, kluns, entertainer, happy to serve). Onderaan de statusladder bevindt zich de zwarte vrouw, onderdrukt als vrouw en als zwarte vrouw. Zij is de goedkoopste kracht op de arbeidsmarkt. Zij wordt gemanipuleerd als seksueel object of als bediende.19 Ook hier zetten twee beelden de toon: de zwarte vrouw is seksueel beschikbaar en staat op één lijn met de prostituée (brown sugar) of zij is de gedeseksualiseerde mammy, type Aunt Jemima. In de Amerikaanse iconografie is de eerste nagenoeg onzichtbaar en de tweede alomtegenwoordig. In dit beeld is overigens enige kentering gekomen - Dorothy Dandridge was Hollywoods eerste zwarte ‘vamp’ in de jaren '50; Vanessa Williams was in 1984 de eerste zwarte Miss America.

Europa: Venus en eunuch

In Europa uit de ambivalentie jegens de niet-westerse wereld zich op een andere manier. Niet de slavernij maar het kolonialisme bepaalde de erotisering en taboeïsering van andere culturen. Er was weliswaar sprake van een intense betrokkenheid, maar toch ook op een afstand. De immigratie vanuit Afrika en de Westindische plantagekoloniën nam pas in de tweede helft van de twintigste eeuw grote vormen aan. De visie op de zwarte man is aan beide zijden van de Atlantische Oceaan niet verschillend. In de bedekte termen van een populair Engels pamflet uit 1772: ‘The lower class of women in England, are remarkably fond of the blacks, for reasons too brutal to mention.’20

In Mozarts Zauberflöte (1791) staat de zwarte opzichter Monostatos en zijn vrije seksualiteit tegenover de Egyptische filosoof Sarastro. Monostatos staat voor een ‘zwart symbool van onderaardse duisternis’, voor het element aarde.21 Het ‘spirituele’ discours van Europa over Afrika, van hetzij vrijmetselarij, theosofie of antroposofie, week niet af van het wetenschappelijke noch van het christelijke missionaire vertoog: de biologische classificatie op grond van ras correspondeerde met een ‘metafysische’ positie.

In Europa was de situatie veel beheersbaarder dan met de slavernij in Amerika. De zwarte man in Europa vormde geen directe bedreiging, hij was geen rivaal. Toch kan een vergelijking met het Amerikaanse lynchen castratiecomplex het inzicht in de Europese verhoudingen verdiepen. Afrika is tenslotte het ‘Zuiden’ van Europa. De houding van blank Amerika jegens zwarte slaven vinden we in Europa jegens Afrika. Het equivalent van de ‘zwarte bruut’ in het zuiden van Amerika was in Europa de ‘primitieve wilde’ uit Afrika. Het signalement van de Afrikaanse ‘primitieven’ en ‘wilden’ in hun ‘ondoordringbare jungle’, in hun naaktheid en met hun ‘wilde dansen’, maakte deel uit van een Europese metafoor voor ongeremde seksualiteit.

De Europese kannibalenhumor had in dit licht ten doel een psychologische afstand te scheppen tot het geërotiseerde beeld van Afrikanen: zij werden als kannibalen gecriminaliseerd. Amerika bespotte de zwarte dan-

[p. 179]



illustratie

‘Les petits voyages de Paris-Plaisirs.’ Franse haremfantasie. Paris Plaisir, februari 1930 Collectienr. 1676


dy, Europa dreef de spot met de Afrikaanse ‘verwestersing’. De kenmerkende verkleining in Europese beelden, Moriaantje zo zwart als roet, was een Europese methode om de zwarte man symbolisch te castreren. In Europa trad Sambo op als de kleine Moor: Sarotti-Mohr, Zwarte Piet, de Moor van de reclame, de Belgische Publiciné, Le Petit Nègre van een Zwitsers kaasmerk. Het Moortje dat koffiekopjes aandraagt is de Europese tegenhanger van de Afro-Amerikaanse eunuch, de gecastreerde zwarte man. Via de Moortjes werd het in de zwarte man geprojecteerde seksuele element toegelaten, doch gedoseerd en in klein formaat, terwijl de ambivalentie zich kon uiten in de tweeduidigheid van de kleine zwarte fallus: het brengt zoetigheid, geschenken, geeft vreugde, maar het is tevens grotesk (Golliwog), infantiel (Sarotti-Mohr), brengt de roe (fallus) in de vorm van straf (Zwarte Piet).

In de wetenschap en de fantasie van het victoriaanse Europa was de zwarte (‘het zwarte’) het symbool voor het verdrongen libido. In de criminologische antropologie uit die tijd lagen de profielen van de wilde en de misdadiger dicht bij elkaar. De criminologische beschrijvingen van Cesare Lombroso (L'homme criminel, 1874) en het koloniale racisme leken sterk op elkaar en dat was allerminst toevallig, want ze brachten dezelfde hiërarchie in kaart:

 

The lips of rapists and murderers he (Lombroso) found to be ‘fleshy, swollen and protruding as in Negroes.’ The teeth were usually huge, irregular, and far apart, as in gorillas and orang utans. The examination of the thorax of criminals revealed an increase or decrease in the number of ribs, ‘an atavistic character common to animals and lower or prehistoric human races.’ He found the upper limbs of criminals generally longer, ‘an ape-like

[p. 180]

character.’ The palms were prone to have simian creases, the toes farther apart, as in apes that use the toes for climbing trees, and ‘the foot is often flat, as in Negroes.’22

 

In deze context werden negers genoemd, zij aan zij met apen, mensapen en misdadigers.

In zowel de victoriaanse iconografie, criminologie, antropologie, biologie, massapsychologie als dieptepsychologie, steeds komen de motieven in één punt samen: het signalement van de wilde, de primitief, de zwarte kwam overeen met dat van dieren, misdadigers, zwakzinnigen, gedegenereerden, mensen van lagere klasse, menigten, enzovoorts. De verhalen van de verschillende wetenschappen vertegenwoordigen evenzovele facetten of lagen van een westers angstsyndroom: de angst voor zelfvervreemding werd geprojecteerd in de ‘donkere’ regionen van de samenleving. Een gevaarlijke wereld, een wereld van monsters, die derhalve beheerst diende te worden. Sint Joris en de draak, maar dan op wereldschaal.

In de loop van de negentiende eeuw veranderde in Europa de belangstelling voor de Afrikaanse vrouw. Het overheersende beeld van de zwarte vrouw was dat van een geseksualiseerde vrouw - net als in Amerika, maar in Europa zat het beeld complexer in elkaar. De beeldvorming kende de diverse etappes en bestond uit verschillende facetten. De Hottentot vrouw gold aanvankelijk als de Afrikaanse of zwarte vrouw bij uitstek. Voorts werd Afrikaanse vrouwelijke seksualiteit gelijkgesteld met de vrouwelijke seksualiteit in het algemeen, die naar negentiende-eeuwse medische begrippen als ‘pathologisch’ werd beschouwd.



illustratie

‘The Female Hottentot, with natural Apron.’ De ‘Hottentot apron’, een medische mythe van eind 18e - begin 19e eeuw over sterk vergrote schaamlippen wordt hier voorgesteld als feit. Gravure J. Pafs, GB, (1795) Collectienr. 0657


[p. 181]



illustratie

‘Les Curieux en extase ou les cordons de souliers’. Tekst van links naar rechts: ‘Oh! godem, quel rosbif; A quelque chose malheur est bon; Ah! que la nature est drole; Qu'elle étrange beauté!’ (F) Toespeling op de ‘Hottentot Venus’, pastiche op Saartje Baartman uit de Kaapkolonie die in het begin van de 19e eeuw gold als medische rariteit in Londen en Parijs. Ze leed aan vetophoping van het achterste, maar werd beschouwd als doorsnee ‘Hottentot’vrouw - een zoveelste medisch bewijs dat Afrikanen ‘anders’ waren. Collectienr. 3840


Aan het begin van de eeuw veroorzaakte de Hottentot Venus een medische en populaire sensatie. Het zogenaamde ‘Hottentot schort’ (een sterk vergrote clitoris) en de ‘staetopigia’ (een geprononceerd achterwerk), beschreven door achttiende-eeuwse reizigers in zuidelijk Afrika, kon nu door eenieder aanschouwd worden in de gestalte van Saartjie Baartman, de Hottentot Venus die in 1810 in Londen tentoongesteld werd. Ze was aanleiding tot anatomisch-medische verhandelingen van Cuvier en Virey, die via de ‘primitieve genitalia’, de sterk ontwikkelde schaamlippen van Bosjesman en Hottentot vrouwen, en de ‘primitieve seksualiteit’ van Afrikaanse vrouwen, een dieper inzicht probeerden te verwerven in de vrouwelijke seksualiteit in het algemeen.

Een aangrenzend onderzoeksterrein betrof de prostituées. De prostituée werd beschouwd als de geseksualiseerde vrouw. Wederom was het Lombroso die, samen met Guillaume Ferrero, een studie publiceerde over de criminele vrouw (La donna delinquente: la prostituta e la donna normale, 1893), waarin een overeenkomst tussen de prostituée en de Hottentot vrouw werd uitgewerkt: beiden werden geassocieerd met ongebreidelde seksualiteit. In Lombroso's eerdere studie kwam het profiel van de misdadige man overeen met de neger; is het een wonder dat het signalement van de ‘misdadige vrouw’ identiek is aan de Hottentot vrouw? De Afrikaanse vrouw en de prostituée werden bovendien in verband gebracht met de vrees voor syfilis. De associatie tussen de prostituée en de zwarte vrouw werd na verloop van tijd een wijd verbreid thema. In voorstellingen bijvoorbeeld suggereerde het samen verschijnen van witte en zwarte vrouwen

[p. 182]

de gelijksoortigheid van hun seksuele geaardheid. De bekendste is Manets Olympia (1863), de jonge blanke prostituée en haar zwarte gezellin of bediende.23 De feminine mystique en de black mystique gingen in elkaar over.

Een ander voorbeeld is Les Amies van Jules-Robert Auguste, een delicate erotische fantasie van een zwarte vrouw die in een liefdesspel is verwikkeld met een witte vrouw.24 Het beeld van de witte odalisk zij aan zij met zwarte vrouwen was ook veelvuldig te zien in de haremscènes ten tijde van het Franse oriëntalisme. Soms waren de zwarte vrouwen in deze scènes bedienden. Verschillende illustraties in Franse populaire tijdschriften tussen 1890 en 1920 sloten hierop aan. Illustraties in Le Rire waarin het zwarte dienstmeisje naakt en intiem is met de vrouw des huizes, suggereerden niet zozeer lesbianisme als wel de seksualisering van de witte vrouw door de zwarte - ‘la transfusion de la peau’, zoals het in een van de prenten heet.

Bovendien bestaat er een Europese traditie van bewondering voor de Afrikaanse vrouw - vooral in Frankrijk, waar de zwarte vrouw begeerlijk gevonden wordt, al is deze begeerte niet vrij van ambiguïteit. La Vénus noire van Baudelaire (1821-67), voor wie zijn vriendin Jeanne Duval (‘Vreemde godin, donker als de nachten’) model stond, is daarvan een voorbeeld.25 Victor Hugo roemde ‘Les vierges aux seins d'ébènes, Belles comme les beaux soirs...’ Bevond de Afrikaanse vrouw zich gedurende het oriëntalisme nog in de marge, geleidelijk trad zij op de voorgrond en in de loop van de eeuw werd ze steeds vaker geportretteerd, zoals La Nubienne (1835) van Charles Gleyre en La sultane noire van Prosper Marilhat. Charles Cordier maakte zijn beroemde buste Vénus africaine in 1851. Zwarte naakten waren van later datum - zoals Frank Buchsers Negermädchen im

illustratie

‘Vivre integralement’. ‘En wat dan nog, schat. Je zult vast wel zo aardig zijn om met wat je wilt bezuinigen op mijn garderobe een leuk nudarium voor me te maken.’ Le Sourire Collectienr. 1798


[p. 183]

Bach (1867) en Nackte Sklavin (1880), de een geschilderd in Virginia en de ander in Marokko. In Amerika bestond er voor zwarte naakten typisch genoeg geen markt.26 Adolphe Belot wijdde een toneelstuk aan La Vénus noire (1879); ze symboliseerde het ‘hart van Afrika’ en was geïnspireerd op een recent reisverslag van de Duitse naturalist Schweinfurth. Was ze een moderne versie van de koningin van Sheba? Paul Gauguins schilderingen van Tahitiaanse vrouwen en Picasso's versie van Olympia (1901) als een zwarte vrouw behoren ook tot deze traditie: ‘Picasso saw the sexualized female as the visual analogue of the black. Indeed, in his most radical break with the impressionist tradition, Les Demoiselles d'Avignon (1907), he linked the inmates of the brothel with the black by using the theme of African masks to characterize their appearance.’27

Deze visie op de zwarte Venus was niet wezenlijk anders dan de medische visie: ook bij Picasso werd de zwarte vrouw geseksualiseerd en op één lijn gesteld met de prostituée. Maar de houding tegenover seksualiteit zelf was anders, niet vijandig, en de prostituée werd niet ‘misdadig’ gevonden. Ook Baudelaire associeerde de zwarte vrouw met duisternis (‘Kind van zwarte middernachten’), maar de duisternis was intrigerend, betoverend. De Afrikaanse vrouw stond in verschillende periodes voor de ‘oervrouw’ maar de betekenis ervan hing af van de houding die de maatschappij innam tegenover vrouwen en seksualiteit in het algemeen. In Engelse avonturenverhalen trad ze op als een duistere, demonische macht - het tegenbeeld van Brittania. In Franse romans werd de aantrekkingskracht van de Afrikaanse Venus in steeds duidelijker bewoordingen omschreven. Klassiek was Pierre Loti's Roman d'un spahi (1881). Fatou-Gaye, de Senegalese heldin, heeft ‘de mysterieuze schoonheid van een idool in glanzend ebbehout... een zwarte gratie, een sensuele charme, een fysieke verleidingskracht, iets ondefinieerbaars dat leek te stammen tegelijkertijd van de aap, de jonge maagd, en de tijgerin.’

De aldus in Europa gecultiveerde zwarte vrouw was schaars en nauwelijks beschikbaar als partner. Er was een markant verschil tussen het beeld dat Fransen in Frankrijk erop nahielden en dat van Fransen in Afrika, getuige romans en reisverhalen uit koloniaal Afrika. Exotisme verdraagt doorgaans geen nabijheid. ‘Schoon van ver, gruwelijk van nabij, Afrika bedriegt de blanke: dit thema van «verloren illusies» is alomtegenwoordig.’28 De Franse koloniale literatuur maakte voorts onderscheid tussen de negerin en de donkere islamitische Peul vrouw. De aantrekkelijkheid van de Peul vrouw werd hoger aangeslagen; de negerin daarentegen was de ‘oervrouw’, maar ze werd ook beschreven als object, soms in animale termen en niet zonder dubbelzinnigheid - ‘animal sauvage et plein de grâce’. Zo schreef Pierre Loti over Fatou-Gaye en zo schreven de media over Josephine Baker. Zij was een ‘sierlijk dier’.

Loti's roman is inmiddels een klassiek voorbeeld van racisme en seksisme geworden. Kenmerkend voor de huidige jaren '80 is echter tevens de manier waarop Grace Jones door Jean-Paul Goude is gestileerd: het is een variatie in de oude traditie van ‘wilde gratie’ en ‘animal appeal’.29 Daar zijn andere vormen van ambiguïteit bijgekomen, zoals de transseksualiteit, ter vergroting van het publicitaire effect.

In de collectie Negrophilia zien we een uitgesproken onderscheid tussen Engels en Frans materiaal. Engelse afbeeldingen van ontmoetingen tussen

[p. 184]



illustratie

Uiteenlopende reacties op de mistletoe. Ansichtkaart, (1950) Collectienr. 2729




illustratie
‘Awfull !!!’ ‘...Infuriated amateur nigger minstrel, with horrid black face, rushing madly in, double-locking the door, and waring aloft a sprig of mistletoe. “Now I've got you!” Consternation of affrighted Maidens.’ De mistletoe, symbool van erotische intimiteit, in de handen van een ‘nigger minstrel’ in een gezelschap van ontzette Engelse dames. Judy Annual for 1880 Collectienr. 0134q


de zwarte man en de witte vrouw onder de mistletoe suggereren ontsteltenis en paniek. In een tekening uit Judy (1880) is sprake van een horrid black face, rushing madly in, double-locking the door (de zwarte man driewerf gediskwalificeerd) en consternation of affrighted Maidens, wier ontzette dan wel kuise blikken worden versterkt door de hoog en stevig dichtgeknoopte jurk van de vrouw in het midden van de voorstelling. Een prentbriefkaart toont de nerveuze belustheid van een onaantrekkelijke zwarte man, met gefrustreerd opgetrokken knie, en de misprijzende blikken van de jongedames. Cartoons van gemengde paren, zwarte man en witte vrouw, zijn niet complimenteus voor de man terwijl de vrouw als naïef wordt afgebeeld (Punch 1902 en 1909). Franse voorstellingen in La Caricature (1897), Journal Amusant (1899), Le Rire (1900-14), La Vie Parisienne (1924), Paris Plaisirs (1930) geven eenzelfde beeld van de zwarte man. De meeste hebben betrekking op zwarte man/witte vrouw-situaties. De zwarte man wordt bijna onveranderlijk grotesk afgebeeld (gezwollen lippen, zoet als chocola, primitieve barbaar, kolossaal, of dandy) en hij bevindt zich doorgaans in een sociaal of fysiek inferieure positie ten opzichte van de vrouw. In de witte man/zwarte vrouw-voorstellingen is de sociale positie van de man superieur en is de vrouw doorgaans niet bijzonder aantrekkelijk. De zwarte vrouw in Franse tijdschriften is nagenoeg altijd een bonne, dienstmeisje. In afbeeldingen van zwarte vrouw/witte vrouw-situaties is de zwarte vrouw echter wel aantrekkelijk. Een aantal luchtige cartoons heeft betrekking op kinderen uit gemengde verhoudingen: witte vrouwen met zwart kroost en zwarte vrouwen met witte kinderen.

De zwarte vrouw speelde een rol in het erotisme van het fin de siècle, vooral in Frankrijk, maar ook in andere continentale culturen. Hedonistische en esthetische motieven lagen hieraan ten grondslag. Het betekende niet noodzakelijk dat er werkelijk belangstelling bestond voor Afrikaanse

[p. 185]



illustratie

‘Chochotte prend son chocolat dans son lit.’ Le Rire, 7-7-1900 Collectienr. 0055b


vrouwen.30 De meeste afbeeldingen in de populaire media van koningin Ranavalona van Madagascar, die in 1899 een bezoek aan Frankrijk bracht, waren buitengewoon karikaturaal en onaantrekkelijk, terwijl het hier toch ging om een ongebruikelijke situatie: een Afrikaanse vrouw met superieure status.

Wel ontwikkelde zich l'art nègre, de bewondering voor Afrikaanse kunst. Ook op dit terrein bestond een uitgesproken verschil tussen de visies in Engeland en Frankrijk. De Engelse John Ruskin betoogde dat er ‘no art in the whole of Africa, Asia or America’ zou zijn.31 In Frankrijk maakten tentoongestelde Afrikaanse maskers en objecten diepe indruk. Het Berlijnse Museum für Völkerkunde had al 10.000 Afrikaanse tribale objecten in huis toen het in 1886 zijn deuren opende. Picasso zag de Afrikaanse

[p. 186]



illustratie

‘La belle négresse.’ ‘...Zie je dan niet dat ze een hoed draagt van vorig jaar?’ Journal Amusant Collectienr. 2833




illustratie
Omslag van Steinlen, Gil Blas, 2-4-1893. Collectienr. 1366




illustratie
Omslag The Mahound. Witte mannelijke machtsfantasie. London, 1981 Collectienr. 0936


objecten in voorjaar 1907 in het Trocadéro Museum in Parijs. Kort daarna begon Guillaume Appolinaire, de promotor van l'art nègre, zijn collectie. Matisse, Picasso, Braque, Vlaminck, Derain legden tussen 1908 en 1914 allemaal verzamelingen van Afrikaanse objecten aan. In 1919 vond in het Théâtre des Champs Elysées een Fête Nègre plaats, dat was georganiseerd door de verzamelaar Paul Guillaume voor tout Paris. De ceremoniemeester zei: ‘De intelligentie van de moderne mens moet neger worden.’ Derain betoogde dat tribale kunst als ‘eerste onder de classicismen’ in het Louvre opgenomen moest worden.32 In hetzelfde Théâtre des Champs Elysées maakte Josephine Baker haar entree in 1925. Ze stapte in de al klaarliggende rol van de Vénus noire. Later maakte Matisse een op haar gebaseerd schilderij, La Négresse (1952).

Toch werd op deze manier gebroken met het victoriaanse complex van seksuele repressie en racisme. Freuds Unbehagen in der Kultur werd hier het onbehagen in de cultuur en het psychologische interieur van het westers kolonialisme. De victoriaanse schaal die al barsten vertoonde brak. Centrum van de breuk was Parijs en tot de breukvlakken behoorden de avant-gardistische kunstrichtingen (kubisme, later dada en surrealisme) en de invloed van Afro-Amerikaanse vormen van entertainment - de Cakewalk, charleston, Revue Nègre, jazz.

Zo begonnen de gescheiden ontwikkelingslijnen van het Amerikaanse en Europese racisme - met hun verschillende castratiecomplexen, ge-

[p. 187]

preoccupeerd door oftewel seksualiteit van de zwarte man oftewel die van de zwarte vrouw - bijeen te komen. Het maakte Parijs tot een Mekka voor zwarte jazz-musici en zwarte schrijvers, tot een centrum van Afrikaanse en Westindische négritude en présence Africaine.

Als de hypothese juist is dat er een verband bestaat tussen seksuele repressie, sociale machtsverhoudingen en racisme, zouden veranderingen op deze terreinen tezamen of gelijktijdig moeten optreden. Tot op zekere hoogte gebeurt dat ook. Eind negentiende eeuw vond in de Verenigde Staten een periode van zwarte emancipatie plaats, die gepaard ging met de opkomst van de Cakewalk, die Europa bereikte en ook daar een aanstootgevende mode werd. De Harlem Renaissance viel samen met de ‘losse’ Gay Twenties, begeleid door jazz-muziek. De herseksualisering van Europa, beginnend in Parijs, gaf gestalte aan de Roaring Twenties. Het deksel ging van de hogedrukketel. Voor de westerse arbeidersbeweging was dit geen florissante periode, maar voor niet-westerse volken was het een periode van herstel en emancipatie: voor Amerikaanse indianen en Australische Aborigines, wier geboortecijfers voor het eerst sinds tientallen jaren weer begonnen te stijgen en voor de nationalistische bewegingen in gekoloniseerde landen. De burgerrechtenbeweging van de jaren '50 en '60 ging over in een golf van sociaal-politieke emancipatie en seksuele liberalisering. Als de eerder genoemde hypothese klopt, dan is dit herhaald samengaan in dezelfde tijdsperiode van emancipatie van gekleurden en seksuele liberalisering van witten niet zonder betekenis. Het een zou niet kunnen gebeuren zonder het ander. Als in de onbewuste taal van de westerse cultuur ‘zwart’ staat voor ‘libido’, en als libido mag, dan is de kleur ook niet zo'n probleem.



illustratie

Omslag Bedel niet om wonderen. B Collectienr. 2036




illustratie

Ansichtkaart, NL, 1904 Collectienr. 0977