Het uur U


auteur: Martinus Nijhoff


editeur: W.J. van den Akker en G.J. Dorleijn


bron: Martinus Nijhoff, ‘Het uur U’. In: Martinus Nijhoff, Verzamelde gedichten (ed. W.J. van den Akker en G.J. Dorleijn). Prometheus / Bert Bakker, Amsterdam 1995, p. 303-318 en 442.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 303]

Het uur U
Een gedicht (1936)aant.

[p. 304]

Voor St. Storm

[p. 305]
 
Het was zomerdag.
 
De doodstille straat lag
 
te blakeren in de zon.
 
Een man kwam de hoek om.
 
Er speelde in de verte op de stoep
 
een groep kinderen, maar die groep
 
betekende niet veel,
 
maakte, integendeel,
 
dat de straat nog verlatener scheen.
 
De zon had het rijk alleen.
 
Zelfs zij, wier tweede natuur
 
hen bestemde, hier, op dit uur,
 
te wandelen: de student,
 
de dame die niemand kent,
 
de leraar met pensioen,
 
waren van hun gewone doen
 
afgeweken vandaag;
 
men miste, miste hen vaag.
 
Sterker: de werkman die
 
nog tot een uur of drie
 
voor bomen in 't middenpad
 
de kuilen gegraven had,
 
had zijn schop laten staan
 
en was elders heen gegaan.
 
Maar vreemder, ja inderdaad
 
veel vreemder dan dat de straat
 
leeg was, was het feit
 
der volstrekte geluidloosheid,
 
en dat de stap van de man
 
die zojuist de hoek om kwam
 
de stilte liet als zij was,
 
ja, dat zijn gestrekte pas
 
naarmate hij verder liep
 
steeds dieper stilte schiep.
[p. 306]
 
Geen dief overtrof, geen spion,
 
hetgeen hij moeiteloos kon;
 
en het gevederd leder waarop
 
de god Hermes van zijn bergtop
 
neer te dalen placht
 
doorkruiste het ruim niet zo zacht
 
als hij op straat kon gaan,
 
gewoon lopend, met schoenen aan.
 
 
 
Hij maakte op het trottoir
 
het onheilspellende maar
 
onhoorbare gerucht
 
van het hoog in de lucht
 
verschoten vliegerbericht:
 
in een wolkje ploft licht
 
tot een blinkende ster uiteen,
 
en langs heel de vuurlinie heen
 
weet men: dit meldt het uur u,
 
nu gaat het beginnen, nu
 
verdwijnt de onzekerheid
 
van de mij gegunde tijd,
 
nu is het voor alles te laat.
 
De stilte die dan ontstaat
 
is een stilte, niet slechts naar de vorm
 
een stilte voor de storm,
 
maar een stilte van het soort
 
waar dingen in worden gehoord
 
die nog nimmer het oor vernam.
 
Zo ook hier. Toen de man kwam
 
en met zijn gestrekte pas
 
voortliep, begon men het gas
 
in de buizen onder het huis
 
te horen, en het gesuis
 
van water onder de straat,
 
en, in de elektrische draad
 
naar radio en telefoon,
[p. 307]
 
een vonkende zoemertoon
 
als waren er bijen in de buurt.
 
Er werd niet gegluurd.
 
Gewoonlijk, als iemand passeert,
 
is men geïnteresseerd:
 
men vouwt met voorzichtige hand
 
vitrages terzijde, want
 
elke voorbijganger is
 
min of meer een gebeurtenis.
 
Was er niets te zien
 
aan hem? - Kwam het misschien
 
doordat iedereen sliep,
 
of doordat hij zo zacht liep,
 
dat geen vitrage bewoog?
 
Neen, neen, elk raam was oog,
 
was toegeschoven lid
 
voor het oog van een uil die zit
 
te spieden op zijn tak.
 
De stilte, die niets verbrak,
 
ging trillen en werd muziek.
 
Het is een groot woord: paniek,
 
maar het tekent de stille schrik
 
die op dit ogenblik
 
de ledige straat beving.
 
Een traag wolkje, als een eilandje in
 
de heldere hemel ontplooid,
 
beduidde het nu of nooit
 
ophanden zijnd offensief.
 
Al wie zijn kijker ophief
 
zag op de zee van azuur
 
een slagschip, klaar voor vuur.
 
Was het vriend of vijand?
 
Niet uit te maken, want
 
het schip voerde geen vlag.
 
Zoals ook de man die men zag
 
het minste niet droeg dat een man
[p. 308]
 
van een man onderscheiden kan.
 
En ook de muziek zong door,
 
werd een groot, onzichtbaar koor.
 
Want sedert water en gas
 
en het zoemen hoorbaar was
 
van de elektrische stroom,
 
hadden ook hartklop, en droom,
 
en geeuw, en bloedsomloop,
 
en wanhoop, en stille hoop,
 
kortom al wat nooit stem werd,
 
zich gemengd in het ver concert
 
dat tegen wil en dank
 
steeds duidelijker van klank
 
uit de stilte kwam opgeweld.
 
Verlangen, doodgekneld,
 
een kind vermoord in een put,
 
riep, eensklaps wakker geschud,
 
om speelgoed en speelgenoot.
 
Want wat dood is is dood,
 
maar wat vermoord is leeft voort,
 
leeft voortaan minder gestoord
 
dan wat onbestorven leeft.
 
De daad die men naliet heeft
 
meer kwaad dan de daad gedaan.
 
Om gestorven dood te gaan
 
is genade, maar wee hem die
 
als in dubbele agonie
 
levens- en stervenspijn
 
tegelijk voelt: hij moet het ravijn
 
des doods over zonder brug.
 
 
 
Hij liep betrekkelijk vlug,
 
de man, maar niet vlug genoeg
 
of ieder raam besloeg
 
door de adem uit de mond
 
die zich sperde, maar woorden niet vond
[p. 309]
 
al sperde hij zich nog zo wijd.
 
En tegelijkertijd
 
met dit onnoemlijk wee
 
bracht de muziek met zich mee,
 
- let wel, in een straat die liefst niet
 
rept, als het kan, van verdriet,
 
die, integendeel, opgewekt,
 
zich slechts het leed aantrekt
 
dat een ander ondergaat, -
 
let wel, in zulk een straat,
 
toen daar achter raam aan raam
 
de stamelingen tezaam
 
een infernale taal
 
aanhieven, - nog eenmaal,
 
geen kreet brak uit dan gesmoord, -
 
toen daar dit hels accoord
 
in de hete lucht in het rond
 
trilde, zodat wie daar stond
 
hetzelfde zou hebben gedaan
 
- hetgeen zeggen wil: heengegaan -
 
als de man die zijn schop vergat,
 
die kuilen gegraven had
 
maar de bomen niet geplant, -
 
toen daar dan die dissonant
 
schrille spiralen schreef
 
naar een schuldeloos wolkje dat dreef
 
in een onbewogen zee, -
 
bracht de muziek met zich mee,
 
- want zo is muziek: zij speelt -
 
terwijl inmiddels het beeld
 
van de schrijdende vreemdeling
 
langs de huizen verder ging,
 
dat ieder sterveling daar
 
een visioen werd gewaar
 
van schier hemelse euphorie.
[p. 310]
 
De dokter, bijvoorbeeld, die
 
in de straat als huisdokter pas
 
een praktijk begonnen was
 
sinds hij als jong assistent
 
een ver strekkend experiment
 
had opgegeven omdat
 
hij er hoogstens droog brood van at, -
 
hem bracht de wilde muziek
 
terug in een stille kliniek:
 
hij zag zichzelf daar staan,
 
witte jas, rubber handschoenen aan:
 
in een kast langs de muur
 
spraken dingen van glazuur,
 
email, glas en metaal,
 
een tintelende taal
 
van een achter alle kwaad
 
verrijzende dageraad. -
 
De rechter zag zich staan
 
zonder ambtsgewaad aan:
 
geen toga, geen muts, geen bef:
 
niet dan uit rechtsbesef
 
en met geheven hand
 
deed hij zijn eed gestand:
 
in naam der gerechtigheid
 
schold hij de zonde kwijt
 
en had eigen schuld bekend. -
 
De dame die niemand kent,
 
het kreng, zoals men haar noemt,
 
zag, zonder blouse gebloemd,
 
zich naakt als Diana staan
 
in een woud: een hert kwam aan:
 
en toen zij zag hoe hij
 
knielde, knielde ook zij:
[p. 311]
 
haar hand beefde, haar oog blonk
 
nu zij levend water dronk. -
 
 
 
Zo zag iedereen wat,
 
de één dit, de ander dat.
 
Maar het puur geluk dat men mocht
 
smaken: één ademtocht
 
duurde het, en werd verstoord.
 
Men was, als 't ware, aan boord
 
van een opgegeven schip,
 
waar men de verdwijnende stip
 
naoogt der reddingsboot:
 
zo hoog stijgt dan de nood
 
dat men, naar geloof gebiedt,
 
olie in de golven giet:
 
één ondeelbaar moment
 
treedt rust in, rust ongekend:
 
het schip ligt roerloos recht:
 
maar reeds rolt over de plecht
 
een zware golf, olie-vermengd,
 
en hetgeen voor de zee was bestemd
 
komt in 't vuur, ontploft, en het wrak
 
vol bezoedeld zeewater zakt
 
als een baggergevulde praam.
 
Zo zakte, achter elk raam,
 
in de spiegelgladde vloed
 
een mens zijn beeld tegemoet,
 
zijn eigen ontredderd beeld. -
 
 
 
O, die olie verspeeld
 
was geenszins verspild geweest!
 
Eén ogenblik had de geest
 
in vergezichten gedwaald
 
en was, door het oog van een naald,
 
als de kemel, binnengegaan.
 
In welk land kwam hij aan?
[p. 312]
 
Op aarde. - In eigen land. -
 
Gelijk een maan was de hand
 
die over het voorhoofd gleed
 
en door een dauw van zweet
 
zich langzaam voortbewoog;
 
en ook het starend oog,
 
dat wijd open bleef staan,
 
het deed meer aan een maan
 
denken dan aan een zon.
 
Maar weldra, uit dooiende bron,
 
ontsprong, sprongsgewijs, het bloed,
 
en reeds spoelde op die vloed
 
- zoals na onweer een boom
 
de rivier afdrijft - de droom
 
met wat hij aanrichtte uit zicht.
 
Men ademde als verlicht
 
het amen na van een preek.
 
De geest, toen hij nederstreek
 
uit het ledige zwerk
 
en thuiskwam onder de zerk
 
van vast werk en dagelijks brood,
 
was dankbaar dat deze dood
 
hem bevrijdde van ruimtevrees.
 
Hij was, terug in het vlees,
 
moe, weliswaar, zeer moe,
 
maar was, platgezegd, blij toe
 
met dit vlees, zo zwak het was:
 
geen zo groot tekort in kas
 
dat niet geschoven kon
 
op die gebrekkige compagnon
 
die 't lot hem beschoren had. -
 
Maar kijk, die metgezel zat
 
alweer aan het schrijfbureau
 
te zwoegen, en wel zo,
 
dat de geest, beschaamd neerziend
 
naar die trouwe, arbeidzame vriend,
[p. 313]
 
niet dan een lastige traan
 
verdrijvend tot hem dorst gaan.
 
Deze echter, uit stil verweer,
 
legde de pen zelfs niet neer,
 
schoof geen stoel bij, keek niet op. -
 
Er zat voor de geest niets op,
 
dan dat hij weer ontsteeg
 
naar zijn ballingsoord, blauw en leeg
 
tussen aarde en zon.
 
Even keek de compagnon
 
de gewillige na op zijn vlucht,
 
peinsde, zag in de lucht
 
een wolkje, en zag dat daar ging
 
nog steeds die vreemdeling,
 
nog steeds die man door de straat.
 
 
 
Maar, naar zich horen laat,
 
- want langzaam kwam men bij
 
uit de diepe mijmerij
 
en de man liep betrekkelijk vlug -
 
men zag hem nu op de rug.
 
Men had hem niet bepaald
 
feestelijk ingehaald;
 
daar was ook geen reden voor;
 
maar gelukkig liep hij door,
 
en toen de waarschijnlijkheid
 
dat men hem weldra kwijt
 
en voorgoed kwijt zou zijn,
 
bij elke stap terrein
 
en aan waarschijnlijkheid won,
 
gaf heel de straat, kortom
 
ieder en iedereen
 
- met uitzondering van één,
 
en wie aandachtig las
 
weet dat het de rechter was, -
 
gaf, behalve de rechter dan,
[p. 314]
 
geheel de straat den man
 
- sit verbo venia -
 
het heilig kruis achterna.
 
 
 
Maar voor de zoveelste keer
 
prees men de dag aleer
 
de avond was gedaald.
 
Men heeft leergeld betaald,
 
de man was de straat nog niet uit.
 
Plat tegen de vensterruit,
 
met het vitrage-net
 
bloedrood in het voorhoofd geplet,
 
kon men hem nog zien gaan.
 
Toen heeft zich iets voorgedaan
 
dat alle beschrijving tart.
 
De schrik sloeg de straat om het hart.
 
Kokend van woede, doodsbleek,
 
de vuisten gebald, bekeek
 
men het ontzettende dat
 
beneden voortgang had.
 
 
 
De man had de kleine groep
 
kinderen die op de stoep
 
aan 't spelen waren bereikt. -
 
 
 
Het is vaak niet wat het lijkt,
 
hun spel: soms staan ze maar
 
en praten wat met elkaar,
 
de woorden zelf zijn pleizier.
 
Dat van dit groepje van vier
 
er één een meisje was,
 
men ontdekte het pas
 
wanneer het oog er op viel
 
dat haar witte matrozenkiel
 
naar onder overliep tot
 
een plooirokje, als bij een Schot.
[p. 315]
 
Eén der jongens stond met
 
zijn voet op een autoped
 
waarvan hij aantoonde dat
 
het richtingaanwijzers had.
 
‘Daar wordt het geen auto door’,
 
zei de grootste in een plusfour.
 
‘Van auto's gesproken’, zei
 
hij er medelijdend bij,
 
‘hebben jullie er geen?’ -
 
Het meisje zwaaide haar been
 
over het nikkelen stuur,
 
- alles aan haar was natuur:
 
het neusje iets opgewipt,
 
het haar als een jongen geknipt,
 
te argeloos nog voor fatsoen, -
 
‘dat kan je bij de onze niet doen’,
 
zei ze, en zwaaide 't terug.
 
Met zijn handen op zijn rug
 
- waar kon hij ze hebben gedaan
 
met niets dan een badpakje aan? -
 
riep de kleinste: ‘Belt die bel?’
 
De bel belde. En hij: ‘Zie je wel,
 
bellen doen auto's niet.’
 
De bezitter, inmiddels, liet
 
met strak geworden gezicht
 
aldoor de vleugeltjes dicht
 
en klappend open slaan.
 
Een wonder is niet te weerstaan.
 
Niemand meer die iets zei.
 
Toen kwam de man voorbij.
 
 
 
Nu is er een zeker spel,
 
door kinderen, heb ik het wel,
 
‘schaduwlopen’ gedoopt.
 
Er loopt een man en men loopt
 
op zijn schaduw trappend mee.
[p. 316]
 
Gewoonlijk doet men twee
 
passen, tegen hij één.
 
Het ging door merg en been,
 
het was hartverscheurend, de groep
 
in een rijtje over de stoep
 
achter de vreemdeling aan
 
huppelend mee te zien gaan.
 
Het sneed, sneed door de ziel.
 
Plusfour en matrozenkiel
 
dansten, als een jong paar,
 
arm in arm naast elkaar,
 
houdende aan weerskant
 
de twee anderen aan de hand:
 
de matroos hielp het badpakje, dat
 
een schoentje verloren had
 
en straks het tweede verloor,
 
terwijl naast de plusfour
 
voortholde de eigenaar
 
van de haastig langs het trottoir
 
neergezette autoped. -
 
Tijd, meer dan tijd werd het
 
dat dit een einde nam.
 
Uit alle huizen kwam
 
het driftige geluid
 
van tikken tegen de ruit
 
als riep een nijdige hen
 
kuikens terug naar de ren.
 
De kinderen luisterden niet.
 
Want juist was iets geschied
 
al hun aandacht waard.
 
De schaduw hield halt. Onvervaard
 
sloegen zij de ogen op
 
en namen de vreemdeling op
 
die stil was blijven staan.
 
Nu zag hij hen ernstig aan,
 
het hoofd ten halve gekeerd.
[p. 317]
 
Schoon niet verbouwereerd,
 
lieten ze elkaar niet los.
 
Als Klein Duimpjes in het bos,
 
stond nu het viertal daar
 
met de handen in elkaar
 
naar de steentjes omlaag te zien.
 
Het duurde een minuut misschien,
 
maar die een eeuwigheid was.
 
Toen deed de man een pas.
 
Met zijn vreemde, gestrekte gang
 
zag men - dit duurde niet lang -
 
hem spoedig de hoek omslaan.
 
 
 
Terstond ging ieder raam
 
wijd open, en wel zo wijd
 
als maar mooglijk was. 't Was tijd.
 
Want wat ontwaarde men daar?
 
De tafels stonden klaar.
 
Waar was dat aan te zien?
 
Aan de dampende soepterrien
 
midden op tafel geplaatst,
 
en aan de bordjes waarnaast
 
het zilver lepeltje lag.
 
Door open voordeuren zag
 
men moeders naar buiten gaan
 
roepend een kindernaam
 
en klappende in de hand.
 
Er kwam van andere kant
 
nog een klappend gerucht.
 
Het kwam van hoog uit de lucht.
 
Het waren de mus, de spreeuw,
 
de merel weer en de meeuw.
 
Zij streken neer uit de goot.
 
Het sloeg, het tjilpte en floot
 
met trillende borst, luidkeels,
 
tot midden op straat, op de rails,
[p. 318]
 
waarlangs thans kwam opgedaagd
 
de tram, een tijdlang vertraagd
 
door storing in het net,
 
en die, stampvol bezet,
 
rijdende wat hij kon
 
de verloren tijd herwon.
 
 
 
Maar kinderen keren, zo vlug
 
ze gaan, zo langzaam terug.
 
Zo zijn ze, zo ging het hier.
 
Het kostte wel een kwartier,
 
eer elk zijn servet voor had
 
en rustig aan tafel zat.
 
En bij de deur, op het dak,
 
ja zelfs op zijn dooie gemak
 
in 't open raamkozijn,
 
zong een klein vogeltje zijn
 
om kruimels popelend lied.
 
Alleen in de bomen niet.
 
Neen, niet in de bomen, want
 
die waren nog niet geplant.
 
 
 
Hoe mooi anders, ach, hoe mooi
 
zijn bloesems en bladertooi. -
 
Hoe mooi? De hemel weet hoe.
 
Maar dat is tot daaraantoe.