|
|
|
| |
| | | |
Het uur U
Een gedicht (1936)aant.
| | | | | | | |
Er speelde in de verte op de stoep
een groep kinderen, maar die groep
dat de straat nog verlatener scheen.
De zon had het rijk alleen.
Zelfs zij, wier tweede natuur
hen bestemde, hier, op dit uur,
de dame die niemand kent,
waren van hun gewone doen
men miste, miste hen vaag.
voor bomen in 't middenpad
had zijn schop laten staan
en was elders heen gegaan.
Maar vreemder, ja inderdaad
veel vreemder dan dat de straat
der volstrekte geluidloosheid,
en dat de stap van de man
die zojuist de hoek om kwam
de stilte liet als zij was,
ja, dat zijn gestrekte pas
steeds dieper stilte schiep.
| | | |
Geen dief overtrof, geen spion,
hetgeen hij moeiteloos kon;
en het gevederd leder waarop
de god Hermes van zijn bergtop
doorkruiste het ruim niet zo zacht
als hij op straat kon gaan,
gewoon lopend, met schoenen aan.
Hij maakte op het trottoir
verschoten vliegerbericht:
in een wolkje ploft licht
tot een blinkende ster uiteen,
en langs heel de vuurlinie heen
weet men: dit meldt het uur u,
nu is het voor alles te laat.
De stilte die dan ontstaat
is een stilte, niet slechts naar de vorm
een stilte voor de storm,
maar een stilte van het soort
waar dingen in worden gehoord
die nog nimmer het oor vernam.
Zo ook hier. Toen de man kwam
en met zijn gestrekte pas
voortliep, begon men het gas
in de buizen onder het huis
van water onder de straat,
en, in de elektrische draad
| | | |
als waren er bijen in de buurt.
Gewoonlijk, als iemand passeert,
men vouwt met voorzichtige hand
min of meer een gebeurtenis.
aan hem? - Kwam het misschien
of doordat hij zo zacht liep,
Neen, neen, elk raam was oog,
voor het oog van een uil die zit
De stilte, die niets verbrak,
ging trillen en werd muziek.
Het is een groot woord: paniek,
maar het tekent de stille schrik
Een traag wolkje, als een eilandje in
de heldere hemel ontplooid,
ophanden zijnd offensief.
Al wie zijn kijker ophief
een slagschip, klaar voor vuur.
Was het vriend of vijand?
het schip voerde geen vlag.
Zoals ook de man die men zag
het minste niet droeg dat een man
| | | |
van een man onderscheiden kan.
En ook de muziek zong door,
werd een groot, onzichtbaar koor.
en het zoemen hoorbaar was
van de elektrische stroom,
hadden ook hartklop, en droom,
en geeuw, en bloedsomloop,
en wanhoop, en stille hoop,
kortom al wat nooit stem werd,
zich gemengd in het ver concert
steeds duidelijker van klank
uit de stilte kwam opgeweld.
een kind vermoord in een put,
riep, eensklaps wakker geschud,
om speelgoed en speelgenoot.
Want wat dood is is dood,
maar wat vermoord is leeft voort,
leeft voortaan minder gestoord
dan wat onbestorven leeft.
De daad die men naliet heeft
meer kwaad dan de daad gedaan.
Om gestorven dood te gaan
is genade, maar wee hem die
tegelijk voelt: hij moet het ravijn
des doods over zonder brug.
Hij liep betrekkelijk vlug,
de man, maar niet vlug genoeg
die zich sperde, maar woorden niet vond
| | | |
al sperde hij zich nog zo wijd.
bracht de muziek met zich mee,
- let wel, in een straat die liefst niet
rept, als het kan, van verdriet,
die, integendeel, opgewekt,
zich slechts het leed aantrekt
dat een ander ondergaat, -
let wel, in zulk een straat,
toen daar achter raam aan raam
aanhieven, - nog eenmaal,
geen kreet brak uit dan gesmoord, -
toen daar dit hels accoord
in de hete lucht in het rond
trilde, zodat wie daar stond
hetzelfde zou hebben gedaan
- hetgeen zeggen wil: heengegaan -
als de man die zijn schop vergat,
maar de bomen niet geplant, -
toen daar dan die dissonant
schrille spiralen schreef
naar een schuldeloos wolkje dat dreef
bracht de muziek met zich mee,
- want zo is muziek: zij speelt -
terwijl inmiddels het beeld
van de schrijdende vreemdeling
langs de huizen verder ging,
dat ieder sterveling daar
van schier hemelse euphorie.
| | | |
De dokter, bijvoorbeeld, die
in de straat als huisdokter pas
een praktijk begonnen was
sinds hij als jong assistent
een ver strekkend experiment
hij er hoogstens droog brood van at, -
hem bracht de wilde muziek
terug in een stille kliniek:
hij zag zichzelf daar staan,
witte jas, rubber handschoenen aan:
in een kast langs de muur
spraken dingen van glazuur,
van een achter alle kwaad
De rechter zag zich staan
geen toga, geen muts, geen bef:
deed hij zijn eed gestand:
in naam der gerechtigheid
schold hij de zonde kwijt
en had eigen schuld bekend. -
De dame die niemand kent,
het kreng, zoals men haar noemt,
zag, zonder blouse gebloemd,
zich naakt als Diana staan
in een woud: een hert kwam aan:
knielde, knielde ook zij:
| | | |
haar hand beefde, haar oog blonk
nu zij levend water dronk. -
de één dit, de ander dat.
Maar het puur geluk dat men mocht
duurde het, en werd verstoord.
Men was, als 't ware, aan boord
waar men de verdwijnende stip
zo hoog stijgt dan de nood
dat men, naar geloof gebiedt,
treedt rust in, rust ongekend:
het schip ligt roerloos recht:
maar reeds rolt over de plecht
een zware golf, olie-vermengd,
en hetgeen voor de zee was bestemd
komt in 't vuur, ontploft, en het wrak
vol bezoedeld zeewater zakt
als een baggergevulde praam.
Zo zakte, achter elk raam,
in de spiegelgladde vloed
een mens zijn beeld tegemoet,
zijn eigen ontredderd beeld. -
was geenszins verspild geweest!
Eén ogenblik had de geest
en was, door het oog van een naald,
als de kemel, binnengegaan.
In welk land kwam hij aan?
| | | |
Op aarde. - In eigen land. -
Gelijk een maan was de hand
die over het voorhoofd gleed
en door een dauw van zweet
zich langzaam voortbewoog;
dat wijd open bleef staan,
het deed meer aan een maan
Maar weldra, uit dooiende bron,
ontsprong, sprongsgewijs, het bloed,
en reeds spoelde op die vloed
- zoals na onweer een boom
de rivier afdrijft - de droom
met wat hij aanrichtte uit zicht.
het amen na van een preek.
De geest, toen hij nederstreek
en thuiskwam onder de zerk
van vast werk en dagelijks brood,
was dankbaar dat deze dood
hem bevrijdde van ruimtevrees.
Hij was, terug in het vlees,
moe, weliswaar, zeer moe,
maar was, platgezegd, blij toe
met dit vlees, zo zwak het was:
geen zo groot tekort in kas
op die gebrekkige compagnon
die 't lot hem beschoren had. -
Maar kijk, die metgezel zat
alweer aan het schrijfbureau
dat de geest, beschaamd neerziend
naar die trouwe, arbeidzame vriend,
| | | |
niet dan een lastige traan
verdrijvend tot hem dorst gaan.
Deze echter, uit stil verweer,
legde de pen zelfs niet neer,
schoof geen stoel bij, keek niet op. -
Er zat voor de geest niets op,
dan dat hij weer ontsteeg
naar zijn ballingsoord, blauw en leeg
de gewillige na op zijn vlucht,
een wolkje, en zag dat daar ging
nog steeds die vreemdeling,
nog steeds die man door de straat.
Maar, naar zich horen laat,
- want langzaam kwam men bij
en de man liep betrekkelijk vlug -
men zag hem nu op de rug.
daar was ook geen reden voor;
maar gelukkig liep hij door,
en toen de waarschijnlijkheid
en voorgoed kwijt zou zijn,
en aan waarschijnlijkheid won,
gaf heel de straat, kortom
- met uitzondering van één,
weet dat het de rechter was, -
gaf, behalve de rechter dan,
| | | |
het heilig kruis achterna.
Maar voor de zoveelste keer
Men heeft leergeld betaald,
de man was de straat nog niet uit.
Plat tegen de vensterruit,
bloedrood in het voorhoofd geplet,
kon men hem nog zien gaan.
Toen heeft zich iets voorgedaan
dat alle beschrijving tart.
De schrik sloeg de straat om het hart.
Kokend van woede, doodsbleek,
de vuisten gebald, bekeek
De man had de kleine groep
aan 't spelen waren bereikt. -
Het is vaak niet wat het lijkt,
hun spel: soms staan ze maar
en praten wat met elkaar,
de woorden zelf zijn pleizier.
Dat van dit groepje van vier
wanneer het oog er op viel
dat haar witte matrozenkiel
een plooirokje, als bij een Schot.
| | | |
Eén der jongens stond met
waarvan hij aantoonde dat
het richtingaanwijzers had.
‘Daar wordt het geen auto door’,
zei de grootste in een plusfour.
‘Van auto's gesproken’, zei
‘hebben jullie er geen?’ -
Het meisje zwaaide haar been
- alles aan haar was natuur:
het neusje iets opgewipt,
het haar als een jongen geknipt,
te argeloos nog voor fatsoen, -
‘dat kan je bij de onze niet doen’,
zei ze, en zwaaide 't terug.
Met zijn handen op zijn rug
- waar kon hij ze hebben gedaan
met niets dan een badpakje aan? -
riep de kleinste: ‘Belt die bel?’
De bel belde. En hij: ‘Zie je wel,
bellen doen auto's niet.’
De bezitter, inmiddels, liet
met strak geworden gezicht
aldoor de vleugeltjes dicht
Een wonder is niet te weerstaan.
Niemand meer die iets zei.
Toen kwam de man voorbij.
door kinderen, heb ik het wel,
Er loopt een man en men loopt
op zijn schaduw trappend mee.
| | | |
Het ging door merg en been,
het was hartverscheurend, de groep
in een rijtje over de stoep
achter de vreemdeling aan
huppelend mee te zien gaan.
Het sneed, sneed door de ziel.
dansten, als een jong paar,
de twee anderen aan de hand:
de matroos hielp het badpakje, dat
een schoentje verloren had
en straks het tweede verloor,
terwijl naast de plusfour
van de haastig langs het trottoir
Tijd, meer dan tijd werd het
kuikens terug naar de ren.
De kinderen luisterden niet.
Want juist was iets geschied
De schaduw hield halt. Onvervaard
en namen de vreemdeling op
die stil was blijven staan.
Nu zag hij hen ernstig aan,
het hoofd ten halve gekeerd.
| | | |
Schoon niet verbouwereerd,
lieten ze elkaar niet los.
Als Klein Duimpjes in het bos,
stond nu het viertal daar
naar de steentjes omlaag te zien.
Het duurde een minuut misschien,
maar die een eeuwigheid was.
Toen deed de man een pas.
Met zijn vreemde, gestrekte gang
zag men - dit duurde niet lang -
hem spoedig de hoek omslaan.
wijd open, en wel zo wijd
als maar mooglijk was. 't Was tijd.
Want wat ontwaarde men daar?
Waar was dat aan te zien?
Aan de dampende soepterrien
midden op tafel geplaatst,
en aan de bordjes waarnaast
men moeders naar buiten gaan
nog een klappend gerucht.
Het kwam van hoog uit de lucht.
Het waren de mus, de spreeuw,
de merel weer en de meeuw.
Zij streken neer uit de goot.
Het sloeg, het tjilpte en floot
met trillende borst, luidkeels,
tot midden op straat, op de rails,
| | | |
waarlangs thans kwam opgedaagd
de tram, een tijdlang vertraagd
Maar kinderen keren, zo vlug
ze gaan, zo langzaam terug.
Zo zijn ze, zo ging het hier.
Het kostte wel een kwartier,
eer elk zijn servet voor had
En bij de deur, op het dak,
ja zelfs op zijn dooie gemak
zong een klein vogeltje zijn
om kruimels popelend lied.
Neen, niet in de bomen, want
die waren nog niet geplant.
Hoe mooi anders, ach, hoe mooi
zijn bloesems en bladertooi. -
Hoe mooi? De hemel weet hoe.
Maar dat is tot daaraantoe.
|
|
|