terug  begin  verder

Frederik van Eeden zestig jaar

Frederik van Eeden wordt heden 3 april 60 jaar. Hij behoorde tot de eersten der groep die men de ‘tachtigers’ is gaan noemen, omdat zij tussen '80 en '90 hun tijdschrift ‘De Nieuwe Gids’ oprichtten, een tijdschrift dat ten doel had het in letterkundig-esthetisch opzicht dommelende Nederland wakker te schudden en ‘omhoog te stoten in de vaart der volkeren’. Behalve Van Eeden behoorden tot deze groep: Kloos, Van Deyssel, Verwey, Gorter, e.a.

Men moet in 't oog houden, dat de verbinding van deze kunstenaars tot een groep eigenlijk geheel toevallig was. Er was geen innerlijke eenheid tussen hen, zij beïnvloedden niet elkanders groei en richting, zoals b.v. Lessing, Herder, Schiller en Goethe deden. Zij hadden slechts één negatieve gezamenlijkheid, nl. dat hun werk in andere tijdschriften geweigerd werd. Toen richtten ze ‘De Nieuwe Gids’ op.

Dit komt duidelijk uit als men het verloop der historie van ‘De Nieuwe Gids’ beschouwt. Dommelend Nederland werd wakker geschud: dit was een te gemakkelijk gevecht en heeft aan enigen van hen een vals gevoel van heroïsche onstuimigheid gegeven, maar toen de jonge groep omhoog steeg ‘in de vaart der volkeren’ werd zij gelijk een vlucht vogels door een rukwind aangegrepen en uit elkaar geslagen. Kloos is omlaag gesmakt, terug naar het landje van polders en parochies, Van Deyssel liet zich op uitgestrekte vleugels kantelend meedrijven, Verwey redde zich in een windstille duinpan, Gorter is in de nacht tegen een geweldig licht aangevlogen. En Van Eeden? Hij was niet mee opgestegen.

[p. 38]

Hij had dieper dan de anderen het besef dat de dichter deel uitmaakt van de mensheid en als zodanig aan de aarde verbonden is. Hij voelde dat als men de mens in zich als ballast wegwerpt, men wel enige tijd zwaarteloos omhoog tuimelt, maar slechts om ontredderd verloren te gaan. Hij voelde dat de plaats van de dichter tussen de mensen is, midden tussen de mensen.

Nu kan men zich de dichter denken als de mond der mensen, die hun zonden belijdt en hun noden uitspreekt, als een opstandeling, een hemelstormer, die evenals Saul met hoofd en schouders boven zijn medestanders uitsteekt. Maar men kan zich de dichter ook denken als de mond van God, als een profeet, als een gesel.

Van Eeden was noch het een, noch het ander. Hij was, als echt Tachtiger, aan de ene kant te individualistisch, om de zonden en noden van zijn tijd innig en oprecht als de zijne te erkennen en uit te spreken, aan de andere kant echter had hij wel het gevoel van relatie tussen God en mens, dat een profeet eigen is, maar hij miste het besliste zienerschap en de macht, dit in woorden te verwerkelijken. En zo bleef zijn ganse leven een zoeken, een tragische rusteloosheid.

Hij is de meest ontwikkelde der tachtigers, hij is, wat men tegenwoordig noemt, een ‘universele’ geest. Hij toont in vele opzichten overeenkomst met grote figuren als Ruskin of Tolstoi. Wij voelen in zulke figuren het sociale streven dikwijls meer als een zelf-opgelegde taak, dan als een uit hun inwendig wezen noodzakelijk voortspringend element. Het zijn de grote voorgangers die ten slotte slechts zichzelf opvoeden, en die zichzelf liefhebben gelijk hun naaste.

Ik herinner me dat ergens in zijn boek ‘Happy humanity’ Van Eeden zich er over beklaagt, dat hij met zijn later serieus werk nooit zulk een openbaar succes en zulk een algemene waardering heeft gevonden als met zijn eerste, betrekkelijk on-serieuze, blijspelen. Hij had zich daarover niet moeten beklagen, maar het had hem een vingerwijzing moeten zijn. Hij had, als artiest die zich aan de geest der mensheid dienend voelt, moeten

[p. 39]

voortgaan werk te leveren dat klaarblijkelijk in de geest der mensheid viel. Ik wens hier een zijde van Van Eedens werk te belichten die naar ik meen algemeen onderschat en door Van Eeden zelf misschien geloochend zal worden.

Indien Van Eeden zich naar de aanleg en de opzet die ik in hem vermoed, had ontwikkeld, zou hij - en daarmee is tevens enigszins de aard van de aanleg die ik in hem zie, gedefinieerd - meer gelijkenis vertonen met een figuur als Bernard Shaw dan met een figuur als Tolstoi. In een stuk b.v. als ‘Ysbrand’ is de hoofdfiguur een zwakke verschijning. Men houde mij ten goede, maar met al zijn idealisme doet hij enigszins bête aan. En als hij ten slotte als patiënt wordt behandeld, vinden wij de wijze waarop men die argeloze neerstoot wel enigszins ruw, maar we zeggen toch, evenals de harteloze familie, dat dit nog maar het beste voor hem is. Waarom nu is dit stuk geschreven? Om de figuur Ysbrand goed en groot voor te stellen. Hierin is echter Van Eeden niet geslaagd. Maar als Van Eeden in de trant van zijn eerste blijspelen en in de trant van iemand als Shaw had gewerkt, zou hij dit stuk niet om Ysbrand geschreven hebben, maar om de harteloosheid van Ysbrands omgeving. En het zou een geweldige aanklacht geworden zijn, omdat men als 't ware de schrijver had horen zeggen: ‘Ten slotte ben ik en zijn wij allen even gevoelloos als Ysbrands familie.’ Maar nu haast ieder toeschouwer zich om (evenals de schrijver zelf) zich met Ysbrand te identificeren. In elk boek van Van Eeden is de goede figuur iemand als Van Eeden zelf, zegt Prinsen. Dit is echter niet alleen bij Van Eeden waar, en waarom zou men dit een schrijver moeten verwijten? Socioloog als Van Eeden is gelijk Shaw, had hij echter de strijdende partijen meer gelijkwaardig moeten doen voorkomen, gelijk in Candida, gelijk in Mrs. Warren.

Tot één der beste toneelwerken die de laatste tijd in ons land geschreven zijn, reken ik ‘De heks van Haarlem’, maar waarom werd dit stuk gewichtig en historisch opgevoerd en niet vlot als een scherzo?

Men herleze van Van Eeden: ‘De kleine Johannes’, ‘Het lied

[p. 40]
van schijn en wezen’, ‘De heks van Haarlem’ en mijns inziens zal ieder dan begrijpen waarom hij in een tragedie van splitsing en verdeeldheid, waarom hij in ‘De broederveete’ zijn grootste werk schiep in een duizelende extravagance.

terug  begin  verder