terug  begin  verder

Louis Couperus
‘Iskander’

Met dit laatste boek van Louis Couperus, ter recensie, voor mij, en met nog enkele van zijn vroegere werken daarnaast, ter inzage, moet ik bekennen, dat ik mij enigszins beklemd gevoel bij de gedachte over deze schrijver mijn mening te moeten zeggen. Immers wij staan hier niet tegenover een schrijver, die, door het publiceren van zwak en middelmatig werk, vanzelf zich aan een scherpe kritiek blootstelt. En evenmin hebben wij te doen met een tastende onzekere, die mogelijkerwijs uit een hard oordeel nog zijn voordeel putten zou.

Integendeel. Zo niet de knapste van zijn tijd, is Louis Couperus toch zeker een der allerbeste van onze Noordnederlandse romanciers en wij kunnen gevoeglijk aannemen, dat bovendien

[p. 85]

de meest juiste en zuivere kritiek over zijn werk zijn eigen oordeel zijn zal.

En dit maakt de taak, om over hem te schrijven, voor ons dubbel moeilijk.

Als wij dan nog bovendien zijn oeuvre beschouwen, de ongeveer dertig boekdelen, zo geheel verschillend van genre, in hun opeenvolging, van zijn knap-gecomponeerde eersteling ‘Eline Vere’, tot aan zijn laatste, beheerste, en bijna hooghartige ‘Komedianten’ en ‘Iskander’ toe, dan lijkt ons dit wel een te uitgebreid terrein om in details te onderzoeken.

Ik wil ook niet zozeer een mening uitspreken over zijn laatste boek ‘Iskander’, als wel trachten in zeer grote lijnen de betekenis dezer figuur uiteen te zetten, en misschien ook te verduidelijken.

Ik herinner mij, een paar jaar geleden in de ‘Gulden Winckel’ de volgende uitspraak van Couperus te hebben gelezen, als antwoord op een vraag aan hem gesteld, tijdens een interview van de een of andere belangstellende: ‘U kunt u niet indenken, hoe lui ik ben.’

En ik herinner mij ook dat de een of ander, dit lezende, en met de blik naar de plank in de boekenkast, die geheel door de werken van Louis Couperus werd ingenomen, welwillend heeft geglimlacht: ‘En al die boeken dan - ach kom - lui! Zo'n poseurtoch.’

En toch is het juist deze, in de grond zo ware, uitspraak van hem zelf geweest, die voor mij de aanleiding is geworden tot hetgeen ik nu zeggen wil.

Couperus debuteerde, zoals ieder jong en bovenmatig-talentvol kunstenaar debuteert. Hij kwam voor de dag met een wonder knap gecomponeerde, zorgvuldig-uitgewerkte psychologische roman, waarvan het onderwerp weliswaar wat eng was, en de hoofdfiguur wat onbelangrijk, de figuren en de compositie daarentegen van een meesterlijke aanleg getuigden.

En in de eerste jaren die daarop volgden, nog niet sterk genoeg van innerlijke overtuiging tot het scheppen van een eigen

[p. 86]

nieuwe wereld, gaf hij ons de ‘Boeken der kleine zielen’, romans uit het dagelijkse leven, die alle hun oorsprong vonden in zijn eigen naaste omgeving, die bepaald werd door de grenzen van zijn gezichtskring, verengd door coterie en conventie.

Maar allengs begonnen heviger emoties zich in hem te roeren, waarvoor hij tevergeefs uiting zocht in de objecten van diezelfde kring (Men herinnere zich zijn heftig-geschreven boek ‘Noodlot’).

Doch datgene, wat eenmaal in hem tot uiting was gekomen, en van geen tegenhouden meer wilde weten, bruiste met steeds sterker kracht in een chaotische heftigheid naar boven, die geen bevrediging meer vinden kon binnen de grenzen van deze burgerlijke levensaanschouwing, en zich baan brak tot hoger vlucht voor zijn fantasieën.

In deze periode, zoekend naar waardiger objecten, en niet langer tevreden met gemakkelijk veroverde middelmatigheid van klein burger-realisme, zwaaide hij zich plotseling over naar een ander plan, nl. dat van mythe en symboliek.

In deze tijd schreef hij zijn boeken: ‘Majesteit’, ‘Wereldvrede’, ‘Psyche’ en ‘Fidessa’, om tenslotte in dit genre zijn volmaking te vinden in de beide opmerkelijk-schone boeken: ‘Herakles’ en ‘Dionyzos’.

Deze beide uitersten van zijn esthetische periode vormen al reeds weer de overgang naar zijn nieuwe en laatste tijd.

Want ook binnen deze wereld van onzienlijkheid en symboliek vond zijn rusteloos zoekende geest niet de bevrediging voor de honger die hem voortdreef. Toen bracht hem de mythologie van ‘Herakles’ en ‘Dionyzos’ op het terrein van de Griekse en Romeinse culturen - en het was ten slotte in de topfiguren van deze bovenmatig opgevoerde en tot excessen gespannen beschavingen, dat hij de vereniging vond van kunst- en levensbevrediging beide.

Nu eerst komt hij te staan tegenover de spiegel die hem het eigen innerlijk toont in de vergrote omtrekken en verdiepte kleuren van een uitgerijpte beschaving, en het is in de bestude-

[p. 87]

ring en verwerking van deze hun tijd culminerende figuren als Caracalla, Heliogabalus, Domitianus en Alexander de Grote, dat hij eindelijk zelf bevrediging vindt voor het onvervulbaar heimwee van zijn eigen leven.

En is het niet in ‘De berg van licht’, een der eerste romans uit die tijd, dat het hoogtepunt van zijn kunstenaarsmogelijkheid bereikt schijnt?

Het is hier niet langer de toeschouwer, die verhaalt, niet de kroniekschrijver, die het bestudeerde weergeeft.

Ondanks de talrijke tekortkomingen van techniek en compositie, is dit boek toch de eigen, volkomen schepping van een kunstenaar. Van de aanvang, tot het einde, hijgt één lange, nauw-bedwongen kreet door dit noodlottig leven van de Kleine Keizer.

Onafwendbaar cirkelt ‘de Ring van het Noodlot’ zich samen tot een nijpende spanning, tot de verworden hallucinatie van wanhoopsdaad na wanhoopsdaad, die slechts verlossing vinden kan in de onafwendbare, gruwzame ondergang.

De vertellende stem, die kalm causeerde tot nog toe, is er ene geworden, die roept en schreeuwt, die jammert en aantijgt. Het is niet langer de glimlach van een goedmoedig verteller. Een bleek, verwrongen gelaat duikt voor ons op, en blijft als ene droombeeld staan in onze geest.

Is dit boek niet ook voor de schrijver zelf het hoogtepunt geweest?

Niet een hoogtepunt van techniek of artistieke prestatie. Maar een moment van geestelijke bewustwording in zijn meest volledige vorm.

En mèt deze bewustwording is de beheersing gekomen.

De duistere stuwende kracht, die naar uiting vocht, is stil geworden en tot een bleke, verwrongen glimlach verstrakt.

Wat rest er van het leven, als zijn wildste, rijkste kracht tot een zekere en bodemloze ondergang gedoemd is?

Waartoe dient een bewogenheid, die, steriel in haar daadkracht, haar eigen vernietiging tegemoet jaagt? De mens, die

[p. 88]

tot klaarheid worstelde in deze ‘Berg van licht’ is weerloos geworden, en in zijn handen houdt hij de as van zijn verloren illusies. En met een grimlach neemt hij de pen weer op. Men kan immers schrijven, zonder het diepste te raken, zoals men immers ook leven kan zonder het uiterste heimwee vervuld te zien. En wij lezen zijn fijne, dartele ‘Arabesken’, zijn ‘Blanke steden onder blauwe lucht’, zijn voortreffelijk beheerste, bijna gebeeldhouwde ‘Komedianten’ en nu weder zijn gave, zekere ‘Alexander de Grote’. Zijn geestige dialogen, zijn geniale beschrijvingen, en de ondeugende loopjes die hij neemt met zichzelf en anderen.

En wat is het, dat telkens even iets vreemd heftigs in ons in oproer brengt? Wat is het, dat ons even beklemmend angstig in de keel grijpt bij het lezen van Iskander, als de koning ziek en alleen onder de immense hemel naast het graf van Kyros ligt?

En wat, wanneer hij na de moord op Kleitos zich neerwerpt in zijn tent, ‘het gelaat met de nagelen verscheurende en gillend steeds hetzelfde, lange, tragisch snerpende geluid van rampzaligheid’?

En wat, wanneer hij na de dood van Hefaistion, zonder vrienden, eenzaam gebleven in dit vreemde, langzaam hem vergiftigende rijk, ‘bleek en fronsende, dol, staart in Bagoa's raadselachtige oogen’?

Is dat niet weer het heimwee, dat ons herinnert aan de ‘Berg van licht’, dat onlesbaar, onverzadigbaar is, in leven en dood?

Maar de schrijver weet, dat het beter is daarvan te zwijgen. En bovendien, men moet het leven maar zo ernstig niet nemen.

En zo schreef hij zijn ‘Komedianten’, rustig en beheerst. Zonder excessen van heftigheid, zonder veel diepere hartstocht. Volmaakt van sfeer, fijn van typering, met slechts even hier en daar een aanduiding van die bittere melancholie.

Zo ook schreef hij zijn ‘Iskander’. Met een vlotheid, die verrassend, soms bijna ontnuchterend aandoet, als ware tijdens het schrijven iedere moeilijkheid wel zorgvuldig vermeden.

En dit is misschien de ‘luiheid’, waarop hij zinspeelde, toen

[p. 89]

hij deze zo schijnbaar capricieuse dwaasheid zeide: ‘U moest eens weten, hoe lui ik ben.’ Want lui is Louis Couperus inderdaad. Geen luiheid uit werkangst. Maar een luiheid die voortkomt uit een immense levensinertie, uit een angst voor de bittere ondergrond van iedere te diep doorpeilde arbeid.

Angst om bij het schrijven van een werkelijk ‘grote’ Alexander wederom voor die duistere diepte van heimwee alleen te staan.

En zo rijt zich het ene boekdeel naast het andere. En alle zijn goed, geschreven door een onwankelbaar-vaste hand, en van een zuivere artisticiteit.

Goede werken - geen meesterwerken - met hier en daar een bittere aanduiding, die zegt:

‘Ik weet wel hoe het zou moeten - maar waartoe dient het?’

En zo staan wij tegenover deze zonderlinge schrijver, die de enige is, zou ik wel willen zeggen, van al onze literatoren, die zichzelf kent, en niet overschat, maar ook de enige, die achteloos, met een vermoeide glimlach de grootste, en misschien meest waardevolle kans van zijn aanleg, bewust onder zijn handen wegglippen laat.

terug  begin  verder