terug  begin  verder

L. Ali Cohen
‘Reflexen’

De jonge dichter L. Ali Cohen, die reeds enige malen door publikatie van een paar verzen in ‘De Gids’ en in ‘De Stem’ een beetje aandacht trok, heeft zijn jeugdgedichten verzameld en onder de titel ‘Reflexen’ uitgegeven. Het is volstrekt geen schande dat jeugdgedichten het kenmerk van jeugdgedichten dragen, dat zij b.v. zo sterk onder invloed van een ouder collega staan dat zij bijna navolgingen worden, of dat er onder hen niet één helemaal gaaf en rijp gedicht wordt aangetroffen. Wat men hoopt te vinden, en wat men bij Ali Cohen werkelijk ook vindt, is een gevoeligheid die een bewustheidsvorm zoekt; en of dan deze twee elkaar voorlopig nog niet geheel vullen, of soms de gevoeligheid sentimenteel en de bewustwording retorisch blijft, is van later orde. De ergste jeugdgedichten zijn de hoogdravende, de dwepende, de hoofdletter-schrijvende, waarin het omgekeerde het geval is: de bewustwording blijft sentimenteel en dit sentiment retorisch. - Ach, ach, wat kunnen zulke dingen, die vaak schreiend en terwijl het hoofd op de over de tafel uitge-

[p. 327]

strekte arm steunt geschreven worden, door en door vals en cerebraal zijn.

Nu vind ik voor mij - maar ik besef dat deze mening niet algemeen gedeeld zal worden - jeugdgedichten merkwaardiger naarmate de gevoeligheid iets vreemds, iets aparts, iets bizars, als men wil, heeft en de bewustwording meer visueel is. Beide verschijnselen zijn een uiting van de drang naar het concrete, en het is dan slechts een kwestie van groei of de concreetheid van de aandrift mettertijd zich zal losmaken en overdragen in een poëtische vorm, in het ‘ding’ dat elk goed gedicht is. De grote vijand is de abstractie, die grote kromme wezenloosheid, die het lichaam negeert, die alles vergroot maar oneindig verijlt, die van de ziel een luchtspiegeling maakt. De scherpste modernismen, de stotendste forceringen zijn nog te verkiezen boven Liefde en Leven met hoofdletters, boven al de zoetvloeiende en zichzelf bedwelmende nonsens van een blinde uitstortingsdrang. Hoe veel verder is reeds een jong gemoed dat inplaats van de aanroep ‘lieve’ de merkwaardige kleur van een persoonlijke eigennaam durft schrijven en, waarom niet?, Lize neerzet; die niet van dè vrouw maar van een vrouw gaat houden en ten slotte van één ding in haar, haar lach, haar naam of haar oogopslag.

Wat nu de gedichten van Ali Cohen betreft, wat hen typeert is dat wel de bewustwording zeer sterk visueel is, maar dat de gevoeligheid die zich in deze verzen uitspreekt uiterst traditioneel en - waarom zou ik het woord ontwijken? - banaal ten slotte blijft. De enkele maal dat hij hieraan poogt te ontkomen, vervalt hij terstond in grove forceringen. Hij moest dit nalaten. Aanvaarde en besefte banaliteit heeft grote en dikwijls onderschatte mogelijkheden, men schrijft er, als er nog wat bijkomt, gevoelde verzen mee wier z.g. algemeen-menselijkheid treffend kan zijn. Datgene wat er bij moet komen is: allerzuiverste en ongezochtste expressie, een volkomen afzien van ‘vondsten’, een eenvoudige lange adem, harmonie, in één woord, beheersing en de toon van een hart dat zich zelf zonder enige ironie en ongekweld begrijpt. Ali Cohen mist echter voorlopig al de-

[p. 328]

ze toevoegingen die de banaliteit evengoed als ieder ander gevoel, tot aandrift van poëzie omvormen, en voor hem is zij dus een kern die hij juist ontvluchten wil als hij verzen schrijft. Hierin wordt hij geholpen door het zeer sterke visuele element dat een ander deel van zijn aanleg kenmerkt. Dit is inderdaad meer dan een leuke kijk of een geestig zien, het is een zeer stellig begin van een vermogen om een werkelijkheid in een beeld poëzie om te zetten. Wanneer hij schrijft, ziet men wat hij gezien heeft, en heeft hij niets gezien dan houdt ook plotseling de poëzie op en glijdt alles in het niets; zo ziet men dus fragmenten van overreële beelden en daarnaast, daarboven en daaronder lege plekken gevuld met doelloze meditaties, uitroepen en diepzinnigheden aangaande deze doorbroken beelden, allemaal gevoeligheden die zijn visie overrompelen en overwoekeren - ‘Blijf er toch af met dat hart van je’, wil men hem telkens toefluisteren. ‘Houd je toch aan het motto uit Verhaeren dat je boven je bundel schreef en beschouw de werkelijkheid als voldoende onderwerp, want zij is “formidable et suprême”, en duldt geen tranen voor de ogen, geen zwichten naar overgevoeligheid, geen flemend hulpzoeken bij zaken van andere orde.’

Al deze tekortkomingen zijn in de latere verzen doorgaans minder merkbaar dan in de eerste. Hierin is echter de visie veel sterker, hetgeen misschien verklaard kan worden uit het onderwerp. Het zijn verzen uit de mobilisatie-tijd, beschrijvingen en beelden uit het soldatenleven, waaraan onze poëzie, zelfs in die jaren, uiterst weinig aandacht schonk. Helaas is hier en daar in deze gedichten de mobilisatie verergd tot heuse oorlog en zijn de soldaten ietwat heroïscher gezien dan ik me persoonlijk herinner. Dat is juist weer het gevoel dat de dichter parten speelt door de werkelijkheid te overtroeven. Maar soms is uitstekend de gehele stemming van het afwachtend lanterfanten in de warmte van Brabant, van de ondanks alles nooit geheel verslapte spanning van het spel, waarbij een luchthartige onverschilligheid aanvankelijk de ernst en later de verveling vermomde, door hem weergegeven in verzen van een soort droge kwasi-

[p. 329]

melancholie. Wie dit als ik heeft meegemaakt ruikt weer de heide tijdens het tirailleren, de geur van de slechte sigaretten, de zoete intimiteit van de Brabantse kwartieren, de ransel als hij nat was en het geweer als men het pas had ingevet. Misschien is deze sfeer slechts op te roepen voor wie haar ondergaan heeft, maar dan is ook de ontvankelijkheid uiterst groot, want, wat mij betreft, de enkele klank van woorden als ‘gamellen’ en ‘keukenwagen’ is reeds voldoende om me in deze wereld weer terug te plaatsen. Ik schrijf een dezer verzen voor u over.

Marsch
 
De zoete geur van rozen en lupine
 
Hangt langs de wegen waar de troepen gaan,
 
En in de velden van den zomer staan
 
De korenaren in wuivend gewemel.
 
 
 
Als smeltend goud gloeit in den blauwen hemel
 
De zon en zengt wie - schuldloos - vloekbelaân
 
Gedreven worden naar de valsche vaan
 
Die bloedrood wappert van de moordmachine.
 
 
 
Zij gaan, luidruchtig-vroolijk en tevreden,
 
En zingen galmend soms een droevig lied
 
Van liefde waar zij om hebben geleden -
 
 
 
De grauwe troep trekt langs de heete wegen,
 
Een boerenkind, dat hen zoo zwoegen ziet,
 
Kijkt stil en gretig en glimlacht verlegen -

Voor mij zijn het de eerste twee en weer de laatste twee regels die mij het gedicht hebben doen lezen en herlezen: die twee beelden: de lange gele weg met het stof tussen de bloemen aan de kant, het stof dat geurend terugwaait, en het boerenjongetje dat, met al de bewondering waarmede slechts een jongenshart bewonderen kan, de zingende soldaten naziet. Die berm en dat

[p. 330]

kind herinnerde ik mij onmiddellijk toen ze werden aangegeven. En meer hoeft een dichter niet te zeggen. Was maar de rest een stilte.

De latere gedichten missen dit visuele element niet geheel, maar het is dikwijls met onpersoonlijke allegorieën wat smakeloos verbasterd (De dwaze maagden, Een bacchant, Ahasverus b.v.), of met een soort gevoelsoverprikkeling onzuiver en bijna iets dat naar Gedankensünderei zweemt (Chasseurtje, De maagd b.v.) geworden. Daarentegen is de andere zijde van deze poëzie, het fond van laat ik het maar noemen geavoueerde banaliteit, tot veel harmonieuzer en werkelijk dichterlijker uitdrukking gekomen. Er is een gevoelige, door en door gevoelige celstreek, er is een oprechte schroom van het hart, in het gedicht ‘'s Avonds’ dat ik, deze aankondiging besluitend, voor u overschrijf.

 
Als 's avonds harten tot elkander neigen,
 
Dan wordt het leven een verrukte droom -
 
De wolken blinken aan heur zonnezoom,
 
De winden streelen zacht-ontroerd de twijgen...
 
 
 
Over de zielen waast begrijpend zwijgen
 
Als een onzegbaar innig-teer aroom,
 
Ieder bewegen wordt tot wijding vroom
 
En de gedachte kan tot schoonheid stijgen -
 
 
 
Dan dringen tranen naar de glanzende oogen,
 
Een wonderlijke weelde - een zilvren stroom -
 
Heeft ieder laag begeeren overtogen.
 
 
 
De broeiing van den dagbrand is vervlogen
 
En de avond hult in zoet-vertrouwden schroom
 
De harten waarin hemelen bewogen.

terug  begin  verder