|
|
|
| |
| | | | | | | |
Houtsneden
| | | |
Satyren Christofoor
‘Ach, Christofoor, vertrouwder
In 't water dan op 't land,
Til het kindje van je schouder,
Geef zijn handje me in de hand;
Ik wijs het in de bosschen
De slang, den haas en 't hert -’
Maar Christofoor, op den oever,
Leunt zwijgende op zijn kruk,
De stroom was stroef, maar stroever
Zijn de tranen van geluk:
Nooit was een bedding weeker,
Nooit waadde hij zoo onzeker,
Want nooit nog, nooit nog streek er
Een handje hem door het haar -
Door het ritselende riet,
Hij ziet het kind dat schrijlings
Op den reus naar hem omziet -
Zijn lusten had verkregen,
Biedt nu, schuw en verlegen,
| | | |
't Kind heeft zijn hand genomen
En 't houdt wat het eenmaal houdt,
De satyr kan niet ontkomen,
Hij danst nooit weer in het woud -
Zoo sterk werd zijn hand gegrepen,
Dat het sap der stukgeknepen
Vruchten in roode streepen
Neerdrupt van pols naar poot -
Uw woede en vlucht zijn getemd,
Men vindt op land of op water
Een klein geluk dat klemt:
Voor Christofoor ondoorwaadbaar,
Voor den satyr ongenaakbaar,
Voor mij, ach, onaanraakbaar
Wegzingend door mijn lied -
|
|
|