|
|
|
| |
| | | |
Verspreide gedichten
1940-1953aant.
| | | |
In plaats van foto
Jan Campert aan M. Nijhoff op 4 November 1941:... ‘wil je voor ons overschrijven je sonnet “Holland” uit “De Wandelaar” en dit vergezeld doen gaan van een foto...’
Geen foto van ‘Hollands’ dichter
bezittend, schets ik hem hier.
Men schrijft negentien honderd veertien.
Een blauwe tuniek met granaten,
een laklederen koppel om,
een shako met ‘citroen’ en ‘scheerkwast’,
een rood biesje langs de pantalon.
Hij maakt velddienstoefeningen
tusschen Delft en Noordwijkerhout,
schiet op Waalsdorp, staat als schildwacht
voor Noordeinde en Lange Voorhout.
Eens, tijdens een rust in Loosduinen,
betreedt hij een boerendeel,
krijgt koffie, dankt een meisje;
hij komt er een maand lang veel.
Hij zit met haar broer en de buren,
's avonds, achter 't huis, in de tuin.
Het wijd land wordt langzaam onzichtbaar,
de zee hoorbaar achter het duin.
| | | |
Voor het theelicht, binnen, bij moeder,
voor de kast met kraakhelder goed,
voor de tafel, waar de boer zijn krant leest,
zal hij sterven als het moet.
Biggekerke, 8-XI-'41
|
|
|