c. Accent en lengteteken
Het accent is een bijzonder ingewikkelde zaak. Ook op dit punt heb ik de werkelijkheid sterk
vereenvoudigd - om niet te zeggen: bijna misvormd - weer moeten geven.
We nemen aan dat de meeste woorden van meer lettergrepen een zg. hoofdaccent hebben; we
zeggen bv. óptocht en niet optócht.
Maar er zijn een stel samenstellingen met on- waarvan je niet kunt zeggen
waar dat hoofdaccent ligt; ik heb hier op twee plaatsen een accent aangegeven (bv. ónovertróffen, óntoegánkelijk),
maar dat betekent dit: soms zijn ze misschien allebei even sterk, maar soms is het een
duidelijk sterker als het ander; je kunt dus ook onovertróffen
krijgen of ónovertroffen.
Speciale gevallen zijn weer aanstaande en eerstkomend
omdat de plaats van het hoofdaccent daar afhangt van de plaats van dat woord t.o.v. het zn
waar het bij hoort: áánstaande dinsdag tegenover dinsdag aanstáánde enz.
Ik meen dat zinsplaatsen iets te maken hebben met de accenten op woorden van het type líchtbláúw,
dónkergróén; vgl. bv. een
líchtblauw jasje; het jasje was líchtblauw of lichtbláúw, maar nooit een
lichtbláúw jasje.
Tenslotte zijn er enkele woorden (vooral vw's), die bijna nooit een woordaccent hebben (bv.
omdat), tenzij na juist; hier betekent een aanduiding als
ómdát enkel ‘er is bijna helemaal geen
accent’.
Ik heb in het fonetische schrift de accenten aangeduid met een tekentje
vóór de beklemtoonde lettergreep; bij eenlettergrepige woorden heb ik
vanzelfsprekend geen accent gezet; bij meerlettergrepige betekent de afwezigheid van een
accentteken ‘het accent ligt op de eerste lettergreep’.
De volgende ABN-woorden hebben in veel dialekten een afwijkend accent: áánhoren (aanhóren is tekst), áánzien, aangelégenheid, académie,
álfabet, áltaar, 'Agnes, árchipel, azálea,
biljárt, boerenbónd enz. (maar bóérenbedrog), Bredá,
burgemééster, bíjna, catálogus (maar catalóóg), cellulóid,
dóórbladeren, dóórkijken,
dóórnemen, dóórstrepen,
dóórwerken, dynámo, epidemíé,
epidémisch, hagedís, incógnito, jójo,
Káúkasus, képie, kolónie, komédie,
Lótharingen, máis, mísbruik, misbrúiken,
míssteken, místellen, místrappen, Monáco,
omgêving, ómwenteling, ónderhoud (zn), ónderricht (zn), ónderwijs (zn), ónderzoek (zn), óverhalen, óverkijken,
óverlezen, óverlopen, papegáái,
plattelánd, piáma, rebellíé,
relikwíê, série, síéraad,
stadhúís (maar ráádhuis),
Stóckholm, tabák, therapíé,
tragédie, vrijgezél, túnnel en vríjwaren. - Enkel vijf woorden op -achtig hebben het
accent op de á: deeláchtig, krampáchtig,
reusáchtig, waaráchtig en woonáchtig.
- Woorden met her- hebben meestal het accent niet daarop. - Woorden op -loos hebben meestal het accent niet daarop; die op -lóósheid wél.
In het algemeen leek het me zinloos om bij de grove notatie die ik toepaste, lengtetekens te
gebruiken; wie de elementaire begrippen van de Nederlandse klankleer beheerst, weet dat bv. de
klinker van beer langer is als die in been, en dat die in
ben nóg korter is.
Een uitzondering heb ik gemaakt in twee gevallen: 1. bij het achtervoegsel -air: militair, vulgair, omdat daar het lengteteken
onderscheidend is: de ɛ is normaal kort, maar hier lang; 2. in een paar
woorden met een lange klinker voor een r (bv. vierde,
koers) waarin veel zuidelijke dialekten een ‘te korte’ klinker
gebruiken.