|
|
|
| |
| | | |
Heeft ‘de Kempen’ wel een grens?
door Dr. J. Theuwissen
Nogmaals op zoek gaan naar de grenzen van de Kempen, wijst erop dat de grenzen
niet vastliggen of dat over de plaats van de grenzen verschillende meningen
beslaan en dat de vraag naar duidelijkheid nog steeds leeft.
Ik zal de vraag om volkskundige argumenten aan te dragen om de grenzen van de
Kempen te bepalen, helemaal niet uitputtend behandelen.
Uitgangspunt is dat de Kempen het zandgebied is dat men grosso modo in de
provincies Antwerpen, Belgisch-Limburg en Noord-Brabant situeert. Algemeen wordt
nl. gezegd en aangenomen dat de Kempen tussen de Nedermaas en Nederschelde
gelegen is. Dat is vaag. Dat sommigen beweren dat het Kempisch gebied zich in
het oosten verder uitstrekt dan Noord-Brabant en Belgisch-Limburg - men verwijst
bij deze argumentatie o.m. naar het stadje ‘Kempen’ bij Krefeld in Duitsland -
is wellicht geen reden om in het Maasgebied na te gaan wat er aan volkskundige
grenzen te vinden is.
Dat de grenzen van de Kempen geen vast gegeven zijn, kan gemakkelijk
geïllustreerd worden.
Uit ca. 1055 dateert een verslag van de Mirakelen van de H. Trudo, geschreven
door Stephelinus, een kloosterling in de abdij van St.-Truiden. Daarin lezen we
(ik vertaal): ‘In bovengenoemde landstreek (nl. Taxandria) ligt
Campania (Kempen), bestaande in ver uitgestrekte vlakten, die door de hitte
van de zon verschroeid zijn en helemaal ongeschikt voor enig menselijk
ondernemen. De streek is vol holen en schuilplaatsen van struikrovers, die
met hun verdragend en scherp zicht, over de kale vlakten, de vreemde
reizigers zeer gemakkelijk in het oog krijgen’. In deze tekst wordt het
gebied geschetst maar ook de ligging aangeduid, nl. Taxandria. Dit gebied is te
vaag omgrensd om er iets aan vast te knopen.
| | | |
In een later geschrift lezen we dat de Kempen een aanzienlijk deel van het bisdom
Den Bosch beslaat, dit waren de zgn. Meyerijsche Kempen. Meer zuidelijk lag de
Luikse Kempen en tussen Nete, Demer en Dijle ligt de Brabantse of Oostenrijkse
Kempen.
In 1906 schreef Vliebergh(1): De naam de Kempen wordt
gegeven aan de streek ten Noord-Oosten van België, bevattende bijna gans de
provincie Antwerpen en de noordelijke helft der provincie Limburg. De
Kempische zandgrond gaat verder Nederland in, waar ook nog veel woeste grond
ligt: bijna 18% van de ganse oppervlakte.
In sommige provinciën is de verhouding nog sterker: zo in
Noord-Brabant, is bijna een vierde van de oppervlakte woeste grond, in
Gelderland 21,03%, en in Drenthe bijna de helft.
De grenzen onzer Kempen zijn ten noorden Nederland, ten Oosten het
Maasland, van de Kempen gladweg afgesneden door den Keizersweg van Lanaken
op Maeseyck, aldus genoemd door 't volk, omdat hij dagtekent van den
Napoleonschen tijd; ten Zuiden eene lijn getrokken van Lanaken op Bilsen en
Hasselt, en van hier voort de Demer en de Dijle tot Mechelen, ten Westen
eene lijn te trekken van Mechelen op Duffel, Wyneghem, Eeckeren,
Stabroeck.
Ten Zuiden via de provincie Brabant, is de grens niet scherp
afgetekend. Ook beneden den Demer is er nog Kempische zandgrond: een reisje
per spoorweg van Aerschot op Leuven is voldoende om zich daarvan te
overtuigen.
In 1925 schreef de heer A. van Olmen(2): ‘In onze gewone omgangstaal beteekenen de Kempen een
zandachtig gedeelte der provincies Antwerpen en Limburg. We moeten hier niet
onderzoeken in hoeverre deze opvatting politisch-geschiedkundig juist is:
physisch 't is te zeggen, voortgaande op het uiterlijk natuurlijke, moeten
we de Kempen een heel wat grooteren omvang geven. Voor den aardrijkskundige
is een natuurlijke streek een landsgedeelte dat een zekere eenheid vertoont
voor grondsoort, fauna, flora, klimaat, enz. Welnu als we de natuurlijke
streek der Kempen volgens die opvatting moeten omlijnen, dan mogen we - in
groote trekken - de volgende grenskaders opgeven: de Maas, de Demer en de
Schelde.
| | | |
Let wel op, we zegden groote trekken en groote grenskaders; de
aangestipte waterloopen zijn er bij nodig omdat die juist, zoals verder zal
blijken uit de aardkundige studie, een grooten invloed gehad hebben op de
geologische vorming van ons Kempenland.
Willen we nu veel nauwkeuriger de grenzen der Kempen omlijnen, dan
vallen langsheen de genoemde waterloopen breede strooken grond weg, die een
heel ander physisch uiterlijk vertoonen.
De juiste grenzen van de Kempen kunnen als volgt worden
opgegeven:
Ten NOORDEN: Bezuiden de Maas een lijn die loopt ongeveer ten Zuiden
der volgende plaatsen: Steenbergen, Oud Gastel, Lage-Zwaluwe,
Geertruidenberg, 's
Hertogenbosch, Grave.
Ten OOSTEN: Een lijn getrokken ten W. van Grave, verder langs den
Peelschen hoogterug, dan te W. van Weert, Kesselich, Maesyck, Rothem, Lanklaer, Mechelen a/Maas, Reckheim,
Lanaecken.
Ten ZUIDEN: loopt de scheiding ten Noorden van Lanaecken en van
Sutendael, voorts parallel met en op een 5 km
afstand Noordwaarts van de Demervallei tot in de buurt van Aarschot.
Ten WESTEN bevindt zich de grens ten Oosten van Itegem en Heist-op-den-Berg, ten Westen
van Herenthout “de poort der Kempen” en van Bouwel loopt dan nagenoeg gelijk met de Kempische
vaart tot tegen Schooten en richt zich dan naar het
Noorden latende even Oostwaarts liggen de volgende plaatsen: Schooten, Brasschaat, Capellen, Stabroeck, Beirendrecht,
Ossendrecht, Bergen-op-Zoom, om dan te Halsteren meer in
Westelijk richting om te buigen’.
Tot zover Van Olmen die het werk van Vliebergh kende.
In 1935 schreef P.A. Barentsen in ‘Het oude
Kempenland’(3): ‘De Noordbrabantsche Kempen liggen in het Zuid-oosten van deze provincie.
Wanneer men van het dorp Best, halfweg tusschen
Boxtel en Eindhoven
een lijn trekt in oostelijke richting, tusschen Eindhoven en Geldrop, Valkenswaard en
Leende door in zuidelijke richting ombuigt naar
de Belgische grens, deze in westelijke richting volgt tot Reusel en tenslotte in noord-westelijke richting langs Oirschot naar Best terugkeert, dan heeft men de
Noordbrabantsche Kempen omspannen.
| | | |
Met het aangrenzende Peelland en het gebied van Oisterwijk en het
veraf gelegen Maasland vormden de Kempen de vier kwartieren van de Meijerij
van 's Hertogenbosch. Staatkundig vormden de Kempen een afgesloten
geheel.
In aardrijkskundig opzicht doen zij dat zeker niet. Natuur en
menschen zijn van die der omliggende streken nauwelijks te onderscheiden.
Iets grooter is het verschil met de menschen in de Belgische Kempen, die
staatkundig reeds lang van de Noordbrabantsche zijn gescheiden. De natuur
biedt echter veel overeenkomst. De aardrijkskundige scheiding van Belgische
en Noordbrabantsche Kempen ligt in België, in de lijn van Peer, Lommel, Turnhout’.
In de aardrijkskundeboeken wordt de natuurlijke streek ‘Kempen’ weerom anders
afgebakend. De zuidergrens ligt bij de Rupel, de Dijle en de Demer met Boom, Mechelen, Aarschot, Diest en Hasselt als randgemeenten.
Daartegenover staat de kaart van Kan. Jansen(4), afgedrukt in zijn boek ‘Turnhout en de Kempen’. Hij geeft als
westergrens: Kalmthout, St.-Job, 's-Gravenwezel, Schilde, Wijnegem, Wommelgem, Ranst, Emblem, Nijlen, Bevel,
Itegem en Hallaar, en als
zuidergrens: Heist o/d Berg, Beersel, Putte, Schriek, Ramsel en Veerle. Waarop hij zich steunde weten we niet. Hij is naar onze mening
om dit probleem niet werkelijk bekommerd geweest.
Met deze aanhalingen hebben we willen illustreren dat er over de grenzen van de
Kempen hoegenaamd geen eensgezindheid bestaat. Wij zullen een poging doen om
volkskundige argumenten aan te dragen om tot een aangrenzing te komen of om tot
de vaststelling te komen dat omgrenzing van de Kempen een onbegonnen zaak is.
In de vijftiger jaren hebben wij bij een volkskundig onderzoek als grens van de
Kempen de situering van Ir. Van Olmen gevolgd, omdat hij de grens zo exact
beschreef en omdat zijn grenzen op bepaalde plaatsen ondersteund werden door
uitspraken van de bewoners van wat hij als grensgebied aangeeft.
De zgn. neerdorpen(5) naar het z.w. van de provincie Antwerpen toe, de
gemeenten Boechout, Borsbeek,
Broechem, Emblem, Wommelgem, Vremde en Ranst behoren volgens oude bewoners van de streek niet tot
de | | | | Kempen. Ook Berlaar, Heist o/d Berg en
Hallaar behoren volgens zegslieden niet tot de Kempen. Dit klopt met wat Van
Olmen als omschrijving geeft.
Vandaag kan men te 's-Gravenwezel lezen dat men ‘de poort’ van de Kempen
binnenrijdt.
Persoonlijk heb ik geen bijkomende argumenten meer nodig om vanuit volkskundig
standpunt de z.w.-grens van de Kempen te trekken. Het meest doorslaggevend
volkskundig argument is de volksmond, maar anderdeels is dat argument op zich
geen wetenschappelijk argument en blijft de houvast subjectief.
Goossens(6) heeft een
poging gedaan om een grens aan te dragen in de provincie Limburg. In het
tijdschrift Volkskunde van 1962 publiceerde hij een studie met
daarbij een kaart waarop de grenzen voorkomen van 34 volkskundige
verschijnselen. Op basis van het hem eigen grondig onderzoek kon hij die grenzen
zeer nauwkeurig aangeven. Het tekende onder meer de noordergrens van het gebied
waar de langboomwagen op vier wielen gebruikt wordt, van het gebied waar de eg
om zaad onder te eggen driehoekig is, waar het haarblok voorkomt en waar
ongebonden halve graanschoven voorkomen. De westergrens van het Limburgs gebied
waar oogstkarren met ladders in plaats van zijplanken voorkomen, waar
oogstkarren met vier rongblokken ter ondersteuning van de ladders voorkomen,
waar men voor het losmaken van het onkruid de schoffel gebruikt enz. Zonder te
beweren dat alle verschillen even belangrijk zijn, en zonder het belang van de
verschijnselen bv. in dikte van grens aan te duiden, komt hij tot op elkaar
vallende grenzen. Het samenvallen van een groter aantal grenzen duidt wel
degelijk op een afscheiding van het Kempisch gebied van het Maasland en van
Haspengouw.
Wanneer men nog meer verschijnselen in kaart zou brengen, wordt het kaartbeeld
zoals Goossens het vastlegde voorzeker bevestigd en versterkt. De zuider- en
westergrens van de Kempen ligt volgens de literaire bronnen veel minder vast dan
de grens tussen Kempen en Maasland. Wellicht is ze ook natuur- en bodemkundig
vager.
| | | |
Wanneer de we kaart van de handkarnvaten in Vlaanderen(7) voor ons nemen, dan zien we dat de Limburgse Kempen
van noord naar zuid in twee wordt gesneden. De vorm van het karnvat uit
Oost-Limburg op het Duitse karnvat, het is nl. een conisch vat. West-Limburg
sluit aan bij de Antwerpse Kempen waar de buikvormige karnton gebruikt wordt. We
merken daarbij ten noorde van de Demer, Dijle en Rupel en ten westen van de
Schelde een homogeen gebied. Deze grens komt overeen met de aardrijkskundige
zuider- en westergrens van de Kempen. De Limburgse scheiding valt nagenoeg samen
met de scheiding tussen het stroomgebied van Maas en Schelde.
De verspreidingskaart van de landbouwslede(8) heeft met de grenzen van
de Kempen hoe dan ook niets gemeen. In functie van de slede voor veldarbeid of
het vervoer van ploeg en eg kunnen we met betrekking tot de grens van de Kempen
ook geen enkel argument vinden.
Dit is wellicht een gevolg van het feit dat de slede voor vervoer van ploeg en eg
niets met de landbouw als dusdanig te maken heeft. Dit gebruik werd opgelegd
door een wet ter bescherming van de wegen. Voor veldarbeid werd de slede in de
Kempen slechts sporadisch gebruikt.
De eenstaartploeg(9) met een vast rister
keert de aarde bij het ploegen naar rechts of links. In de provincie Limburg
keert ze uitsluitend rechts, in de provincie Antwerpen was dat ook overwegend
het geval.
Verder treffen we in de provincie Antwerpen in het zuidwesten een gebied aan waar
beide ploegen voorkwamen. Deze manier van doen heeft dus ook met enige
omgrenzing - noch aardrijkskundig, noch wat grondsoort betreft - iets gemeen.
De grens van de verhoging van het hoofdbord van de kruiwagen(10) valt in het
zuidwesten ongeveer samen met de grens die Van Olmen
voor de Kempen aangeeft. Bij de grens van andere onderdelen is er geen
congruentie; de kruiwagen uit de provincie Antwerpen is nagenoeg, voor wat
betreft zijn algemene vorm, gelijk aan die uit Brabant. Dus ook hier is er geen
grens van de Kempen te bespeuren.
| | | |
Indien we bij de landbouwvoertuigen nog even blijven stilstaan dan kan men in de
grens van de vorm van het voorbord van de mestkar een argument vinden voor de
stelling ‘Van Olmen’. Ook het rongenaantal, de steun onder de kar en de haak om
het laadhout vast te maken, ondersteunen de stelling ‘Van Olmen’, maar
uiteindelijk zijn dat vier details van de vijftien die we onderzochten. De
overige details kunnen niet als argument voor de grens van de Kempen gebruikt
worden.
De oogstkar(hoog- of langkar) was in de Antwerpse Kempen ten tijde van ons
onderzoek reeds zover verdwenen dat we dit voertuig en zijn vormverspreiding
niet in de argumentatie kunnen betrekken.
De door ons als B-type behandelde kar is slechts na 1900 in de landbouw
binnengedrongen en in het zuiden en westen maar sedert 1925. Dit zo laat
gebruikte kartype mag derhalve ook niet als argument gebruikt worden. Het B-type
is trouwens vanuit Haspengouw ingevoerd.
Staande voor de kaart van de verspreiding van karren en wagens in Nederland en
Vlaanderen zou men op het eerste gezicht kunnen zeggen dat de Noordbrabantse, de
Antwerpse en de Limburgse Kempen naar voren komen als een homogeen
tweewielkargebied.
Eindelijk een element in de materiële volkscultuur dat op een afgesloten Kempisch
gebied wijst. Historische bronnen uit de 17e en de 18e eeuw tonen overvloedig
aan dat in die tijd de landbouwwagen in de Antwerpse Kempen helemaal geen
vreemde verschijning was.
Het kar-wagengebied van Oost- en West-Vlaanderen en van Haspengouw en Brabant
heeft zich in het verleden verder oost- en noordwaarts uitgestrekt dan de
toestand die wij kennen. Op grond daarvan is het dus evenmin aanvaardbaar de
verspreiding van de tweewielkar als argument te hanteren bij het pogen de
grenzen van de Kempen vast te leggen.
| |
Besluit
Op volkskundige gronden de grenzen van de Kempen vastleggen is een zeer
moeilijke, zoniet onhaalbare zaak. Indien de volksmond het beste
volkskundige argument is, dan zou men slechts voor het zuidwesten tot een
uitspraak komen. De invloed van wat men op de school heeft geleerd over de
natuurkundige indeling van België speelt in andere gevallen zeker mee en is
derhalve volkskundig als argument aanvechtbaar.
Uit materiële feiten afleiden waar de grens zou kunnen liggen heeft geen
overtuigingskracht voor het bepalen van de grenzen van de Kempen. Trouwens,
wat de Kempen is, hoe men tot de benaming en gebiedsomschrijving komt is op
zich nog steeds een moeilijk te beantwoorden vraag.
|
(1)E. VLIEBERGH, De Kempen, Ieper 1908, p. 7 ff.;
oorspronkelijke uitgave 1906.
(2)A. VAN OLMEN, Aardrijkskunde van de Kempen,
in Steden en Landschappen onder leiding van S. Leurs, Antwerpen l.d. p.
5.
(3)P.A. BARENTSEN,
Het oude Kempenland, Groningen 1935, p. 55.
(4)J.E. JANSEN, Turnhout en de Kempen, Turnhout 1946, p.
14.
(5)J. CORNELISSEN en J.B.
VERVLIET, Idioticon van het Antwerpsch Dialect, 1899-1906, op
Neerdorpen.
(6)J.
GOOSSENS, De isetnenstructuur van het Belgisch-Limburgs
Landbouwlandschap, (Volkskunde) 1962, p. 49-66.
(7)J. WEYNS, Volkshuisraad in Vlaanderen, 1974, deel
III, p. 916-917.
(8)J. THEUWISSEN, De landbouwslede en haar verspreiding in
Vlaams-België, Handelingen van het congres van de Koninklijke Kring
voor Oudheidkunde te Mechelen 1970, p. 416.
(9)J. THEUWISSEN, De
localisatie van de eenstaartploeg in Vlaams-België, Handelingen van
het Vlaams Filologencongres Gent 1976, p. 486.
(10)J. THEUWISSEN, Het landbouwvoertuig in de
ethnografie van de Kempen, Antwerpen 1969.
|
|