Frederik Hendrik


auteur: J.J. Poelhekke


bron: J.J. Poelhekke, Frederik Hendrik. Prins van Oranje. Een biografisch drieluik. De Walburg Pers, Zutphen 1978   


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 133]

Hoofdstuk IX

Hoe verliep nu in de praktijk al dat regeerwerk van Frederik Hendrik? Wat voor instanties en personeel stonden hem daarbij ten dienste? Voor zover hij zelf een regeringsinstantie was - en dan, weliswaar niet als instantie, maar als individu de hoogstgeplaatste - hebben wij hem trouwens reeds her en der in actie gezien op Generaliteits- zowel als op provinciaal-Hollands niveau. Wat het eerste betreft was er om te beginnen zijn eigen als het ware verlenginstantie, de Raad van State, waarvan hij, als een der stadhouders in den lande, ambtshalve deel uitmaakte en met de omstuwing door welk college hij menige door hem verrichte staatsfunctie met een speciale nadruk verkoos te beklemtonen. Behalve dat hij ook zelf, met meer of mindere frequentie al naar gelang van de agenda, de Raad met zijn aanwezigheid placht te verkwikken, moeten wij het ons stellig zo voorstellen, dat hij, als hij in Den Haag was, zoal niet dagelijks, dan toch regelmatig contact had met de - roterende - voorzitter van de Raad en met deszelfs secretaris, in welke functie Christiaan Huygens sr. in 1624 was opgevolgd door zijn zoon Maurits.

Of eveneens van meet af aan de griffier van de Staten-Generaal tot de met regelmaat ontbodenen behoorde, is naar mijn beste weten niet geboekstaafd. Tot hij in 1628 thesaurier-generaal werd, was dit Johan van Goch, daarna de tot dusverre pensionaris van Rotterdam Cornelis Musch, die weldra onmiskenbaar tot de politieke intimi uit 's Prinsen omgeving moet worden gerekend. Geleidelijkaan komt trouwens ook het gebruik in zwang dat, als de Prins in Den Haag is, ook de President van de week 's ochtends vóór de vergadering eerst even bij Zijne Excellentie, later Zijne Hoogheid aanloopt.

Als stadhouder van Holland hebben wij reeds ettelijke bladzijden lang 's Prinsen bedrijvigheid gade geslagen ten opzichte van de Statenvergadering, bijvoorbeeld met geen geringere stunt dan, om het maar even cru uit te drukken, Gecommitteerde Raden opstoken tot het stellen van de ‘portefeuillekwestie’. Wanneer dit Hoge College zich naar Zijne Excellentie begeeft, dan heet dit op eigen initiatief te geschieden, maar wie bijvoorbeeld in de officiële terminologie van de Staten-Resoluties door de Stadhouder van Holland kan worden ‘ontboden’, is de Raadpensionaris, in deze jaren Anthonie Duyck, die als gewezen fiscaal in het proces van Oldenbarnevelt aan Frederik Hendrik persoonlijk niet bijzonder sympathiek kan zijn geweest, maar daarmee kon - nog - geen rekening worden gehouden.

Voor dat ‘ontbieden’ nu en voor het simpeler ‘vragen even bij hem te komen’ op een zo hoog niveau had de Prins van Oranje stellig mensen genoeg in zijn omgeving. Frederik Hendrik heeft nimmer, zoals zijn broer vóór

[p. 134]

en zijn zoon na hem, de kapitein of andere officieren van zijn garde misbruikt om bona fide staatslieden gevangen te nemen, maar voor het overbrengen van uitnodigingen mogen wij toch wel denken aan allerlei adjudanten in zorgvuldig op de uit te nodigen functionaris afgestemde militaire rangen. Moest daarentegen namens de Prins van Oranje iets protocollairs, doorgaans in generlei verband staand met zijn prinsdom, in een der Statenvergaderingen worden verhapstukt - uitnodigingen tot een doop, een huwelijk of een begrafenis - dan werd daartoe geëmployeerd één - of, als het heel belangrijk was, een paar - van 's Prinsen Raden.

De positie van deze lieden is, men mag het misschien niet onduidelijk noemen, maar toch wel enigszins wazig. Dat is te zeggen, hun functie op zichzelf is aan geen twijfel onderhevig: al dan niet tevens als ‘rekenmeester’ de Prins terzijde staan bij het beheer van, c.q. bestuur over zijn wijdvertakte bezittingen, te beginnen bij de correspondentie met de gouverneurs en verdere regerings-instanties in het souvereine prinsdom Orange; dus meer dan genoeg zaken om over te worden geraadpleegd. Verder is ook duidelijk dat men als Raad van de Prins wel degelijk was ingelijfd bij wat te zijner tijd geëtiquetteerd zal worden als ‘La Haye diplomatique et mondain.’ Niet helemaal duidelijk is daarentegen in hoeverre die heren Raden als zodanig tot 's Prinsen hofhouding moeten worden gerekend, want zo te zien was op zichzelf beschouwd dat raadschap geen full-time job. Natuurlijk wel, wanneer een raad, zoals de in 1630 overleden Jacob van der Does, tegelijkertijd een functie bekleedde als - in dit geval - 's Prinsen griffier, maar bijvoorbeeld de Haagse advocaat Erik Dimmer, die in 1625 de Heren Staten kwam uitnodigen tot het mede-openen van Maurits' testament, of de verder nauwelijks bekende Cornelis Montens, die in 1627 samen met Van der Does een van succes verstoken reis naar Orange maakte om daar orde op zaken te stellen? Men kan toch moeilijk aannemen dat die heren nooit iets anders zouden hebben gedaan dan opeenvolgende Prinsen van Oranje raadgeven.

Eén ding is echter buiten kijf: in hun qualiteit van prinselijk raad bemoeiden de heren zich niet met Nederlandse staatszaken. De specificatie moet erbij, want het kon wel eens samenvallen, maar dan uit hoofde van een andere, een in het staatsbestel erkende functie. Het meest voor de hand liggende voorbeeld hiervan biedt Johan de Knuyt, die, hoewel reeds oud-burgemeester van zijn vaderstad Middelburg, het thesaurierschap van Prins Maurits had aanvaard. Als zodanig was hij door Frederik Hendrik niet gecontinueerd, maar wel als een van zijn raden, met dien verstande, dat hij na een wèl geslaagde expeditie naar Orange, als opvolger van Manmaker tevens benoemd werd tot vertegenwoordiger van de Eerste Edele in Zeeland. In Spaanse bronnen vinden wij hem bijgevolg dikwijls aangeduid als ‘el Presidente de Zelanda’, welke benaming in zoverre zelfs correct is, dat hij, wanneer in Den Haag aanwezig, als in rangorde eerste Zeeuw eens in de zeven weken de toerbeurt van het gewest

[p. 135]

in het presidium van de Staten-Generaal placht waar te nemen. Haar bekroning zal 's mans officiële loopbaan echter vinden, wanneer hij niet alleen namens Zeeland deel uitmaakt van de achtkoppige Staatse ambassade op het vredescongres te Munster, maar daarbij tevens als gevolmachtigde van de Prins het privé-tractaat negocieert van het Oranjehuis met de Spaanse koning, waarvan overigens Frederik Hendrik zelf de beklinking niet meer zal beleven.

Dit paragraafje over Johan de Knuyt is met te meer opzettelijkheid hier ingelast, omdat hij in een biografie van zijn heer en gebieder veel minder vaak met name kan worden genoemd dan, naar men onwillekeurig als met de klompen aanvoelt, in feite het geval zou moeten zijn op grond van de kennelijk zo verre van onbelangrijke rol, of liever nog rollen, die hem waren toebedeeld en waaromtrent een, gelukkig door de kletskous Nicolaas van Reigersberg opgetekende anecdote uit het jaar 1639 ons van alles te denken kan geven. Aan Frederik Hendrik wordt dan overgebriefd hoe door de handelsagent van Richelieu in de Republiek, een zekere López die wij nog zullen tegenkomen, beweerd wordt dat De Knuyt, behalve ‘twee milloenen guldens rijck te sijn’, bij hem, de Prins, evenveel zou ‘vermogen ... als den heer cardinaal bij den conynck. Alle hetwelck sijne Hoocheyt sijnde verhaelt, heeft geantwoort op yder met een stille lacchende contenantie: “non pas tant”.’1

Helaas ontrollen De Knuyt's activiteiten zich doorgaans niet of slechts zeer ten dele binnen ons gezichtsveld. Moeten wij van ‘louche’ spreken? In zoverre ja, dat temidden van zijn tijdgenoten een zekere aura van loucheheid de man onmiskenbaar omgaf, maar naar mijn beste weten stellig neen, wanneer het aankomt op het leveren van concrete bewijzen, zoals die voor een Cornelis Musch met karrevrachten aan te voeren zijn. Mogen wij het wellicht, op de tast, ongeveer in die richting zoeken, dat De Knuyt zoveel als 's Prinsen âme damnée was, of, als dat te sterk is uitgedrukt, dan toch zijn factotum voor... zeer zeker niet voor een ‘Watergate’ of iets van dien aard, maar laat ons zeggen voor allerlei dingen die beter niet al te dicht in de buurt van de grote klok konden komen? En nogmaals, als deze vertrouwensman van de Prins een openbarelijk politieke rol speelt in den lande, dan is dat uit hoofde van een openbare politieke functie die van nature aan de Prins ter vergeving stond.

 

Geen eigen politieke rol wordt daarentegen gespeeld door iemand uit 's Prinsen naaste omgeving, die op een gegeven moment ook ‘raad’ wordt - en dat dan voor meer dan een halve eeuw - maar pas nadat hij al een paar jaar lang een functie heeft vervuld, waardoor hij in het volle licht der openbaarheid kwam te prijken, 's Prinsen secretaris Constantijn Huygens.

Of eigenlijk, tot 1645, één van 's Prinsen tweetal secretarissen. Zoals diverse andere functionarissen had Frederik Hendrik, wij kunnen wel aannemen bijna automatisch, ook Maurits' secretaris Jacob Junius overgenomen. Zelf had hij echter reeds jaren lang een eigen secretaris, Hugo de Groot's neef Jan Tuning

[p. 136]

- ‘goeije Jan, die al sijn heul was’, aldus Huygens in een soort aanhangsel van zijn Scheepspraat - maar deze overleed reeds enkele weken na de ambtsaanvaarding van zijn baas, aldus ruim baan makend voor Huygens zelf, die als reactie op zijn keurige - in het Frans gestelde! - sollicitatiebriefje2 vrijwel per ommegaande tot 's mans opvolger werd benoemd. Naar Nicolaas van Reigersberg, die kennelijk zelf graag dit baantje gekregen had, ietwat smalend aan zwager Huig in Parijs schrijft, was de benoeming een van de vruchten ‘die wij van de absentie van mijn heer den Prince trecken’,3 waarbij wij ons herinneren dat de Prins immers nog in Waalwijk zat. Maar als Nicolaas hier, rancuneus en wel, aan toevoegt ‘Niemant kan sijn Excellentie terdege onderrichten’, dan mogen wij daarbij aantekenen dat dat in dit geval ook nauwelijks nog nodig kan zijn geweest. Dat, afgezien zelfs van eventuele eigen ambities, deze benoeming voor de Grotius-kring voor zover dan een ‘vrucht’ een ietwat wrange moet zijn geweest, is overigens zeer begrijpelijk, want de van afkomst door en door Brabantse Constantijn was inderdaad wel een soort protégé te noemen van die andere Brabander, François van Aerssen, in wiens gevolg hij een paar keer mee geweest was op ambassade, naar Venetië en naar Londen. Maar al hebben dan die ervaringen ongetwijfeld bijgedragen tot zijn persoonlijke geschiktheid voor de functie, een Huygens had bij de Oranjes waarlijk geen omweggetje via Van Aerssen erbij nodig. De een jaar tevoren overleden vader Christiaan was zelf een van de secretarissen geweest van Willem de Zwijger; over zijn oudste zoon Maurits had de prins van die naam persoonlijk het peetschap aanvaard en Constantijns eigen peten waren de Raad van Brabant en de bakermat van de familie, de eigenste Nassaustad Breda.4

Naar Nicolaas van Reigersberg er in de stuiptrekkingen van zijn frustratie nog verder bijvertelt, zou de inderdaad zeer anglofiele, mitsgaders door Jacobus I in de adelstand verheven Huygens aan zijn ‘avancement’ zijn geholpen door de ‘intercessie’ van de Engelse ambassadeur Carleton en zelfs van de, van huis uit immers eveneens Engelse Winterkoningin, dank zij wier hoge, zij het dan berooide presentie in Den Haag de Prins, naar wij bedenken, ook al aan zijn vrouw was gekomen.

Maar zelfs afgezien van aanbevelingen en familierelaties kunnen wij geen ogenblik serieus betwijfelen dat een waarlijk niet onder de korenmaat verstopt gehouden sieraad van de Haagse jeunesse dorée zoals de jongste zoon Huygens onbekend zou zijn gebleven aan een vorstentelg die zelf zo lang, zelfs ietwat overjarig lang, het stralend centrum was geweest van die jeunesse. Wie hieraan niettemin nog mocht twijfelen zij verwezen naar het rijkelijk aulische en voor een mid-twintiger ook rijkelijk naïeve poëem, waaraan Constantijn zich in februari 1619 te buiten ging onder de titel ‘Monseigneur le Prince Henry de Nassau m'ayant faict l'honneur de lire quelques miens escrits’ en waarvan elk der zeven strofen eindigt met de zwijmelende exclamatie: ‘Un Prince a veu mes vers.’5

[p. 137]

Maar hoe ook het benoemingsbesluit tot stand is gekomen, men kan slechts constateren dat niet alleen het Huis van Oranje zelf, maar evenzeer het weetgierig nageslacht er in hoge mate bij gebaat is geweest. Om met het laatste te beginnen: als wij bijna van dag tot dag kunnen nagaan waar de steeds ambulante Frederik Hendrik zich bevond, dan is dat dank zij het Dagboek waarin Huygens regelmatig niet slechts zijn eigen bewegingen maar ook die van zijn chef optekende in wat wij thans zouden noemen telegramstijl. Bij wijze van willekeurig gekozen voorbeeld volgen hieronder de maanden september en oktober van het jaar 1639. Het Zuilichem waar op 11 september overnacht wordt, is de in de Bommelerwaard gelegen heerlijkheid van die naam, die Huygens in 1630 had gekocht en waarnaar hij sedertdien doorgaans genoemd werd.

4 Sept. Rhynberka cum exercitu secundo flumine descendimus usque ad Emmerick.
5 Sept. Anchoras ad Zulichemium jacimus. Ego Tiela solus Zulichemium navigo, et cubo.
6 Sept. Navigatur usque ad Willemstadt.
7 Sept. Ad st. Annelandt anchoras jacimus.
8 Sept. Progredimur Vianam usque.
9 Sept. Circa meridiem vento deficiente et adverso anchoras ad Berg op Zomum jacimus.
10 Sept. Post meridiem ad St. Annam appellimus. In Cruyspolder castra metamur.
21 Sept. Cum Principe ad Cruysschans, Liefkenshoeck et Lillo et in castra reversi.
30 Sept. Exercitus in naves impositus.
1 Oct. Bergh op Zomum appellimus et cubamus.
9 Oct. Berga discedimus. Steenbergae prandemus, cis Willemstadt anchoras jacimus.
12 Oct. Per Delfshaviam Hagam redimus sub vesperam, Deo Laus. Incipio febricitare.6

Maar is dit op zichzelf al iets zeer waardevols voor de geschiedschrijving, tot nog grotere dank zijn wij Huygens verplicht voor de verslagen die hij, steeds wanneer hij mee op campagne is, met een frequentie van twee, drie per week van 's Prinsen doen en laten uitbrengt aan Amalia en waarin wij meer, veel meer nog dan in de officiële Mémoires het verloop van die veldtochten op de voet kunnen volgen.

Iets anders is dat, als wij hier een verplichting tot dank constateren, het nageslacht toch zeker niet als eerste aan bod komt, dus dan dringt zich de vraag op: hoe wel voer Huygens zelf bij zijn zo interessante en eervolle betrekking?

Dat een, primair toch man van actie zoals Frederik Hendrik beseft zou moeten hebben dat zijn vernuftige secretaris, die aan de lopende band routineversjes opspoot, desondanks door het nageslacht gezien zou worden als een der toppen van het vaderlandse lierdicht, zou wel wat veel gevraagd zijn; wij mogen hem toch ook niet achteraf de wetenschap opdringen dat net precies

[p. 138]

die eeuw waarin hij en zijn secretaris leefden, retrospectief zou worden uitgedost met goudglans en dat, op andere terreinen dan dat van de letteren, hemzelf daarbij tesamen met zijn broer het goud ‘in militaribus’ zou worden toegekend, maar ‘in politicis’, juist samen met een man die door zijn broer onthoofd was, en een die weliswaar niet door, maar toch ter ere van zijn kleinzoon door het plebs gelyncht zal worden.

Dit vooropgezet, zij de indruk geboekstaafd dat Frederik Hendrik, die dan al geen fijnproever van poëzie mag zijn geweest, maar ongetwijfeld een goed mensenkenner met een gedegen eigen ondergrond van eruditie en beschaving, zeer wel besefte wat voor een gelukkige keuze hij had gedaan, toen hij Huygens tot zijn secretaris benoemde. Men zie slechts - dat is te zeggen, wij kunnen het afleiden uit de bescheiden - hoe snel de jongere en later benoemde zijn oudere collega, de nogal arrogante Jacob Junius, overvleugeld had. En een geschenk zoals dat van een royaal bouwterrein - waarover aanstonds - in Den Haag wijst toch stellig wel op een solide waardering. Dat wij die niet in even zo veel woorden opgetekend vinden, behoeft ons bij iemand als Frederik Hendrik toch niet al te zeer te verwonderen en wie weet of ook dat niet ergens verwoord staat in die te Dessau mee begraven brieven aan zijn vrouw.

Eén ding dat de Prins stellig in deze secretaris gewaardeerd moet hebben, is de zorgvuldigheid, waarmee hij zich afzijdig hield van politieke zaken. Naar P.C. Hooft eens aan Simon van Beaumont en Andries Bicker schreef, placht Maurits zijn secretarissen wel in te schakelen bij de benadering van individuele statenleden,7 maar die gewoonte koesterde Frederik Hendrik zo te zien niet. Ten minste, dan hadden wij daarvan toch wel enig spoor gevonden in het enorme corpus van Huygens' briefwisseling. Dit nu is nadrukkelijk niet het geval en wat wij evenmin tegenkomen, is enigerlei initiatief in die richting van hemzelf. Waar het wel van wemelt, zijn briefjes over aanbeveling of ondersteuning van een sollicitatie bij de Prins, en als de secretaris die op een welgekozen ogenblik naar voren bracht, dan kan het, zou men zo zeggen, haast niet anders, of Zijne Excellentie moet wel eens gevraagd hebben of hij de sollicitant kende en, zo ja, wat hij van hem vond. En lijkt bij een zo intieme dagelijkse samenwerking ook in politieke zaken zo nu en dan eens een praatje over het geval in kwestie niet alleszins voor de hand liggend? Nochtans, geen enkele aanwijzing in die richting in Huygens' brieven en zeker kunnen wij ons hem niet voorstellen als blunderend met ongevraagd advies, zoals zijn collega Junius overkwam, die, toen de Prins hem opdracht gaf voor Hugo de Groots zwager Loosecaat de benoemingsacte op te maken tot ‘commissaris van de vivres’ in het zo pas veroverde Den Bosch, de vraag stelde of daar met de ter plaatse aanwezige leden van de Raad van State over was gesproken, waarop hij als reactie van Zijne Excellentie ‘in grammen hevigen moede’ een stevige windvlaag van voren kreeg.8

Was het dan louter koek en ei tussen prins en dichter in al die jaren van

[p. 139]

hun ambtelijke verhouding? Wij zouden het zonder aarzeling kunnen geloven, als zich niet kennelijk onder invloed van Amalia, in Frederik Hendriks laatste levensjaar een paar lelijke vertroebelingen hadden voorgedaan, die hieronder nog nader aan de orde zullen komen.9 Maar niettemin valt er in heel de overstelpende woordenstroom die alom in den lande zal losbreken bij 's Prinsen overlijden geen pregnanter post mortem aan te wijzen dan dat in Huygens' dagboek. Tot zuivere appreciatie moeten wij wel erbij weten dat hij tot dusverre pas tweemaal bij een sterfgeval iets meer had opgetekend dan het simpele feit: bij de dood van zijn vrouw en ‘Sterre’ in 1637 en bij die van zijn broer Maurits in 1642. En dan vinden wij als derde d.d. 14 maart 1647: ‘Obiit 5a matutina clementissimus Princeps meus Fredericus Henricus Auriacus. Deus misereatur Populi sui.’

Dat ‘Princeps meus’ zal overigens, volledigheidshalve erbij vermeld, drie en een half jaar later opnieuw dienst doen bij de dood van Willem II - en dan luidt de toegevoegde invocatie zelfs ‘Miserere populi hujus et mei, O magne Deus’ - maar als het dan ten derden en laatsten male opduikt, dan slaat het weer op Frederik Hendrik, want dan betreft het de vermelding d.d. 8 septemter 1675 hoe hij aanwezig is geweest bij het sterfbed van Amalia van Solms ‘Principis mei Frederici Henrici viduae.’ Welteverstaan, dan is Constantijn Huygens nog steeds actief bedrijvig in dienst van het Doorluchte Huis. Dat was hij gebleven ook in de periode van eclips, toen hij bijvoorbeeld na twee jaar moeizaam onderhandelen in 1665 het prinsdom Orange weer aan de klauwen van Lodewijk XIV had ontfutseld voor het regentschap van Amalia; dat bleef hij ook nadat in 1672 het secretarisschap was overgegaan op zijn oudste zoon Constantijn jr. Tot en met als hij 88 jaar is zien wij de oude heer jaarlijks erop uittrekken om in allerlei bezittingen van het Oranjehuis de rekeningen te controleren en de opbrengsten te incasseren. Er is dan ook wellicht geen smet, die lelijker de nagedachtenis van Prinses Amalia ontsiert dan het grievend verzuim waarmee zij naliet hem aan te stellen tot een van haar executeurs testamentair.

 

Zou in een biografie van Constantijn Huygens zijn dienstverband bij de Oranjes zo veel als het stramien moeten zijn voor geheel het borduursel, in die van Frederik Hendrik figureren zijn betrekkingen met Huygens als niet meer dan een enkel hoofdstuk, al mag dit hoofdstuk stellig essentieel worden genoemd. En ziet, als om dit essentiële karakter te symbolizeren is er een welomschreven geste van de Prins: de schenking aan zijn secretaris van een lap grond om een huis op te bouwen, gelegen aan de zuidoostzijde van wat thans in Den Haag ‘het Plein’ heet.

Deze schenking moet evenwel in een heel wat ruimer kader worden bezien, in dat van Frederik Hendriks eigen huisvesting op het Binnenhof en daarbij moeten wij ons om te beginnen voor de geest roepen wat dat Binnenhof met

[p. 140]

zijn zo rijk gevarieerde opstal van oorsprong eigenlijk was, te weten de plaats waar de Graaf van Holland hof hield. Al een paar eeuwen lang echter was de Graaf van Holland tevens heer van zo veel andere, doorgaans veel belangrijkere vorstendommen geweest, dat hij alleen nog maar zo nu en dan eens op zijn hof in Den Haag kwam logeren. Wie er echter wel vast verblijf hield, wanneer ten minste ook niet hij normaliter buiten Holland resideerde - denk aan de zestiende-eeuwse Nassaus, inclusief Willem de Zwijger - was 's Graven stadhouder, voor wie dan ook al vroeg een eigen kwartier was ingeruimd in de noordwesthoek. In dat kwartier verrichtte de stadhouder al wat, voor zover geen ambulantie vereisend, des stadhouders was, bijvoorbeeld in een voldoende ruime zaal de Staten van het gewest bijeenroepen, wanneer hij iets van hen gedaan moest krijgen, meestal natuurlijk de opbrengst van een bede.

Wat zich dus eigenlijk voordeed, toen na de Verlating van Philips II en de daarop gevolgde experimenten de Staten zelf de grafelijkheid gingen bekleden, is dat de Graaf van Holland weer op zijn Hof kwam resideren, maar al mag dat juridisch correct geformuleerd zijn, in affectief opzicht, om het zo maar te noemen, was dit zeer zeker niet wat er gebeurde; de Staten bleven eenvoudig, als waren zij nog steeds bescheiden onderdanen, vergaderen in het stadhouderlijk kwartier, waar - en zelfs niet aaneensluitend - ook voor het permanente college van Gecommitteerde Raden onderdak werd gevonden. Trouwens, toen de Staten-Generaal en de Raad van State permanent in Den Haag kwamen vergaderen, werden ook die beide colleges geheel vanzelfsprekend op het Binnenhof ondergebracht en hetzelfde gold voor de in 1581 opgerichte Hoge Raad van Holland (en Zeeland); dat het Hof van Holland er vanouds gevestigd was, behoeft wel nauwelijks nog gezegd te worden. Kortom, men moest in die wirwar wel heel goed weten waar men terecht kwam door al die deurtjes, maar alleen met die geschapenheid in gedachten is bijvoorbeeld het verhaal van Oldenbarnevelts gevangenneming door Maurits en later van die van de zes statenleden door Willem II op de voet te volgen.

De stadhouders hadden dus niet langer, zoals in de landsheerlijke tijd - behalve dan die heel enkele keren dat de Landsheer persoonlijk Den Haag met een bezoek vereerde - het hele Binnenhof tot hun beschikking; zodoende begon bijvoorbeeld hun moestuin, zijnde het huidige Plein, meer en meer op een ietwat zonderlinge exclave te lijken, alleen bereikbaar over een vlonderbruggetje ter plaatse van de huidige Grenadierspoort na het passeren van allerlei genoeglijke en schilderachtige timmerages, zijnde de oorspronkelijke kastelanij van het Hof, maar waar inmiddels ook een instantie als de Raad van State onderdak was gebracht.

Wat wij namelijk niet moeten vergeten, is dat, afgezien van een neventoegang in de richting van het Spui, het nog steeds door zijn gracht omgeven Hof als alleen uit het zuidwesten, dus via het Buitenhof toegankelijk gold. Naarmate het riante residentiedorp 's-Gravenhage groeide, kunnen wij ons

[p. 141]

echter voorstellen dat deze toestand als steeds meer onbevredigend werd ervaren, waar nog bijkwam dat het een zo zuinige graaf als de Staten van Holland heel weinig verantwoord voorkwam pal naast hun Hof en technisch nog daartoe behorend, zulke kostbare bouwterreinen als het huidige Plein en Korte Vijverberg voor even veel te laten liggen, zodat zij in 1631 het voornemen lieten concretizeren dat waardevolle grondbezit bij verkaveling te gelde te maken. En ziet, wie daarbij kans zag met een onmiskenbaar maecenatentintje als mede-initiatiefnemer uit de bus te komen, was de Prins, getuige bijvoorbeeld nog steeds de 2 december 1636 gedateerde gevelinscriptie van de Sebastiaansdoelen: ‘Dotavit Fredericus Henricus D.G. Princeps Auriacus Pater. Fundavit Iacto Primo Lapide Princeps Gulielmus Filius.’10 Allicht, wie een aardig zoontje van tien jaar heeft, laat hem eerste stenen leggen.

Dat was dan aan één uiteinde van het verkavelingsproject, belendend aan het Tournooiveld, maar waar de Prins eveneens kans zag voor zichzelf de vrije beschikking te krijgen over een dubbelperceel, was aan het andere uiteinde, op de hoek van de Lange Poten, en hiermee was het dan dat hij zijn trouwe secretaris verblijdde.11 Zijn neef Johan Maurits van Nassau-Siegen, weldra van Braziliaanse faam, die met het allermooiste perceel ging strijken, moest daar wel degelijk voor betalen.

Bij de hier geschetste ontwikkeling, waarmee wij lichtelijk vooruit gelopen zijn op ons tijdschema, was uit de aard der zaak het stadhouderlijk kwartier zelf meer en meer teruggedrongen tot één betrekkelijk welomschreven onderdeel van heel die chaotische opstal om het Binnenhof heen. En dat terwijl juist de man die, naast de nodige andere dingen, ook stadhouder van Holland was, een eersterangs positie begon in te nemen, niet slechts in het vaderlandse maar zelfs in het wereldbestel. Reeds de vrijgezel Maurits liet dan ook het kwartier aanzienlijk uitbreiden, met name door de bouw van een grote hoektoren die nog altijd zijn naam draagt.

Veel meer nog dan Maurits zal echter de gezinsvader Frederik Hendrik aan de ‘ambtswoning’ ver- en nieuw bouwen met name in de richting langs het Buitenhof; en terloops daarbij opgemerkt, van het huidige Buitenhof, dus over de Hofgracht, was reeds ten tijde van Maurits een aardig lapje afgeschoten en bij het kwartier getrokken, zodat de familie ten minste discreet een luchtje kon gaan scheppen zonder daarvoor iedere keer dwars door Den Haag te moeten trekken. Zelfs stond er, als om het helemaal echt te maken, in dat prinsheerlijke stadstuintje een ‘speelhuys’ met beneden en boven elk een zaal plus twee kamers.12

Zoëven gebruikte ik het woord ‘ambtswoning’ en zo moeten wij het ook ongetwijfeld wel zien, maar toch mogen wij wel even stilstaan bij het feit dat ook door Frederik Hendrik deze ambtswoning werd betrokken. Toen Maurits als nauwelijks achttienjarige jongen hals over kop stadhouder van Holland gemaakt werd, was er eenvoudig in Den Haag geen ander passend verblijf,

[p. 142]

waar hij zelfs maar zou hebben kunnen gaan wonen, maar Frederik Hendrik had al wel een huis, het ons reeds bekende Oude Hof,13 waar hij na de dood van zijn moeder een paar jaar alleen had gewoond en waar hij nu dus zijn Amalia bij zich had in wat zich wel liet aanzien als een ‘happily ever after’. Dit zo zijnde, lijkt het allerminst onredelijk ons even af te vragen of de nieuwe prins en prinses niet ernstig zouden hebben overwogen, al was het maar om tegenover allerlei instanties vrijer te staan, in hun naar hartelust verbouwbare eigen huis met zijn betrekkelijk royale tuin te blijven wonen. Wat dat verbouwen betreft, dat zal ook inderdaad gebeuren, maar pas in de jaren na 1640, als de twee thans helaas verdwenen grote buitenverblijven, Honselaarsdijk en het Huis ter Nieuburch in Rijswijk al zo goed als voltooid zijn. Dan zal dat Oude Hof wat zijn naar het Noordeinde toegekeerde voorzijde betreft het uiterlijk krijgen, dat wij nog steeds - of liever gezegd, sinds kort wederom - kunnen aanschouwen en waarmee het om te beginnen na Frederik Hendriks dood een kwarteeuw zal prijken als residentie van douairière Amalia wier eigen appartementen evenwel, met vrijwel al wat achter de façade was gelegen, een kleine anderhalve eeuw na dezen ten offer zullen vallen aan de verkoninklijking van het paleis.14

Zodoende is, als wij de balans opmaken, die voorbouw aan het Noordeinde het enige tastbaars dat ons is overgebleven van Frederik Hendriks eigen activiteiten als bouwheer, komende immers, al is het dan te zijner ere uitgedost, het Huis ten Bosch in feite toe aan Amalia.

Zonde en jammer natuurlijk, die gang van zaken, maar met die verzuchting mogen wij ons niet ervan afmaken. De verminking van het Oude Hof en de wetenschap dat - in welk ander land zou het zelfs maar voorstelbaar zijn? - in het voormalige stadhouderlijk kwartier op het Binnenhof thans pennen worden gelikt door nijvere staatsdienaren, zijn bedroevend genoeg, maar waarvoor wij bovenal moeten waken, is dat het verdwijnen van Honselaarsdijk en Rijswijk niet tevens betekent dat als het ware een hele dimensie van Frederik Hendriks persoonlijkheid geen kans krijgt door te dringen tot ons gezichtsveld. Met een, zij het wel ietwat overtrokken vergelijking: hoe zou onze gangbare voorstelling van Lodewijk XIV eruit zien, als tussen zijn en onze dagen Versailles was afgebroken en omgeploegd? En komt niet het zo manifeste mankgaan van deze vergelijking in feite neer op een a fortiori? De zonnigheid van zo'n Zonnekoning zou toch altijd wel geregistreerd zijn, maar bij een vorstelijkheid-op-de-drempel zoals die van Frederik Hendrik zou, als het allemaal nog overeind stond, datgene wat op zijn geheet aan bouwwerken werd opgetrokken als iets ten enenmale onwegdenkbaars hebben gegolden bij de quotering van zijn persoonlijkheid. Waartoe wij dan ook als het ware moreel verplicht zijn, is dubbel hard denken bij het weemoedig bekijken van de gelukkig wel bewaard gebleven afbeeldingen van die lusthuizen. En wat ons dan daarbij einleuchtet is toch wel in de eerste plaats dat, om van de neven Nassau in elk

[p. 143]

zijn minuscule deelstaatje niet te spreken, zo iets heel zeker nimmer van de grond zou zijn gekregen door een Prins van Oranje zonder uitloop buiten zijn gelijkelijk minuscule prinsdommetje.

Wat wij dan ook voortdurend in gedachten moeten houden, is dat, juist zoals in zo vele andere, ook in dit vorstenleven verpozing vóór alles betekende het onderhouden - in casu al dan niet via Huygens - van boeiende en vruchtbare contacten met mensen zoals Jacob van Campen en Pieter Post, die overigens, iets dat wij niet moeten vergeten, niet slechts als architecten, maar evenzeer als schilders en als adviseurs bij schilderijenaanschaf werden gewaardeerd. In hoeverre Frederik Hendrik kunst aankocht uit een werkelijke behoefte des harten, in hoeverre op grond van een besef dat het er voor iemand in zijn positie bijhoorde, is een moeilijk te beantwoorden vraag. Het in iconografisch opzicht bijna rammelend heterogene allegaartje dat hij aan schilderstukken op de ‘galderije’ van zijn eigen appartement in het stadhouderlijk kwartier had hangen, kan ons op de gedachte brengen dat hij wel degelijk zijn lievelingsstukken had, die hij uit aesthetische voorkeur dagelijks in zijn vaste woonstee om zich heen wilde hebben, maar als wij dan bedenken hoe veel van die stukken riante nymfen, Venussen en wat dies meer zij voorstelden, maar bovendien nog dat de wel beklede vrouwenfiguren doorgaans oer-roomse Madonna's uit Vlaanderen waren, mogen wij dan bij een zo speelse figuur als deze Prins op voorhand uitsluiten dat hij het ook wel aardig vond de nodige ‘fijnen’ onder zijn bezoekers te ergeren, in de eerste plaats natuurlijk de verder zo onaantastbare predikanten van het type Rosaeus en Voetius? Waar dan nog bij kwam - en zou met name dat niet zijn gevoel voor humor hebben gekieteld? - dat zij er hem niet eens van de kansel over konden kapittelen, want het vrome kerkvolk moest immers in de waan worden gelaten dat hij een der hunnen was.

Dat, hoe dan ook, Frederik Hendrik niet aan verzamelwoede leed om des verzamelens wille, blijkt aardig uit een teleurstelling die de Nijmeegse predikant-archaeoloog Johannes Smetius Sr. te incasseren kreeg, wiens in die dagen wijdvermaarde collectie van romeinse antiquiteiten op 16 oktober (o. st.) 1633 door de Prins met een bezoek was vereerd. Welnu, als resultaat van dit bezoek kreeg Smetius l'esprit de l'escalier beet; hoe is het mogelijk, aldus in een briefachteraf aan Huygens, dat hij de Prins niet op stel en sprong zijn hele collectie ter overname heeft aangeboden? Maar op de vraag of dat niet alsnog zou kunnen geschieden krijgt hij het ontnuchterende antwoord te verwerken dat het weliswaar zijn vriend Huygens, maar dan ook hem alleen, gelukt was Zijne Excellentie in Nijmegen even mee te slepen naar de Steenstraat om Smetius' schatten te bewonderen, maar dat het thans, terug in Den Haag, geen mens ter wereld zou gelukken het vonkje van die belangstelling opnieuw te doen oplaaien. Met ter adstructie een droevig voorbeeld: terwijl de muntenverzameling van de onlangs overleden Winterkoning van alle kanten belangstellenden

[p. 144]

aantrekt, laat enkel en alleen de Prins verstek gaan; wat hem, Huygens, niet eens is mogen gelukken, is Zijne Excellentie zo ver te krijgen, dat hij zelfs maar optie gevraagd heeft op een enkel, vrijwel uniek stuk.

Dit ernstige tekortschieten van zijn meester - meus ille - wordt door de dichter-secretaris tegenover de geestverwant die hij teleur moet stellen, aldus verwoord, dat het bezoekje aan de Nijmeegse Steenstraat - die, want er kwam een uitermate illuster gevolg mee, niet dan ternauwernood het cortège kan hebben verwerkt - niet meer had betekend, dan dat op zijn, Constantijn Huygens' eigen instigatie de Prins heel even a Republica Belgij was overgeschakeld ad Romanam. Voor eerstgenoemde evenwel, het kader waarin zich zijn eigen levenswerk ontrolde, was daarbij zijn belangstelling zeer zeker niet uitsluitend pragmatisch. In hoeverre het een hulde aan Clio als Muze betekende zij zeer nadrukkelijk in het midden gelaten, maar in ieder geval was Frederik Hendrik in eigen persoon een van de mensen, die - en blijkbaar zelfs van harte gaarne - bereid werden gevonden vóór de publicatie het manuscript van Hoofts Histoorien door te nemen.15

En, of hij nu al dan niet geheid-muzisch was, als wat hij zich dus heel zeker ook ontpopte, was als een bouwheer van formaat, waarbij wij het ons ongetwijfeld zo moeten voorstellen dat deze plannenberamende bouwheer aanzienlijk meer kans tot ontplooiing kreeg 's winters in Den Haag dan 's zomers op campagne, maar kan het anders of hij moet telkenjare na terugkomst van zijn veldtocht terstond naar Honselaarsdijk of Rijswijk gesneld zijn om na een zo lange afwezigheid in ogenschouw te nemen wat er inmiddels nieuw was opgetrokken in wat, behalve het goede vechtseizoen, tevens dat om te bouwen was?

Hoezeer echter ook dat bouwheerschap iets essentieels mag zijn geweest voor Frederik Hendriks persoonlijkheid, voor wonen-in-functie kwam - half handhaven, half vestigen van traditie? - spijts al die rare deurtjes in die rommelige opstal toch blijkbaar alleen maar het Binnenhof in aanmerking. Zelfs als de zoon en opvolger trouwt, nog wel met een prinses van koninklijken bloede, wordt de ruimte voor die nieuwe hofhouding eveneens in het stadhouderlijk kwartier gevonden. Ja, sterker nog, wanneer in 1650 bij de dood van die zoon het stadhouderschap van Holland gediscontinueerd wordt, dan blijft de jonge weduwe met haar postuum geboren zoontje eenvoudig wonen waar zij woont. Verkeerde men dan soms in de mening dat die gebouwen in eigendom aan de Oranjes toebehoorden? Zeer zeker niet, want al mag zij dan blijven zitten, de Staten van Holland, die dringend uitbreiding behoeven, verlangen wel van de prinses dat zij daartoe een flink stuk van haar accommodatie afstaat. Maar niettemin al was het dan na enige opschuiving, het ambteloze prinsje Willem III zal, wanneer hij zich niet in Breda of in Leiden, dan wel op Honselaarsdijk of het Huis te Dieren bevindt, opgroeien in de voorvaderlijke woonst, vormende een onderdeel van een complex waar Jan de Witt

[p. *9]



illustratie

10. Constantijn Huygens.aant.


[p. *10]



illustratie

11. Het Binnenhof met naaste omgeving in 1616.aant.


[p. 145]

alleen maar een werkkamer tot zijn beschikking heeft, een vijf à tien minuten wandelens van Vijverberg of Kneuterdijk.

 

De officiële verhuizing van het prinselijk paar van Noordeinde naar Binnenhof had plaats op 30 maart 1626. Dat wij dat zo precies weten is te danken aan de Staten-Generaal, die daags daarna een deputatie op hen afstuurden ter verwelkoming. Naar het in de daartoe strekkende resolutie heet, zijn ‘Sijne Excellentie en Mevrouw de Princesse hier opt Hof... comen logeren’; hier op het Haagse Binnenhof natuurlijk, maar al is zeker geen woordspeling bedoeld, wat ‘hier opt Hof’ was komen neerstrijken, was zelf wel degelijk ook een ‘hof’ in aulische zin, al vinden wij het dan doorgaans, in de hoftaal, aangeduid als ‘la cour’. Zo bijvoorbeeld in een als poëzie ongenietbaar, maar ter oriëntering in het Den Haag van die dagen zeer zeker wel nuttig poëem van de jonge Huygens, getiteld le Revers de la Cour,16 waarbij het inmiddels weinig zin heeft aan de hand van Worps onverdroten annotatie al die lieden hier de revue te laten passeren; dat Prins en Prinses elk bijvoorbeeld een stalmeester hadden, geloven wij heus wel, maar wij zullen wel zien of wij die heren ooit tegenkomen. Natuurlijk was het geen hof zoals dat van een koning in Londen of in Kopenhagen, laat staan in Madrid of Parijs, maar wel was het heel wat meer dan wij zouden hebben aangetroffen rondom een Prins van Oranje die, ter plaatse residerend, alleen maar dat prinsdommetje had te regeren.

Maar kunnen wij die hofcharges gevoeglijk ignoreren, waaraan wij in de omgeving van de Prins van Oranje, zijnde het meest door de fortuin begunstigde lid van het Huis Nassau, niet mogen voorbijzien, is, huiselijk op zijn Duits uitgedrukt, al wat drum und dran hängt. Niet dat dat allemaal Duits was, misschien zelfs niet in meerderheid, maar hier heeft neuzen tellen waarlijk niet veel zin. Wat wel zin heeft is daarentegen ons een globale indruk vormen van wat er allemaal als min of meer ebenbürtig om Frederik Hendrik en Amalia heen in het Den Haag van die dagen rondzwermde.

Willem de Zwijger had, zoals hierboven reeds beschreven, behalve, elk uit een ander huwelijk, zijn drie zoons, een zo gedegen aantal dochters nagelaten, dat zij goede diensten kunnen verrichten als alternatief voor schapen-tellen bij slapeloosheid. Als kinderen van deze dochters vielen er, al dan niet permanent, de nodige neven en nichten op het appèl te signaleren. De allerillusterste, de Winterkoning hier nog even buiten beschouwing gelaten, waren er om te beginnen de weinig frisse ‘prinsen van Portugal’, kinderen van Maurits' volle zuster Emilia, die de gewoonte hadden van religie en loyaliteit te wisselen zoals een ander mens van ondergoed. Dan verder waren er de reeds genoemde La Trémoille's, de La Tour d'Auvergne's, thuishorend in Bouillon-Sedan, enz. enz.; wie niet in slaap wil vallen, hoeft geen schapen te tellen.

Wat de Nassau's betreft nam natuurlijk de zogenaamde ‘Friese tak’ een eigen positie in, die echter eveneens frequente aanwezigheid in Den Haag met

[p. 146]

zich meebracht. Maar uit de ‘stam Jan’, die minstens even rijk met zoons gezegend was geweest als zijn broer Willem met dochters, was nog heel wat meer voortgesproten dan alleen maar een paar Friese stadhouders. Enkele leden stonden, niet zonder samenhang met rijke katholieke huwelijken, aan de Spaans-Keizerlijke kant, maar verscheidene anderen dienden voor kortere of langere tijd in het Statenleger, zoals de verdienstelijk-middelmatige ‘graaf Willem’ die wij herhaaldelijk tegenkomen, met name in allerlei resoluties, bijvoorbeeld wanneer Gecommitteerde Raden van Holland besluiten een voorgestelde verhoging van zijn tractement ter Staten-Generaal niet tegen te werken, maar te laten ‘glisseren.’17 Bij de doop van zijn dochtertje in maart 1628 zijn de Staten van Holland zelfs bereid peet te staan, compleet met ‘pillegift,’18 maar wat niet voor hem gedaan wordt, is een uitzondering maken op de regel dat geen militaire charges mogen worden gecumuleerd.19 Hij overleed in 1642 aan verwondingen opgedaan bij het beleg van Orsoy het jaar te voren.

Behalve dergelijke legitieme ‘graven’ van Nassau, zijn er de doodgewone ‘heren’ oftewel bastaarden, voorop de enige van Willem de Zwijger, Justinus, dikke vriend van Constantijn Huygens, bij wiens huwelijk in maart 1627 hij present was, zij het zonder zijn vrouw, Anna van Merode, aangezien zij nog niet officieel kan uitgaan; zij is namelijk ‘depuis sa sortie de Breda’ nog niet de hand gaan kussen van de Winterkoningin en van Prinses Amalia. Dan de zoons van Maurits, van wie de meest belovende, Willem heer van Nassau la Lecq, admiraal van Holland, in 1627 zal sneuvelen bij het beleg van Grol. Later komt daar dan natuurlijk nog bij de toekomstige gouverneur van Willem III, Frederik Hendriks eigen bastaard, Frederik van Nassau-Zuilestein, die thans nog als ‘jonker van Buren’ wordt opgevoed onder supervisie van Constantijn Huygens.

Wanneer wij dan verder nog denken aan de vele, soms verre of helemaal niet-verwanten, maar die gelijkelijk tot de Europese Hochadel op de rand van vorstelijkheid behoorden en een tijdje in het Statenleger dienden, dan kunnen wij ons voorstellen dat het 's winters druk was aan het stadhouderlijk hof, al moeten wij het ons ongetwijfeld ook weer niet zo voorstellen, dat heel die krijgshaftige zwerm van na- tot voorjaar in Den Haag kwam overwinteren. Velen deden gewoon garnizoensdienst in de diverse frontiersteden; anderen trokken buiten het vechtseizoen op verlof naar hun diverse vaderlanden. Maar hoe illuster-gemêleerd die samenleving was, kunnen wij bijvoorbeeld gewaar worden, als wij de namen oplezen van wat er allemaal aan baldakijn- en slippendragers meeliep in de begrafenisstoet van Prins Maurits, evenals trouwens te zijner tijd in die van Frederik Hendrik zelf.

Overigens droeg de Prins met veel tact zorg, althans had hij in het begin zorg gedragen niet al te glorierijk van stapel te lopen. Hij gebruikte zijn autoriteit ‘met seer groote moderatie’ en weigerde de aanspraak van ‘Uwe Genade’ aangezien hij ‘Uwe Excellentie’ voldoende achtte. Kortom, hij is

[p. 147]

‘extraordinair courtois tegen al de werelt, hout hem seer stil ende gereserveert.’ Het is Nicolaas van Reigersberg die dit aan zijn zwager De Groot schrijft en kennelijk heeft hij het van raadsheer Dimmer, die, toen hij onlangs Prinses Amalia aanduidde als ‘U Excellentie's gemael’ van de Excellentie te horen kreeg ‘dat hij een Hollander was, geboren van Delft, dat men se daer hiet: vrouw, huysvrou off wijff; dat hij van de Duitse pracht niet en wist.’20 Waarom juist Duitse en niet bijvoorbeeld Franse pracht, lijkt intrigerend, maar verder mogen wij toch wel zo vrij zijn het een tamelijk gratuiet nummertje populairdoenerij te noemen; vermoedelijk was de brave heer Dimmer iemand aan wie men wel kon toevertrouwen zo'n opmerking door heel Den Haag rond te bazuinen, maar wat er gebeurd zou zijn als iemand het werkelijk in zijn hoofd had gehaald naar Zijner Excellentie's wijf of zelfs maar huisvrouw te informeren, is een andere kwestie. Wel is significatief wat Nicolaas er ook nog bijvertelt: terwijl Maurits zijn brieven aan de Staten-Generaal beëindigde met ‘goede vrient’, ondertekent Frederik Hendrik als ‘ootmoedygen ende onderdanigen dienaer.’

 

Maar in ieder geval, al noemen wij haar dan geen wijf of huisvrouw, de grote nieuwigheid op het Binnenhof was Prinses Amalia. Immers, Louise de Coligny had alleen als weduwe in Den Haag gewoond en dat dan onder zulke bescheiden omstandigheden, dat men nauwelijks spreken kan van hofhouding, terwijl zij ook nooit hier in de Nederlanden ergens het centrum van was geweest. Wat Maurits betreft, die had discreet zijn ‘jonkvrouwe’ van Mechelen in Rijswijk geïnstalleerd en vergenoegde zich verder, niet zonder assistentie van een vaste koppelaar, met losse passades. Als typerend voor de toon en het soort verhoudingen die er heersten, mogen wij wel een opmerking beschouwen, die Frederik Hendrik in zijn vrijgezellentijd eens zou hebben gelanceerd en die hierop neerkomt, dat geen maîtresse zo veel voldoening schenkt als een die men heeft weggekaapt van een oudere broer.21

Aan Amalia dus de taak en de kans iets op te bouwen dat er zo langzamerhand waarachtig wel komen mocht en wanneer wij haar dan, globaal genomen als historische figuur, voor ons geestesoog oproepen, wat kunnen wij dan anders bevinden dan dat zij het er zeer behoorlijk en zelfs met een niet onaanzienlijke mate van waardigheid heeft afgebracht? Een zekere mate van iets anders was haar daarentegen ook niet vreemd, te weten van onverholen vulgariteit, zodat zij wel eens even in de verte kan doen denken aan Liselotte van de Palts, en wie weet hoe dankbaar wij haar zouden moeten zijn geweest, als ook zij ons mémoires had nagelaten.

Maar dan, in wat voor taal? In het Duits van haar bakermat zijn ons, miserabel gespeld, slechts enkele brieven van haar overgeleverd; vrijwel alles wat wij van haar hebben is in een barbaars, laat ons maar zeggen fonetisch Frans (op basis van Duits natuurlijk), dat ruimschoots het zijne bijdraagt tot dat

[p. 148]

reeds gesignaleerde vleugje van vulgariteit. Niettemin zullen wij het ons wel zo moeten voorstellen, dat dat eveneens haar dagelijkse omgangstaal was, om te beginnen met haar man en kinderen. Niet dan huiveren kan men bij de gedachte wat zij bovendien nog aan Nederlands mag hebben gebrabbeld ten bate en delectamente van het huispersoneel, voor zover inheems, en van Fransonkundige regenten en regentenvrouwen uit achteraf gelegen oorden.

Of Frederik Hendrik erg was ingenomen met dit welige taaltuintje van zijn gade, staat naar mijn beste weten nergens opgetekend. Notere evenwel dat, als hij te zijner tijd van zijn dan zowat vijftienjarige zoon een briefje krijgt in bijna even barbaars Frans, diens gouverneur, André Rivet, via Huygens de wacht wordt aangezegd hem vóór alles behoorlijk te leren spellen, want dat Zijne Hoogheid ‘s'aheurte à l'orthographe, qui est vicieuse et incorrecte.’ Veel helpen zal dat overigens niet; in dit opzicht was bij de toekomstige Willem II de moederlijke erfmassa veel sterker dan de vaderlijke.

Maar om nog even op dit chapiter door te borduren, ook wat de eigen talenkennis van die per slot van rekening Nassause vader betreft valt iets opmerkelijks te signaleren. Als namelijk door zwager Johan Albert van Solms, dan gouverneur van Maastricht, eens aan Huygens de vraag wordt voorgelegd of de Prins zijn in zijn schamele Frans gestelde brieven wel begrijpt en of hij misschien niet beter in het Duits kan schrijven, dan moet hij uit het - helaas niet bewaard gebleven - antwoord concluderen ‘que je suis plus intelligible par mon peu de françoy que non point par mon alleman.’ Eilieve, vragen wij op onze beurt, in wat voor linguïstische kronkels verliep dan het mondeling verkeer, niet slechts met deze zwager, maar ook bijvoorbeeld met de neven Nassau uit de takken Siegen en verder, met wie eveneens in het Frans werd gecorrespondeerd? Was dat ook bij de tafelkout en in de loopgraven de voertaal, of, wat mij veel waarschijnlijker voorkomt, hetzelfde genoeglijke ratjetoe van Duits en Nederlands dat wij op schrift kunnen savoureren in de brieven van iemand als de oubollige kolonel Schmelzing? Ten minste, wij kunnen toch ook weer niet zo maar aannemen dat voor Frederik Hendrik met zijn achtergrond Duits even vreemd zou zijn geweest als bijvoorbeeld Engels. Maar blijkbaar was het dus niet een taal, die hij zogezegd cultiveerde.22

Om echter terug te komen op Amalia, een eigenschap waarvan zij evenmin kan worden vrijgepleit als van vulgariteit, is baatzucht of ietwat huiselijker uitgedrukt, inhaligheid. Maar geldt dit niet evenzeer voor haar gemaal - of moeten wij op zijn Delfts ‘haar kerel’ zeggen? - mitsgaders, al naar gelang van ieders omstandigheden, voor praktisch alle vorsten uit het tijdvak? Wat zijn per slot van rekening die paar colliers van Richelieu of Mazarin vergeleken bij de vrijwel totale uitverkoop aan Lodewijk XIV van de latere Stuart-koningen? Het gaat er hier zeker niet om de feiten te loochenen, maar als wij bedenken met wat voor een haat Mazarin prinses Amalia zal vervolgen vanwege haar overstag gaan bij de vrede van Munster, dan behoeven wij ons toch ook weer

[p. 149]

niet met huid en haar te laten imponeren door alle Franse roddelarij van het genre Tallement des Réaux.

Wel enigermate in hetzelfde vlak als vorstelijke inhaligheid ligt vorstelijke eerzucht en streven naar machtsuitbreiding. De ontstentenis hiervan zou zijn neergekomen op weinig minder dan een brevet van onbekwaamheid, zeker bij een geslacht als de Nassau's met hun in laatste instantie niet heel veel meer dan decoratieve prinsentitel van duizend mijl in de verte en dat zijn vorstelijkheid moest waar maken door middel van een aan alle kanten rammelend complex van bevoegdheden in een astranterig landje met veel water en schepen, waar niet zij, de Nassau's, souverein waren, maar een gezelschap van tegen hun wettige heer en gebieder rebellerende Staten.

En hierbij is het, gezien de affectieve geladenheid van de naam in onze geschiedenis, misschien niet overbodig even in herinnering te roepen hoe weinig in de van vorstelijkheden en -heidjes krioelende wereld van die dagen de prinsheerlijkheid van het, zij het nog zo volmondig als souverein erkende Orange te betekenen had. Wanneer in 1595 de uit zijn Spaanse résidence forcée ontslagen Philips Willem op bezoek komt bij paus Clemens VIII, dan mag hij als prins van Oranje niet gaan zitten, wat hij wel zou hebben gemogen als hij tevens geaccrediteerd ambassadeur van Philips II was geweest. En als in 1609 de vrouw van diezelfde Philips Willem, Eleonora van Bourbon, dus een Franse prinses van den bloede, op doorreis naar Breda langs Brussel komt, dan weigert het, persoonlijk nota bene zo coulante Aartshertogelijk paar haar anders te ontvangen dan als onderdane, zij het dan van zeer hoge rang.

Welnu, als Frederik Hendrik, spijts al deze belemmeringen, niettemin kans gezien heeft het condottiere-element dat hem van huis uit aankleefde te elimineren of in ieder geval te doen opgaan in het dynastieke, dan is dat, wat voor een Frans zij dan ook schreef of praatte, heel zeker mede de verdienste van zijn Amalia.

 

Inmiddels moeten wij, wanneer wij in gedachten onze opwachting gaan maken bij de Prinses op het Binnenhof, één ding wel in gedachten houden: haar man was dan weliswaar, hoewel niet de souverein in den lande, als individu nummer één van al diegenen die betrokken waren bij het staatsbestel, zijzelf, hoe zeer ook onbetwistbaar châtelaine op het Binnenhof, was protocollair bezien - en hoe zwaar woog dat niet voor lieden van haar makelij - niet de first lady in Den Haag. Nog afgezien daarvan dat zij te zijner tijd, nog bij het leven van haar man, zelfs binnen het stadhouderlijk kwartier de voorrang zal moeten laten aan haar ongenietbaar maar koninklijk schoondochtertje, kon zij zich in Den Haag nog vijf en dertig jaar verlustigen in de aanwezigheid van haar voormalige bazin, de Winterkoningin Elisabeth van de Palts, geboren prinses van Groot-Brittannië. De winterkoninklijke vlucht, althans geleidelijke afzak naar Den Haag, met in het gevolg de hele familie van Solms, kan Amalia natuurlijk

[p. 150]

niet betreurd hebben, maar of dat provisoire qui dure aan de Kneuterdijk haar al die jaren door evenzeer bleef verheugen? De koning-paltsgraaf zelf trok er in 1632 weer op uit om met behulp van Gustav II Adolf ten minste zijn Keurpalts te heroveren en ging daarna discretelijk dood, zijn weduwe bleef tot 1660 toe bij al wat er in Den Haag aan social events te registreren viel, breeduit voorop lopen en zitten.

Wat overigens haar eigen familie, de Solmsen, betreft, viel aan de Prinses in ieder geval de voldoening ten deel dat zij op soortgelijke wijze als de Nassau's door de Staten werd gefavorizeerd. Zo werd bijvoorbeeld de graaf van Dohna, gehuwd met Ursula van Solms, de latere ‘gouvernante’ van Orange, voor zijn hofhouding vrijgesteld van ‘impost op consumptien’23 en toen zuster Louise Christine, gehuwd met Johan Wolfert van Brederode, een zoon kreeg, zonden de Staten van Holland een deputatie naar de doop met een aanzienlijke pillegift, al was dit dan officieel ter ere van de ‘qualiteit’ van de vader en de ‘goede diensten van sijne Voorzaaten.’24 Althans in eigen ogen was het zeventiende-eeuwse Holland nu eenmaal minder burgerlijk, dan de traditie ervan gemaakt heeft. Wat Amalia's broer Johann Albrecht betreft, deze bracht het, met de rang van generaal in het Statenleger, achtereenvolgens tot militair gouverneur van Utrecht - met residentie in de oude bisschopshof - en van de primair primerende vesting Maastricht.

 

Maar hoe aardig dan ook, al die neven en nichten of zelfs broers en zusters, er kwam goddank nog nadere familie op het Binnenhof. Op 30 maart 1626 deed, naar wij reeds zagen, het prinselijk paar er zijn intrede, op 27 mei de zoon en erfgenaam. Misschien, zoals wel meer bij eerstelingen, een beetje laat, ten minste, reeds de 21ste kan Huygens het ongeduld van zijn pen niet langer bedwingen, met als resultaat - helaas wel heel ver beneden zijn stand - een poëempje Pour l'enfantement de Madame la Princesse. In zijn enthousiasme bij voorbaat bedenkt hij pas ongeveer halverwege dat het ook nog een meisje kan worden, maar zelfs daarvoor is een elegante welkomstgroet te formuleren:

‘Sois tu du sexe entier, sois tu du moins parfaict,
Tes auteurs ne sçauroyent rien former d'imparfaict.’25
Het werd de sexe entier en daarbij de eerste Oranje, in de ‘ambtswoning’ geboren - zou de verhuisdatum daar mede op afgestemd zijn geweest? - en niet, zoals nog Frederik Hendrik zelf, toch eigenlijk, cru gezegd, op de vlucht voor Parma. Weliswaar was ook thans de eigen dynastieke hoofdstad in deze landen, het Nassause Breda in handen van de vijand, maar wel had de zelf kinderloze oude Infanta uit Brussel een wieg gestuurd voor de boreling,26 een geste die men in 1584 van Casa de Austria heel beslist nog niet kon verwachten. Dwalen wij al te ver af, wanneer wij het toch eigenlijk wel heel droevig noemen dat het aan Frederik Hendrik of zijn zoon nimmer vergund is geweest in Brus-

[p. 151]

sel aan de nagedachtenis van de Infanta de eer te bewijzen, die zij tot en met aan henzelf zo zeer verdiend had?

In hoeverre wekte de geboorte van de toekomstige Willem II inderdaad grote vreugde in den lande? Het lijkt moeilijk meer na te gaan; Geboorteklokken, zelfs geluid door een Vondel, zijn nu eenmaal geen opiniepeilingen. En waar te blijven met de optekening van Alexander van der Capellen: ‘De Princesse van Orangen bevalt van een jonge soon. Triomph in den Haghe ende tot Utrecht’? Wie enigermate met deze auteur vertrouwd is, zal wellicht geneigd zijn erin te lezen dat hij in zijn eigen Gelderland geen positieve reacties beliefde waar te nemen; een nummertje ironie der geschiedenis bij de geboorte van een prins die zich als de tot dusverre meest geldrofiele van zijn geslacht zal ontpoppen, en dat dan zeker in het dagboek van een man die zijn politieke loopbaan zal zien doodlopen in een soort schaduwministerschap bij diezelfde prins.27

Maar afgezien daarvan, hoe diep zij in het volk is doorgedrongen - en men durft wedden, toch wel een heel eind - wat heel zeker werd tentoongespreid, is officiële vreugde en het is niet onamusant gade te slaan hoe keurig deze gecanalizeerd werd.

Toen het heugelijks zich voordeed, waren de Staten van Holland niet bijeen; in zekere zin misschien gemakkelijk, want al hadden zij als souverein van het gewest, waar, nog wel onder éénzelfde dak met hun vergadering, het vorstelijk kraambed gespreid was, zeer zeker recht op meer égards dan de bondgenoten, het had delicaat kunnen liggen wie eerder aan bod moesten komen, zij of de Staten-Generaal. In de huidige omstandigheden echter ging keurig het voltallige college van Gecommitteerde Raden de Prins geluk wensen. Ook werd het nieuws terstond bericht aan de ridderschap en aan alle ter dagvaart beschreven steden en order gegeven dat in Den Haag met het luiden van klokken en het branden van ‘pictobben’ de vereiste tekenen van blijdschap manifest werden.

Helemaal hartverwarmend is echter wat zich die dag aan dierbaars afspeelde tussen Oranje en de Staten-Generaal en waarbij het strict juridisch misschien dan wel verdedigbare standpunt van de latere Hollandisten dat hier alleen maar een hoge ambtenaarsvrouw was bevallen, toch wel heel erg fictief en onhistorisch aandoet.

Het prinsje was in de nanacht geboren en reeds in alle vroegte kwam thuis bij de president van de week, de Groningse heer Schaffer, een hellebardier van Zijne Excellentie het grote nieuws mededelen, ongetwijfeld iemand van zo lage rang om Schaffer niet moreel te dwingen uit zijn bed te komen of zijn ochtendtoilet te onderbreken. De soldaat die dat wel had gemoeten kreeg voor zijn moeite ‘drie dobbelde rijders’ van de hoge Vergadering; over de knecht of de meid door wie de boodschap wel zal zijn aangenomen vermeldt de geschiedenis niets. Zoals te begrijpen traden Hare HoogMogenden terstond in

[p. 152]

deliberatie ‘wat bij dese constitutie van de geboorte des jongen Princen soude dienen gedaen te worden’, met als resultaat niet slechts de afvaardiging van een deputatie voor de gelukwensen - dat allicht - maar bovendien het aanbod, eigener beweging dus, desgewenst peet te staan bij de doop. De deputatie die dit mocht overbrengen was alleszins illuster van samenstelling. Voorop liep natuurlijk de hoogst gequoteerde uit het eerste lid - de ridderschap - van het eerste kwartier - het Nijmeegse - van Gelderland, het eerste in rang van de Zeven Provinciën, kortom, Frederik Hendriks vertrouweling en aangetrouwde neef Floris II, graaf van Culemborch.28 Wat de heren aan ‘wenschinge’ overbrachten, was niet gering:

‘datten jongen Heer Prince in Godes vreese opwassende moge volgen de voetstappen van sijnen Heer Vader, Grootvader ende oom Godtsaliger gedachtenisse, om t'sijner tijt te mogen wesen een goet instrument tot bescherminge vande vrijheijt deser Landen.’
Maar wie hier wel van terug had, was de jonge vader,
‘verclarende datter een dienaer van Haer Ho. Mo. was gebooren, die sijne voorouders voetstappen soude naer volgen, daer toe hij hem oock door Godes genade soude optrecken, hebbende geen ander gedencken gemaeckt als dat Haer Ho. Mo. niet alleen gevaders maer oock Vaders vanden jongen Prince souden willen wesen.’
17 juni werd een soortgelijke deputatie afgestuurd op Amalia - kraamvrouwen hadden toentertijd lang nodig - en dan kunnen wij aan de doop gaan denken. Inmiddels zijn ook de Staten van Holland voor hun zomerzitting bijeengekomen en is ook van hen een aanbod mede peet te staan in dank aanvaard, zodat raadsheer Dimmer tweemaal moet lopen om eerst, 25 juni, in de Vergadering van Holland en twee dagen later ter Generaliteit te gaan mededelen dat voor de plechtigheid als datum is uitgekozen donderdag a.s. 2 juli, als plaats de Hofkapel, zodat men zich onwillekeurig afvraagt of misschien daarom als eersten, en nog wel met twee dagen tussenruimte, de eigenlijke bazen over het Hof waartoe per slot van rekening ook die kapel behoorde, kennis krijgen van wat er besloten is. Maar hier wordt de zaak nogal onduidelijk, of liever gezegd, het enige dat voor ons duidelijk wordt, is dat er heel wat meer gesmoesd moet zijn, en mogelijkerwijze ook wel iets luidruchtiger ten gehore gebracht, dan wij aan de hand van onze stukken vermogen te boekstaven, zodat wij aangewezen zijn op tussen de regels door lezen. In dit geval echter heeft dat alleen maar zin wanneer wij de nuances in gedachten hebben tussen kerken in de Hofkapel dan wel elders, die pas aan de orde worden gesteld in het volgende hoofdstuk, zodat hier moet worden volstaan met enkele data van eenvoudige kroniek.

Om te beginnen zien wij dan Dimmer - toujours lui - 30 juni opnieuw in de beide vergaderingen verschijnen met de mededeling ‘dat Sijn Excellentie goet-

[p. 153]

gevonden heeft de doope van den jongen Heer Prince t'avanceren ende deselve te laten geschieden morgen in de groote Kercke’ en of Hare HoogMogenden daar geen bezwaar tegen hebben, quod inderdaad non. Meer nog wordt evenwel ons zintuig voor tussen de regels door lezen geprikkeld door een Hollandse resolutie van diezelfde 30 juni. Weliswaar worden wij ook daar niet veel wijzer wat dat avancement van overmorgen naar morgen betreft, maar wel is het boeiend te vernemen dat Zijne Excellentie ‘om eenige reedenen goed vonde den doop van sijne soone te laaten administreren in de Groote en de Parochiekerke van den Hage.’ Een lichtelijk pre-reformatorische wijze van aanduiden, waarvan nochtans de bedoeling wel duidelijk is: dan weliswaar niet in de Hofkapel, maar ook niet in een zekere kerk, waar indertijd broer Maurits wel eens was gesignaleerd. Rest slechts naar oude zede het godshuis waaronder de ingezetenen van het dorp 's-Gravenhage kerkrechtelijk ressorteerden en waar zij bijgevolg van oudsher door de pastoor hun nakroost hadden moeten laten dopen.

Ook verder bieden, zoals zo vaak wanneer wij voor eenzelfde dag de resoluties opslaan van het tweetal op het Binnenhof bedrijvige Hoge Vergaderingen, de Hollandse ons veel meer kluifs of, netter op zijn Engels, food for thought dan die van het hybridisch gremium der Zeven. Wat wij bijvoorbeeld op diezelfde 30 juni eveneens gewaar worden, is hoe het de Heren van Holland zijn, die resolveren ‘dat men den naam van den jongen Prince zal noemen Wilhem, indien de Heeren Staaten Generaal en Sijne Excellentie des konnen voor aangenaam vinden.’ Noteer de volgorde, kan men erbij zeggen, maar strict genomen waren het de peters die, althans voor een kind van de sexe entier de naam bepaalden, en wat Frederik Hendrik betreft, hem kan dat zoveelste dynastieke tintje te meer alleen maar welkom geweest zijn, terwijl Amalia er in tegenstelling tot haar latere schoondochter het mens niet naar was om te verlangen dat haar oudste zoon naar háár vader - maar die dan ook geen koning was geweest - moest heten.

Wat wij verder nog uit deze resolutie vernemen, is dat de Prins blijkbaar aan de Staten van Holland had gevraagd - ten minste, de generaliteitsresolutie maakt er geen gewag van - of hij de in Den Haag aanwezige ambassadeurs, de Fransman en de Venetiaan, ook op het doopfeest mocht inviteren en, zo ja, hoe dat protocollair te regelen; het antwoord, dat de Heren dat met een gerust hart aan hemzelf overlieten, zal wel niet onverwacht zijn geweest. Maar dan ten slotte voor de vakhistorici een opfrissingswaarschuwinkje hoe onze onwaardeerlijke gedrukte Resolutien van Holland op een gegeven ogenblik achteraf zijn persklaar gemaakt: die resolutie van 30 juni besluit met de mededeling: ‘En is dienvolgende den Doop aan den jongen Prince geadministreert op den 1 July in de Groote Kerke van den Hage.’

Nochtans, het opgetekende feit zelf was waar genoeg; rondom de Winterkoningin als meter - toujours elle - stond een waardige bloem van Noord-

[p. 154]

Nederlandse regenten. Dat onder de afvaardiging uit Holland ook Dordrecht en Amsterdam vertegenwoordigd waren, spreekt wel vanzelf, maar welk ironisch duiveltje met blik in de toekomst was ervoor verantwoordelijk dat tegelijkertijd de generaliteitsdelegatie moest worden aangevoerd door een burgemeester van de stad Nijmegen? Overigens fungeerde naast de Staten-Generaal en die van Holland ook nog de vroedschap van Delft als peet; klaarblijkelijk zoveel als een brevet van prinsenstad.

Tot zoverre was dus alles lief en dierbaar en dat zal het ook in beginsel wel blijven, maar dit neemt niet weg dat er zich van meet af aan allerlei, laat ons maar zeggen technische moeilijkheden voordeden met de ‘pillegift’ van de peten. Welteverstaan dan, met die van de Staten-Generaal, want wat de eigen Hollandse betreft, daarmee was het als van een leien dakje gegaan; zij bestond uit een ‘lijfpensioenbrief van vijf duysend gulden 's jaars’ die in een ‘gouden doose’ door een deputatie de trap op naar het stadhouderlijk kwartier werd gebracht. Als blijkbaar obligate aanvulling kwam daar dan nog bij ‘een Beurse van Orangen Fluweel’ inhoudend het ietwat raadselachtige bedrag van ‘een en seventig heele rijders’, bestemd voor de diensten van de ‘kamer’.29 Dus, heel in het groot, het kwartje voor de baker die een kopje slemp serveert aan al wat in de Camera Obscura op kraambezoek komt? Er staat nadrukkelijk bij vermeld dat Amalia het bedrag naar eigen discretie mag distribueren, maar het zal toch wel niet bedoeld zijn geweest voor het accouchement als zodanig? Hoe dan ook, met deze investering, die zo falikant zou uitvallen, lagen de Hollanders een heel eind voor op de Generaliteit waarvan zij deel uitmaakten. En, vergeten wij niet, Holland was het lid dat contractueel moest opkomen voor bijna zestig procent van iedere uitgave, dus als wij Hare EdelGroot-Mogenden hun afgevaardigden ter Generaliteit zien machtigen te consenteren in een levenslang pensioen voor het jonge prinsje van 8000 gulden 's jaars, dan komt dat neer op bijna een verdubbeling van wat zij het knaapje reeds uit eigen naam hebben toegezegd, maar zelfs dit consent voor het leeuwedeel had niet tot gevolg dat de Generaliteit zo maar kans zag de edelmoedigheid van haar gevoelens in klinkende munt te vertolken.

Het geval heeft waarlijk wel iets van een klucht, waardoor overigens het prinselijk ouderpaar zelf niet al te zeer verrast kan zijn geweest, want een soortgelijke treuzeling had zich eveneens voorgedaan bij de ‘verering’ aan Amalia bij gelegenheid van haar huwelijk, al hadden de Heren toen ten minste nog het benarde Breda als excuus. In de vergadering van 3 juli wordt de pillegift inderdaad vastgesteld op een ‘lijfbrief’ van 8000 gulden en daarmee lijkt de zaak afgedaan, maar dan verschijnt op 16 juli 1627, dus ruim een jaar later, ontvanger-generaal Doubleth in de Hoge Vergadering met de vraag uit welke fondsen hij die som, nu reeds voor een jaar verschuldigd, moet betalen. En dit probleempje, eenmaal op de agenda verschenen, zal er niet zo gauw weer van verdwijnen, al behoeven wij het niet in al zijn peripatieën te ver-

[p. 155]

volgen. Op een gegeven ogenblik komt bijvoorbeeld de Raad van State aanzetten met het sinistere advies - wij zijn gelukkig niet bijgelovig - het pensioen maar te ‘stellen opte verstorvene posten van den staet van oorloge’,30 maar als de Raad dan zelf het verzoek krijgt alle ‘gemortificeerde posten’ te ‘doen extraheren’, blijkt dit bij gebrek aan medewerking van de provinciën niet zeer wel doenlijk.31 Kortom, in de zomer van 1628 is er nog geen cent uitbetaald, maar laten wij ons niet ongerust maken, want binnen niet al te lange tijd zal er een elegante oplossing voor het probleem worden gevonden.