Ik ben ten tweeden male uit Holland weggekomen en dit keer is het me gelukt om Engeland te bereiken. Dat het een lange omweg is geworden doet er niet toe, dat geeft het eerder het aanzien van een reis om de wereld dan van een onzekere vlucht. Eenmaal vanuit Duinkerken terug in Holland was ik nog maar net weer op adem gekomen of ik kreeg van verschillende kanten voorstellen om het nog eens te proberen. Het waren meestal weinig doordachte plannen, waar niets van kwam. Tot begin november 1940 de tot dan mij onbekende Herman van Brero mij benaderde en mij de tip gaf van een route via Delfzijl. Hijzelf en een Leidse student, Chris Krediet, gingen me voor. Mijn vrienden Ap Roessingh, René Borgerhoff Mulder en ik volgden hun voorbeeld. Het was gemakkelijker gezegd dan gedaan. Om aan te monsteren op een kustvaarder die naar de Oostzee voer moest je over bepaalde eigenschappen beschikken die ik niet bezat. René en Ap wisten tenminste iets van zeilen af, hadden dus iets met het wateroppervlak gemeen, ik niet. Daarenboven paste hun uiterlijk weliswaar niet vlekkeloos, maar toch een stuk beter dan het mijne bij het beroep van zeeman. Zelfs toen Isaac Oudgenoeg mij van een donkere schipperstrui voorzag, leek ik met mijn bril op mijn neus in de verste verte niet op een zeebonk. De enige mogelijkheid die voor mij open lag was om me als kok uit te geven. Het dienstmeisje van het schipperscafé De Kroonstad in Delfzijl, waar we onderdak hadden gevonden, behoorde tot het slag mensen, dat zonder dat je tekst en uitleg hoefde te geven, begreep waar het je om te doen was. Ze heeft me een spoedcursus koken voor zeelieden gegeven, wat neerkwam op een stevige hap met vooral veel vet. Ik schreef de recepten van erwtensoep tot stamppot allemaal op in een schrift. Van mijn kookkunst hing op dat moment niet bepaald mijn leven, maar wel mijn kans om uit Holland weg te komen af.
Wonder boven wonder heb ik dankzij de lessen van mijn lerares, van wie ik, ondankbare, me niet eens de naam meer kan herinneren, op de kustvaarder de Mascotte de Finse haven Rauma bereikt. Het waren niet de twee Duitse soldaten, die tot het Kieler kanaal koffie drinkend en leuterend meevoeren, die mij in moeilijkheden brachten. Dat kwam eerder door kleine toevalligheden waarop ik niet bedacht was en waardoor ik dreigde door de mand te vallen. Zo wilde bijvoorbeeld de stuurman op een goed moment dat ik koolraap uit het vooronder zou halen, omdat hij daar nou zin in had. Koolraap, ik wist niet eens hoe zo'n knol, was het wel een knol, eruitzag. Ik redde mij eruit door te doen alsof het eten aanbrandde en een ander te vragen om de koolraap even voor mij te pakken. Het betekende welbeschouwd dat ik de zeventien dagen, die ik als kok-matroos op de schuit doorbracht, voortdurend op mijn qui-vive moest zijn, te meer omdat het aan boord aanwezige vet onrustbarend begon te slinken. Ik was, zonder het mij te realiseren, in de positie terechtgekomen van Broeder Spin uit de Anansi-verhalen, die aan het eind van het lied altijd de groten der aarde, de koning of de tijger, te slim af is. Toen de Mascotte goed en wel klaar was met hout laden en de volgende dag weer naar Delfzijl zou vertrekken ben ik de avond daarvoor gedrost.
Alweer zo'n woord dat niet in mijn vocabulaire paste. Drossen, hoe doe je dat? Ik zal het u zeggen. Je vertelt aan de kapitein dat je naar de hoeren wilt, vraagt om een voorschot op je gage en loopt alsof dat de gewoonste zaak van de wereld is de loopplank af. Je kunt, en dat is vervelend, geen tas of valies meenemen, want wie naar de hoeren gaat sjouwt een dergelijk voorwerp niet met zich mee. Voorwenden dat je inkopen gaat doen kan ook niet, want 's avonds is er in zo'n kleine havenplaats geen enkele winkel open. Het zijn allemaal geringe problemen, maar ze vragen wel om een praktische oplossing en er is niemand die je om raad kunt vragen. Dat was eigenlijk ook niet nodig, want met een vooropgezet doel volgt de ene stap bijna automatisch op de andere. Ergens
in Rauma overnachten zou zeer onverstandig zijn, want als de politie bij mijn wegblijven op het schip gealarmeerd zou worden liep ik een gerede kans te worden opgepakt en teruggebracht. Ik liep daarom naar het station en nam de eerste de beste trein die me naar Tampere (Tammerfors) bracht.
Daar in de grote hal van het moderne stationsgebouw krioelde het van vluchtelingen uit Karelië. De oorlog met Rusland was nog maar kort geleden afgelopen, Rusland had die landstreek bezet en honderden Kareliërs waren dieper het land in getrokken. Tussen al die vluchtelingen, gelukkig lang niet allemaal blond, was het veilig toeven. Het Finse Rode Kruis verschafte een ieder die het nodig had een warme deken en volop voedsel, je behoefde je nergens om te bekommeren, vragen werden niet gesteld. Na drie dagen, in de zekerheid dat de Mascotte al lang op de terugweg was, vond ik het welletjes en veilig genoeg om door te reizen naar Helsinki en mij daar bij de ambassade te melden. Het is merkwaardig hoe een mens soms op kleinigheden reageert. Het was negen uur 's morgens toen ik bij de ambassade, die nog gesloten was, aanbelde en het uur wachten voor de deur heeft me meer gestoord dan de drie dagen in Tampere. Wie wel eens van een lange reis thuisgekomen is, daar niemand aantreft en de huissleutel kwijt of vergeten is, moet mijn op niets berustende ergernis kunnen aanvoelen.
Eenmaal in Helsinki was het zaak een transitvisum van de Russische consul te verkrijgen om naar Japan door te kunnen gaan. Een andere mogelijkheid om van Finland uit in de gewenste richting, Engeland, door te kunnen reizen was er niet. Het oorspronkelijke idee dat we hadden toen we - René, Ap en ik - Holland verlieten, om via de ijsvrije haven Petsamo Engeland te bereiken, kwam niet langer in aanmerking want, zo werd ons verteld, de Duitsers hadden zich daar al genesteld. Rusland was, dankzij het Von Ribbentrop-Molotov non-agressie-pact, nog niet in oorlog en bood de enige reële mogelijkheid om verder te komen. Ik had inmiddels het verheugende bericht gekregen dat René en Ap in Zweden waren aangeko-
men en daar ook een transitvisum hadden aangevraagd. Mijn blijdschap was des te meer begrijpelijk omdat er in de Delfzijlroute een zwakke schakel school. De bemanning kreeg namelijk niet van tevoren te horen waar het schip heen voer. Zou het een Duitse haven in de Oostzee worden, bijvoorbeeld Stettin, dan zat er niet anders op dan ermee terugkeren en het net zo lang vol te houden tot het schip op een andere keer een neutrale haven in Zweden of Finland aandeed. Eens moest het lukken. Je had het dus niet zelf in de hand en het feit dat wij alle drie, reeds bij de eerste keer, een veilige plek hadden bereikt was een reden tot juichen.
Ik had mij er voordien niet om bekommerd, maar nu werd ik geconfronteerd met het feit dat Nederland, met Zwitserland als enige landen in Europa, na de revolutie van 1917 het communistisch regime nog altijd niet had erkend. Op grond daarvan had men me op de ambassade al verteld dat ze niets voor me konden doen en dat ik mezelf maar moest zien te redden. Dat viel mee, ook al liet de consul niet na mij dat diplomatieke verzuim onder de neus te wrijven en een hoger bedrag dan het gebruikelijke voor het visum te vragen. Aangezien ik geen Russisch sprak, de consul geen enkele andere taal dan de zijne kende en een tolk ontbrak, had het gesprek, dat door middel van gebaren en het uitstoten van klanken plaatsvond, veel weg van een komische samenspraak voor twee heren. De consul was heel wat toegankelijker dan de portier van het consulaat, een grimmig heerschap dat in zijn portiersloge zich achter een luik verborg en het alleen maar opende om op onverstaanbare wijze een naam af te roepen. In de ijskoude corridor bevonden zich iedere dag tientallen mensen, wachtend op de kans om de consul te mogen spreken en hem om een visum te vragen. Wij, de wachtenden, kenden elkaar zo langzamerhand van gezicht en vervloekten binnensmonds de portier die het, wat de eerste horde betreft, voor het zeggen had. Ik kan niet anders zeggen dan dat mijn onderhoud met de consul, ondanks het ontbreken van een gemeenschappelijke taal, bijzonder vlot verliep. Toen ik hem
met illustratieve handgebaren beschreef hoe Engelse vliegtuigen 's nachts boven Nederland op weg naar Duitsland vlogen en dat met een bonzend boem, boem, boem aangaf, klaarde zijn gezicht merkbaar op. Ik was ervan overtuigd dat de man in zijn hart anti-Duits was, want ik kreeg zonder verder geharrewar het gewenste visum met de aantekening, dat ik het land via Wladiwostok moest verlaten.
Hiermee gewapend verliet ik het land van Sibelius - wiens muziek in de cafés en koffiehuizen van de vroege ochtend tot de late avond te horen was - dat zich in de winterse oorlog tegen de Russen bijzonder dapper geweerd had en dat ondanks gebiedsverlies als vrij land was blijven bestaan. De eerste etappe in Rusland was Leningrad. Een forsgebouwde Intourist-dame wachtte mij al aan het station op. Later op de dag zou ze mij ook begeleiden bij een bezoek aan de Hermitage. Want een vluchteling was ik al lang niet meer, ook geen echte onbezorgde toerist, eerder iets daartussenin. In het museum had je de Rembrandts natuurlijk en het was logisch dat mijn gids me onmiddellijk daarheen loodste. Ze moest die al honderden malen hebben aanschouwd, maar toonde geen spoor van ongeduld. Ik bleef ook lang staan bij een kolossaal schilderij van een mij onbekende Russische meester, dat een herfstig bos voorstelde waar middenin een door een bijl gevelde woudreus op de met vergeelde bladeren bedekte grond lag. Voor het schilderij stond een vrouw er met tranen in de ogen naar te turen. Toen ze zag dat ik naar haar keek mompelde ze ‘Tolstoi’. Vreemd dat ik me dat ben blijven herinneren, die veel oudere armoedig geklede vrouw bij dat grote naturalistische met veel gevoel geschilderde bos. Heb ik mij verbeeld dat ze tranen in de ogen had, vraag ik me nu af, heb ik het woord Tolstoi wel goed verstaan? Ach, wat doet het er na zo veel jaar nog toe. Tolstoi, die naam alleen al van de oude graaf, die de sneeuw in liep toen het sterven nabij kwam. In Moskou, waar ik eveneens opgewacht werd door een Intourist-dame - ditmaal een slanke - kreeg ik een rondleiding door de stad. Mijn modieuze, goed geklede gids bracht me
naar de heuvel waar Napoleon eens gestaan moet hebben toen hij neerzag op de brandende stad. Het deed me weinig, het was eind december en volop winter, ik had het koud en verlangde, anders dan Napoleon, juist naar warmte, naar vuur.
(Maanden later als de Duitsers in oorlog zijn met Rusland vertelt iemand mij een grap over een stokoude Russische boer. De grijsaard heeft zojuist gehoord dat een vreemd leger het land is binnengevallen en roept dan handenwringend uit: ‘Is die vervloekte Napoleon alweer bezig?’)
Ik was blij weer terug te zijn in hotel Métropole. Het was rondom Kerstmis en in de ruime eetzaal stond een hoge, bijna tot het plafond reikende kerstboom met allerhande snuisterijen en glimmende lampjes erin. Alleen de ster in de top ontbrak. Die was vervangen door het embleem van de hamer en sikkel. 's Avonds werd er gedanst, een beetje stijfjes op ouderwets aandoende dansen, de foxtrot en de wals. Ik had ook naar de bioscoop kunnen gaan. In Moskou draaiden er, toen ik er was, twee Amerikaanse films, Hundred Men and a Girl met Deanna Durbin en The Great Waltz. Mijn begeleidster vertelde me dat sommige mensen er wel twaalf keer naartoe geweest waren. Ze liet het aan mij over om daaraan een conclusie te verbinden. De reis per Trans-Siberische naar Wladiwostok verliep gesmeerd. De mensen met wie ik de coupé van de derde categorie deelde waren gul en deelden hun krentenbrood met mij. De plank boven de zitplaatsen die overdag als bagagenet werd gebruikt was twaalf nachten lang mijn slaapstee. In de restauratiewagen kreeg je de eerste tien dagen heel behoorlijk eten. Toen was het op.
Drinken kon je tot op de laatste minuut van de reis. Ik deelde meestal een tafel met een paar jonge duikbootofficieren op weg naar hun marinebasis. Er was geen sprake van dat ik als het op drinken aankwam met ze mee kon doen. Aan de maaltijd ging een half waterglas wodka vooraf, spaarzaam besprenkeld met peper en zout. Als eenmaal die bodem was gelegd werd het wat rustiger, dan kwamen de kleine borrel-glaasjes er aan te pas. Omdat ik niet aan hun opgewekte
conversatie kon deelnemen, waardoor waarschijnlijk veel maritieme informatie mij ontgaan is, heb ik die leemte opgevuld door hen het spel bamzaaien of wel pietekaaien bij te brengen. (Een ieder neemt een, twee of drie luciferhoutjes in z'n gesloten hand en dan wordt er geraden hoeveel stokjes in alle handen samen zitten. Wie het goede aantal raadt legt een stokje weg en wie het eerst al zijn stokjes kwijt is heeft gewonnen.) Voor een duikbootbemanning, die nauwelijks ruimte voor ontspanning heeft, een uitermate nuttig gezelschapsspel. Even werd ik weer met mijn neus op de reden van mijn aanwezigheid in Siberië gedrukt. De trein stopte ergens bij een haveloos station. Het bleek de hoofdstad van de joodse republiek Birobidzjan te zijn. Ik stapte uit, wilde er een briefkaart kopen, maar die waren er niet. Wel een krantje in hebreeuwse letters, waarvan ik, vanwege mijn onwil bij de catechisatie, zelfs de kop niet kon ontcijferen. In een joodse republiek verwacht je toch enkele Chagalltypen te zien, maar wat ik zag waren alleen ronde Mongoolse gezichten. Niemand kon me iets vertellen over het reilen en zeilen van deze joodse staat, die er, naar het station te oordelen, weinig florissant uitzag.
Omdat ik mijn kennissen in Leiden wilde laten horen dat het goed met me ging had ik een paar dagen eerder al een briefkaart naar Holland verzonden, waarbij ik toch, voor alle zekerheid, de nodige omzichtigheid betrachtte. In Leiden had Erik Verstijnen (later omgekomen in een Duits kamp) een aantal volstrekt onzinnige Sodko-verhalen geschreven (die het verdienen om aan de vergetelheid te worden ontrukt), waarin de figuur van Silk, de neef van Bluch, en de plaatsnaam Omsk in voorkwamen. Toen de trein in Omsk stilhield moest ik meteen daaraan denken. Ik stapte uit, kocht een briefkaart, adresseerde die aan de Hoekbar, Boommarkt, Leiden, een kroeg waar we onder het toeziend oog van de kastelein, de oude heer Boersma, 's avonds tussen tien en twaalf, wanneer de deuren voor het gewone volk gesloten waren, elkaar plachten te ontmoeten. Ik ondertekende de
kaart met Silk, de neef van Bluch. Zeven jaar later heb ik vernomen dat de briefkaart te bestemder plaatse is aangekomen, wat wijst op het punctuele van postverbindingen, zelfs in oorlogstijd. De stamgasten van de Hoekbar schijnen geen enkele moeite te hebben gehad met het ontcijferen van mijn cryptische berichtgeving.
Toen ik in Wladiwostok aankwam trof ik daar Van Brero en Krediet aan. Als bijzonderheid zij vermeld dat ik daar ook mijn Fins mes terugkreeg dat ik twee weken eerder bij het overschrijden van de Fins-Russische grens had moeten inleveren. Het mes was netjes verpakt in een met lak afgesloten papieren zak, waarop mijn naam en mijn bestemming vermeld stonden. Maanden later, toen ik goed en wel in Engeland was aangekomen en Rusland aan de zijde van de geallieerden tegen de Duitsers streed, heb ik eens voor de bbc moeten vertellen hoe prettig mijn reis door Rusland was verlopen. Dat was natuurlijk een onderdeel van de propagandamachine om de luisteraars, voor zover ze daaraan mochten twijfelen, te doen beseffen hoe goed de Russen het onder Stalin hadden. Van het moment dat ik de Mascotte achter mij had gelaten en voet aan wal had gezet op Fins grondgebied had ik de rotsvaste zekerheid dat het verder wel goed zou gaan. Ik had een soort onkwetsbaarheid over mijzelf afgeroepen zonder dat er een medicijnman of engelbewaarder aan te pas was gekomen: ik zou Engeland bereiken, hoe precies wist ik nog niet en Engeland zou de oorlog winnen, hoe wist ik ook niet, maar dat was later zaak. Ik was in mijn eentje en hoefde niemand tekst en uitleg te geven van mijn onwankelbaar optimisme, dat op niet veel meer dan op boem, boem, boem stoelde. Achteraf denk ik dat dit gevoel van onkwetsbaarheid me de hele oorlog niet meer verlaten heeft, het ontnam me de acute vorm van vrees, het gaf me een duurzaam gevoel van mij kan niets gebeuren, ook al gebeurt er nog zoveel om me heen. Het lag, hoe kan ik het duidelijk maken, meer in het geestelijke vlak dan in het puur lichamelijke; natuurlijk besefte ik dat een willekeurige kogel er ieder ogenblik een eind aan kon
maken, maar dat was wat anders, dat was een soort risico dat je te allen tijde liep, dat onderscheide je niet van de anderen. Als ik nu de boeken lees van Primo Levi en Durlacher, die in de Duitse vernietigingskampen hebben gezeten, dan besef ik waarom mijn verslag zo'n bijna argeloze opgewekte indruk moet maken. Ik heb, daar kan ik niet dankbaar genoeg voor zijn, niet in die afgrond hoeven te kijken, ik heb de bodemloze diepte van de wanhoop niet ervaren.
Van Brero, Krediet en ik kregen passage op een Japanse vrachtboot, waar we met honderden anderen in het ruim werden gestouwd. Van luchten was geen sprake, we betraden het dek pas toen we goed en wel in de noordelijke havenstad Tsuruga waren geland. Of dit boosaardigheid van de Japanners was of een voorzorgsmaatregel om hun maritieme bedrijvigheid aan ons zicht te onttrekken, weet ik niet. Dit kon evenwel niet de reden zijn dat we gedurende de drie dagen durende reis, drie keer per dag aan één en hetzelfde dieet onderworpen werden, één kop thee, één mandarijn en één beschuit. Onder de passagiers bevonden zich vooral veel orthodoxe joden uit Polen en Litouwen. Ze hielden zich afzijdig van ons en dat deden wij onzerzijds ook. Hoewel lotgenoten, bestond er geen enkele mate van saamhorigheid. Eerst vijftig jaar later ben ik erachter gekomen dat dit de joden uit de Yeshiwa geweest moeten zijn aan wie door de Japanse consul Sugihara in Vilnius, de hoofdstad van Litouwen, tegen de duidelijke instructies van zijn regering in, transitvisa voor Japan zijn verstrekt. Waarmee hij het leven van een paar duizend mensen heeft gered.
De kennismaking met Japan had beter kunnen zijn. Van de conducteur op de nachttrein, die ons van Tsuruga naar Tokio moest brengen, mochten we niet in onze derdeklassecoupé blijven zitten. De man dwong ons, misbruikmakend van zijn enge tijdelijke machtspositie, om de hele koude nacht in de harmonica tussen de treinstellen te staan. Datzelfde lot trof ook een klein groepje Noren, eveneens vluchtelingen, mannen en vrouwen. Eerst tegen de ochtend klaarde de lucht op.
Een andere conducteur nodigde ons uit om in de restauratiewagen het ontbijt te komen nuttigen. De twee gezichten van Japan, het een totaal verschillend van het andere, zou ik later nog vaak tegenkomen. Eenmaal in Tokio aangekomen had ik het niet beter kunnen treffen. De consul-generaal Reinders Folmer was getrouwd met een dochter van een bevriende Surinaamse plantagefamilie. Hij zorgde ervoor dat het ons aan niets ontbrak. Wij logeerden, op kosten van de regering neem ik aan, in het befaamde Imperial Hotel, waar we de chic van Tokio met al haar plichtplegingen en buigingen konden gadeslaan. Ik kocht er een stemmige waaier voor mijn tante Becca, die ze blijkbaar als een dierbaar voorwerp heeft weggestopt, want na haar dood vond ik die onder haar schaarse bezittingen ongeopend terug. De nu als pronkstuk wijd geopende waaier, grijs met zilveren bloemtakken, is mijn enige tastbare aandenken uit die periode.
Het Japan van die dagen was overduidelijk militaristisch en Duitsgezind. De oorlog in China werd in tal van afbeeldingen en muurschilderingen verheerlijkt en in een revue dansten de chorusgirls met hakenkruizen op de bh's. Toen we op een luxe passagiersboot van de nyk naar San Francisco reisden hadden we het gevoel dat, ongeacht het vreedzame karakter van de overtocht, - het schip voer met alle lichten aan - de oorlog met het Westen ieder ogenblik kon losbreken. Zover was het, gelukkig voor ons, nog niet. We kwamen behouden in San Francisco aan. Nu was het maar een paar dagen sporen naar Stratford in Canada, waar we ons bij het kleine Nederlandse Legioen meldden. Van hier zouden we straks, na een korte militaire opleiding, naar Engeland vertrekken. Maar voor het zover was kreeg ik toestemming om mijn ouders in Suriname op te zoeken. Er was nog niet eerder iemand uit bezet Nederland in Suriname gearriveerd. Dat maakte mijn komst, die zich anders tot de familiekring zou hebben beperkt, tot een publiek evenement.
Suriname was, dat moet ik vooropstellen, in hoge mate pro-geallieerd, pro-Nederlands, pro-Oranje, al leek het en-
thousiasme voor de geallieerde zaak bij de hindoestaanse bevolkingsgroep, misschien ingegeven door de terughoudende opstelling van Gandhi, wat minder dan bij de creolen. Het werd mijn taak om aan al de mensen die verstoken waren van berichten uit Nederland, te gaan vertellen wat zich daar in de meidagen en daarna had afgespeeld. Daar kwam bij dat een meneer van het recruteringsbureau in de Verenigde Staten me had gevraagd in Suriname op het bestaan van het Nederlands Legioen te wijzen. Het ging namelijk niet zo goed met de recrutering, het aantal Nederlanders in den vreemde dat zich voor de militaire dienst aanmeldde viel bitter tegen. Het werd mij niet moeilijk gemaakt. Het comité Suriname Waakt had de bioscoop Bellevue afgehuurd en voor een stampvolle zaal begon ik aan mijn verhaal. Ik sprak niet van papier, dat was ook niet nodig, alles lag nog kersvers in mijn geheugen. Ik moet die middag over een groot oratorisch talent hebben beschikt, want Suriname Waakt kon na een paar dagen al berichten dat zich honderden vrijwilligers hadden opgegeven om dienst te nemen in het Nederlandse leger. Om geen tijd te verliezen werd een medische keuringsdienst in het leven geroepen en binnen een paar weken waren een kleine vijfhonderd man geregistreerd.
Tot een uitzending is het nooit gekomen, zonder dat daar ooit een reden voor is opgegeven. Terug in Canada vroeg de legerleiding mij niets, er werd niet op gezinspeeld, het werd doodgezwegen. En toen ik in oktober 1941 per troepenschip met een detachement uit Canada in Engeland aankwam gebeurde hetzelfde, of beter gezegd, er gebeurde niets. Het leek wel of ik iets verkeerds, iets misdadigs had gedaan door die uitroep tot dienstneming in Suriname te laten uitgaan. Na mijn terugkeer uit Suriname had ik verslag uitgebracht aan het recruteringsbureau en aan de Nederlandse ambassade in Amerika. Antwoord is uitgebleven, heeft mij althans niet bereikt. Veertig jaar later lees ik in Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog van professor De Jong, in een noot onderaan een bladzij, dat de vrijwilligers door de minis-
ter van Oorlog, Van Boeyen, geweigerd werden, vermoedelijk omdat deze vreesde dat zij binnen de Prinses Irenebrigade aanstoot zouden geven aan de Nederlandse vrijwilligers en dienstplichtigen uit Zuid-Afrika. Het is alsof de vaderlandse geschiedschrijver zich geneert om zoiets ongehoords te moeten vermelden. En dan te bedenken dat de Prinses Irenebrigade in oktober 1941, toen ik in Wolverhampton, waar ze gelegerd was, aankwam slechts over enkele compagnieën beschikte, de subsistenten-compagnie, bestaande uit hen die maar moeilijk meekonden, meegerekend. De constante stroom Engelandvaarders, die voor het merendeel via Frankrijk en Spanje kwamen, was toen nog niet op gang gekomen. Sommige euvele besluiten spreken voor zich. Dit is er een van. En anderhalf jaar later zijn Nederlandse dienstplichtigen uit Zuid-Afrika, die zich aan de dienstplicht onttrokken, naar Suriname verscheept om daar in de gevangenis te worden opgesloten. Als iemand mij toen, in 1941, verteld had hoe minister Van Boeyen erover dacht, zou ik hem niet hebben geloofd. Nu wel.